Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

ARCHEOLOGIE magazine en Archeologie in Nederland.

In de tijdschriften ARCHEOLOGIE magazine en Archeologie in Nederland (met een website op Archeologie on line) verschijnen regelmatig publicaties over recente archeologische bevindingen. We beperken ons op deze pagina tot de periode tussen de tijd van 56 v.Chr. tot 1200 n.Chr. en met name tot Nederland en Belgisch en Frans Vlaanderen.
Veel bevindingen bevestigen de visie van Albert Delahaye en waar de nieuwe opvattingen in strijd lijken met die visie geven we relevante kritiek.

Het woordgebruik in de artikelen geeft vaak al aan dat er de nodige twijfel bestaat omtrent de archeologische interpretaties, immers archeologie is interpreteren. Waar geschreven wordt in termen als 'mogelijk' of 'wellicht' zal onze conclusie zijn dat er geen bewijs voor de opvatting is en er dus feitelijk niets veranderd. De voorbeelden hiernaast spreken voor zich.

Wat we ook scherp in de gaten houden is dat veel archeologische bevindigen gebaseerd zijn op de klassieke teksten. Als voorbeeld kunnen we de bevindingen in de Betuwe noemen. Zolang men er spreekt over Bataafse vondsten gaat men dus klakkeloos uit van de onbewezen opvatting dat de Bataven in de Betuwe woonden. En dat is met geen enkele tekst ooit aangetoond. Integendeel, de teksten plaatsen de Bataven duidelijk in Noord-Frankrijk. Zie daarvoor bij Bataven.
Het moet daarbij goed begrepen worden dat de aanwezigheid van de Romeinen in Nederland door Albert Delahaye allerminst wordt ontkend, wat hem te vaak verweten wordt. Echter de interpretatie van veel archeologische vondsten is aan een grondige herziening toe, zoals de naamgeving van de 'Romeinse plaatsen'. Het Romeinse Noviomagus was dezelfde plaats als het Karolingische Noviomagus en was dus niet Nijmegen maar Noyon.


Waar vooral op gelet moet worden is de volgorde van de vondsten in de opgravingsverslagen. Als er sprake is van vondsten uit de steentijd of Romeinse tijd die genoemd worden, blijkt daaruit te vaak dat er daarboven niets gevonden is uit de vroege Middeleeuwen. De oudste vondsten zitten uiteraard onder de jongere. Vindt men veel Romeins (zoals in Nijmegen) maar wordt er niets gevonden uit de Frankische tijd dat erboven moet zitten, dan blijkt dit gegeven meestal verzwegen te worden. Het toont in elk geval (zoals in Nijmegen) dat er geen continuiteit in bewoning heeft bestaan tussen de Romeinse tijd en de 12e eeuw.

Wat ook opvalt en nader beschouwd moet worden is het gebruik van bepaalde onbewezen aanduidingen of opvattingen bij opgravingen. Zo worden vondsten in de Betuwe te gemakkelijk 'Bataafs' genoemd en wordt iets te Nijmegen gevonden steeds als van 'Ulpia Noviomagus' gekwalificeerd. Dat de Bataven in de Betuwe woonden is, zoals hierboven aangegeven, een hypothese. En de naam Noviomagus voor Nijmegen is eveneens nooit aangetoond met enig bewijs. Het Ulpia Noviomagus was ook niet Nijmegen, maar Neumagen in Duitsland, waar (de latere keizer) Trajanus die de naam Ulpia voerde stadhouder was. In Nijmegen is hij nooit geweest, ook al is daar een deel van een zuil gevonden die aan hem wordt toegeschreven.

Artikelen waarin oude beweringen nog eens worden herhaald blijven buiten dit overzicht. Dat de archeologisch vastgestelde Romeinse nederzetting Castello Fectio geheten zou hebben (AM. nr.3 2017) is zo'n voorbeeld. De naam van dit Romeinse castellum is nergens door bewezen, ook niet door de Peutingerkaart, zoals altijd beweerd wordt. Daarop staat overigens niet Fectio, maar Fletione, wat een andere plaats was.

De visie van Albert Delahaye.
Door de transgressie (zie daar) en de veenvorming was het grootste gedeelte van laag-Nederland lange tijd ontoegankelijk, dus onbewoonbaar. De geschiedenis die men er doorgaans plaatst blijkt een doublure van die in Noord-Frankrijk te zijn. Julius Caesar, Karel de Grote en St.Willibrord (om de belangrijkste te noemen) zijn nooit in Nederland geweest. Alle geschiedenis die met hen in Nederland terecht kwam was geÔmporteerd vanuit Noord-Frankrijk. Daar stond het paleis van Karel de Grote in Noyon (het ware Noviomagus), was de bisschopszetel van St.Willibrord in Tournehem (Trajectum) en vonden de veldslagen van Julius Caesar tegen de Eburonen, Usipeten en Tencteren plaats.
De twijfel die daarover in de Nederlanden altijd heeft bestaan, laten geen twijfel meer toe. De teksten zijn overduidelijk en plaatsen die hele geschiedenis ten zuiden van de taalgrens (zie daar).


ARCHEOLOGISCHE bevindingen.

(Gebruikte afkortingen: AM staat voor Archeologie Magazine; AiN voor Archeologie in Nederland; AoL voor Archeologie on Line.)
Waar sprake is van een hypothese gaat het om een als voorlopige waarheid aangenomen maar nog te bewijzen veronderstelling.

'Nieuwe' Romeinse weg bij Houten ontdekt (AM. nr.1-2017).
Onlangs konden er weer 250 meter aan het alsmaar uitdijende Romeinse wegennet worden toegevoegd. Hoewel een exacte datering niet gegeven kon worden lijkt het erop dat het stuk aangelegd werd in het eerste kwart van de eerste eeuw. Daarmee zou het dus een van de oudste stukken van de limes kunnen zijn. De weg volgt niet de kronkelige loop van de Rijn, maar liep kaarsrecht door het landschap.
Dat de Romeinen in Nederland geweest zijn werd door Albert Delahaye nooit ontkend en is ook niet in tegenspraak met zijn visie. Dat de Romeinen wegen aanlegden, zeker in de natte en sompige bodem van Nederland, is net zozeer geaccepteerd. De gevonden palen die verzakkingen moesten voorkomen geven dat al aan. Maar dat dit een weg van de Peutingerkaart zou zijn, wat overigens in het artikel ook niet wordt beweerd wel gesuggereerd door het gebruik van het woord Limes, is een nooit bewezen hypothese. De Limes Germanicus is een term uit de 4e eeuw en toen verbleef er geen Romein meer in (laag) Nederland.

De Vikingwereld in beeld. (AM nr.1-2017).
In 1996 werd de Stichting Weg van de Vikingen opgericht die zich specifiek bezig houdt met het beschermen van het erfgoed uit de Vroege Middeleeuwen en het exploiteren van het Viking Informatiecentrum te Den Oever. De stichting participeerde ook in enkele Europese projecten.
In het artikel is sprake van het enkele traditionele opvattingen, Dorestad, Asselt, Zutphen en Deventer worden genoemd en de handelsgeest van de Vikingen. Die handel is in flagrante tegenspraak met wat de klassieke teksten vermelden, waarin overigens nooit sprake is van Vikingen maar van Northmanni (Noormannen). Dat verschil tussen beide bevolkingsgroepen is bij historici ook nog steeds niet bekend. Dat er weinig geschreven informatie bestaat, zoals in het artikel beweerd wordt, is een volgende misvatting. Over de Vikingen is dat inderdaad zo, maar over de Northmanni bestaat een overaanbod van klassieke teksten. Maar deze vind je inderdaad niet in Nederland, maar wel in Frankrijk waar al die plunderingen ook plaats vonden. Van verwoestingen is in Nederland geen archeologisch bewijs voor handen, staat in dit artikel, wat de volledige waarheid is. Ze zijn immers nooit in Nederland geweest. Zie bij Noormannen.
En over de genoemde 'schat van Wieringen' kunnen we kort zijn: die staat volledig op drijfzand. Zie bij Wijnaldum, Tzummarum en Wieringen.

Het raadsel van Tiel. (AM nr.2-2017).
In dit artikel is sprake van voorwerpen, die maar bij hoge uitzondering worden aangetroffen, zoals nu bij Tiel. Zo worden voorwerpen vermeld die normaal gesproken in de context van rijke Romeinse bewoning of locaties met een bijzondere functie zoals een tempel of forum worden gevonden. Alleen is van dergelijke gebouwen bij Tiel geen spoor teruggevonden, zoals in het artikel vermeld wordt. Ook hier wordt weer geschreven over 'de stam van de Bataven' die in dit deel van de Betuwe woonden. Het artikel besluit dat er nog veel nader onderzoek nodig is. Het is de enige juiste waarheid, echter enkele conclusies staan blijkbaar al bij voorbaat al vast voordat nader onderzoek heeft plaats gevonden.
En dat nu precies het probleem in historisch Nederland. Men blijft enkele mythen uit de 17e eeuw als uitganspunt hanteren, zonder deze eens aan een nader kritisch onderzoek te onderwerpen.

Vaubans erfenis. (AM nr.2-2017 p.14 e.v.).
Een opvallend artikel over de stille getuigen in Noord-Frankrijk van vier eeuwen machtstrijd. Het was precies dit gebied waar zich over vele eeuwen (hier wordt het beperkt tot 4 eeuwen) een machtstrijd heeft voorgedaan tussen verschillende volkeren en machthebbers tot en met de laatste wereldoorlog. Maar dit aantal eeuwen kan uitgebreid worden tot de tijd van Julius Caesar, die van Karel de Grote, de 80-jarige oorlog en meerdere schermutselingen daartussen. Juist dit gebied is sinds mensenheugnis het strijdtoneel van Europa geweest en gebleven. Zie ook het hoofdstuk over het Diets.
Vergelijkt men het kaartje (zie hieronder, klik erop voor een vergroting) met de visie van Albert Delahaye over de noordgrens van het Romeinse rijk ten tijde van Julius Caesar en ten tijde van de Limes Germanicus, dan is de overeenkomst frappant. De versterkingen die Vauban aanlegde komen nagenoeg overeen met de bovenste weg op de Peutingerkaart, waarmee de visie van Albert Delahaye een onmiskenbaar gelijk krijgt.

De goudschat van Lienden. (AM nr.3-2017).
Bij Lienden in de Betuwe is eind 2016 een muntschat gevonden van in totaal 42 stuks van Romeinse gouden solidi. De datering van de munten is tussen 375 en 437 aan de hand van de beeltenissen van de Romeinse keizers op de afzonderlijke munten. Bij de schat zijn geen verdere vondsten uit de Romeinse tijd of daarna gevonden. De verstopplek was vermoedelijk een oude grafheuvel.
De conclusie die de archeologen Stijn Heeren, Nico Roymans en Jos Bazelmans trekken is ook hier weer zeer voorbarig. Men heeft bepaalde onbewezen en voorbarige opvattingen in het hoofd, die de conclusie dan bepalen. Zij menen dat deze schat een sleutelstuk vormt van de eindfase van het Romeins gezag in Nederland.
De genoemde archeologen gaan er blijkbaar van uit dat de munten door een Romein verborgen zijn. En dat is een onbewezen aanname. Deze schat is zeker niet door een Romeinse legionair begraven die immers niet in gouden munten werden uitbetaald. Het is duidelijk een spaarpotje, een belegging van iemand op de vlucht, die zijn verborgen bezit later niet meer heeft kunnen ophalen. Wie dat was blijft een onbeantwoorde vraag. Het geeft in elk geval geen enkele informatie over een Romeins gezag in Nederland, dat rond 260 n.Chr. immers door de Romeinen verlaten was.

Romeinse weg opgegraven bij Katwijk (AoL.sept.2018).
Tijdens voorbereidende werkzaamheden voor de Rijnlandroute tussen Katwijk en Leiden, troffen archeologen bij Katwijk een stuk van een Romeinse weg en een Romeinse nederzetting aan. De vondsten dateren uit 125 na Christus, en verkeren in bijzonder goede staat. Zie opmerking bij de Romeinse weg bij Houten.

Archeologie in Breda (AM. nr.5-2017).
In Archeologie Magazine 5 is een Special gewijd aan de geschiedenis van Breda. Deze kan als voorbeeld dienen voor de geschiedenis van meerdere steden en dorpen in Nederland, zoals Amersfoort (zie daar). Vooral de plaatsen die zich een oudere geschiedenis menen te kunnen aanmeten, zoals Zutphen en Wichmond dienen uiterst kritisch bestudeerd te worden. Vaak blijft van die vermeende oudste geschiedenis weinig tot soms helemaal niets over als men de geschreven bronnen en de archeologische bevindingen eens kritisch met elkaar vergelijkt.
Ook bij Breda is dat het geval. Er wordt dan wel in algemeenheid geschreven over de Romeinse en de Merovingische en Karolingische tijd (die zijn in algemeenheid wel in West-Europa te plaatsen), maar de zin dat "de oudste bewoningsporen zijn rond 1100 te dateren" zegt precies waar het over gaat. Breda is zoals zo veel plaatsen in Nederland (net als Utrecht, Elst, Nijmegen en Heerlen) ontstaan in het tweede millennium. Over de bewoningsgeschiedenis van Breda in de 9e en 10e eeuw is vooralsnog weinig (beter is: niets) bekend, lezen we in het artikel.
Hebben Utrecht, Elst, Nijmegen en Heerlen een Romeinse voorgeschiedenis gehad, Breda zeker niet. Na die Romeinse voorgeschiedenis verdwijnen ook deze plaatsen in duistere eeuwen en keren pas in het tweede millennium als woonplaats weer in de geschiedenis terug.

Het keerpunt Dokkum (AM. nr.1-2018).
In deze special komt de mythe van St.Bonifatius en Dokkum weer volop aan de orde. Zie daarvoor ook het hoofdstuk over Bonifatius waar veel van de mythe wordt besproken.
In dit artikel worden aan de traditionele opvattingen nog enkele mythen aan toegevoegd. Zo zou Dokkum al in 248 door hertog Obbo van Friesland zijn gesticht. Dat jaartal is echter verzonnen, wordt er aan toegevoegd. Over de hertog Obbo echter geen woord. Heeft die nu wel of niet bestaan? En met muntjes van Duitse machthebbers uit de 11e eeuw bewijs je ook niets over de 8e eeuw. Dat er Doccuga op staat geeft ook niet aan dat het om Dokkum zou gaan. Dan moet er bewezen worden dat Dokkum in de 11e eeuw een eigen muntatelier had. En zolang dat niet bewezen is, blijft ook dit een mythe.
Directeur Dragt van het museum in Dokkum vindt Bonifatius trouwens geen martelaar, 'want hij kwam niet alleen voor het geloof naar Dokkum' beweert hij. 'In ieder geval werd Bonifatius na zijn dood in talrijke levensbeschrijvingen veel mooier en heiliger voorgesteld dan hij in werkelijkheid was', zegt de museumdirecteur. En wat Dokkum zelf betreft, het was in die tijd niet meer dan een terpje bij een doorwaadbare plaats. Door de moord zou het uitgroeien tot een religieus centrum en bedevaartsoord. Toch zou de moord in 754 op de markt voor de grote of St.Martinuskerk plaats gevonden hebben. Op dat terpje? En dat terwijl de oudste bronnen over die moord niet de plaats noemen, maar de pagus Dockinchirica, wat de streek van Dunkerque (Duinkerke) is en zeker niet het niet bestaande Dokkum. En over een religieus centrum of een bedevaartsoord dat Dokkum geweest zou zijn is in de kerkgeschiedenis van Nederland niets gebleken. Pas in de 19e eeuw werd Dokkum als moordplaats wat bekender.
Als museumdirecteur al zoveel twijfel uit, zou het aan te bevelen zijn dat hij eens uitzoekt wanneer Dokkum een religieus centrum en bedevaartsoord werd. Dat gebeurde pas in de 19e eeuw, waarmee het ontstaan van de mythe precies wordt aangegeven. Dat de St.Bonifatiuskerk uit 1872 stamt en het St.Bonifatiusbeeld pas in 1962 door de protestantse (!) prinses Beatrix werd onthuld wordt dan wel vermeld, maar er worden geen conclusies uit getrokken.
Zo blijven de mythen bestaan, aangezien men geen historisch onderzoek doet of wenst te doen. Ook hier viert het toerisme hoogtij, reden waarom de welvaart van Dokkum in de 17e eeuw nog eens wordt genoemd en geroemd. Zie verder bij Dokkum.

Op zoek naar Oppidum Batavorum (AM. nr.1-2018).
Hoewel dit vermeende oppidum elders (zie daar) uitvoerig is besproken, moet het toch weer de aandacht krijgen. Het is zo'n mythe die maar blijft rondzingen in historisch Nederland en in Nijmegen, ook in dit artikel van Dick Roetman. Hij blijft Nijmegen Ulpia Noviomagus en de oudste stad van Nederland noemen, volgens Roetman zelfs 20 jaar ouder dan men in Nijmegen hanteert. Woorden als 'lijkt wel', 'mogelijk' en 'zal wel' maken zijn artikel niet bepaald overtuigend. Het zijn bewoordingen die we vaker tegenkomen in de geschreven geschiedenis uit het eerste millennium, waarmee de twijfel die er toch blijkt te zijn precies wordt aangegeven.
Zijn vraag "Is de Bataaf gevonden?" beantwoordt Roetman zelf al met een volmondig NEE. De Romeinse gebouwsporen die ervoor in aanmerking zouden moeten komen, hebben geen betrekking op de stad Oppidum Batavorum.
Tot die conclusie was W.Willems ook al gekomen in de jaren 80 van de vorige eeuw (zie daar). Blijkbaar heeft Roetman dat opgravingsverslag niet gelezen, aangezien hij weer met de conclusies van DaniŽls uit de jaren 20 komt aanzetten. Ook dat verhaal van DaniŽls heeft hij blijkbaar niet goed gelezen, immers DaniŽls twijfelde al aan de algemene opvattingen (zie daar).

Lopen door de straten van Forum Hadriane (AM. nr.2-2018).
In deze special komen de traditionele opvattingen over Forum Hadriani weer eens uitgebreid voor het voetlicht. We verwijzen daarvoor allereerst naar Foro Adriani waar de ware todracht beschreven wordt.
Nu moet goed begrepen worden dat de Romeinse aanwezigheid en vondsten allerminst worden ontkent. Wel de naam van deze Romeinse plaats. Die steunt vooral op de Peutingerkaart (zie daar), waarop overigens niet Forum Hadriani staat, maar foro adriani (zonder H en zonder hoofdletters). Het artikel blijkt wat de literatuur betreft, naast op de traditie vooral op de boeken van Tom Buijtendorp te steunen.
Door Buijtendorp worden vergelijkbare bewijzen geven als in zijn boek over Caesar in de Lage Landen (zie daar). Er wordt een heleboel beweerd maar niets bewezen, ook al noemt men de klassieke schrijvers als Tacitus, Suetonius en Cassius Dio. Het is een vergelijkbaar verhaal als men in Keulen hanteert met de letters CCAA wat Colonia Claudia Ara Agrippinensium zou betekenen. Die mythe heb ik doorgeprikt met artikelen in SEMafoor nr.4 jrg.18 en nr.2 jrg.19.

Ook bij Forum Hadriani blijkt het enige bewijs van de naam gebaseerd te zijn op de Peutingerkaart. Wat Tacitus en de andere klassieke schrijvers waarnaar Buijtendorp verwijst ook schrijven, toch blijkt ook bij Buijtendorp het uitgangspunt te zijn dat de UbiŽrs bij Keulen woonden. Dat uitgangspunt is onjuist aangezien de UbiŽrs de buren van de Sueben waren, die volgens Caesar niet ver van de zee woonden waarin de Renus uitmondt. Als men voor Renus de Rijn wil houden (maar het is de Schelde (zie daar), dan woonden de Sueben dus bij Katwijk. En dan kun je de bewoners van Keulen toch moeilijk 'de buren' noemen! Het voorgaande wordt verder bevestigt doordat naast de Sueben de MenapiŽrs woonden. En de MenapiŽrs woonden in Frans-Vlaanderen, waar Cassel (castellum menapiorum) immers hun hoofdstad was.
Zo zitten de mythen in elkaar. Als men nu de klassieke schrijvers eens kritisch zou lezen en niet meteen zou spreken 'dat de schrijver zich hier vergist heeft', dan zou de ware kijk vanzelf op tafel komen. Niet de klasieke schrijvers hebben zich vergist, maar de latere historici die hun teksten op de verkeerde plaatsen toepasten. En dat ze daar niet passen geeft precies aan dat men dan elders moet zoeken. En dat is precies wat Albert Delahaye (en anderen) gedaan heeft.

Was Julius Caesar ooit in onze streken? (AM. nr.4-2018).
Boekrecentie door Joost Vermeulen.
Hoewel onder een recentie een kritische bespreking wordt verstaan, is dat hier allerminst het geval. Joost meent dat aan de langdurige twijfel (gesteld in de vraag) nu definitief een einde is gekomen. Voor hem lijkt zelf de opvatting van archeoloog prof. H.Thoen die in BelgiŽ nooit een spoor van Julius Caesar of zijn legers heeft gevonden, niet langer houdbaar. Het 'vrijwel zekere bewijs' dat Joost noemt (let op het woord 'vrijwel'), kan ik nergens vinden. Ik vraag me dan ook in alle oprechtheid af 'Hoe kritisch heeft Joost dit boek gelezen?'
Voor een echte kritische recentie kunnen we verwijzen naar Caesar in de Lage Landen (zie daar).

Afdalen in Nijmegen centrum. (AM. nr.4-2018).
Weer een artikel van Dick Roetman over de archeologie van Nijmegen waarmee hij zich heel intensief bezig houdt. Het geeft mooie inkijkjes in de werkwijze en de opvattingen over de vondsten.
Enkele opmerkingen in dit artikel springen toch wel in het oog, zoals: er zijn liefst 12 historische lagen opgegraven, van boven naar beneden: sporen Tweede Wereldoorlog, bewoningslagen 19e tot 14e eeuw, diverse stegen (gassen), poorten, stadwallen 16e tot 13e eeuw, Romeinse tijd en ouder'. Aldus de letterlijke tekst uit het artikel. Ziet U ook het gat tussen de 13e eeuw en de Romeinse tijd? Verder wordt geschreven dat op een diepte van 3 ½ meter over een lengte van zo'n 16 meter een Romeinse secundaire weg. Munten en mantelspelden bevestigen de oudste datering: 1e eeuw n.Chr. In de lagen erboven hadden de archeologen al eerder een straatje aangetroffen, het Scheidemakersgas met bakstenen funderingen van huizen uit de 14e eeuw. Dus hier ook weer dat gat, nu van zelfs 13 eeuwen. Verder noemt Roetman nog 'de wal van Gorissen', de stadsomwalling waarvan Gorissen beweerde dat de eerste aarden verdedigingswal omstreeks 1200 werd opgericht en de tweede in 1230/1235. Duidelijk hier is ook weer dat de geschiedenis van Nijmegen na de Romeinse tijd pas in de 13e eeuw weer opkwam. Dat werd al eerder aangegeven door mededeling van het (voormalig) Nijmeegs museum Commanderie van St.Jan (nu museum Het Valkhof) in 'Het Bronnenboek', waarin te lezen is dat Nijmegen (en ik citeer) "als stad ten onder is gegaan aan het eind van de derde eeuw en er pas in de 13e eeuw weer een nederzetting van enige omvang was".
Het mag duidelijk zijn: de archeologie van Nijmegen spreekt duidelijke taal: na de Romeinse tijd begint de geschiedenis weer in de 13e eeuw.
Over de Merovingische of Karolingische tijd GEEN WOORD. Ook in dit artikel niet.
Nijmeegse oudste stad van Nederland? Daar is helemaal geen sprake van met een gat van bijna 10 eeuwen in de bewoningsgeschiedenis.


Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.