Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Archeologie = interpreteren (dat zijn dus meningen).

'We dachten in die tijd (1948) dat we alles wel wisten, maar dat bleek al spoedig een misrekening', prof.dr.P.J.R.Modderman.

Zonder geschreven bronnen is de datering in de archeologie onbewijsbaar, dus zonder waarde. De archeologie kan slechts bestaan bij de gratie van een geschreven geschiedenis. Als de teksten verkeerd worden geïnterpreteerd is ook de daarvan afgeleide archeologische datering onjuist. Een voorbeeld: Vondsten in de Betuwe worden gekoppeld aan de Bataven en worden Bataafs genoemd. Allereerst dient bewezen te worden dat de Bataven in de Betuwe verbleven. En dat bewijzen dient te gebeuren aan de hand van de geschreven bronnen. Die teksten geven ook een datering aan: tussen de 1e en 3e eeuw voor wat men Bataafs noemt. Aangezien tot heden nog nooit is bewezen dat de Bataven in de Betuwe verbleven, zijn ook alle vondsten die Bataafs genoemd worden een hypothese (=een nog te bewijzen veronderstelling).

Zonder referentiecollectie kan het lastig zijn om aardewerk-soorten te herkennen. De meeste problemen ervaren we bij de scherven onder de noemer 'Bataafs grijs'. Bataafs grijs is een heterogene groep baksels, wat betekent dat zij uit verschillende herkomstgebieden komen met elk hun eigen vormtypes. Tijdens het uitwerken van de vondstlocatie Werkhoven - Reinhardshoeve vonden we zes scherven die niet van het Low Lands Ware-type waren. Na deze voorgelegd te hebben aan Julie van Kerckhove en Joep Hendriks bleken vijf scherven uit Noord-Frankrijk te komen, waar dit type veel is geproduceerd (Bron: AWN magazine maart 2018).
De archeologie ontwikkelde zich pas halverwege de 20e eeuw van veredelde schatgraverij tot een wetenschap.
Dat er tevoren veel fouten zijn gemaakt en veel verkeerde conclusies zijn getrokken uit gevonden relikten, zal geen archeoloog ontkennen.
Op enkele van de eerder gemaakte fouten is nog steeds een groot deel van de huidige wetenschap gebaseerd, zonder dat men deze fouten heeft gecorrigeerd.

De archeologie wil maar niet inzien dat als het uitgangspunt fout is, ook alle daaruit getrokken conclusies fout zijn.

Op deze bladzijde geven we daarvan enkele voorbeelden, in de boeken van Albert Delahaye staan er nog meer.

De archeologie zou zich moeten beperken tot technisch onderzoek, niet tot het schrijven van geschiedenis. Te vaak is de datering van de archeologie gebaseerd op schriftelijke bronnen. Dat is natuurlijk een onjuiste gang van zaken. Daarmee wordt een vondst bepaald op het jaar nauwkeurig zoals in Deventer en Zutphen gebeurd is met een kroniek uit het jaar 882. Deze kroniek gaat echter niet over Deventer of Zutphen, die ook niet genoemd worden, maar over de pago Islo. En dat was niet de IJssel, maar de Lys in Frans-Vlaanderen.

De Nederlandse archeologie gebruikt de verkeerde methodiek bij haar onderzoek, waarbij structurele fouten in het interpreteren van de gegevens tot foutieve conclusies hebben geleid. Dateringen van vondsten worden bepaald aan de hand van geschreven bronnen. Te vaak blijken die bronnen niet over Nederland te gaan, maar over Noord-Frankrijk. Dateringen op grond van de C-14 methode of de dendeochronologie blijken ook onbetrouwbaar. Zie bij dateren. Dateringen gebaseerd op de C-14 methode of de dendrochronologie zijn niet absoluut maar onzeker, zoals uit recente studies blijkt. Ze zijn beide gebaseerd op enkele aannames van de 'uitvinders' van deze methoden, welke onjuist blijken te zijn.


Hergebruik van het gratis (al of niet Romeins) bouwmateriaal leidt tot onjuiste conclusies: gebouwen worden eeuwen ouder verklaard. De door handel of als buit verkregen voorwerpen worden te vaak niet als zodanig herkend of verklaard, maar worden gezien als bewijs van de aanwezigheid van het volk dat het produceerde. Van toevallige vondsten hebben archeologen ook niet altijd gehoord. Een Romeinse helm, opgebaggerd uit de Waal, kan er ook eeuwen later terecht zijn gekomen of door iemand anders dan een Romein zijn verloren.
De Nederlandse en buitenlandse musea liggen vol met niet ter plaatse gevonden historische voorwerpen, die elke geografische interpretatie twijfelachtig maakt.

Bekijkt men de resultaten van de archeologie in Nederland, dan is er slechts één conclusie mogelijk: de hele veronderstelde geschiedenis vanaf de Romeinen tot de 11e eeuw kan zich nooit hebben afgespeeld op de plaatsen die men er in Nederland voor in gedachten had. Behalve de archeologie tonen de geschreven bronnen dat onmiskenbaar aan.


De gouden broche van Wijk bij Duurstede op grond waarvan de historici van Wijk bij Duurstede een rijke en zelfs een Christelijke handelsstad maakten, die geplunderd zou zijn door de Noormannen. Het is gewoon archeologisch bedrog. Klik hier voor een nieuwe zienswijze.
De in een waterput gevonden broche bewijst niets anders dan dat iemand een keer vreselijk veel pech heeft gehad toen de broche in de put viel. Het Christelijke element meende men uit het er met veel fantasie bijgehaalde kruis te kunnen afleiden. Zelfs de vier Evangelisten werden ermee vereenzelvigd. De vier "vogelfiguren" zijn geen vogels, noch de H.Geest, maar afbeeldingen van ramskoppen. Verre van Christelijk dus. Het is gewoon archeologisch bedrog. Dat de broche bij een plundering van de Noormannen door de eigenaar in de put zou zijn verborgen is eveneens bedrog. Ieder mens zou wel een betere verstopplaats weten, waar je naderhand je broche ook weer makkelijk op zou kunnen halen.

In zijn boek "Het verleden op de schop" geeft E.H.P.Cordfunke een heldere inkijk op het ontstaan van de wetenschappelijke archeologie in Nederland. Hieruit blijkt dat het in de beginjaren voor 1950 tot 1980 nog veel sprake van giswerk was. Veel technieken waren nog niet ontwikkeld en veel bevindingen werden voor de vuist weg gedaan. Cordfunke noemt de tijd voor 1950 het dan ook "goedbedoelde pogingen en voorbarige conclusies". Er bestond nog geen wetenschappelijke opleiding en het was nog vaak een kwestie van 'leren door te proberen'. Maar die bevindingen uit de begintijd worden nog steeds gehanteerd, ook al zijn ze in de kern achterhaald.

Is een Romeinse munt altijd door een Romein verloren?
Is een "Noormannenzwaard" altijd door een Noorman verloren?
Is een Romeinse amfoor altijd door een Romein verhandeld?


Kan men met verplaatsbare objecten harde feiten vaststellen, zoals de archeologie nog steeds doet?

En om bij hedendaags voorbeeeld te blijven: Als er ergens op de wereld een cola-flesje gevonden wordt, mag je dan concluderen dat de Amerikanen daar geweest zijn of dat land bezet is geweest door de Amerikanen?

Dat colaflesje lijkt een onbenullig voorbeeld, maar zo werkt de archeologie sinds jaar en dag en nog steeds. Als voorbeeld mag de argumentatie rondom Romeins Nederland dienen. Op grond van de vondst van één ruiterhelm, wordt de aanwezigheid van een hele legerplaats "bewezen". En dan "Dorestad"! Op grond van de vondst van één "Dorestadmunt" wordt bewezen dan Wijk bij Duurstede het klassieke Dorestad geweest zou zijn. En dat terwijl Dorestadmunten overal gevonden zijn en daar ook niets anders bewijzen dat iemand daar ooit een munt verloren is.

Met de vondst op zich in de archeologie is op zich niets mis, wel met de interpretatie ervan. Te vaak blijken conclusies getrokken te zijn, voordat er technisch onderzoek heeft plaatsgevonden en het onderzoek is afgerond. Een eeuw ernaast met de datering is in de steentijd niet zo'n ramp, wel in de vroege middeleeuwen. Relieken van St.Willibrord blijken na technisch onderzoek uit de 12e eeuw te dateren. Dat is VIER eeuwen na dato. 'Het fluitje van Dorestad' blijkt uit de 17e of zelfs pas uit 18e eeuw te dateren. Dat is TIEN eeuwen na dato. En daarop wordt geschiedenis gebouwd.

Archeologie is interpreteren.
Een archeologisch vondst op zich, zegt weinig tot helemaal niets, daar is meer voor nodig.
Als over tweeduizend jaar een archeoloog in Nederland allerlei 21ste eeuwse Amerikaanse dingen opgraaft, zoals colaflesjes en Amerikaanse munten, betekent dat nog niet dat de Amerikanen in Nederland woonden. Zelfs al zijn er schriftelijke verslagen, zelfs films van de aanwezigheid van Amerikanen hier bijvoorbeeld in 1944.

En zo is het ook met veel archeologische bevindingen over de Romeinse tijd! Ook al wordt er Romeins gevonden langs de Rijn in Nederland, en zijn er zelfs teksten over het Romeinse Rijk bekend, dan moet nog wel vastgesteld worden of die teksten over het strookje langs de Rijn in Nederland gaan en dat gebied wel bij dat Romeinse Rijk hoorde waar de "Limes Germanicus" gelegen zou hebben.


"Ik houd het erop dat Delahaye gelijk zal blijken te hebben en dat de archeologen zich bij de datering sterk laten bepalen door de historische documenten". (A.C.Maas in AD-Bulletin 2, p.10).

De grootste missers worden natuurlijk gemaakt als men archeologische vondsten gaat dateren op basis van geschreven teksten. Zo zijn dendrochronologische dateringen vastgesteld in het Romeinse Castellum Valkenburg of in de Karolingische handelsstad Haithabu in Sleeswijk-Holstein op grond van de geschreven bronnen. Zo kwam men op een datering van 47 respectievelijk rond 850 n.Chr. Andere vondsten zijn later op grond van deze vaststellingen gedateeerd. Maar vergeten is om te onderzoeken of Praetorium Agrippinae wel Valkenburg was en of Hedeby in Sleeswijk-Holstein wel het uit de bronnen bekende Haithabu was. Nu bij nadere studie blijkt dat beide plaatsen foutief zijn gelocaliseerd, zullen ook alle daarvan afgeleide dateringen herzien moeten worden. Een ander voorbeeld is Wijk bij Duurstede. De ter plaatse gevonden scherven werden gedateerd in de 8e eeuw, omdat volgens de schriftelijke bronnen toen de hoogtijdagen van Dorestad waren. Maar nu blijkt dat Wijk bij Duurstede niet het vermaarde Dorestad was, zullen ook alle dateringen die hiervan afgeleid zijn, herzien moeten worden. Overigens is het opvallend dat vergelijkbare scherven en potten in Duitsland zo'n eeuw (soms zelf meer) later gedateerd werden.

Archeologie is interpreteren. Archeologen interpreteren hun vondsten vanuit onze tijd en onze cultuur en construeren zo een geschiedenis vanuit huidige gezichtpunten. Uitgaan van de verkeerde gezichtspunten geeft een verkeerde geschiedenis. En dat doet zich frequent voor in de Nederlandse archeologie. Vondsten interpreteren naar analogie van andere vondsten, naar teksten, naar vermeende situaties of zelfs "gewenste" situaties, naar vermoedens of veronderstellingen, leiden tot verkeerde conclusies.
Dat er in de Nederlandse Archeologie ook steeds sprake is geweest van opzettelijke vervalsingen, soms puur uit eigenbelang of financieel gewin, mag als bekend verondersteld worden. "Door middel van vervalste voorwerpen of misleidende informatie proberen zij (de vervalsers) hun ideeën over het verleden een handje te helpen, de geleerde wereld te foppen of hun portemonnaie te spekken. Archeologische vervalsingen zijn al zo oud als archeologie zelf en al heel wat hooggeleerde archeologen zijn bij de neus genomen." (Bron: L. Verhart.)

De basisgegevens die een opgraving oplevert, worden slechts zelden gestaafd door schriftelijke bronnen. De interpretatie van het vondstmateriaal is in werkelijkheid slechts een hypothese, gebaseerd op hetgeen blijkt uit de specifieke vondstsituatie en vergelijkingsmateriaal van elders. Er is een groeiend besef, dat de meeste opgravingsrapporten in feite eerder een hypothese weergeven dan dat ze een nauwkeurige en gedetailleerde registratie bevatten van een opgraving en de daarbij aan het licht gekomen vondsten.
De huidige situatie in de archeologie, gekenmerkt door gebrek aan financiële middelen en geforceerde noodopgravingen, draagt er zeker toe bij, dat hypothesen gelanceerd worden die niet kunnen steunen op zorgvuldig vastgelegde gegevens. De hypothese, door de opgraver opgesteld, behoort onderworpen te worden aan een streng proefondervindelijk onderzoek. Doel daarvan is de betrouwbaarheid van de hypothese te beproeven. Nadrukkelijk moet worden gesteld, dat met "deugdelijk" en "ondeugdelijk" wordt gewerkt en niet met historische waarheid, want de historische waarheid is een begrip dat moeilijk aanvaardbaar is, zelfs als het door historisch documentatiemateriaal wordt ondersteund.
De houdbaarheid van de hypothese is afhankelijk van de vergelijking met het het basisgegeven: het opgegraven materiaal. Als er voldoende overeenstemming tussen deze twee gegevens bestaat, kan de hypothese als bruikbaar worden geaccepteerd. Is dat niet het geval, dan heeft de hypothese geen enkele waarde.
Experimentele archeologie heeft vooral in dit laatste opzicht de aandacht gevestigd op de wijze van verzamelen en vastleggen van archeologische gegevens die leiden tot het vaststellen van waarschijnlijkheid en deugdelijkheid van argumentatie en doet ons erop bedacht zijn archeologische theorieën klakkeloos te accepteren, hetgeen helaas ook tegenwoordig nog te vaak voorkomt. (Bron: P.J.Reynolds.)


Nog onlangs is gebleken dat enkele archeologische "vondsten" in Nijmegen NEP bleken te zijn. Zie bij Nep in Nijmegen
In de archeologie van ons land zijn structurele fouten aantoonbaar, waarmee men de traditioneel bedachte geschiedenis meende te kunnen bewijzen. Niets is minder waar. Fout op fout geven een geschiedenis die onmogelijk in het ervoor bedachte landschap kan hebben bestaan.


De archeologie bevestigt de bevindingen van Albert Delahaye op onmiskenbare wijze. Elk boek over archeologie weerlegt de Nederlandse tradities. Juist op de cruciale punten spreekt de archeologie de gevestigde traditie falikant tegen. De archeologen weten dat, de historische faculteiten aan Nederlandse universiteiten weten dat, maar het publiek wordt dom gehouden. In de historische wereld houdt iedereen elkaar de hand boven het hoofd. De belangen zijn groot, want er staan belangrijke reputaties op het spel.



Gentse professor in de Romeinse archeologie bewijst het gelijk van Albert Delahaye.
Prof. Hugo Thoen: "Ik zoek al vijftig jaar naar bewijzen van Caesars aanwezigheid in België, maar heb nooit iets gevonden."
Alles in de Romeinse geschiedenis van Nederland en België wat van de foutieve veronderstelling is afgeleid dat Caesar tot in onze streken is geweest, zal herschreven moeten worden.

Deze visie van prof.Thoen wordt bevestigd door J.H.F.Bloemers in "Voeten in de Aarde". Op blz. 50 lezen we: "Rond 50 v.Chr. vertonen de Romeinen zich voor het eerst in onze streken als Caesar door onze zuidelijke gebieden trekt. Archeologische resten daarvan zíjn tot op heden echter nog niet aangetroffen".
Waarmee de veronderstelling van Caesars aanwezigheid ondubbelzinnig wordt weerlegd. Immers Caesar trok niet in zijn eentje rond, maar met een gezelschap van verscheiden legioenen en zo'n legioen bestond uit 5000 tot 7000 manschappen. De materiële aanwezigheid van zo'n leger cijfer je niet zomaar weg. Caesar beschrijft hoe zijn militairen een kampement maakten door grachten te graven en palissades op te richten. Er is niets van teruggevonden in Nederland, net zo min als in België.


Hieronder geven we enkele voorbeelden van de foutieve manier van interpreteren door de archeologie, die zo de geschiedenis van ons land foutief heeft beïnvloed.

De Nederlandse Archeologie.

  1. Aardewerk en de archeologie.
    De door archeologen toegepaste naamgeving van aardewerktypen is niet meer dan een hulpmiddel om de diverse soorten van elkaar te kunnen onderscheiden. Vaak is de naamgeving inconsequent, een vlag die de lading niet dekt. Zo is de naam van het Duitse plaatsje Pingsdorf gegeven aan vrijwel al het middeleeuwse beschilderde aardewerk. Weliswaar bezat Pingsdorf een belangrijke aardewerkindustrie, maar zeker niet al het beschilderde aardewerk is hier vervaardigd. Er zijn nog tal van andere centra waar dit aardewerk werd gemaakt. Hetzelfde geldt voor andere typen aardewerk.
    Een overzicht en de dateringen:
    • Kogelpot (8e eeuw tot rond 1300) is een moeilijk exact te dateren aardewerk
    • Badorf (ca. 750-900)
    • Reliefbandamfoor (ca 750-1050)
    • Pingsdorf (ca.900-1200)
    • Andenne (ca.1075-1275)
    • Paffrathaardewerk (ca.1100-1250)
    Problemen bij het determineren en dateren:
    • Het circa (ca) geeft al aan dat een exacte datering niet te geven is. Een scherf van een Reliefbandamfoor kan uit de 8e eeuw stammen, maar ook uit de 11e eeuw en soms nog uit de 12e of zelfs uit de 13e eeuw.
    • Een vaak onderschat probleem is dat scherven door invloeden van buitenaf van karakter kunnen veranderen en daardoor misleiden.
    • Men moet erop bedacht zijn dat de produktieperiode van een bepaald soort aardewerk niet synchroon hoeft te lopen met de export daarvan naar onze gebieden.
    • Ook kunnen verschillen optreden tussen afzonderlijke gebieden, wat de gebruiksduur van een produkt betreft. Zo kan een produkt uit België bijvoorbeeld langer in gebruik zijn in de Zuidelijke Nederlanden dan in Holland. In België zelf kan het eerder beginnen en/of langer doorgaan.
    (Bron: Archeologie in de Praktijk, K.J.Steehouwer/A.H.C.Warringa red.)

  2. Bataafse boeren beheersten Latijn.
    Bij Bataafse boerderijen zijn zegeldoosjes gevonden. Deze bronzen doosjes dienden ter bescherming van teksten. waaronder bijvoorbeeld brieven. Onderzoekers van de Vrije Universiteit, die nu bezig zijn met een inventarisatie van de rol van de Bataven in het Romeinse Rijk, concludeerden dus triomfantelijk dat de Bataven het een en ander opstaken van de Romeinen en bepaald geen barbaren waren. (Bron: Spits. 12 juni 2001).
    Deze onderzoekers hebben blijkbaar nooit gehoord van buit, ruilhandel of verloren eigendommen. Als ik een Franse Euromunt bezit of in een Franse auto rij, spreek ik dan Frans? Volgens deze "onderzoekers" dus wel. En hoe weten die onderzoekers dat het Bataafse boeren waren? Van "Bataafs" zijn geen kenmerken bekend! (Ik zou ze anders graag vernemen.) Het is meer dan tekenend voor de wijze waarop de archeologie in Nederland te werk gaat.

  3. Vondsten verklaren op grond van teksten.
    Archeologie dient zich te beperken tot technisch onderzoek, niet tot het schrijven van geschiedenis.
    De grootste en meest ingrijpende fouten in de interpretatie van archeologisch vondsten zijn die, waar de vondst verklaard wordt op grond van teksten. Als eerste zal moeten worden aangetoond -en niet aangenomen-, dat de bepaalde tekst ook bij die vondst hoort. Als vervolgens blijkt dat teksten van klassieke schrijvers geen betrekking op Nederland hebben, wordt de vondst op slag historisch waardeloos. Vanaf de Romeinse tijd zijn vondsten in Nederland verklaard vanuit de geschreven bronnen, of zijn de geschreven bronnen verklaard naar de archeologische vondsten.

  4. Het zwaard van Woerden.
    In Woerden (Laurium) is al heel wat Romeins materiaal gevonden, maar nu (in 2015) volgens de archeologen van RAAP een nog grotere verrassing, namelijk een ‘een zwaard dat uit de achtste eeuw blijkt te dateren’. Tot nu toe was er niets bekend van bewoning tussen circa 300 en 1000. De datering berust op koolstofdatering van bij het zwaard gevonden botjes en skeletdelen, dus niet op het zwaard zelf. En dan volgen de gissingen: Het zwaard was vermoedelijk (1) een bijgift in het graf van (2) een lokale edelman, veronderstellen de archeologen, die eraan toevoegen: Woerden en het omliggende gebied was in de achtste eeuw (3) in handen van Frankische (4) koningen. Zij waren (5) aanhangers van het christendom en missionarissen van elders (6) mochten het christelijk geloof in (7) hun rijk verspreiden. Zo ook (8) Bonifatius die volgens een historische bron tussen 719 en 722 in (9) Woerden verbleef om te prediken. Wellicht is door (10) toedoen van Bonifatius in Woerden (11) een kerk gesticht, zoals missionarissen toen (12) gewoon waren te doen. Naar de (13) preciese locatie van dat vroegste kerkje is het vooralsnog gissen.
    Ofwel: er is nooit iets van gevonden of gebleken. Zo werkt archeologie in Nederland blijkbaar nog steeds.

  5. Archeologische kaart van Nederland.
    "Kaarten voor oudheidkundig onderzoek zijn ondeugdelijk, onbetrouwbaar en slecht gefundeerd. De archeologische miskleunen blijven binnenskamers". (De Volkskrant, 21 april 2007).
    Ooit gemaakte fouten of gehanteerde interpretaties blijven nog decennia lang op de kaart staan, al zijn ze later gecorrigeerd of als fout erkend.

  6. Alleenstaande vondsten.
    Toevallig verloren gegane relikten worden foutief als sporen van bewoning geïnterpreteerd. (A.W.Byvanck, Nederland in den Romeinschen Tijd).

  7. Verplaatste relicten 1.
    Versleepte en "bijgewerkte" overblijfselen verliezen op slag hun betekenis voor de historie. (A.W.Byvanck, Nederland in den Romeinschen Tijd).

  8. Verplaatste relicten 2.
    De Tabula Leersumiana. Deze bronzen plakette, gevonden in Leersum, is "meegenomen naar de overzijde van de Rijn. Leersum ligt ten noorden van de Rijn, waar geen militaire of stedelijke bewoning te vinden is. Deze bronzen inscriptie moet dan ook van elders afkomstig zijn. Het is zeer waarschijnlijk dat na het vertrek van de Romeinen alle kostbaarheden uit de verlaten kampen zijn weggehaald door mieuwsgierige en op buit beluste plunderaars. Het was een gangbare praktijk om het brons tot schroot te reduceren om het opnieuw te gebruiken. (Archeobrief 1, maart 2005, p. 2-7).
    Dit voorbeeld geeft duidelijk aan dat de vindplaats niets zegt over de inhoud van het gevonden object. Dit geldt met name als er onverklaarbare teksten op voorkomen, zoals op de Helennia-altaren, gevonden grafstenen, maar ook voor de mijlpalen van Monster en Wateringse Veld.

  9. Achterhaalde traditie.
    Hoewel de archeologie als wetenschap pas sinds halverwege de 20e eeuw bestaat, worden bevindingen van eeuwen daarvoor nog te vaak als volle waarheid verkocht. Omdat in Romeinse klassieke geschriften gesproken werd over "veenbruggen" werden alle veenbruggen uit de oudheid aan de Romeinen toegeschreven, ook die in Nederland werden gevonden op plaatsen waar geen enkele Romein ooit geweest is. Deze mythe versterkt nog steeds beweringen van daarna, waarbij de Romeinen tot in Noord-Duitsland en Denemarken geweest zouden zijn.
    De bewering van J.H.Holwerda dat hij in Nijmegen het Oppidum Batavorum had gevonden, wordt, hoewel dat door latere archeologen is tegengesproken, door velen nog steeds als de volle waarheid beschouwd. Holwerda die het allemaal zo goed bedoelde, maar er oh zo vaak naast zat, staat nog steeds te boek als een deskundig archeoloog. Zijn bevindingen worden nog te vaak als waarheid beschouwd met alle foutieve gevolgen vandien. Een van de populairste, door middel van schoolboeken verbreide denkbeelden van Holwerda is dat van het koepelgraf. Dit idee werd tijdens de onderzoekingen op de Veluwe aan het begin van zijn carrière ontwikkeld. Hoewel weerlegt door Van Giffen, steekt het koepelgraf van Holwerda nog steeds te pas en te onpas zijn kop op. Een eenmaal gevestigde mythe blijkt zelfs hardhandig niet te bestrijden.

  10. Weerlegde mythen.
    Men blijft te gemakkelijk uitgaan van tradities en mythen, waarvan allang is vastgesteld dat deze onwaar zijn. Van de vermeende aanwezigheid van Julius Caesar in Nederland staat momenteel vast dat deze foutief is. Toch handhaaft men de door Caesar genoemde Renus en het Eiland der Bataven in het midden van Nederland. Caesar is nooit in Nederland geweest en heeft die rivier en dat eiland dus elders gezien. Ook de interpretatie van Willem van Berchen van de Latijnse tekst op de gedenksteen van Frederik Barbarossa, blijft men, hoewel zijn "vertaling" geheel foutief was, als waarheid hanteren.

  11. Transgressies
    In laag Nederland worden Romeinse relikten steevast tot wel 6 à 8 meter onder de grond teruggevonden. Archeologie heet in Nederland niet voor niets "opgraven". De overstromingen in Nederlanden tussen de 3e en de 10e eeuw maken de plaatsing van veel historische gebeurtenissen in Nederland onmogelijk. Waar geen bodem is, kan zich nooit een geschiedenis hebben afgespeeld. Archeologisch staan de transgressies volkomen vast, maar worden door diezelfde archeologen nooit als uitgangspunt gehanteerd.

  12. Doordenken op eigen bevindingen.
    Vanzelfsprekende conclusies uit eigen bevindingen worden niet doorgetrokken in verder onderzoek. Steeds meer historici erkennen het bestaan van de transgressies, maar houden toch vast aan de traditionele geschiedenis. Als men de transgressies erkent en er dus grote overstromingen in Nederland waren tussen de 3e en 10e eeuw, dan kan er zich geen geschiedenis hebben voorgedaan. Het meest sprekende voorbeeld is Utrecht, waar geen sporen van bewoning zijn gevonden tussen de 3e en 10e eeuw. Toch blijft men de bisschopszetel van St.Willibord in Utrecht en zijn missiegebied in laag Nederland plaatsen. Zonder bewoners valt er niets te bekeren. Dat de Romeinen ons land verlieten kwam eveneens door het opkomend water en niet door invallen van enkele Germaanse stammen. De grote volksverhuizing is een grote mythe.

  13. Eén zwaluw maakt nog geen zomer.
    Uit één enkel gevonden relikt trekt men verregaande conclusies. Met één te Ruimel gevonden gedenksteen met een opschrift van een Bataaf, wil men in Nijmegen bewijzen dat deze plaats het Batavodorum van de Bataven was. Zo concluderend waren er tientallen Batavodorums, immers gedenkstenen van Bataven zijn over het gehele Romeinse Rijk gevonden, tot in Perzië aan toe.
    Met één gevonden broche met een versiering in een bloemmotief, maakte men van Dorestad ook meteen een rijk Christelijk handelscentrum. Men meende in die versiering een kruis te herkennen. Een onafhankelijke bewonderaar van deze mooie broche herkent hierin slechts vier ramskoppen met horens, waarmee de ROB. dus een viervoudige bok geschoten heeft.
    Aan één munt van Dorestat (opschrift: DORESTAT FIT , "in Dorestat gemaakt") waarvan er in heel Europa honderden gevonden zijn, hangt men in Nederland de hele geschiedenis van "Wijk bij Duurstede=Dorestat" op! Met deze ene munt maakte dr.P.Blok van Wijk bij Duurstede meteen ook maar een belangrijk handelscentrum! Handel met één gouden munt? Deze handel kan nooit erg omvangrijk geweest zijn. Met gouden munten werd overigens nooit gehandeld. Deze dienden als beleggingsobject, niet om mee te betalen.

  14. "Onjuist is het ook als het voorkomen van een Spaanse munt uit de 16de eeuw de vinder tot de conclusie verleidt, dat het stuk onmiddellijk uit de beurs van een soldaat van Alva's tercios gerold moet zijn: uit schatvondsten en schriftelijke bronnen is genoegzaam bekend dat Spaanse munten via de handel hierheen gekomen een vast bestanddeel van de muntcirculatie in ons land waren" (p.7). "Wanneer daarom in Friesland munten uit Lyon en Nimes gevonden worden, wijst dit eens te meer op de aanwezigheid van militairen" (p.18). (Bron: H.Enno van Gelder en J.Boersma). Uit de twee hiervoor vermelde citaten blijkt dus duidelijk de tegenspraak in het betoog van Enno van Gelder. Spaanse munten hoeven niet verloren te zijn door Spaanse soldaten, Romeinse munten zijn daarentegen altijd wel verloren door Romeinse soldaten, is de opvatting. Uit muntvondsten zijn geen absolute feiten te herleiden, wat in het tot stand komen van de geschiedenis van ons land wel regelmatig is gebeurd. Munten kunnen door iedereen op elke plaats gebruikt, verloren of verborgen zijn. Alle interpretaties van muntvondsten moeten dus ook herzien worden nu blijkt dat de geschiedenis anders is geweest. Zie ook de volgende opmerking.

  15. Muntvondsten.
    Uit een gesloten vondst van 5 Romeinse denariën en 4 bronzen munten in Wijchen blijkt dat het Romeinse geld heel lang in omloop bleef. Munten geslagen onder verschillende keizers over een periode van ruim 150 jaar, blijken pas 157 jaar nadien in de grond terecht te zijn gekomen. (Bron: Westerheem 1978)
    Dat wil zeggen dat er ruim 300 jaar verlopen zijn tussen de productie van de oudste munt en het tijdstip dat de munten verloren gingen.
    Aan deze muntvondst zijn dus geen conclusies met betrekking tot het verblijf van Romeinen in Wijchen te verbinden. De munten zijn dus verloren gegaan lang nadat de Romeinen uit Nederland vertrokken waren. Romeinse munten bleven dus blijkbaar nog in omloop na de Romeinse tijd en ook bij niet-Romeinen. Het is bekend dat in het Arabische Rijk tot aan de 8e eeuw Romeinse munten, de solidus, in omloop waren. Pas na het jaar 696 creëerde Ab al_marik een eigen gouden munt die de solidus in zijn rijk overbodig maakte. Op deze munten stonden geen afbeeldingen meer, maar Arabische teksten, vaak versen uit de Koran. De bestaande Romeinse munten in Perzië hielden daarna overigens gewoon hun geldigheid, zeker onder de bevolking.

    De hier genoemde muntvondst bewijst dat ook aan andere vondsten van munten geen conclusies tot op het jaar nauwkeurig op grond van de jaartallen van die munten te verbinden zijn.
    Een gebied Frankisch of Romeins of Merovingisch verklaren op grond van muntvondsten, is dus hetzelfde als zou men een gebied in Nederland Grieks verklaren, omdat er een Griekse Euromunt gevonden is.
    Veel conclusies op grond van Romeinse muntvondsten, maar ook van Frankische munten, dienen herzien te worden. Met de vondst van een munt kun je geen enkel historisch feit bewijzen.

  16. Munten, sieraden, wapens en gebruiksvoorwerpen.
    Uit de vondst van munten, sieraden, wapens en gebruiksvoorwerpen is op zich geen enkele conclusie af te leiden, dan dat iemand ze verloren is of verborgen heeft. Wie dat was en wanneer is niet te herleiden. Slechts jaartallen op munten, met name de sluitmunt (met het laatste jaartal), geven een indicatie dat het verlies in elk geval na het laatst genoemde jaartal moet zijn geweest. Hoever daarna is ook nooit te zeggen, immers munten werden door hun intrinsieke waarde vaak nog jaren nadien gebruikt. De hele muntschat moet bekeken worden en niet slechts de sluitmunt. Immers de oudste munt zegt ook iets over de leeftijd van die verzameling. Is de oudste munt een eeuw ouder, dan kan de sluitmunt ook al een eeuw in het bezit zijn geweest van die eigenaar of familie, voordat deze verborgen of verloren werd. Gouden munten werden bovendien vaak juist niet als betaalmiddel gebruikt, maar als spaarkapitaal. Dat spaarkapitaal werd, (bij gebrek aan een kluis) vaak in de grond verstopt, net zoals schoolkinderen tegenwoordig in de zandbak hun "geheimen" verstoppen. Munten werden ook verborgen zonder dat er dreiging was van oorlog, maar uit voorzorg tegen diefstal of roof. Uit de vondst van verstopte munten is dan ook geen enkele historische conclusie af te leiden. Uit de vondst van gouden munten een "levendige handel" afleiden is ook een totaal verkeerde zienswijze. Gouden en zilveren munten werden doorgaans niet gebruikt voor handel, maar als spaarpotje (belegging) voor later. Romeinse munten hoeven ook niet door een Romein achtergelaten te zijn, net zo min als een Noormannenzwaard achtergelaten moet zijn door een Noorman. "Noormannenzwaarden" waren ook bij andere krijgsvolkeren zeker een gewild bezit. De handel in vele begerenswaardige voorwerpen zou de archeologen op een dubbele waakzaamheid moeten attenderen. Handel is per definitie het "verslepen" van gebruikvoorwerpen naar vreemde streken. Conclusies zijn wel eens te voorbarig gebleken, zoals de aanwezigheid van Romeinen in Friesland herleiden uit enkele scherven van amforen of sieraden. Amforen en sieraden waren onderdeel van de (ruil-)handel en gingen vroeger, net zoals tegenwoordig, generaties mee in families. Uit de vondst van antieke sieraden en gebruikvoorwerpen kan slecht worden afgeleid uit welke tijd zo'n sieraad stamt, niet wanneer en door wie het verloren of -bij een grafvondst- begraven is. Op dit gebied zijn in Nederland vele historische blunders gemaakt, wat al blijkt uit de soms zeer verschillende en ver uiteen liggende interpretaties. De interpretaties van de Vikingschat van Winsum (het bleek helemaal niet om een schat van de Vikingen te gaan) mag hierbij als sprekend voorbeeld dienen.

  17. Muntvondsten in Friesland.
    In Friesland wordt met enkele muntvondsten nogal eens geschermd om de bevindingen van Delahaye te weerleggen. . In het Fries Museum vinden we de zeer rijke terpvondsten die de provincie heeft opgeleverd. Veel aardewerk etc. ook uit de periode 250-940 na Chr. In Franeker kunnen we een unieke muntencollectie uit dezelfde periode bewonderen: trentes uit de 7e eeuw van het type Dronrijp, sceatto's uit de 8e en Karolingische deniers uit de 9e eeuw. AI deze munten zijn gevonden in Friesland en dateren uit de periode dat volgens Delahaye Friesland onder water zou liggen. Nergens in Nederland zijn uit de periode 500-1000 na Chr. zoveel munten gevonden als juist in Friesland. Dit beeld verscherpt zich nog als we de muntvondsten uit het Groningse terpengebied meerekenen wat toen ook als Friesland beschouwd werd. Dit alles duidt op een levendige handel en bloeiende economie in de periode 250-940 na Chr. en zoiets is nu eenmaal onder water moeilijk.
    Maar vormen munten wel het bewijs dat die gebieden, ook inzover zij onder water stonden, toch bewoond waren? Met zulke tegenwerpingen vanuit muntvondsten heeft Delahaye in zijn eerdere publikaties al meermalen afgerekend. De vindplaats van een oude munt niets zegt over haar herkomst, evenmin onthult haar datering iets over het tijdstip waarop zij tenslotte dáár terechtkwam waar men haar gevonden heeft en of het gebied in het jaar dat op de munt staat ook bewoond was. Het tijdstip van verlies kan ettelijke eeuwen later liggen dan de datum op de munt, te meer waar het munten betreft met een intrinsieke waarde en daardoor van vrijwel onbeperkte gangbaarheid (met slechts devaluatie door het verslijten). M.a. w. de enkele in Friesland gevonden 7e-, 8e- en 9e-eeuwse munten konden nog als spaar- en betaalmiddel fungeren tot lang nadat in de 10e eeuw, de tijd dat de drooggevallen streek in Friesland vanuit het zuiden bewoond raakte.

  18. Een Christelijk graf?
    Archeologen trekken wel eens te snel en te voorbarig conclusies. Vindt men een graf waarin de dode in oost-westelijke richting is begraven, dan is de conclusie steevast dat het om een "Christelijk" graf zou gaan. Maar welke aanwijzingen heeft men daarvoor? Behalve dat de oostelijke richting, daar waar de zon opkomt, ook in andere godsdiensten en zelfs bij oude culturen een vast oriëntatiepunt (!oriënt=oosten.) is, kan er ook gewoon van toeval sprake zijn. Lijken die zomaar ergens gedumpd zijn, zullen ook wel eens toevallig oost-west kunnen komen te liggen. Wat bewijst dat?
    Over een "massagraf" in Wijk bij Duurstede, waarbij enkele skeletten in oostelijke richting liggen, schrijft men: "Het feit dat sommige skeletten oost-west zijn geórienteerd bewijst in elk geval dat men tot op zekere hoogte belang hechtte aan begraving in de christelijke traditie". (Bron: Archeologische Kroniek Utrecht 2000-2001). ....Bewijst in elk geval.... tot op zekere hoogte? Welk geval en welke hoogte? Hetzelfde meent de archeologie te moeten opmerken over een graf in Wijk bij Duurstede gevonden, waarin 3 skeletten liggen: één skelet in oostelijke richting en twee in westelijke richting. Dat graf noemt men dus doodleuk (sorry voor dit woord) een "Christelijk graf". Op grond waarvan is zo'n graf Christelijk? Op grond waarvan durft men deze conclusies, die nergens op gebasseerd zijn, te trekken?

  19. Keramiek en aardewerk.
    Dat er Keltische stammen hebben gewoond in het zuidwesten en langs de grote rivieren in ons land, wordt bevestigd door de in die streek gevonden La Tène ceramiek, terwijl de aanwezigheid van Germanen in het zuidoosten wordt verduidelijkt door het daar ontdekte Germaansche aardewerk. Aldus A.W.Byvanck, o.c. p. 25.
    Op grond van enkele stukjes keramiek en Germaans aardewerk (wat dat precies is wordt niet toegelicht) worden verregaande conclusies getrokken. En als dat aardewerk daar door anderen is achtergelaten? Of in opgebrachte grond is gevonden? Of "onderweg" verloren is geraakt, zoals Byvanck ook bij andere vondsten schrijft? De vondst van wat aardewerk bevestigt op geen enkele manier enige bewoning van importantie, laat staan dat er hele volksstammen gekoppeld kunnen worden aan enkele scherfjes ceramiek!

  20. Scherven.
    Scherven worden te pas en onpas overal in Nederland gevonden. Zonder dat de vondstomstandigheden worden meegenomen, worden er vaak verregaande conclusies aan een vondst verbonden. Maar wat bewijst die ene scherf? Een "Frankische" woonplaats? De vraag die altijd gesteld zou moeten worden is "Hoe kwam die ene scherf daar ter plaatse?" De eerst volgende vraag moet zijn: "Waar is de rest van die pot of schaal waar die scherf een deel van was?"
    Er mogen geen voorbarige conclusies getrokken worden uit een enkele scherf, zeker niet als op één locatie scherven uit verschillende perioden gevonden worden.

    Het is regelmatig gebeurd in Utrecht, in Nijmegen, in Wijk bij Duurstede, in Deventer en op nog andere plaatsen. De feitelijke bewijslast wordt niet geleverd, slechts gesuggereerd. Zie voor de vele voorbeelden de "Archeologische Kroniek van de provincie Utrecht", de "Berichten van de ROB van 1950-2006", Westerheem 1952-2004, KNOB-Bulletin 1899-2008 en "50 jaar Numaga-publicaties".
    Als voorbeeld mag de vondst van een scherf van een Reliëfbandamfoor in Amersfoort dienen.
    Aan de vondst van een enkele verdwaalde scherf wordt zeer speculatief geschiedenis geschreven die zeer discutabel is. Met die ene verdwaalde scherf zou men aangetoond hebben dat Amersfoort al in de 8e en 9e eeuw bewoning gehad zou hebben en zou hebben bestaan. Howel de vondst van een scherf voor de nodige interpretaties vatbaar is, komt deze scherf van aardewerk dat over meerdere eeuwen vervaardigd is en nog langer in gebruikt is gebleven. Bovendien toont men met enkele scherven aardewerk geen bewoning is, wat overigens een regelmatig voorkomende interpretatiefout in de archeologie is.

  21. Dakpan- en bakstenenstempels.
    Bij de bouw van de Domkerk in Utrecht in 1254, zijn veel bakstenen met stempels van allerlei legerafdelingen gevonden. Natuurlijk mag men niet denken dat al deze afdelingen in het fort gelegerd zijn geweest. Vooral in later tijd leverden pannenbakkerijen veelal bakstenen af, die op geheel willekeurige wijze waren gestempeld en die werden verhandeld en overal werden gebruikt. (A.W.Byvanck, Nederland in den Romeinschen Tijd, p. 414.)
    Dakpanstempels? Wat kan men er feitelijk mee bewijzen? Is het een getuige van de naam van een legeronderdeel of de herkomstplaats ervan, of juist een verwijzing naar woonplaats, de verblijfplaats of de vestigingsplaats van een legeronderdeel?
    Het is importmateriaal en werd meegenomen als een leger verkastte. Het getuigt dus zeker niet van de verblijfplaats, waar meenemen geen nut zou hebben gehad.
    In Utrecht (op het Domplein) werden dakpanstempels gevonden zowel met het opschrift COH II HISO PED (Cohors Secunda Hispanorum Peditata = tweede Spaanse cohors voetvolk), als met het opschrift EX GER INF (Exercitus Germanicus Inferior). Met het Spaanse dakpanstempel zal niemand het in zijn hoofd halen om daarmee aan te tonen dat Utrecht toen tot Hispanorum hoorde. Met het dakpanstempel het Exercitus Germanicus Inferior doet men dat juist wel. Met deze dakpanstempels heeft men in Nederland steeds "aangetoond" dat Nederland toen tot Germania Inferior behoorde. Een dakpanstempel geeft slechts aan uit welk deel van het Romeinse Rijk het betreffende cohort afkomstig was. Men kan er nooit de naam van de verblijfplaats mee aantonen.
    Het cohors EX GER INF was dus afkomstig uit Germania Inferior, waarmee aangegeven is dat Nederland daar niet toe behoord heeft.
    Toegevoegde noot: De hoofstad van Germania Inferior was volgens Zozimus (Historia nova, VI, 2) Bononia (Boulogne-sur-Mer). Daar kwam dus dit cohors vandaan, uit de omgeving van Boulogne-sur-Mer.
    Ook op andere Romeinse locaties in Nederland, o.a. Valkenburg, zijn (dakpan-)stempels gevonden van verschillende legeronderdelen. Al deze legereenheden zijn uiteraard niet allemaal in Valkenburg gelegerd geweest. De enige verklaring is dat het restpartijen zijn geweest die verhandeld zijn en zo op één plaats hergebruikt worden. Of het waren de veteranen en oud-gedienden die hun eigen voorraadje meenamen en hergebruikte op de nieuwe locatie. Achter een grote hoeveelheid en diversiteit moet eerder handel gezocht worden dan een omvangrijke legermacht, wat doorgaans wel de opgevatting is.

  22. Brandsporen.
    Sporadisch gevonden brandsporen op enkele plaatsen in midden-Nederland worden steevast geïnterpreteerd als die van de "Opstand van de Bataven" of van de "invallen van de Noormannen", naar gelang men die nodig heeft. Dat in die tijd ook de houten huizen, boerderijen en zelfs de houten Romeinse castella wel eens gewoon in brand konden raken, wordt in het onderzoek en de conclusies dan niet meegenomen. Onzorgvuldigheid met de stookplaats midden in zo'n houten woning, is ook nu nog een algemeen voorkomend probleem. Brand is in heel wat middeleeuwse steden altijd een groot problemen geweest, zoalng de meeste huizen van hout waren. Brandsporen op zich zeggen dus niets over hoe de brand ontstaan is of door wie de brand gesticht is, zelfs in de brandlaag gevonden munten geven geen enkele zekerheid omtrent het tijdstip van de brand.

  23. Omvangrijke bewoning?
    De vondst van enkele gebruikvoorwerpen bewijst nimmer omvangrijke bewoning op die plaats. Gebruikvoorwerpen kunnen ook onderweg verloren zijn, ze kunnen zelfs overboord gevallen zijn in een overstroomd Nederland. Denk aan de transgressies tussen de 3e en 10e eeuw. Over bewoning op die plaats kan dus een of enkele gebruikvoorwerpen geen enkele bevestiging geven. Daar is meer voor nodig. Veel geschiedenis in Nederland, wordt nog steeds "bewezen" met één enkel relikt: één enkele opgebaggerde Romeinse helm, één enkel Karolingisch graf, één enkel Noormanenzwaard: ze bewijzen niets van de vermeende geschiedenis.
    Het is opvallend dat de grootschaligheid van de geschiedenis in Nederland in het geheel niet bevestigd wordt door de archeologie. Op veel plaatsen waar dat zo gewenst zou zijn ontbreken archeologische sporen van omvangrijke nederzettingen. Men vindt er soms slechts een enkel of enkele graven. Maar die zeggen niets omtrent bewoning of nederzettingen. Zo'n enkel graf kan ook van een toevallige passant geweest zijn of van een moord of overval getuigen. Het verklaart in elk geval niets ten aanzien van omvangrijke nederzettingen die er wel geweest moeten zijn, wil men de grote volkeren, de omvangrijke veldtochten en gegevens uit de kronieken in Nederland willen plaatsen. Zie ook het volgende punt.

  24. Omvangrijke volkeren?
    De vondst van sporen van enkele "boerderijtjes" bewijzen nimmer de bewoning van het omvangrijke volk van de Bataven in de Betuwe. De Bataven leverden vele cohorten soldaten aan de Romeinen van vóór onze jaartelling tot ver in de 5e eeuw. De "Opstand van de Bataven" heeft in 69 en 70 n. Chr. bijna twee jaar geduurd. Het Bataafse volk moet een zeer omvangrijk en krachtig volk geweest zijn. Plaatsing van dit volk in de Betuwe is historisch geografisch een aanfluiting. De Betuwe hadden de Romeinen met hun legioenen in een paar dagen volkomen platgewalst. En van dat Bataafse volk is in de Betuwe gewoon al helemaal niets teruggevonden. Tijdens de recente aanleg van de "Betuwelijn" is de Betuwe aardig overhoop gehaald. Er is archeologisch gewoon niets Bataafs gevonden. De cruciale vraag "Waar zijn de Bataven gebleven?" speelt de Nederlandse historici al jaren parten, maar blijft nog steeds onbeantwoord, hoewel het antwoord simpel is. De Bataven zijn namelijk niet vertrokken uit de Betuwe eenvoudigweg omdat ze er nooit gewoond hebben. Ze wonen nog steeds nagenoeg op dezelfde plaats als in de Romeinse tijd: in Noordwest-Frankrijk.

    Hetzelfde kan gesteld worden ten aanzien van het volk der Fresones (Friezen), dat het behalve de Romeinen ook de Franken vele decennia knap lastig heeft gemaakt. Van omvangrijke bewoning is in Friesland of langs de kust in Noord-Holland nooit iets aangetoond. We moeten het doen met enkele 'schatvondsten' (zie: Wijnaldum, Tzummarum en Wieringen). Ook de paar bewoonde terpen bevestigen op geen enkele wijze de aanwezigheid van het omvangrijke volk der Fresones in Nederland.

  25. Waterputten.
    De ouderdom van het hout bepaalt nooit de ouderdom van een waterput. De waterputten van Wijk bij Duurstede, gemaakt met hout van wijnvaten uit de 8e eeuw, werden door de archeologen ook op de 8e eeuw gesteld. Vergeten wordt dat wijnvaten voordat ze in de grond verdwijnen om als rand voor een waterput te dienen, zeker vele decennia en misschien wel eeuwen lang dienst gedaan zullen hebben als wijnvat. Je maakt een waterput toch niet van nieuwe wijnvaten? En dan de Willibrodusputjes. Die worden ook in Nederland op allerlei plaatsen "gevonden", waarvan zelfs in de Nederlandse mythen vaststaat dat Willibrord er nooit geweest is. Hetzelfde verhaal zien we bij de wijwaterputten van Bonifatius. In 1984 beweert de R.O.B. te Dokkum op een mogelijke (waar precies werd niet vermeld) plek van een oud klooster een put te hebben ontdekt, waaronder zich de wijwaterput van St.Bonifatius bevindt, waarin hij de Friezen doopte.
    Dit hele verhaal ging er natuurlijk in als koek. Echter het toont weer eens het gegoochel en het onzorgvuldig omgaan met feiten, om maar steeds de mythen te willen bevestigen.
    Het hele verhaal over de wijwaterput van St.Bonifatius in Dokkum is klinkklare onzin.
    Paus Gregorius (731-741) had immers met nadruk verboden voor het dopen van heidenen tot christenen, gebruik te maken van bronnen, juist omdat deze bij de heidenen in een geur van bijgeloof en heidense rituelen stonden. De paus wilde absoluut voorkomen dat de heidenen de indruk kregen alsof de Kerk ook in het sacrale van bronnen geloofde. St. Bonifatius was zeer Rome-getrouw, zozeer zelfs dat hij menigmaal in conflict is geraakt met Gallische (!) bisschoppen. En dan vindt de ROB. een wijwaterput van St.Bonifatius! Er werken blijkbaar geen katholieken bij de ROB., want deze heilige wordt even aangewreven dat hij de kerkelijke voorschriften van Rome heeft overtreden.
    Overigens, hoe weet de ROB. dat er wijwater onder in die put zit? En, geloof het of niet, er zijn in Dokkum flesjes 'Dokkumer wijwater van St.Bonifatius' te koop! Het is een aanwijzing dat een sterk geloof niet samengaan met historisch onderzoek.

  26. Terpen en dijkbouw.
    De vondst van munten in een terp of dijklichaam zegt niets over de ouderdom van die terp of dijk. De grond voor de ophoging kan overal vandaan gekomen zijn en reeds allerlei voorwerpen bevat hebben. Dat de dijkbouw in ons land op grond van de vondst van enkele Romeinse munten uit de Romeinse tijd stamt, is lang een verkeerde veronderstelling geweest. De dijkbouw kwam in Nederland pas in de 11e eeuw op gang, enkele onderzoekers houden het zelfs op de 12e eeuw. Met gevonden Romeinse munten diep onder de Hollandse duinen wordt overigens haarfijn aangetoond dat de duinen in Nederland pas na de Romeinse tijd zijn ontstaan.

  27. Graf-, gedenkstenen en altaren.
    Het is een bekend verschijnsel dat met graf- en gedenkstenen en altaren overal en altijd gesjouwd werd. Allereerst omdat het materiaal waaruit de stenen bestonden uit een bepaalde streek kwam en dus versjouwd werd naar de opdrachtgever. Na gebruik werd er ook flink mee gesjouwd, wat blijkt dat men bijvoorbeeld gedenkstenen van Bataven door het hele Romeinse Rijk terugvindt. Interpretaties op grond van deze stenen zijn vaak erg suggestief en moeten te vaak de vermeende geschiedenis "bewijzen". De grafsteen van Dodewaard, ingemetseld in de kerktoren, is een voorbeeld van verkeerde interpretatie. Niemand weet waar die steen vandaan kwam en hoe die in de toren verzeild is geraakt. De conclusie dat de toren dus uit de Romeinse tijd stamde, houdt met tegenwoordig voor "dorpse fantasie". Om aan de hand van deze grafsteen Dodewaard als het Ad Duodecimum van de Peutingerkaart te verklaren is een volgend voorbeeld van suggestief toeschrijven naar een wenselijke geschiedenis. In Nijmegen heeft men ook eeuwen gedacht dat de "heidense" kapel op het Valkhof door Julius Caesar was gesticht, vanwege een ter plaatse aanwezige gedenksteen. De tekst op deze steen bleek geheel foutief door ene Willem van Berchem "vertaald" te zijn. Het is een mythe die vandaag de dag nog steeds "voortleeft".

  28. Een inscriptie op een gedenksteen geeft niet per definitie de naam van de vindplaats aan.
    Op een van de in de Oosterschelde gevonden Nehalennia-altaren is de plaatsnaam Ganuenta te voorschijn gekomen, waarvan Bogaers en Van Es veronderstellen dat de plaats daar in de buurt gelegen moet hebben. Het is de normale fout van de Nederlandse archeologen. Wanneer zij een votief-, graf- of altaarsteen met een naam aantreffen, concluderen zij meteen dat die plaats dan ook dáár gelegen heeft, een methodiek die door honderden gelijksoortige stenen over de Romeinse wereld wordt gelogenstraft. De in Nijmegen gevonden steen van een Moriniër van Terwaan is zelfs een zéér bij de hand liggend voorbeeld voor de onjuistheid van deze methode. Van Es brengt Ganuenta in verband met de Frisones, en daar zat hij op de goede weg. Het is natuurlijk de naam van Genech, de hoofdplaats van de Canninefaten, naaste buren van de Frisones in Vlaanderen. Hoe een votief-, graf of altaarsteen ergens verzeild is geraakt, blijft natuurlijk een intigrerende vraag. Daarbij moet ook de menselijke maat niet vergeten worden. Ook heden ten dage worden "souveniers" uit de hele wereld over de hele wereld versleept. Elk museum staat vol met voorbeelden van deze verplaatste relikten. De tegenwoordige toerist kent de "authentieke" voorwerpen uit verschillende toeristische gebieden maar al te goed. Niets menselijks was ook de vroegere mens vreemd.

  29. Mijlpalen.
    De Romeinen maakten zuilen waarop plaatsen en afstanden vermeld zijn. De vindplaats van zo'n mijlpaal hoeft zeker niet de standplaats geweest te zijn. Zo'n mijlpaal kon op elke plek van de erop voorkomende wegen hebben gestaan. Een Romeinse mijlpaal vormde een goede scheepsbalast in landen zonder natuurlijke steen. Zeker die van afgezette keizers. Het bekendste voorbeeld is de "mijlpaal van Tongeren", waarvan een fragment in Tongeren gevonden is. Waar deze mijlpaal vandaan kwam is onbekend, waar hij gestaan heeft evenmin. Hij kan gestaan hebben aan elke erop vermelde weg gestaan hebben bijvoorbeeld aan de weg van Reims naar Amiens. Deze mijlpaal hoeft niet per se in Tongeren gestaan te hebben, ook al is hij daar gevonden. Dat is des te aannemelijker te maken, omdat op deze mijlpaal geen afstanden tot Tongeren staan en ook de overige delen van deze zuil zijn er nooit gevonden. De vindplaats kan een puur toevallige zijn.
    Aangezien van deze mijlpaal slechts een gedeelte gevonden is blijft de vraag: "Waar is de rest van deze paal?". Zolang dit niet gevonden is zijn er geen harde conclusies te trekken uit deze vondst.
    Hetzelfde geldt ook voor de "mijlpaal van Monster" (of Naaldwijk?), waarop de afkorting MAEC door Bogaers "vertaald" werd met Municipium Aelium Caninefatium, de hoofdstad van de Caninnefaten in Nederland. Waarmee Bogaers meteen meende te kunnen bewijzen dat de Caninnefaten in Nederland woonden, immers hun hoofdstad lag hier toch! Deze "vertaling" van Bogaers werd door Van Buchem "een treffende gedachte" gevonden, ofwel leuk verzonnen. Echter deze treffende gedachte gaat wel weer de wereld in als historische zekerheid, met alle foutieve gevolgen vandien. Immers Bogaers kon tot zijn treffende gedachte komen door de letter -E- als een latere foutieve toevoeging te verklaren. Dus door de mijlpaal vals te verklaren wordt ermee bewezen wat men graag wilde bewijzen. Waar hebben we dat ook gezien? Bij de naam Fletione op de Peutingerkaart!
    Vraag is ook hier: "Waar is de rest van deze paal?"
    Het is overigens opvallend (of juist niet) dat de in Nederland gevonden "Romeinse wegen" een andere structuur hadden, dan van de Romeinen verwacht mag worden. De Nederlandse wegen zijn grindwegen en waren niet geplaveid. Waren het dan wel Romeinse wegen? En waren het dan wel de wegen van de Peutingerkaart, waarvan de onderste weg in Nederland nooit gelocaliseerd is.

  30. Vooringenomenheid: Wonderbaarlijke nonsens.
    "Wij gaan Dorestad opgraven", riep Van Es uit, voordat hij ook maar één schop in de grond had gestoken. Na vele jaren graven en vele miljoenen wegggegooid overheidsgeld, moest hij uiteindelijk toch erkennen: "we hebben het niet gevonden.". Zijn conclusie "We hebben op de verkeerde plaats gezocht", was de enig juiste. Hij had immers in Noord-Frankrijk moeten gaan zoeken en wel in de buurt van "waar men de overkant kan zien", en niet in midden-Nederland van waaruit Engeland niet te zien is. Hier had Van Es "baarlijke nonsens" moeten roepen over zijn eigen bevindingen, waarbij hij al tevoren dacht te weten wat hij er op ging graven, niet over de visie van Albert Delahaye die hij als zodanig kwalificeerde.

  31. Continuïteit in bewoning.
    In Nijmegen hanteert men graag een continuïteit in Romeinse aanwezigheid sinds de eerste tot de 4e eeuwe. De verschillende locaties van Romeinse kampen weerleggen juist deze zo gewenste continuïteit. Ook in andere studies, zelfs in het boek De Romeinen in Nederland van W.A.van Es, wordt die continuïteit tegengesproken. Nijmegen heeft tussen de 3e en 10e eeuw een gat van 7 eeuwen. Vondsten uit de 3e eeuw worden zonder bewijsvoering vastgeplakt aan vondsten uit de 10e eeuw. Waar 7 eeuwen ontbreken spreekt men rustig over continuering van bewoning. Voorbeelden van een gat in de bewoning zijn in Nijmegen, Wijk bij Duurstede, Elst en Utrecht vast te stellen, waar het middeleeuws meteen op het Romeins wordt teruggevonden. De 7 ontbrekende eeuwen zijn overal in Nederland aan te wijzen.

  32. De tegenwoordige situatie.
    Archeologische vondsten herleiden uit de huidige situatie is een volgende veelgemaakte fout. De loop van de rivieren in Nederland en west-Europa is sinds de Romeinse tijd aan veranderingen onderhevig geweest. De loop van de Schelde was in de Romeinse tijd anders dan nu. Ook de kustlijnen, de moerassige bodem, de toen bestaande uitgestrekte wouden, de grootte van plaatsen e.d. geven aanleiding tot verkeerde interpretaties. De archeologie moet steeds waakzaam blijven en vondsten niet vertalen naar de tijd van nu. Het beste voorbeeld is de "vondst" van het Kanaal van Corbulo in het huidge maaiveld, terwijl onmiskenbaar vaststaat dat de bodem in de Romeinse tijd veel lager gelegen was. Hetzelfde verhaal gaat op voor het kanaal van Drusus, de dam van Drusus en Romeinse wegen en forten. Romeinse overblijfselen worden in laag Nederland ver tot zeer ver onder het maaiveld teruggevonden.
    Ook bij het toepassen van klassieke teksten op de huidige demografie zijn veel archeologische en historische fouten gemaakt. Bij het toepassen van teksten over de Saksen en de Litus Saxonicum op de Saksen in Noord-Duitsland volgen onvermijdelijk ontelbare fouten. De Litus Saxonicum lag aan het kanaal, de woonplaats van de Saksen was daar tot hun deportatie door Karel de Grote (804) eveneens.

  33. Verschillende cultuurrelikten op dezelfde plaats.
    Verschillen in type of vorm van cultuurrelikten hoeft niet te betekenen dat het om een ander volk zou gaan. Volkeren ontwikkelen hun vaardigheden, leren van anderen en kopiëren elkaars voorwerpen en gebruiken. Een ander type aardewerk op dezelfde plaats gevonden, wil niet meteen zeggen dat er plots een ander volk zou wonen. Bovendien kan door handel verkregen aardewerk ook voor de nodige verwarring zorgen.

  34. De Nehallenia altaren
    Het is van de Romeinen bekend dat zij hun kunstschatten en heiligdommen over het hele Romeinse rijk hebben meegesleept. De vondst van Nehallenia-altaren in de Oosterschelde betekent niet meteen dat daar een heiligdom of tempel gewijd aan deze godin geweest is. Ook al zijn er resten van een gebouw gevonden in de Oosterschelde ter plaatse. Het kan net zo goed om een opslagloods voor de verscheping van de beelden naar Engeland gaan.

  35. Verkochte of geroofde kunstschatten.
    Als de oorspronkelijke vindplaats niet bekend is of opzettelijk verzwegen wordt, zijn vondsten in feite van geen archeologisch-geografische waarde meer. In Nijmegen zijn veel Romeinse relikten hergebruikt als goedkoop bouwmateriaal of verkocht als gewilde cultuurhistorische objecten aan musea in het buitenland, waarmee ze een verdere archeologisch waarde verloren. De cultuur-historische waarde daarentegen kan best gehandhaafd blijven, ook al is de historisch-geografische waarde vervallen.

  36. Een verstoorde bodem.
    De vaststelling van een verstoorde bodem moet archeologen argwanend maken bij de interpretatie van elke vondst. Er valt immers niets meer met zekerheid vast te stellen. Het bekendst zijn archeologische vondsten in steden, waar vele bouwfasen en typen door en op elkaar aangetroffen worden. Zijn de 15e eeuwse steentjes in het huis uit de 18e eeuw ter plekke hergebruikt of kwamen deze stenen van elders? De conclusie dat het hier dus om een 15e eeuw huis zou gaan is erg voorbarig. Indien de bodem door eerdere opgravingen of grondbewerkingen is verstoord, dienen ook de vondsten naar die verstoring geïnterpreteerd te worden. Veel archeologische conclusies zijn vanwege die grondverstoringen in één klap waardeloos.

  37. De oudste cultuurlaag zit onderop.
    De volgorde waarin relikten in de bodem moeten zitten, is bij heel wat archeologen nog steeds onbekend. Het Romeins hoort onder het Karolingisch te zitten. Dat schijnt men in Nijmegen bijv. nog steeds niet te weten. Hoewel men er karrenvrachten aan Romeins heeft gevonden en ongeveer heel Nijmegen heeft omgespit, blijft men er toch zoeken naar het Karolingische paleis van Karel de Grote. Men zal het er niet vinden.

  38. Romeinse villa's of Romeinse plaatsen?
    Op veel plaatsen in Nederland zijn Romeinse overblijfselen gevonden, van munten tot fundamenten van gebouwen. Te vaak zijn die gevonden overblijfselen zo minimaal en van te kleine omvang om er een plaats van grote importantie mee te kunnen verklaren. Toch gebeurt dat in Nederland. In Katwijk, Voorburg, Alphen, Woerden, Wijk bij Duurstede, Kesteren, Herwen en Rossum is nooit vastgesteld of er wel ooit een castellum gelegen heeft. In Cuijk, Blerick, Heel en Smeermaas is Romeins gevonden, doch beslist te weinig om er een belangrijke plaats van te kunnen maken, die op de Peutingerkaart zou voorkomen. In Zuid-Nederland en België is op verschillende plaatsen Romeins gevonden. De omvang daarvan is zodanif dat men het houdt op villa's uit de Romeinse tijd. Enkele villa's blijken zelfs groter dan enkele vermeende Romeinse plaatsen waar een castellum zou hebben bestaan. In Zwammerdam is een klein castellum (?) door opgravingen vastgesteld. Het is op geen enkele manier aannemelijk te maken dat dit mini-castellum (1,2 ha., ofwel de afmeting van een voetbalveld) op de Peutingerkaart zou hebben gestaan, terwijl steden als Maastricht, Aken en Tongeren er niet op staan! Het blijft ook de vraag of het in Zwammerdam wel om een castellum gaat, of dat het misschien slechts het restant van een Romeinse villa betreft. De gevonden Romeinse boerderij in Schimmert (L) was ruim twee keer zo groot (2,5 ha) als dit castellum.

  39. Vondst van Romeinse vaas te Vechten.
    In december 1997 werd in Vechten een tot de verbeelding sprekende vondst van een vaas, geornamenteerd met figuren in klassieke klederdracht. De vaas stond op een zware sokkel. Begeleidende vondsten werden niet gedaan, maar een datering in de Romeinse tijd lag gezien de vondstlocatie, dicht bij het fort, voor de hand. Spijtig genoeg bleek sprake van een in twee delen gegoten betonnen tuinornament van recente datum. Bron: Archeologische Kroniek van Utrecht, 1996-1997, p.51.
    Nader technisch onderzoek leidde tot deze enige juiste conclusie: niets Romeins dus, maar een tuinornament uit de 20e eeuw. De vraag blijft interessant hoe dat met vele andere vondsten uit het verleden is gegaan. Hoeveel vondsten in onze Nederlandse musea staat in de verkeerde vitrinekast?

  40. Hergebruik van Romeins bouwmateriaal.
    In mei 1997 meldde men de vondst van een gestapelde tufsteenstructuur vlak onder het maaiveld in de noordelijke bermsloot van de A12 bij Vechten. Bij een daaropvolgende waarneming werd een concentratie van 14 gestapelde tufsteenbrokken waargenomen. Hergebruik van Romeins bouwmateriaal is niet uitgesloten, maar de functie van de structuur die slechts beperkt in zicht kwam (ca 1 m2) is onbekend. Een driehoekige tufsteen was 10 cm dik.
    Op grond van minder materiaal werden hele castella verklaard in de Nederlandse archeologie. De vondsten werden naar de bekende klassieke teksten "toegeschreven", zonder gedegen onderzoek of die teksten wel op Nederland betrekking hadden.

  41. Toevallige vondsten.
    Te vaak worden toevallige vondsten gebruikt om hiaten in de traditionele opvattingen te 'bewijzen'. Een enkele scherf, een stuk van een Romeinse gedenksteen, één enkele munt of een deel van een sieraad bewijzen niets. Waar is dan de rest van die pot, van dat sieraad?
    Met toevallige vondsten wordt ook op geen enkele manier een bewonig aangetoond.

  42. De "Romeinse" tempel te Elst.
    De resten van de tempel in Elst vragen om nadere bestudering. Was het wel Romeins? Was het wel een tempel? Van het verhaal dat Bogaers er indertijd van gemaakt heeft, is niet veel meer over. Zie bij Bogaers.
    Aangezien het hergebruik van materiaal zo oud is als de mensheid, kan men ook hier de nodige vraagtekens zetten. Duidelijk is wel dat deze tempel (?) niet voldoet aan de kenmerken van een Romiense tempel. De tempel wordt niet voor niets gekwalificeerd als 'Bataafs', ofwel er zijn andere invloeden merkbaar bij de resten van dit gebouw.

  43. Vondst "Romeinse" schepen in Nederland.
    Van veel scheepswrakken in Nederland is nooit onweerlegbaar vastgesteld dat het om Romeinse schepen ging. De scheepswrakken van Zwammerdam bijv. zijn weinig Romeins. W.A. van Es noemt deze dan ook 'inheems'.
    De Romeinen zullen zeker gebruik gemaakt hebben van lokaal vervoer, zoals dat ook n u nog vaak gebeurd. Wat er dan specifiek 'Romeins' aan de schepen is, blijft een vraag.
    Wel worden deze scheepswrakken weer opgevoerd om de traditionele opvattingen omtrent Romeins Nederland te onderbouwen. Met die schepen wordt een situatie van drukke handels activiteiten voorgesteld, die zich wellicht nooit heeft voorgedaan. Ook wordt er de aanwezigheid van omvangrijke Romeinse legioenen mee 'bewezen', terwijl het om een handjevol Romeinse legionairs is gegaan.

  44. Nep in de 17e eeuw.
    Dr.A.W.Byvanck schrijft in zijn boek "Nederland in den Romeinschen Tijd" op p.362: "Reeds in de 17e eeuw is er in Nijmegen handel gedreven in Romeinse oudheden en zijn er voor die handel enige monumenten gefabriceerd. Behalve Smetius zijn ook anderen de dupe geworden van vervalsers".
    En deze vervalsingen zijn nog steeds in omloop. Het blijft dus oppassen met Nijmeegs antiek. Er kan nep tussen zitten.

  45. Ulpia Noviomagus en een ring met inscriptie!
    In Nijmegen is een ring gevonden waarop op een vrij primitieve manier de letters N-O-V-I-O-M zijn ingestanst. Daarmee wil men bewijzen dat Nijmegen wel degelijk het Romeinse en Karolingisch Noviomagus was.
    Blijkbaar heeft men geen andere bewijzen, nu deze ring krampachtig als zodanig naar voren wordt geschoven.
    Maar ook hier geldt dat met één enkele ring niet te bewijzen valt. Bovendien is de vraag waar die ring vandaan gekomen is en wie die letters erin gekrast heeft. De archeologie van Nijmegen kent immers vele voorbeelden van nep. Zie aldaar.

  46. Muntvondst op het Valkhof.
    Met een muntvondst op het Valkhof in Nijmegen wil men graag bewijzen wat men er mist, namelijk continuïteit!
    Een gevonden munt zegt op zich niets anders dan dat iemand die daar verloren is. Aangzien munten nog lang na hun productiedatum geldig bleven, kan een munt ook vele eeuwen later pas verloren zijn gegaan. Bovendien zijn munten als betaalmiddel bedoeld en kan dus door jan en alleman verloren zijn. Uit de vondst van één enkele munt, zlefs niet van een handvol munten, kan men geen conclusies trekken omtrent bewoning of continuïteit in bewoning. De krampachtige manier waarop men dat in Nijmegen toch probeert, geeft juist aan dat men er dat juist mist.

  47. 'Alles is weggespoeld'.
    In de Nederlandse archeologie leest men nogal eens dat bij gebrek aan vondsten 'alles is weggespoeld', om toch maar vooral een bepaalde opvatting te kunnen onderbouwen. Vreemd blijft het dan als men stroomafwaarts ook niets vindt. Waar alles naartoe is weggespoeld blijft dan ook de ultieme vraag. Er wordt door door archeologen en historici met geen woord gerept over de stroming van de grote rivieren en hoe zelfs zware voorwerpen zoals muurdelen meegevoerd zouden kunnen zijn. Door de stroming in de rivieren zou er ook niet gesproken kunnen worden over slechts één vindplaats. Vondsten zullen dan verspreid moeten voorkomen. Bovendien zijn de rivieren over de hele lengte al uitgebaggerd en van welke baggerplaats komen dan de archeologische vondsten die een bepaalde stellige conclusie onderschrijven?
  48. Opgebaggerd uit de Waal.
    "Opgebaggerd uit de Waal bij Nijmegen" is een geliefkoosd label voor veel voorwerpen die via antiquairs in het Rijksmuseum voor Oudheden terecht zijn gekomen: in feite te vertalen met 'vindplaats onbekend'. Slordigheid, 'hinein-interpretieren' van veldwaarnemingen in een vooropgezette theorie en een nonchalante vondstregistratie, kunnen oude opgravingsverslagen voor een goed deel waardeloos maken voor latere generaties". Bron: L.P. Louwe Kooijmans, p.17.
    De opgebaggerde relikten kunnen overal vandaan gekomen zijn en maken de vondst als determinatie van een locatie op één slag waardeloos. In Nederland wordt aan de vondst van één opgebaggerde (Romeinse?) emmer een heel castellum te Maurik opgehangen, ofwel: "baarlijke nonsens" om de geliefde uitdrukking van Dr.W.A. van Es te gebruiken over de visie van Albert Delahaye ten aanzien van de locatie van het antieke Dorestad.

  49. Grafvelden.
    Er hebben zich altijd mensen begeven op zoek naar een woonplaats of voedsel. Ook in de moeilijk toegangbare gebieden in Nederland. Als die maar even droog vielen, verbleef de mens er. En natuurlijk overleden mensen en werden begraven. Niet ver weg maar op de plek van overlijden. Uit de vondst van een enkel graf kan dan beslist geen bewoning getrokken worden. Zelfs niet bij de vondst van meerdere graven op één plek. Daar is meer voor nodig zoals een nederzetting. In Nederland zijn verspreid meerdere grafvelden gevonden. De daarbij noodzakelijke nederzetting ontbreekt meestal.

    Bij verschillende dateringen van vondsten binnen één graf komt men tot één overkoepelende datering van dat graf. Echter is dit de juiste werkwijze? Kan het niet zo zijn dat men de dode verschillende voorwerpen meegeeft en is dan het jongste voorwerp het 'sluitstuk'? Net als bij munten? Maar graven werden ook wel heropend om de dode nieuwe voorwerpen mee te geven. Ook dit maakt de datering onzeker.

  50. Lisiduna, verkleuringen in de bodem.
    In Leusden heeft men verkleuringen in de bodem aangetroffen waarin men meteen het bewijs ziet van de plaats van het in de oorkonden uit 777 genoemde Lisiduna. Uit andere vondsten is gebleken dat die plek tot ca.700 bewoond zou zijn geweest. Dan kom je dus 77 jaar ofwel 3 generaties tekort om er het Lisiduna uit de oorkonden uit 777 van te kunnen maken.

  51. Romeinse muntvondsten
    "Romeinse munten zijn ontdekt te Vianen, te Schoonhoven en te Moordrecht, scherven van Romeinsch aardewerk te Krimpen aan de lJssel. Bij Hoogvliet en bij Mijnsheerenland, gedurende baggerwerken in de Binnendijksche Maas, zijn Romeinsche voorwerpen aan het licht gekomen, bij Spijkenisse en bij Numansdorp Romeinsche munten. Al deze vondsten hebben evenwel het karakter van voorwerpen, die bij toeval zijn verloren gegaan. Over de bewoning lichten zij ons niet in". Aldus een citaat van Byvanck (o.c. p.389).
    Romeinse munten zijn in het hele toenmalige Romeinse Rijk verloren en gevonden en zelfs ver daarbuiten. Uit geen enkele vondst kunnen vergaande conclusies getrokken worden. Munten en kleine gebruiksvoorwerpen kunnen, zoals Byvanck dat terecht concludeerde, bij toeval verloren zijn. Toch wordt in de Nederlandse archeologie op grond van één munt een heel "handelscentra" opgehangen, in dit voorbeeld Dorestad te Wijk bij Duurstede. Ook de bewijzen rondom ontstaan en naamgeving van plaatsen worden "opgehangen" aan één enkele vondst. Als belangrijkste voorbeeld kan Nijmegen dienen, waar nooit het bestaan van de plaats Noviomagus is aangetoond dan met één enkele inscriptie op een in Pfünz (Zuid-Duitsland) gevonden gedenksteen. Zelfs al werd deze steen in Nijmegen gevonden, dan zegt het net zo veel als de gevonden gedenksteen in Nijmegen van een inwoner van Terwaan (Fr).

    Bekend is b.v. dat voor de Varusslag, die erg omvangrijk geweest moet zijn en waarvoor in de traditionele geschiedenis meerdere locaties bestaan, allemaal "bewezen" worden met minimale vondsten van Romeins, dat er wellicht terecht is gekomen als handelswaar.
    Zo kwam men in Cuijk op de identificatie van Ceuclum, Blerick zou Blariaco op grond van een vermoeden (Bechert, o.c. p.73) geweest zijn, Heel werd zo Catualium en vermoedde men te Smeermaas (B) het Feresne van de Peutingerkaart (Byvanck, o.c. p.348). In België houdt men Feresne overigens op Dilsen in Belgisch Limburg (J.Breuer, Romeinsch België, p.49). Bechert houdt ook Stokkem (Dilsen-Stokkum op 17 km van Smeermaas) voor Feresne (Bechert, o.c. p.74). Veel vondsten van Romeins liggen zo verspreid, dat deze slechts getuigen van zeer verspreide bewoning van Romeinse migranten in de "Agri Decumates".