Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Archeologie in Nederland.

Hier wordt nog aangewerkt.

In het tijdschrift Archeologie in Nederland (met een website op Archeologie on line) verschijnen regelmatig publicaties over recente archeologische bevindingen.

Archelogie in Nederland is de opvolger van Westerheem dat in december 2016 voor het laatst verscheen. In Westerheem dat 65 jaargangen heeft gekend vind je veel opmerkingen die de visie van Albert Delahaye bevestigen of aanvullen. Zie bij Westerheem.


We beperken ons op deze pagina tot de periode tussen de tijd van 56 v.Chr. tot 1200 n.Chr. en met name tot Nederland en Belgisch en Frans Vlaanderen.

Veel bevindingen bevestigen de visie van Albert Delahaye en waar de nieuwe opvattingen in strijd lijken met die visie geven we relevant commentaar.

Het woordgebruik in de artikelen geeft vaak al aan dat er de nodige twijfel bestaat omtrent de interpretatie van veel archeologische vondsten. Archeologie is immers interpreteren. Waar geschreven wordt in termen als 'mogelijk' of 'wellicht' zal onze conclusie dan ook zijn dat er geen bewijs voor de opvatting is en er dus feitelijk niets wordt toegevoegd aan de heersende opvattingen. De voorbeelden hiernaast spreken voor zich.

Wat we ook scherp in de gaten houden is dat veel archeologische bevindigen gebaseerd zijn op de klassieke teksten. Als voorbeeld kunnen we de bevindingen in de Betuwe noemen. Zolang men er spreekt over Bataafse vondsten gaat men dus klakkeloos uit van de onbewezen opvatting dat de Bataven in de Betuwe woonden. En dat is met geen enkele tekst ooit aangetoond. Integendeel, de teksten plaatsen de Bataven duidelijk in Noord-Frankrijk. Zie daarvoor bij Bataven.


Het moet steeds goed begrepen worden dat de aanwezigheid van de Romeinen in Nederland door Albert Delahaye allerminst wordt ontkend, wat hem desondanks te vaak verweten wordt. Het zijn niet de meest deskundigen die deze verwijten maken. Het staat wel vast dat de interpretaties van veel archeologische vondsten aan een grondige herziening toe zijn, zoals de naamgeving van de 'Romeinse plaatsen' in Nederland, met namen van de Peutingerkaart. Daar wordt ontzettend mee gegoocheld, terwijl die kaart gewoon onbetrouwbaar is. Zie bij de Limes en bij Peutingerkaart.
Het Romeinse Noviomagus was dezelfde plaats als het Karolingische Noviomagus en blijkt niet Nijmegen te zijn maar de Franse stad Noyon.


Waar vooral op gelet moet worden is de volgorde van de vondsten in de opgravingsverslagen. Als er sprake is van vondsten uit de steentijd of Romeinse tijd die genoemd worden, blijkt daaruit te vaak dat er daarboven niets gevonden is uit de (vroege of late) Middeleeuwen. De oudste vondsten zitten uiteraard onder de jongere. Vindt men veel Romeins (zoals in Nijmegen) maar wordt er niets gevonden uit de Frankische tijd dat erboven moet zitten, dan blijkt dit gegeven meestal verzwegen te worden. Het toont in elk geval (zoals in Nijmegen) dat er geen continuiteit in bewoning heeft bestaan tussen de Romeinse tijd en de 12e eeuw. Zie bij Nijmegen, onterechht wel eens de oudste stad genoemd. Maar ook dit vinden de minst deskundigen onder de historici.

Wat ook opvalt en nader beschouwd moet worden is het gebruik van bepaalde onbewezen aanduidingen of opvattingen bij opgravingen. Zo worden vondsten in de Betuwe te gemakkelijk 'Bataafs' genoemd en wordt iets te Nijmegen gevonden steeds als van 'Ulpia Noviomagus' gekwalificeerd. Dat de Bataven in de Betuwe woonden is, zoals hierboven aangegeven, een hypothese. En de naam Noviomagus voor Nijmegen is eveneens nooit aangetoond met enig bewijs. Het Ulpia Noviomagus was ook niet Nijmegen, maar Neumagen in Duitsland, waar (de latere keizer) Trajanus die de naam Ulpia voerde stadhouder was. In Nijmegen is hij nooit geweest, ook al is daar een deel van een zuil gevonden die aan hem wordt toegeschreven.

Artikelen waarin oude beweringen nog eens worden herhaald blijven buiten dit overzicht. Dat de archeologisch vastgestelde Romeinse nederzetting Castello Fectio geheten zou hebben (AM. nr.3 2017) is zo'n voorbeeld. De naam van dit Romeinse castellum is nergens door bewezen, ook niet door de Peutingerkaart, zoals altijd beweerd wordt. Daarop staat ook helemaal geen Fectio, maar Fletione, wat een andere plaats was.

Uit veel geciteerde teksten kan opgemaakt worden dat de geschiedenis hard toe is aan een herschrijving.
Te veel opmerkingen van de aangehaalde auteurs komen niet overeen met de traditionele opvattingen.
Opvallend is dat Albert Delahaye van hen feitelijk gelijk krijgt ten aanzien van de Transgressies, de onjuist locatie van plaatsen en de continuÔteit in de bewoning van veel gebieden en plaatsen.

In het tijdschrift Archeologie in Nederland vindt men veel voorbeelden die de visie van Albert Delahaye onderschrijven. We geven daarvan voorbeelden aan de hand van letterlijke citaten.

We geven soms in een aparte opmerking apart Commentaar, maar meestal blijken de conclusies al uit de citaten.

De archeologie is te vaak bevooroordeeld. Wat men in de Betuwe vindt wordt meteen gekwalificeerd als 'Bataafs', terwijl er geen kenmerken zijn waaraan 'Bataafs' zou moeten voldoen. Als eerste moet bewezen worden dat de Betuwe het 'land van de Bataven' was. En dat is tot heden nog NOOIT bewezen!

De visie van Albert Delahaye.
Door de transgressie (zie daar) en de veenvorming was het grootste gedeelte van laag-Nederland lange tijd ontoegankelijk, dus onbewoonbaar. De geschiedenis die men er doorgaans plaatst blijkt een doublure van die in Noord-Frankrijk te zijn. Julius Caesar, Karel de Grote en St.Willibrord (om de belangrijkste te noemen) zijn nooit in Nederland geweest. Alle geschiedenis die met hen in Nederland terecht kwam was geÔmporteerd vanuit Noord-Frankrijk. Daar stond het paleis van Karel de Grote in Noyon (het ware Noviomagus), was de bisschopszetel van St.Willibrord in Tournehem (Trajectum) en vonden de veldslagen van Julius Caesar tegen de Eburonen, Usipeten en Tencteren plaats.
De discussie die daarover in de Nederlanden altijd heeft bestaan, laten geen twijfel meer toe. De teksten zijn overduidelijk en plaatsen die hele geschiedenis ten zuiden van de taalgrens (zie daar).


"Het is opvallend dat in de Nederlandse Romeinse legerplaatsen met name spelden (fibulae) uit GalliŽ worden gevonden!"(Bron: AiN april 2017) Men gaat nu langzaam ontdekken waar de Nederlandse geschiedenis vandaan komt: uit Frankrijk!

ARCHEOLOGISCHE bevindingen.
In onderstaande citaten geven we zoveel mogelijk de letterlijke tekst weer. Soms hoeft er uit een heel artikel maar ťťn of enkele zinnen te worden aangehaald. Het hele artikel kunt U in de aangegeven bron desgewenst zelf nalezen.
(Gebruikte afkortingen: AiN voor Archeologie in Nederland, met AWN-bijlage; AoL voor Archeologie on Line.)
Waar sprake is van een hypothese gaat het om een als voorlopige waarheid aangenomen maar nog te bewijzen veronderstelling.

Het Romeinse badhuis in Heerlen, door Karen Jeneson (AiN nr.1, febr.2017).
Twijfel aan bepaalde reconstructies uit 1948 is de belangrijkste reden om nieuw onderzoek te doen. Bogaers concludeert dat het badhuis in Heerlen daarom niet uit de eerste eeuw onder keizer Claudius gebouwd kan zijn, zoals Van Giffen had gesteld, maar pas in de tweede eeuw. Daarnaast is van de opgraving van Bogaers nog helemaal niets uitgewerkt.
Commentaar: Op grond van niet uitgewerkte opgravingsverslagen heeft de archeologie dus al conclusies getrokken. Het is een voorbeeld van hoe de archeologie werkt en gewerkt heeft. Zonder uitvoerige argumentatie trekt men voorbarige conclusies, die vervolgens een eigen leven gaan leiden en als tradities gehanteerd worden.

Contact met de doden (AiN nr.1, febr.2017).
In dit artikel van Martine van Haperen gaat het over heropende graven in de lage landen uit de vroege middeleeuwen. Veel graven uit de Merovingische periode (450-750 n.Chr.) blijken heropend te zijn geweest. het blijkt een algemeen voorkomend gebruik te zijn geweest in de cultus van de bevolking. Er werden objecten weggenomen, maar ook toegevoegd. Van grafroof is daarbij niet altijd sprake geweest, wat wel steeds als zodanig werd aangenomen. In sommige delen van de wereld is het heropenen van een graf nog steeds een ritueel gebruik.
Duidelijk is wel dat van een objectieve datering geen sprake meer kan zijn, aangezien niet is vast te stellen wat is weggehaald of toegevoegd.

Archeologische vervuiling van de bodem (AiN-AWN-magazine nr.1, febr.2017).
Tom Buijtendorp bepleit dat de Brittenburg 'het sluitstuk van de limes' was. Tot heden onontdekte bronnen, die door dit onderzoek boven water gekomen zijn en herinterpretatie van bekend materiaal leveren nieuwe inzichten op, stelt hij. Commentaar: Herinterpretaies en nieuwe inzichten geven aan dat de oude inzichten dus onjuist waren. Maar of de geschiedenis die voornamelijk uit interpretaties bestaan ook wordt herschreven is nog lang wachten.

Teus Korevaar benoemt een zorgelijke ontwikkeling van gesleep van grond, waardoor vondstmateriaal op plaatsen terecht komt waar het oorspronkelijk niet thuishoort. Het is een toenemende probleem met als voorbeelden: bouwprojecten waarbij grond opgehoogd moet worden, bouwland opgehoogd wordt vanwege bodemdaling en het dempen van sloten of verzwaren van dijken. Als voorbeeld noemt hij de grote grondverplaatsing bij Alblasserdam dat veel Romeinse voorwerpen bevatte. Deze grond is verplaatst naar verschillende plekken in en buiten de polder. Korevaar merkt terecht op dat in de toekomst Romeinse voorwerpen kunnen worden gevonden op plekken waar in de Romeinse tijd nooit een mens een voet heeft gezet.

Commentaar: van verplaatste grond is reeds in het verre verleden sprake geweest. Te denken valt aan de terpen in Friesland die uit opgehoogde grond bestaan, maar ook aan de vondst van enkele scherven in een dichtgegooide sloot in Amersfoort (zie daar). Plaatselijke Archeologen dateerden die scherven uit de 9e eeuw, waarmee zij concludeerde dat Amersfoort 200 jaar ouder was dan altijd was aangehouden.
Het probleem dat Korevaar beschrijft heeft zich al talloze malen voorgedaan in Archeologisch Nederland!

Een ander voorbeeld hiervan is de terp van Hogebeintum, met 8,80 meter boven NAP de hoogste terp van Friesland. Bij archeologisch onderzoek op deze terp bleek een laag uit de steentijd boven een laag uit de Romeinse tijd te zitten. In het opgravingsverslag staat het volgende: De op de grootste diepte aangetroffen scherf dateert uit de midden-Romeinse tijd, terwijl een scherf uit een hogere terplaag uit de ijzertijd dateert. (Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, 2018).
Er is dus duidelijk sprake van grondverplaatsingen, waardoor de getrokken conclusies ter discussie moeten staan. Als een scherf op de grootste diepte uit de Romeinse tijd komt, kan de terp dus niet veel ouder zijn.

(AiN nr.2, april 2017).
Commentaar:

(AiN nr.3, juni 2017).
Commentaar:

(AiN nr.4. september 2017).
Commentaar:

(AiN nr.5, december 2017).
Commentaar:

Aan de rand van de binnenstad, opgravingen te Arnhem (AiN, nr.3 juli 2019).
De oudste vermelding van Arnhem dateert uit het jaar 893. Afzettingen (tegen overstromingen!) zijn gedateerd tussen ongeveer het jaar 993 en 1289. Verkoolde zaden zijn gedateerd tussen 1037 en 1212. Scherven dateren uit de periode 1050 en 1250. Het gebied zal er in die tijd uitgezien hebben als een zompige broek- of moerasachtige laagte. Niet aantrekkelijk voor bewoning. Tussen de 10e een 12e eeuw heeft men vijf sloten in het gebied aangelegd.
Hoewel in historische geschriften al in 1233 melding wordt gemaakt van een 'versterkte plaats' zal deze eerste verdediging waarschijnlijk uit een aarden wal met palissade hebben bestaan. In 1291 wordt een stadsmuur vermeld.
Commentaar: de geschiedenis van Arnhem is te vergelijken met die van Amersfoort (zie daar).

Zilveren regenboogschotels uit Graetheide (AiN, nr.3 juli 2019).
Significant is verder het ontbreken van los vondstmateriaal uit de ijzertijd of de Romeinse tijd, zowel in Graetheide 1 als in Graetheide 2. Het verder onderzoek leverde nauwelijks aanwijzingen op voor bewoning. Dergelijke munten worden teoegeschreven aan de Eburonen, vooral bekend van de schat van Amby (zie daar).
Commentaar: De beide auters van dit artikel, N.Roymans en S.Heeren, wijzen op de veldtochten van Julius Caesar waardoor deze munten in de grond zouden zijn gestopt. Maar ze schrijven ook dat de associaties met specifieke militaire campagnes hypothetisch blijven. Er wordt hier dus weer veel beweerd, maar -zoals wel vaker- feitelijk niets bewezen.


Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.