Boeken over Archeologie in Nederland.

De visie van Albert Delahaye.
De visie van Albert Delahaye wordt door de archeologie te vaak bevestigd. Juist op plaatsen waar men de bewijzen van de archeologie nodig heeft, worden deze gemist. Op plaatsen waar men die bewijzen niet nodig heeft worden archeologische vondsten gedaan die vervolgens worden aangegrepen de niet gevonden hiaten in te vullen. Het gat van Nijmegen is al jaren een gevleugeld woord om met niet te miskennen sarkasme uit te drukken, dat de archeologie volkomen verstek laat gaan over de zes eeuwen, die enige historici nog vol proberen te fantaseren. Van een paleis van Karel de Grote is in Nijmegen nog geen steen gevonden. En dat hiaat kun je niet invullen met vondsten te Lent, aan de overkant van de Waal.


Boeken over archeologie.
Regelmatig verschijnen boeken over Archeoologie in Nederland. Enkele voorbeelden zijn: Verleden land (Bloemers, J.H.F. / Louwe Kooijmans / Sarfatij, 1981), Archeologie in Nederland (W.A. van Es, 1988) , Opgravingen te Tiel-Passewaaij (2007, Roymans, N., T. Derks en S. Heeren (red.), Onder onze voeten (Evert van Ginkel en Leo Verhart, 2009) en Onder heide en akkers (Ginkel, E. van en L. Theunissen, 2009).
Ook bestaan er vele websites over archeologie, zoals Archeologie in Nederland.nl van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, waarop tienduizenden archeologische rapporten in te zien zijn.

Het is zaak hierin heel zorgvuldig op de bewijsvoering en met name de dateringen van de vondsten te letten. De feitelijke bewijsvoering spreekt de opvattingen en verwachtingen tegen, die met de titel van het boek worden gewekt. Te vaak worden de gewekte verwachtingen in het geheel niet waargemaakt en stelt het boek erg teleur. Daarbvij dient vooral gelet te worden op het woordgebruik, de vele twijfel die toch uitgesproken wordt en de uiteindelijke conclusies.

Als voorbeeld mag het boek 'Onder heide en Akkers' dienen. In de subtitel wordt vermeld 'De archeologie van Noord-Brabant tot 1200'. Dit boek handelt over de periode vanaf de steentijd. Maar de eerste 6 (van de 9) hoofdstukken gaan over de tijd tot 100 voor de jaartelling. Hoofdstuk 7 en 8 gaan over de Romeinse tijd, waarbij een aantal zaken onjuist vermeld worden, zoals de aanwezigheid van Julius Caesar in Nederland (zie daar). Pas hoofdstuk 9 (vanaf pagina 220 van de 251) gaat over de vroege en late middeleeuwen, waarbij de periode tussen 1000 en 1200 nauwelijks aan bod komt en 'archeologisch niet te duiden is'. Neem daarnaast dat er sprake is van 'schaarse tekens van leven' in de post-Romeinse periode, dan is de conclusie dat de archeologie in dit boek feitelijk eindigt rond 300. Wat er over de periode daarna verhaald wordt, mag geen naam hebben. De verspreide grafvondsten, met de nodige hiaten, en de incidenteel gevonden huisplattegronden, stellen feitelijk niets voor, zeker niet als bij de datering het nodige gespeculeerd wordt, dus twijfelachtig is.
De tsubtitel van het boek had dan ook beter kunnen luiden: "De archeologie van Noord-Brabant tot 300, met nog enkele fragmenten uit de periode tot 1200".

Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.