Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

De oudste geschiedenis van Amersfoort.


De treffende omschrijving van het ontstaan van Amersfoort uit 'Scarabee' febr.1995.

De oudste geschiedenis van Amersfoort kan als voorbeeld dienen voor de wijze waarop men in het verleden 'geschiedenis' schreef.
Zonder ook maar enig aannemelijk bewijs werd een vermeende geschiedenis aanvaard, die onuitroeibaar blijkt, ook al spreken tegenwoordige bevindigen die eenmaal aanvaarde geschiedenis tegen. Wat eenmaal beschreven is blijft ook in nieuwste publicaties terugkeren als uitgangspunt. Daarmee wordt meteen aangetoond dat geschiedenis te vaak bestaat uit klakkeloze naschrijverij, zonder dat men de primaire bronnen controleert.

De geschiedenis van Amersfoort kent meerdere onjuistheden en mythen.

In "Nering en Vermaak" menen de schrijvers die oudste geschiedenis te kunnen bewijzen o.a. met verwijzing naar een artikel uit 1981 van archeoloog W.J.van Tent. In het betreffende artikel heeft men het liefst 9x over 'waarschijnlijk', 7x over 'lijkt' en 3x over 'vermoedelijk'. Hoeveel zekerheid heeft men dan?

De naam 'Amersfoort' heeft geen betrekking op een '-voorde' door de 'Amer', maar op een 'beschermde nederzetting' (een fort) op een uitloper (een hAME) van de Utrechtse Heuvelrug.
Er is geen zinnig historicus die de naam Amersfoort in verband brengt met de Amer bij Geertruidenberg.

Lees het artikel over Amersfoort.


De Onze Lieve Vrouwetoren, het bekendste historische monument van Amersfoort, hier uitgevoerd in tegels als muurornament.

Sinds Abraham van Bemmel in 1760 de 'voorde' door de Eem als herkomst van de naam Amersfoort noemde, heeft men dit zonder verder onderzoek maar aangenomen. Het klonk immers aannemelijk.
Hij baseerde die opvattingen echter op het feit dat aan beide zijden van de Eem een herberg stond, die men door die oversteek kon bereiken. Bij de ene herberg was een hamer afgebeeld op het uithangbord, aangezien deze herbergier ook smit was. Vandaar de naam Hamer-voorde, zo verklaarde Van Bemmel.

Zowel het bestaan van die herbergen als die smidse zijn ooit aangetoond. Het was een fantasietje van Van Bemmel. En op dit fantasievolle verhaal is de betekenis van de naam Amersfoort gebaseerd. Alle historici hebben nadien deze fantasie klakkeloos nagepapegaaid en hebben nooit gedegen onderzoek gedaan naar de mythe en legende van het ontstaan van de naam Amersfoort.

Een Ham.

Een Ham is in een waterrijke omgeving een deel van het land dat uitsteekt boven dat water. Denk aan ons woord 'uitham' (al is inham bekender). En precies op zo'n plek, op een uitloper van de Utrechtse Heuvelrug is Amersfoort ontstaan. De eerste bewoners settelden zich juist hier aan de oever van het water en niet verderop op de Amersfoortse berg. Aan die oever had men voedsel (vis) en schoon drinkwater dat vanuit de beken werd aangevoerd. En juist deze twee zaken zijn primaire levensbehoeften van de mens en ook de enige reden dat men zich hier vestigde.

Het gehucht Den Ham is feitelijk de naamgever geworden van de stad die er vlak bij ontstond. Een gehucht, een buurtschap is in het frans een Hameau (Hamlet in 't Engels). Ook hierin zien we de vergelijking van een kleine nederzetting met een HAM, precies zoals Amersfoort ontstond als kleine nederzetting.

Hames-forte.

Voor het prefix Ham kan etymologische een vergelijking gemaakt worden met Hammaburg (is Hames-Boucres bij Calais, dat in 845 ook Hamwiq -Hamwijk- genoemd wordt) en Hamanaburch (ook Amanaburch) bij Valenciennes. Maar ook Hamburg in Duitsland heeft dezelfde etymologie, al is de afkomst daar het gevolg van de deplacements historiques.
Etymologisch wordt een Hamm of Hamma verklaard met "een landtong uitstijgend in een overstromingsgebied". Dat is ook precies van toepassing op de plek waar Amersfoort ontstond.

Vergelijk het Ham met andere plaatsen, zoals Haméval, Hamelincourt, Hamencourt, Hammelstedt, Hamtia, Hamhusun enz., maar ook Amerval, Ames, Amerschot, Amers, Amelsdorp, Amercoeur enz.

Het suffix 'foort' heeft betrekking op 'fort', versterking, verdediging, niet tegen een vijand maar tegen het water. De emigranten vanuit Amersfoort naar Amerika hebben dat in 1652 heel goed begrepen. De nieuwe stichting aan de Hudsonrivier kreeg de naam Amersfort, met één -o-.
De verklaring van forte (-fort, -forde) is overeenkomstig als die van -burg of -burch, namelijk "een beschermde of versterkte nederzetting" (ook borc of bourg), waar ons woord 'burcht' een directe afleiding van is. Het heeft dezelfde betekenis in Stoutenburg, Rustenburg, Schuilenburg bij of in Amersfoort. Het was een veilige plaats om te wonen in een overwegend nat en drassig gebied. Je was er 'geborgen'.

Vergelijk daarmee: Audenfort, Montfort, Rochefort, Sandfort, Wiesfort enz.

In het geval van Amersfoort werd de nederzetting beschermd met een aarden wal*), niet tegen invallen van vijanden, maar tegen het gevaar van overstromingen.
Die aarden wal was zeker noodzakelijk, want tot in de 20e eeuw heeft Amersfoort regelmatig met overstromingen te maken gehad.

*) De stad Utrecht kreeg in 1122 stadsrechten en werd toen ook beschermd door een aarden wal. Overstromingsproblemen zoals de Allerheiligenvloed van 1170 bleven de stad niet bespaard en werden pas na de afdamming van delen van de stad reguleerbaar. Pas midden 14e eeuw werden de eerste delen van de aarden wal vervangen door een stenen muur. Amersfoort zal als 'ondergeschikte' aan Utrecht geen eerdere ontwikkeling hebben gekend.

Tot de aanleg van het Valleikanaal in de jaren tussen 1935 en 1940 wat voor een betere afwatering zorgde, waren veel gebieden ten noorden en oosten van Amersfoort ongeschikt voor bewoning. Pas nadien werden deze gebieden geschikt voor huizenbouw en bewoning. Te denken valt aan de wijken Randenbroek, Kattenbroek, Liendert, Schuilenburg, Vathorst, maar ook aan de wijk Schothorst die tot in de 20e eeuw 'Breede Goren' heette. Ook de namen van plaatsen rondom Amersfoort geven aan dat het een natte toestand was. Denk aan Leusbroek, Zwartebroek, e.d.



Lees meer over de geschiedenis van 200 jaar Katholiek Lager Onderwijs in Amersfoort (klik op de afbeelding hierboven).

Dat de naam van Amersfoort afkomstig is van 'voorde' door de Eem is een mythe uit de 18e eeuw.
Daar bestaat geen enkel bewijs voor, integendeel!


De algemene opvatting is dat de naam betrekking zou hebben op een doorwaadbare plaats, een 'voorde', door de Eem, ook wel Amer genoemd. Deze opvatting is ontstaan in een tijd dat men van de nederzettingsgeschiedenis nog geen weet had en is niet gebaseerd op enig wetenschappelijk argument of bewijs. De legitimatie van die 'voorde' vond men in de vermeende handelsweg naar het noord-oosten. Maar die handel kwam pas op gang na de verlening van stads- en marktrecht in 1259. In de 11e eeuw was er van handel in het geheel geen sprake. Het gehele gebied rondom Amersfoort was nog één groot moerasgebied. Pas na de ontginningen in de 12e eeuw werd dit gebied bereikbaar en bewoonbaar.
Ook uit recente studies uit 2016 blijkt steeds weer die natte toestand. De plaats waar Amersfoort ontstond werd pas bewoonbaar door ontginningen van het gebied met de aanleg van sloten en dijken.

De traditonele opvatting over de naamgeving van Amersfoort is aan herziening toe.

Met een meer gedegen onderzoek komt men al snel tot een geheel andere oorsprong van de naam. Zeker als men de nederzettingsgeschiedenis van Nederland erbij betrekt en de naamgeving vergelijkt met die van andere plaatsen in het Dietse taalgebied. Bij dat taalgebied moet men ook zeker Frans-Vlaanderen betrekken dat tot 1713 zelfs nog deel uitmaakte van 'de Verenigde Nederlanden' en waar het Nederlands nog steeds als taal bestaat.

Amersfoort is ontstaan op een uitloper van de Utrechtse Heuvelrug, waar de eerste bewoners een omwalde nederzetting stichtten, die hen tegen overstromingen, die tot in de 20e eeuw voorkwamen, moest beschermen.
Zo'n uitloper heet in de nederzettingsgeschiedenis een Hames (of Hamme, maar ook Ham). Een beschermde of versterkte nederzetting heet een forte (het Latijnse woord 'forte' betekent naast sterk en krachtig ook 'niet vergankelijk' en 'beschermend').
Beide componenten vindt men terug in de naam van Amersfoort: een beschermde nederzetting op een uitloper van de Utrechtse Heuvelrug. Het Hames-forte veranderde fonetisch in Amers-foort.


Het verval van de -H- en de toevoeging van de -r- zijn slechts kleine fonetische veranderingen, die wel meer voorkwamen in de tijd dat de Nederlandse taal nog volop in ontwikkeling was. We zien hetzelfde bij de stad Assen, die aanvankelijk Hassen heette.
Een voorbeeld uit Amersfoort zelf is de naam van de Eem waarvan men meende dat die van Hemus afgeleid zou zijn. Ook hier verdween de -H- in de naam.

Andere voorbeelden uit het Nederlandse taalgebied waarbij de -H- kwam te vervallen zijn Ames dat eerder Hames heette, Elnes (voordien Hennes), Isbergue (was Hibergue), Amblain (daarvoor Hamblain), Amontpré (was Hamonpré), Offekerk (voorheen Hofkerk), Olhain (voorheen Hollain), Inderham (oude vorm Hinderham), Adsoit (oude vorm Harsoit). (Bron: o.a. Table der Formes Anciennes, Loisne, Dictionaire toponymique du Pas-de-Calais).
In klassieke teksten komt men het volk van de Hattuarii tegen, later geschreven als Attuarii, die in de omgeving van Ath (B) woonden.
Een algemeen voorbeeld vinden we in de familie- en/of voornaam, waar Hadrianus geleid heeft tot de naam Adrianus/Adriaan.

Ook in andere taalgebieden komt het vervallen van de -H- voor. Denk aan Espagne-Hispagne (Spanje) en aan het Franstalig gebied waar het veelvuldig voorkomt. In het Frans wordt bij de meeste woorden die met een 'h' beginnen, de 'h' niet uitgesproken. Dit betekent dat dit een 'stomme' 'h' is. Omdat de letter die na deze 'stomme' 'h' altijd een klinker is, wordt dit gezien als de eerstvolgende letter die wel wordt uitgesproken. Aram bijv. stond in Latijnse teksten als Arem, Harem of Heram geschreven. Dat de H er soms staat en soms niet is typisch voor de Frans-Nederlandse taalgrens; het is een 'stomme h', die dan wel dan niet wordt geschreven, maar nooit werd uitgesproken. De niet uitgesproken -H- verdween in het verleden wel eens in de schrijftaal.
Een ander voorbeeld van de stomme -h- vinden we in het land van Hervé, in het stamgebied van de familie Delahaye. "Herve est cité sous la forme "Arvia" en 898 dans la chronique des évêques de Toul; "Harva" en 1041; "Harvia" en 1042, 1059 et 1063; "Hervia" en 1143. Une charte de 1220 cite: "Harvia". Hier wordt de -H- toegevoegd aan het oorspronkelijke Arvia, maar wordt niet uitgesproken.

Let ook op het verschil tussen talen: avoir in het Frans is hebben in het Nederland en have in het Engels. Maar ook andersom: heure=uur, haleine=adem, honneur=eer, steeds juist wel of juist niet met een -h-.

Ook in het dialect komt hetzelfde verschijnsel voor waar de stomme -h- in de schrijfwijze vervalt. In het Limburgs wordt de stomme -h- geschreven als die -h- het losse woord herkenbaar maakt. Bijvoorbeeld: Grathem, Brookheze. Wanneer toevoeging van de -h- dit maar gedeeltelijk of geheel niet bereikt, dan vervalt de h: Gratem, Brokeze.

Een volgend aandachtspunt bij plaatsnamen is dat onder invloed van 'les deplacements historiques' plaatsnamen elders terechtkwamen, waar de oorspronkelijke betekenis van de naam niet meer toepasbaar was. Denk bijv. aan Amersfoort in Zuid-Afrika, waar geen rivier de Eem is en er ook van een voorde geen enkele sprake is. Toch bestaat daar de naam Amersfoort.

De traditionele opvatting.
Er bestaat geen enkel bewijs dat de naam Amersfoort afgeleid zou zijn van 'voorde' door de 'Amer'. Wat deze traditionele opvatting betreft, doen zich drie problemen voor:

1. Dat de Eem ooit Amer geheten zou hebben is noch schriftelijk noch taalkundig ooit aanvaardbaar gemaakt. Er is geen enkel bewijs voor. De naam Amer voor de rivier de Eem is ook nergens in authentieke bronnen te vinden. Het is een typisch voorbeeld van een cirkelredenering en was ooit een bedenksel van H.Halbertsma, wat reeds in 1965 is weerlegd, maar desondanks steeds weer de kop op steekt.

2. Het tweede probleem is dat de doorwaadbare plaats ook niet aangewezen kan worden. De archeologen en historici hebben een vijftal plekken op het oog, maar geen van die plaatsen vormt een aanvaardbare locatie, vandaar dat men het er nog steeds niet over eens is (ofwel de plaats van die voorde is onbekend en heeft dus niet bestaan)

3. Het derde probleem is dat nooit aannemelijk is gemaakt waar die doorwaadbare plaats voor diende. Die leidde namelijk rechtstreeks het moeras in. We hebben het hier wel over het begin van de 11e eeuw en niet over argumenten uit latere eeuwen die wel eens genoemd worden, zoals handel met Amsterdam of Zwolle. Die handel bestond nog niet in de 11e eeuw. Sterker: Amsterdam en Zwolle bestonden toen nog niet eens. Hoezo handel?

Zowel de 'Amer' als de 'voorde' zijn onvindbaar in Amersfoort.

Het argument dat de Eem ooit Amer geheten zou hebben, wordt ondergraven met de opvatting dat de oude naam van de Eem Hemus zou zijn. Deze naam wordt in de oorkonde uit 777 genoemd en wordt onjuist toegepast op de omgeving van Amersfoort.
Ook het gegeven dat er in het Nederlandse taalgebied talrijke plaatsen te vinden zijn die met Amer- beginnen en die niet in de buurt van de Eem liggen, zelfs niet eens in Nederland, geeft aan dat het prefix 'Amer' niet met de Eem te maken heeft. Denk aan Amerongen, Amerzoden enz., maar ook aan Amersvelde (in België) en Amerval (in Noord-Frankrijk).

Ook de plaats en de bedoeling van die 'voorde' blijven grote vraagtekens opleveren. Die 'voorde' zou rechtstreeks het moeras ingeleid hebben, dat ten westen, noorden en oosten van Amersfoort tot in de 14e eeuw nog volop aanwezig was. Zelfs in de 20e eeuw waren veel stukken land in dit gebied volkomen ongeschikt voor bewoning vanwege de te natte toestand. Pas de aanleg van het Vallei-kanaal in de 20e eeuw bracht daar verandering in.

Opvallend detail in de 'voorde' discussie is dat de plaatsen waar die voorde wel aantoonbaar is, allemaal met een -v- worden geschreven, zoals Bekkevoort, Bredevoort, Helvoort, Maasvoort, Stevoort en Westervoort. Duivenvoorde, IJzevoorde en Lichtenvoorde zijn voorbeelden van een plaatsnaam op -voorde (met een -v-), waarbij de doorwaadbare plaats in een moerasgebied eveneens een evidentie is.
Slechts bij Amersfoort en Montfoort schrijft men een -f- en een -t. De etymologie van Montfoort een 'versterkte berg' (volgens M.Gysseling nog wel) verwijst naar de herkomst en betekenis van het -foort-.
Het -foort- in Amersfoort heeft ook betrekking op een versterking, een bescherming, niet tegen een vijand, maar tegen het water. Dat die overstromingen waarheid zijn blijkt wel uit de overstroming in 1916, waarna de afsluitdijk verdere problemen heeft voorkomen.


De oudste vermeldingen van Amersfoort komen voor in twee oorkonden uit 1028 en 1050. Daarin wordt de plaats respectievelijk Amersforde en Amersfordo genoemd, wat opvallend is aangezien het de schrijfwijze uit de 14e eeuw betreft. In deze oorkonden wordt de (latere) Paulusabdij in Utrecht bevestigd in bepaalde bezittingen. Met een oorkonde uit 1006, waarin Amersfoort overigens niet genoemd wordt, vormen deze 3 oorkonden een soort drieluik die over dezelfde bezittingen handelen.
Algemeen wordt de oorkonde uit 1006 als een falsum beschouwd. Ook de oorkonde uit 1050 wordt door de meeste historici als zodanig beschouwd. Over de echtheid van de oorkonde uit 1028 bestaat een reeds lang durende discussie, waarbij menig historicus ook aan die echtheid twijfelt. Bij een nadere analyse van de inhoud van die oorkonden kan men de stelling verdedigen dat het alledrie falsums betreffen. Het blijken oorkonden te zijn die vele eeuwen nadien zijn opgesteld. (Zie voor de analyse het artikel over Amersfoort, p.2 e.v.)

Wat weten we nu feitelijk echt?
De naam van de stad bestaat uit de delen AMER en FOORT, traditioneel opgevat als een doorwaadbare plaats, een 'voorde' door de Eem, die ooit Amer geheten zou hebben. Zowel de naam 'Amer' voor de Eem, als de plaats van die 'voorde' zijn nooit gevonden of met zekerheid aangetoond.

Het meest opvallende was de functie van die doorwaadbare plaats. Die functie was er niet. De voorde bij Amersfoort zou rechtstreeks het moeras ingeleid hebben. Immers ten noorden, oosten en westen van Amersfoort bestond in de 11e eeuw het land uit één groot moeras- en overstromingsgebied van de Zuiderzee. Pas met de ontginningen die in de 12 eeuw begonnen, is het land toegankelijk geworden. Er waren geen wegen in dit gebied, dus welk nut die voorde gehad heeft, is een nooit beantwoorde vraag gebleven.

De eerste bewoners van Amersfoort waren ook geen boeren, zoals de traditie ons wil doen geloven, maar vissers. Voor enige akkerbouw in die tijd is ook geen enkel bewijs te leveren. Van 'tienden' die hierover door de abdij geheven werden, kan in de 11e eeuw ook in het geheel geen sprake zijn. Dit gegeven wordt voor het eerst vermeld in de 13e eeuw. Dit is tevens een bewijs dat die oorkonden pas na de 13e eeuw zijn opgesteld.
Aan de rand van een moeras- en overstroningsgebied zochten die eerste bewoners hun nering. De naam van een der oudste straatjes van Amersfoort "Vijver" verwijst ook naar die visserij. Vijver - Vivarium - vivere - vive = leven. Het was een bassin waarin de nog levende vissen bewaard werden. Bij gebrek aan kennis over 'haringkaken', of middelen om vis gekoeld of gezouten te bewaren, was dit de enige mogelijkheid vis langer goed te houden: levend.

Een tweede levensbehoefte van de mens is schoon drinkwater. En dat was op het punt waar enkele beken samenstromen, aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug, voldoende voorhanden. Dat schone drinkwater zou in latere eeuwen ook de aanleiding worden om juist hier enkele industrieën te vestigen waarbij schoon water onontbeerlijk is, zoals bierbouwerijen, textiel wasserijen en blekerijen.

Wanneer ontstond Amersfoort?
De eerste ontwikkelingen in de latere stadskern van Amersfoort, waar ook de St.Joriskerk gebouwd is, hebben zich pas in de 12e eeuw voorgedaan. Een belangrijke -zo niet de belangrijkste- stimulans daartoe zal ongetwijfeld de vestiging van een bisschoppelijk hof geweest zijn. Deze hof komt in 1203 pas voor het eerste voor in een schriftelijke bron. De meeste historici houden de stichting van Amersfoort dan ook op het einde van de 12e eeuw, wat ook prima past in het ontstaan en de ontwikkeling van andere plaatsen in Nederland.
Toch probeert de Archeologische Dienst van Amersfoort de geschiedenis van de stad terug te brengen tot de 9e eeuw. Met de vondst van een enkele scherf (van een Reliëfband Amfoor), die men op de 9e eeuw heeft gedateerd, meent men nu de geschiedenis van Amersfoort tot in de 9e eeuw te kunnen aantonen. Maar hier ontbreekt elke logica en de samenhang met andere vondsten en het ontstaan van andere steden in Nederland.
Amersfoort zou als eenling veel ouder zijn dan andere steden, zoals Zwolle, Amsterdam, Rotterdam, zelfs ouder dan Dordrecht, de oudste stad in laag Nederland. Dat is zo ongeloofwaardig dat het ook niet geloofd moet worden.
Opvallend blijft dat er in de binnenstad van Amersfoort, dus daar waar de stad ontstond, nooit oudere archeologische sporen zijn gevonden dan uit de 12e eeuw. Ook de tussen de 11e en 14e eeuw gedateerde bewoningssporen op het Mooiersplein brengen daar geen verandering in. De ruime marge van 3 eeuwen stelt de datering in de 11e eeuw al aardig ter discussie! (Referentie: Archief Eemland, code MP.98).

  • Scherven.
    Scherven worden te pas en onpas overal in Nederland gevonden. Zonder dat de vondstomstandigheden worden meegenomen, worden er vaak verregaande conclusies aan verbonden. Maar wat bewijst die ene scherf? Een "Frankische" woonplaats? De vraag die altijd gesteld zou moeten worden is "Hoe kwam die ene scherf daar ter plaatse?" De eerst volgende vraag moet zijn: "Waar is de rest van die pot of schaal waar die scherf een deel van was?"
    Er mogen geen voorbarige conclusies getrokken worden uit een enkele scherf, zeker niet als op één locatie scherven uit verschillende perioden gevonden worden.


    Toch is dat regelmatig gebeurd, zoals in Utrecht, in Nijmegen, in Wijk bij Duurstede, in Deventer en op nog andere plaatsen in Nederland. De feitelijke bewijslast wordt niet geleverd, slechts gesuggereerd. Zie voor de vele voorbeelden de "Archeologische Kroniek van de provincie Utrecht", de "Berichten van de ROB van 1950-2006", Westerheem 1952-2004, KNOB-Bulletin 1899-2008 en "50 jaar Numaga-publicaties".

    Als voorbeeld mag de vondst van de eerder genoemde scherf van een Reliëfbandamfoor in Zielhorst, een nieuwbouwwijk drie kilometer ten noorden van de stadskern van Amersfoort dienen.

    Aan de vondst van een enkele verdwaalde scherf wordt zeer speculatief een geschiedenis toegeschreven, die zeer discutabel is. Met slechts één verdwaalde scherf die men op de 9e eeuw dateert, zou men aangetoond hebben dat Amersfoort al in de 8e en 9e eeuw bewoning gehad zou hebben en zou hebben bestaan. Deze opvatting is terug te voeren op de wens om de oorkonde uit 777 ook op Amersfoort van toepsssing te laten zijn. Hoewel de vondst van een scherf voor de nodige interpretaties vatbaar is, is deze scherf afkomstig van aardewerk dat tot in de 12e eeuw in gebruik is gebleven. De scherf kan dus ook uit de 12e eeuw stammen, wat in samenhang met de ontwikkeling van het gebied rond Amersfoort een stuk logischer is. (Zie voor de onderbouwing het artikel over Amersfoort, p.4.)
    Bovendien is de scherf gevonden in een dichtgegooide greppel. Wie had daarvoor die greppel gegraven? Of was het geen greppel, maar een kreek ontstaan door overstromingen? Waar kwam dat zand voor het dichtgooien vandaan? Zat die scherf daar al in? Ook toont men met een enkele scherf aardewerk geen bewoning aan, wat overigens een regelmatig voorkomende interpretatiefout in de archeologie is. Een scherf maakt onderdeel uit van een pot, waarin voedsel of zoiets bewaard werd. Dat voedsel werd niet alleen ter plaatse gebruikt, maar ook meegenomen op reis. Ook op reis per schip. Een pot die nu 'op het droge' wordt gevonden, kan ook ooit overboord gevallen zijn. En zo zijn schijnbaar vaststaande archeologische opvattingen gemakkelijk anders te verklaren. Zie voor de vele voorbeelden het hoofdstuk over de archeologie en het hoofdstuk over archeologische missers.

    Momenteel (2013) hanteert men ook de opvatting dat de naam Amersfoort in de 11de eeuw en mogelijk ook in de 12e eeuw niet op een nederzetting ter plaatse van de huidige stad duidde, maar op een streek waar de bewoning zich aanvankelijk vooral op het Hoogland zal hebben geconcentreerd. Bron: Kemperink 2009, Snieder 2009 en Broer 2000.
    Dit meent men nu op te maken uit het feit dat in de binnenstad van Amersfoort nauwelijks sporen van bewoning zijn aangetroffen van vóór de 12e eeuw. Dat gebied was dan ook laaggelegen en drassig, weinig geschikt voor bewoning, terwijl het Hogeland, zoals de naam al aangeeft, hoog en droog lag.

    Het is toch vreemd dat ter zake deskundigen er zo'n denkwijze op na kunnen houden. Ten eerste lag ten zuiden van Amersfoort de Utrechtse heuvelrug, waar men hoog en droog kon wonen, maar dat toch om een of andere reden niet gedaan heeft. Dat op zich is al een nadere studie waard. Bovendien is de naam Hoogland geen garantie dat het land er hoog genoeg was en dat het bij overstromingen droog bleef. De naam 'Hoogland' kreeg de gemeente ook pas in de 19e eeuw en daar kunnen dus geen argumenten uit de 12e eeuw aan ontleend worden. Het grootste deel van Hoogland ligt nauwelijk hoger dan Amersfoort en werd ook pas vanaf de 12e eeuw ontgonnen. Er is in dit gebied ook veel zeeklei afgezet, wat slechts kan duiden op langdurige overstromingen door de zee. Slechts een smalle strook langs de huidige Hamseweg lag tot 4m30 boven NAP. Dit gebied heette vanouds ook niet Hoogland, maar Den Ham. Zie voor deze en andere informatie het boek 'Amersfoort lag aan zee'. En het is juist de naam Ham die aan Amersfoort eerder de naamgeefster is geweest.

    Het is opmerkelijk dat mevr. Broer zich bij deze opvattingen aansluit, wat feitelijk haar hele verhaal over het klooster op de Hohorst weerlegt. Geen wonder ook dat zij schrijft "dat we hier de vroegste bewoning mogen veronderstellen". Zij wijst om haar betoog te ondersteunen op het veelvuldig voorkomen van het toponiem '-laar', wat op vroege bosontginning zou wijzen. Waar dat 'laar' veelvuldig voor zou komen in de omgeving van Amersfoort is mij een raadsel. In dit gebied wijst slechts de naam Emiclaer in die richting, echter het -claer is een geheel andere toponiem en heeft niets te maken met -laar, maar alles met -klaar (helder) wat het water van de Eem hier ook was. Historische namen als De Biezen, Nieuwland, Melm, Zeldert, Liendert, Kattenbroek, Randenbroek, Leusbroek, wijzen erop dat dit een moerasgebied was, welk gebied ook pas na 1200 ontgonnen is. Dat het bezit van tienden in Hogeland en Emmeclaar door de Paulusabdij pas voor het eerste in 1283 wordt vermeld, wat Broer zelf ook vermeldt, heeft haar niet op een herziening van haar opvatting gebracht.

    Volgens het etymologisch woordenboek van het Nederlands (red.M.Philippa) is de herkomst van het woord 'laar' onzeker. Het komt in Nederland voor bij enkele plaatsnamen, die, zo blijkt uit de oorspronkelijke oorkonden, allen in Frans- en Belgisch Vlaanderen gezocht moeten worden. Ook dit gegeven past weer in de bekende 'deplacements historiques' waarmee de geschiedenis van Nederland doorweven is.
    Volgens Gysseling betekent 'hlar' een 'bosachtig moerassig terrein', waarbij hij vermeldt "dus ongeschikt voor bewoning"; volgens Künzel betekent het 'intensief benut bos' een betekenis die beter valt te koppelen met het nadien ontstane 'open plaats in het bos'. Aan beide opvattingen wordt echter geen enkele datering toegeschreven, laat staan dat met dit pas later (na 1294) ontstane Nederlandse woord 'laar', bewoning kan worden aangetoond in de 11e eeuw.

    De grote overstroming in 1916 bewijst al dat het 'hoog en droog' in Hoogland al niet klopt. Deze overstroming waarbij 19 doden te betreuren waren, was de aanzet tot de afsluiting van de Zuiderzee met de Afsluitdijk uit het plan Lely dat al langer op tafel lag (dat was tussen 1887 en 1892 gereed gekomen).

    Tegen de traditionele opvattingen over het ontstaan en de naamgeving van Amersfoort zijn veel argumenten in te brengen. Er dient een discussie op gang te komen omtrent de juistheid van die traditionele opvattingen. Moge bijgaand artikel over Amersfoort daartoe een eerste aanzet geven.
    De kerk in Oud-Leusden, op de rand van Amersfoort en op de uitloper van de Utrechtse heuvelrug gelegen, mag dan ook beschouwd worden als de eerste parochiekerk van Amersfoort. De toren van deze kerk stamt uit de 13e en 14e eeuw, wellicht heeft er een oudere kerk gestaan waarvan archeologisch nooit iets gebleken is. Deze kerk gaat zeker niet terug tot de 8e eeuw en was ook niet het begin van het dorp Leusden, al staat deze nu op het grondgebied van de gemeente Leusden. Leusden is een moderne plaats waar ooit een groot moeragebied was, wat uit de oude namen Leusbroek, Moors, Zwartebroek, Kallenbroek en Randenbroek wel op te maken is.

    P.S. Net als kamp Amersfoort in de 2e wereldoorlog in de gemeente Leusden lag, maar toch kamp Amersfoort heette, was de kerk van Oud-Leusden de eerste parochiekerk van Amersfoort. Deze plaats heette toen nog geen Leusden en zeker ook niet Lisiduna. De kerk van Oud-Leusden lag op een hoger deel van de omgeving en bleef dan ook van overstromingen en wateroverlast bespaard. Het geeft tevens aan dat van wateroverlast in het lager gelegen deel van Amersfoort wel degelijk sprake was.

    Lees voor de geschiedenis van Amersfoort ook de hoofdstukken over de oorkonden uit de jaren 777 en 1028 en 1050 en het hoofdstuk over de vier bossen uit de oorkonde van het jaar 777.

    Het moerasgebied rondom Amersfoort.
    De grootte van het moerasgebied blijkt wel uit de naamgeving van plaatsen en gebieden in Utrecht en Gelderland rondom Amersfoort.
    Van Baarn tot Barneveld (ba(a)rne=burne=brandstof ofwel turf), de veennamen van Veenendaal tot Nijkerkerveen, Calveen, Hooglanderveen en Veenhuizen. De broeknamen (broek=laag gelegen moerassig land) van Kattenbroek (2x) tot Zuiderbroek, van Randenbroek tot Zwartebroek, Leusbroek, Huinerbroek, Garderbroek, Kootwijkerbroek, Kallenbroek en zelfs tot Oldenbroek. Maar ook namen als Moors en Modderbeek wijzen op de drassige situatie in dit gebied. Pas sinds de aanleg van het Valleikanaal tussen Veenendaal en Amersfoort (in 1935-1941) werd de afwatering en het voorkomen van wateroverlast beter geregeld.


    Amersfoort krijgt ‘statregte’
    In 1259 verleent de Utrechtse bisschop Hendrik van Vianden ‘statregte’ aan Amersfoort, waarna deze nederzetting zich stad mocht noemen, een ommuring mocht maken en een zekere bestuurlijke autonomie verwierf. Met het verlenen van stadsrechten kreeg de bisschop van Utrecht meteen ook zeggenschap in de stad, wat uiteraard de achterliggende gedachte van de verlening van die stadsrechten was. De betrokkenheid van de kerkelijke instanties leverde de stad ook enkele voordelen op. Zo kreeg Amersfoort in 1331 tolvrijheid in Amsterdam en verleende de bisschop Amersfoort in 1337 vergunning voor het houden van twee vrije jaarmarkten.

    Het is duidelijk dat Amersfoort vanaf het begin van het ontstaan een warme relatie had met de bisschopsstad Utrecht.
    In de oorkonde waarin Amersfoort stadsrechten kreeg (12 juni 1259) wordt de plaats een oppidum genoemd. Bij de Romeinen was een oppidum oorspronkelijk een op een hoogte gelegen, de vlakte beheersende versterkte plek. Onder oppidum in het geval van Amersfoort betekende het dat de plaats hogergelegen was en uitzag over een vlakte, die nat en moerassig was. De versterking betrof een aarden wal, die de mens moest beschermen tegen opkomend water. Van vijanden in het begin van de 11e eeuw was immers geen sprake en daar zijn ook geen schriftelijke of archeologische bewijzen voor. Karakteristiek voor een oppidum is een versterking door een aarden wal of stenen muur en hadden geen grote permanente bevolking. Het waren goed verdedigbare vluchtoorden, waar de bevolking vanuit een tamelijk wijde omtrek zich schuilhield wanneer er gevaar dreigde, vaak een vijandig leger, maar dan gaat het om situaties van na 1300, in het geval van Amersfoort was de 'vijand' het opkomende water.
    Toch kan men bij het verkrijgen van de stadsrechten van Amersfoort ook enkele vraagtekens plaatsen. Het was immers een verkapte manier van de machthebbers om invloed te krijgen in een bepaalde stad of streek. De voordelen van eigen zeggenschap waren zeker voor het gewone volk maar relatief. De nadelen van belasting te moeten betalen of krijgsdienst voor de bisschop te moeten verrichten, wogen zwaarder. Zo leefden de inwoners van Amersfoort tussen 1449 en 1463 op gespannen voet met de bisschop van Utrecht vanwege de steun die hij als Stichtse vorst verlangde, maar de Amersfoorters niet wilde verlenen. Feitelijk kreeg het oppidum Amersfoort, wat het al was in 1259, simpelweg dezelfde rechten als de civitas Utrecht. Ook hier is de originele oorkonde uit 1259 verloren gegaan, evenals de eerste kopie uit 1298. Wat we bezitten is een tweede kopie uit 1344 en de vraag is gerechtvaardigd in hoeverre deze kopie wel een kopie was aan de tijd en de omstandigheden is ‘aangepast’, of het origineel, wat in die tijd niet ongebruikelijk was.

    Door de verlening van stadsrechten heeft de bisschop van Utrecht in elk geval meer invloed gekregen in Amersfoort en de stad aan zich ‘onderhorig’ gemaakt. Daarmee werd de invloed van de graaf van Gelre die juist in het gebied ten oosten van Amersfoort toenam ‘afgekocht’. Blijkbaar heeft de bisschop van Utrecht handig gebruikgemaakt van het ontbreken van een sterk centraal gezag, het z.g. interregnum tussen 1250 en 1273. Het interregnum is de periode tussen de regeringen van de Hohenstaufen en Habsburg in het Heilige Roomse Rijk. Deze laat men soms aanvangen met de afzetting van keizer Frederik II, maar ook wel met zijn dood in 1250 of de dood van zijn zoon koning Koenraad IV – de laatste Hohenstaufen – in 1254, soms met de dood van Willem II van Holland in 1256. De periode eindigde in 1273 met de verkiezing van de eerste Habsburger op de troon, Rudolf I.
    De vraag die blijft is of de stadsrechten van Amersfoort dan wel rechtsgeldig genoemd kunnen worden.

    Op grond van deze feiten mag men als zeker aannemen dat er rond 1240 een geloofsgemeenschap bestond in Amersfoort, die gevestigd was in de St.Joriskerk. Dat de huidige kerk in Oud-Leusden, waarvan alleen de stenen toren bewaard is gebleven, ouder zou zijn dan de eerste kerk in Amersfoort is gebaseerd op de onjuiste toepassing van de oorkonde uit 777 op Nederland. De toren van de kerk in Oud-Leusden stamt uit de 13e (benedenbouw) en 14e eeuw (de bovenbouw), dus helemaal niet uit de 8e eeuw.

    De stadsrechtverlening van de bisschop van Utrecht aan de stad Amersfoort moet gezien worden als een juridische zaak, waarmee de stad onder de jurisdictie van de bisschop van Utrecht kwam en haar autonomie op terrein van belasting en krijgsdienst kwijtraakte. De stad Amersfoort werd als het ware verpand in een leen en ondergeschikt aan Utrecht. De beide voorwaarden van belasting en krijgsdienst in de oorkonde die de ‘statregte’ verleent verwijzen er duidelijk naar. Al met al geen reden die ‘verpanding’ in 2009 feestelijk te vieren met een 750-jarig jubileum.



    De Koppelpoort, uitgevoerd in tegels als muurornament. Hiernaast een afbeelding van de Onze Lieve Vrouwetoren.

    Voor meer informatie verwijs ik naar "De Ware Kijk Op" .