Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

ARCHEOLOGIE magazine.

In het tijdschrift ARCHEOLOGIE magazine verschijnen regelmatig publicaties over recente archeologische bevindingen.

Zie ook bij Archeologie in Nederland.



We beperken ons op deze pagina tot de periode tussen de tijd van 56 v.Chr. tot 1200 n.Chr. en met name tot Nederland en Belgisch en Frans Vlaanderen.

Veel bevindingen bevestigen de visie van Albert Delahaye en waar de nieuwe opvattingen in strijd lijken met die visie geven we relevante kritiek.

Het woordgebruik in de artikelen geeft vaak al aan dat er de nodige twijfel bestaat omtrent de archeologische interpretaties, immers archeologie is interpreteren. Waar geschreven wordt in termen als 'mogelijk' of 'wellicht' zal onze conclusie zijn dat er geen bewijs voor de opvatting is en er dus feitelijk niets wordt toegevoegd aan de heersende opvattingen. De voorbeelden hiernaast spreken voor zich.

Wat we ook scherp in de gaten houden is dat veel archeologische bevindigen gebaseerd zijn op de klassieke teksten. Als voorbeeld kunnen we de bevindingen in de Betuwe noemen. Zolang men er spreekt over Bataafse vondsten gaat men dus klakkeloos uit van de onbewezen opvatting dat de Bataven in de Betuwe woonden. En dat is met geen enkele tekst ooit aangetoond. Integendeel, de teksten plaatsen de Bataven duidelijk in Noord-Frankrijk. Zie daarvoor bij Bataven.

Een speciale plaats in deze rubriek wordt ingeruimd voor hobby archeoloog Dick Roetman die elke keer over Romeins Nijmegen schrijft. In zijn artikelen beweert hij vaak met onbewezen aannamen de voor hem vaststaande feiten. Ook maakt hij in zijn artikelen soms pijnlijke fouten waaruit blijkt dat hij niet altijd de echte feiten kent. Zo is de promotie van zijn leermeester prof.J.E.Bogaers over de Romeinse tempel in Elst hevig ter discussie komen te staan, aangezien het geen Romeinse tempel bleek te zijn, maar een 'inlandse' en deze tempel niet uit de tijd vůůr de Opstand van de Bataven bleek te dateren, maar op zijn vroegst uit het jaar 100 na Chr. Zie bij J.E.A.T.Bogaers.

Het moet daarbij goed begrepen worden dat de aanwezigheid van de Romeinen in Nederland door Albert Delahaye allerminst wordt ontkend, wat hem te vaak verweten wordt. Echter de interpretatie van veel archeologische vondsten is aan een grondige herziening toe, zoals de naamgeving van de 'Romeinse plaatsen'. Het Romeinse Noviomagus was dezelfde plaats als het Karolingische Noviomagus en was dus niet Nijmegen maar Noyon.


Waar vooral op gelet moet worden is de volgorde van de vondsten in de opgravingsverslagen. Als er sprake is van vondsten uit de steentijd of Romeinse tijd die genoemd worden, blijkt daaruit te vaak dat er daarboven niets gevonden is uit de vroege Middeleeuwen. De oudste vondsten zitten uiteraard onder de jongere. Vindt men veel Romeins (zoals in Nijmegen) maar wordt er niets gevonden uit de Frankische tijd dat erboven moet zitten, dan blijkt dit gegeven meestal verzwegen te worden. Het toont in elk geval (zoals in Nijmegen) dat er geen continuiteit in bewoning heeft bestaan tussen de Romeinse tijd en de 12e eeuw.

Wat ook opvalt en nader beschouwd moet worden is het gebruik van bepaalde onbewezen aanduidingen of opvattingen bij opgravingen. Zo worden vondsten in de Betuwe te gemakkelijk 'Bataafs' genoemd en wordt iets te Nijmegen gevonden steeds als van 'Ulpia Noviomagus' gekwalificeerd. Dat de Bataven in de Betuwe woonden is, zoals hierboven aangegeven, een hypothese. En de naam Noviomagus voor Nijmegen is eveneens nooit aangetoond met enig bewijs. Het Ulpia Noviomagus was ook niet Nijmegen, maar Neumagen in Duitsland, waar (de latere keizer) Trajanus die de naam Ulpia voerde stadhouder was. In Nijmegen is hij nooit geweest, ook al is daar een deel van een zuil gevonden die aan hem wordt toegeschreven.

Artikelen waarin oude beweringen nog eens worden herhaald blijven buiten dit overzicht. Dat de archeologisch vastgestelde Romeinse nederzetting Castello Fectio geheten zou hebben (AM. nr.3 2017) is zo'n voorbeeld. De naam van dit Romeinse castellum is nergens door bewezen, ook niet door de Peutingerkaart, zoals altijd beweerd wordt. Daarop staat overigens niet Fectio, maar Fletione, wat een andere plaats was.

Uit veel geciteerde teksten kan opgemaakt worden dat de geschiedenis hard toe is aan een herschrijving.
Te veel opmerkingen van de aangehaalde auteurs komen niet overeen met de traditionele opvattingen.
Opvallend is dat Albert Delahaye van hen feitelijk gelijk krijgt ten aanzien van de Transgressies, de onjuist locatie van plaatsen en de continuÔteit in de bewoning van veel gebieden en plaatsen.

In het tijdschrift Archeologie Magazine vindt men veel voorbeelden die de visie van Albert Delahaye onderschrijven. We geven daarvan voorbeelden aan de hand van letterlijke citaten.

In het Commentaar geven we aan wat de gevolgen moetn zijn voor de traditionele opvattingen. Meestal blijken die conclusies al uit de citaten.

De archeologie is te vaak bevooroordeeld. Wat men in de Betuwe vindt wordt meteen gekwalificeerd als 'Bataafs', terwijl er geen kenmerken zijn waaraan 'Bataafs' zou moeten voldoen. Als eerste moet bewezen worden dat de Betuwe het 'land van de Bataven' was. En dat is tot heden nog NOOIT bewezen!

De visie van Albert Delahaye.
Door de transgressie (zie daar) en de veenvorming was het grootste gedeelte van laag-Nederland lange tijd ontoegankelijk, dus onbewoonbaar. De geschiedenis die men er doorgaans plaatst blijkt een doublure van die in Noord-Frankrijk te zijn. Julius Caesar, Karel de Grote en St.Willibrord (om de belangrijkste te noemen) zijn nooit in Nederland geweest. Alle geschiedenis die met hen in Nederland terecht kwam was geÔmporteerd vanuit Noord-Frankrijk. Daar stond het paleis van Karel de Grote in Noyon (het ware Noviomagus), was de bisschopszetel van St.Willibrord in Tournehem (Trajectum) en vonden de veldslagen van Julius Caesar tegen de Eburonen, Usipeten en Tencteren plaats.
De discussie die daarover in de Nederlanden altijd heeft bestaan, laten geen twijfel meer toe. De teksten zijn overduidelijk en plaatsen die hele geschiedenis ten zuiden van de taalgrens (zie daar).


"Het is opvallend dat in de Nederlandse Romeinse legerplaatsen met name spelden (fibulae) uit GalliŽ worden gevonden!"(Bron: AiN april 2017) Men gaat nu langzaam ontdekken waar de Nederlandse geschiedenis vandaan komt: uit Frankrijk!

De landschapsinrichting van de omgeving van de Rotterdamsebaan in Den Haag is vanaf de Romeinse tijd (vanaf de tweede helft van de 2e eeuw) tot op heden gelijk gebleven. In de Romeinse tijd werd in de 1e eeuw na Christus het terrein voor het eerst ontgonnen. In de 4e eeuw wordt het terrein verlaten en pas aan het eind van de 13e eeuw zijn er weer activiteiten binnen het gebied. (AM nr.6, 2018).
Ook in de omgeving van Den Haag ziet men 'het gat' in de geschiedenis van Nederland tussen de Romeinse tijd en de late Middeleeuwen.

ARCHEOLOGISCHE bevindingen.
In onderstaande citaten geven we zoveel mogelijk de letterlijke tekst weer. Soms hoeft er uit een heel artikel maar ťťn of enkele zinnen te worden aangehaald. Het hele artikel kunt U in de aangegeven bron desgewenst zelf nalezen.
(Gebruikte afkortingen: AM staat voor Archeologie Magazine; AiN voor Archeologie in Nederland, met AWN-bijlage; AoL voor Archeologie on Line.)
Waar sprake is van een hypothese gaat het om een als voorlopige waarheid aangenomen maar nog te bewijzen veronderstelling.


'Nieuwe' Romeinse weg bij Houten ontdekt (AM. nr.1-2017).
Onlangs konden er weer 250 meter aan het alsmaar uitdijende Romeinse wegennet worden toegevoegd. Hoewel een exacte datering niet gegeven kon worden lijkt het erop dat het stuk aangelegd werd in het eerste kwart van de eerste eeuw. Daarmee zou het dus een van de oudste stukken van de limes kunnen zijn. De weg volgt niet de kronkelige loop van de Rijn, maar liep kaarsrecht door het landschap.
Dat de Romeinen in Nederland geweest zijn werd door Albert Delahaye nooit ontkend en is ook niet in tegenspraak met zijn visie. Dat de Romeinen wegen aanlegden, zeker in de natte en sompige bodem van Nederland, is net zozeer geaccepteerd. De gevonden palen die verzakkingen moesten voorkomen geven dat al aan. Maar dat dit een weg van de Peutingerkaart zou zijn, wat overigens in het artikel ook niet wordt beweerd wel gesuggereerd door het gebruik van het woord Limes, is een nooit bewezen hypothese. De Limes Germanicus is een term uit de 4e eeuw en toen verbleef er geen Romein meer in (laag) Nederland.

De Vikingwereld in beeld. (AM nr.1-2017).
In 1996 werd de Stichting Weg van de Vikingen opgericht die zich specifiek bezig houdt met het beschermen van het erfgoed uit de Vroege Middeleeuwen en het exploiteren van het Viking Informatiecentrum te Den Oever. De stichting participeerde ook in enkele Europese projecten.
In het artikel is sprake van het enkele traditionele opvattingen, Dorestad, Asselt, Zutphen en Deventer worden genoemd en de handelsgeest van de Vikingen. Die handel is in flagrante tegenspraak met wat de klassieke teksten vermelden, waarin overigens nooit sprake is van Vikingen maar van Northmanni (Noormannen). Dat verschil tussen beide bevolkingsgroepen is bij historici ook nog steeds niet bekend. Dat er weinig geschreven informatie bestaat, zoals in het artikel beweerd wordt, is een volgende misvatting. Over de Vikingen is dat inderdaad zo, maar over de Northmanni bestaat een overaanbod van klassieke teksten. Maar deze vind je inderdaad niet in Nederland, maar wel in Frankrijk waar al die plunderingen ook plaats vonden. Van verwoestingen is in Nederland geen archeologisch bewijs voor handen, staat in dit artikel, wat de volledige waarheid is. Ze zijn immers nooit in Nederland geweest. Zie bij Noormannen.
En over de genoemde 'schat van Wieringen' kunnen we kort zijn: die staat volledig op drijfzand. Zie bij Wijnaldum, Tzummarum en Wieringen.

Het raadsel van Tiel. (AM nr.2-2017).
In dit artikel is sprake van voorwerpen, die maar bij hoge uitzondering worden aangetroffen, zoals nu bij Tiel. Zo worden voorwerpen vermeld die normaal gesproken in de context van rijke Romeinse bewoning of locaties met een bijzondere functie zoals een tempel of forum worden gevonden. Alleen is van dergelijke gebouwen bij Tiel geen spoor teruggevonden, zoals in het artikel vermeld wordt. Ook hier wordt weer geschreven over 'de stam van de Bataven' die in dit deel van de Betuwe woonden. Het artikel besluit dat er nog veel nader onderzoek nodig is. Het is de enige juiste waarheid, echter enkele conclusies staan blijkbaar al bij voorbaat al vast voordat nader onderzoek heeft plaats gevonden.
En dat nu precies het probleem in historisch Nederland. Men blijft enkele mythen uit de 17e eeuw als uitganspunt hanteren, zonder deze eens aan een nader kritisch onderzoek te onderwerpen.

Vaubans erfenis. (AM nr.2-2017 p.14 e.v.).
Een opvallend artikel over de stille getuigen in Noord-Frankrijk van vier eeuwen machtstrijd. Het was precies dit gebied waar zich over vele eeuwen (hier wordt het beperkt tot 4 eeuwen) een machtstrijd heeft voorgedaan tussen verschillende volkeren en machthebbers tot en met de laatste wereldoorlog. Maar dit aantal eeuwen kan uitgebreid worden tot de tijd van Julius Caesar, die van Karel de Grote, de 80-jarige oorlog en meerdere schermutselingen daartussen. Juist dit gebied is sinds mensenheugnis het strijdtoneel van Europa geweest en gebleven. Zie ook het hoofdstuk over het Diets.
Vergelijkt men het kaartje (zie hieronder, klik erop voor een vergroting) met de visie van Albert Delahaye over de noordgrens van het Romeinse rijk ten tijde van Julius Caesar en ten tijde van de Limes Germanicus, dan is de overeenkomst frappant. De versterkingen die Vauban aanlegde komen nagenoeg overeen met de bovenste weg op de Peutingerkaart, waarmee de visie van Albert Delahaye een onmiskenbaar gelijk krijgt.

De goudschat van Lienden. (AM nr.3-2017).
Bij Lienden in de Betuwe is eind 2016 een muntschat gevonden van in totaal 42 stuks van Romeinse gouden solidi. De datering van de munten is tussen 375 en 437 aan de hand van de beeltenissen van de Romeinse keizers op de afzonderlijke munten. Bij de schat zijn geen verdere vondsten uit de Romeinse tijd of daarna gevonden. De verstopplek was vermoedelijk een oude grafheuvel.
De conclusie die de archeologen Stijn Heeren, Nico Roymans en Jos Bazelmans trekken is ook hier weer zeer voorbarig. Men heeft bepaalde onbewezen en voorbarige opvattingen in het hoofd, die de conclusie dan bepalen. Zij menen dat deze schat een sleutelstuk vormt van de eindfase van het Romeins gezag in Nederland.
De genoemde archeologen gaan er blijkbaar van uit dat de munten door een Romein verborgen zijn. En dat is een onbewezen aanname. Deze schat is zeker niet door een Romeinse legionair begraven die immers niet in gouden munten werden uitbetaald. Het is duidelijk een spaarpotje, een belegging van iemand op de vlucht, die zijn verborgen bezit later niet meer heeft kunnen ophalen. Wie dat was blijft een onbeantwoorde vraag. Het geeft in elk geval geen enkele informatie over een Romeins gezag in Nederland, dat rond 260 n.Chr. immers door de Romeinen verlaten was.

Archeologie in West-Friesland. (AM nr.4-2017).
Het is een nat gebied. Van de vroege Middeleeuwen vinden we moeizaam dingen terug. Dijkresten stammend uit de 11e of 12e eeuw.
Als bijvoorbeeld ergens de strijd van de Nederlanders tegen het water zichtbaar wordt is het wel hier. In de 11e eeuw begon het met kleine dijken. Wieringerwerf werd op basis van keramiekvondsten, waarschijnlijk bewoond in de periode 1150-1288. In 1351 verdween het dorp definitief van de kaart (wegens toenemende wateroverlast en overstromingen, red.).

De Romeinen in RoemeniŽ, door Dick Roetman. (AM nr.4-2017).
Het kon weleens een Castellum van de Cananefaten zijn, wat uit de historische literatuur bleek. De dakpanstempel met de inscriptie CICF= Cohors Prima Cannanefatium. Dir was het bewijs van het bestaan van deze 'Nederlandse' troepen, helemaal van Zuid-Holland naar Noord-RoemeniŽ gelopen.
Commentaar: Dick Roetman gaat met deze opmerkingen wel erg kort door de bocht. Een gevonden dakpan met stempel bewijst niet wie die daar heeft weggelegd, nog minder op zijn vertaling van de afkorting wel klopt. En dat het om een "Nederlandse' cohors zou gaan is een hypothese. Gelukkig erkent hij dat ook, aangezien hij het "Nederlandse' tussen aanhalingstekens plaatst.
Ook het door hem genoemde castellum van de Bataven ten zuiden van Tih‚u met de naam Cohors I Batavorum Millitaris is een mythe. Sinds wanneer bouwden de Bataven een Castellum? Waarom zijn die dan nooit in de Betuwe gevonden?

Archeologie in Breda (AM. nr.5-2017).
In Archeologie Magazine 5 is een Special gewijd aan de geschiedenis van Breda. Deze kan als voorbeeld dienen voor de geschiedenis van meerdere steden en dorpen in Nederland, zoals Amersfoort (zie daar). Vooral de plaatsen die zich een oudere geschiedenis menen te kunnen aanmeten, zoals Zutphen en Wichmond dienen uiterst kritisch bestudeerd te worden. Vaak blijft van die vermeende oudste geschiedenis weinig tot soms helemaal niets over als men de geschreven bronnen en de archeologische bevindingen eens kritisch met elkaar vergelijkt.
Ook bij Breda is dat het geval. Er wordt dan wel in algemeenheid geschreven over de Romeinse en de Merovingische en Karolingische tijd (die zijn in algemeenheid wel in West-Europa te plaatsen), maar de zin dat "de oudste bewoningsporen zijn rond 1100 te dateren" zegt precies waar het over gaat. Breda is zoals zo veel plaatsen in Nederland (net als Utrecht, Elst, Nijmegen en Heerlen) ontstaan in het tweede millennium. Over de bewoningsgeschiedenis van Breda in de 9e en 10e eeuw is vooralsnog weinig (beter is: niets) bekend, lezen we in het artikel.
Hebben Utrecht, Elst, Nijmegen en Heerlen een Romeinse voorgeschiedenis gehad, Breda zeker niet. Na die Romeinse voorgeschiedenis verdwijnen ook deze plaatsen in duistere eeuwen en keren pas in het tweede millennium als woonplaats weer in de geschiedenis terug.

Tempels in het Batavengebied, door Dick Roetman. (AM nr.6-2017).
Ook in dit artikel gaat Roetman er weer vanuit dat de Betuwe het gebied van de Bataven was. Hij noemt de studie van J.E.Bogaers (zie daar), die de Romeinse tempel ontdekte en daarop is gepromoveerd in 1955. Maar in tegenstelling van hetgeen Bogaers beweerde blijkt de tempel niet uit 70 n.Chr., maar uit 100 n.Chr. te stammen. Deze Romeinse (waaraan nu getwijfeld wordt) tempel bleek midden in Bataafs gebied te staan. De Bataafse oppergod Magusanus werd door de Romeinen gekoppeld aan hun God Hercules vermeldt Roetman nog. Dat gaaf aan dat de Romeinen heel mild dachten over de goden van overwonnen stammen en die vaak overnamen in hun religie.
Commentaar: Door dergelijke kromme redeneringenmaakt Roetman er ware karikatuur van. Alsof de Romeinen zich inlieten met de door hen overwonnen volkeren. Als ze konden werden hele volkstammmen vermoord, de vrouwen en kinderen tot slaaf gemaakt en de dorpen platgebrand. En nergens anders werd een God van een overwonnen volk tot een God van de Romeinen gemaakt.

Kruis en munt, door Annemarieke Willemsen. (AM nr.6-2017).
Een gouden munt met Arabisch opschrift, gevonden in Finkum, was erg afgesleten. De munt werd toegeschreven aan kalief Abd al-Mu'min (1130-1163 n.Chr.) en bevestigt dat de munten geen betaalmiddel waren, maar dat het gaat om hun intrinsieke waarde (van het goud). Ook in Nederland waren deze munten blijkbaar gewild om er sieraden van te maken.
Commentaar: We vermelden dit omdat aan de vondst van munten wel eens heel onjuiste verklaringen worden gegeven. Ter vergelijking: Is deze Arabische munt door een Arabier verloren? Of viel Finkum onder het Arabische Rijk? En is deze munt rond 1163 n.Chr. verloren? Hieruit blijkt ondermeer dat een sluitmunt geen zekere datering geeft. Wat hier geldt voor deze Arabische munt, geldt ook voor Romeinse en Karolingische munten. Waarvan Akte.

De Leidse zuil van Trajanus, door Tom Buijtendorp. (AM nr.6-2017).
Commentaar: Voor dit artikel van Buijtendorp vol aannamen en hypothesen verwijzen we naar zijn boek over het jaar 117. Dat Buijtendorp zelf ook vermeldtt dat het een nieuw licht werpt op de Romeinse tijd toont aan dat van het vorige opvatting niet alles juist was. Maar is de opvatting van Buijtendorp dan wel juist? Ik mag het betwijfelen nu ik zijn boek over het jaar 117 bestudeerd heb.

Romeinse weg opgegraven bij Katwijk (AoL.sept.2018).
Tijdens voorbereidende werkzaamheden voor de Rijnlandroute tussen Katwijk en Leiden, troffen archeologen bij Katwijk een stuk van een Romeinse weg en een Romeinse nederzetting aan. De vondsten dateren uit 125 na Christus, en verkeren in bijzonder goede staat. Zie opmerking bij de Romeinse weg bij Houten.

Het keerpunt Dokkum (AM. nr.1-2018).
In deze special komt de mythe van St.Bonifatius en Dokkum weer volop aan de orde. Zie daarvoor ook het hoofdstuk over Bonifatius waar veel van de mythe wordt besproken.
In dit artikel worden aan de traditionele opvattingen nog enkele mythen aan toegevoegd. Zo zou Dokkum al in 248 door hertog Obbo van Friesland zijn gesticht. Dat jaartal is echter verzonnen, wordt er aan toegevoegd. Over de hertog Obbo echter geen woord. Heeft die nu wel of niet bestaan? En met muntjes van Duitse machthebbers uit de 11e eeuw bewijs je ook niets over de 8e eeuw. Dat er Doccuga op staat geeft ook niet aan dat het om Dokkum zou gaan. Dan moet er bewezen worden dat Dokkum in de 11e eeuw een eigen muntatelier had. En zolang dat niet bewezen is, blijft ook dit een mythe.
Directeur Dragt van het museum in Dokkum vindt Bonifatius trouwens geen martelaar, 'want hij kwam niet alleen voor het geloof naar Dokkum' beweert hij. 'In ieder geval werd Bonifatius na zijn dood in talrijke levensbeschrijvingen veel mooier en heiliger voorgesteld dan hij in werkelijkheid was', zegt de museumdirecteur. En wat Dokkum zelf betreft, het was in die tijd niet meer dan een terpje bij een doorwaadbare plaats. Door de moord zou het uitgroeien tot een religieus centrum en bedevaartsoord. Toch zou de moord in 754 op de markt voor de grote of St.Martinuskerk plaats gevonden hebben. Op dat terpje? En dat terwijl de oudste bronnen over die moord niet de plaats noemen, maar de pagus Dockinchirica, wat de streek van Dunkerque (Duinkerke) is en zeker niet het niet bestaande Dokkum. En over een religieus centrum of een bedevaartsoord dat Dokkum geweest zou zijn is in de kerkgeschiedenis van Nederland niets gebleken. Pas in de 19e eeuw werd Dokkum als moordplaats wat bekender.
Als museumdirecteur al zoveel twijfel uit, zou het aan te bevelen zijn dat hij eens uitzoekt wanneer Dokkum een religieus centrum en bedevaartsoord werd. Dat gebeurde pas in de 19e eeuw, waarmee het ontstaan van de mythe precies wordt aangegeven. Dat de St.Bonifatiuskerk uit 1872 stamt en het St.Bonifatiusbeeld pas in 1962 door de protestantse (!) prinses Beatrix werd onthuld wordt dan wel vermeld, maar er worden geen conclusies uit getrokken.
Zo blijven de mythen bestaan, aangezien men geen historisch onderzoek doet of wenst te doen. Ook hier viert het toerisme hoogtij, reden waarom de welvaart van Dokkum in de 17e eeuw nog eens wordt genoemd en geroemd. Zie verder bij Dokkum.

Op zoek naar Oppidum Batavorum (AM. nr.1-2018).
Hoewel dit vermeende oppidum elders (zie daar) uitvoerig is besproken, moet het toch weer de aandacht krijgen. Het is zo'n mythe die maar blijft rondzingen in historisch Nederland en in Nijmegen, ook in dit artikel van Dick Roetman. Hij blijft Nijmegen Ulpia Noviomagus en de oudste stad van Nederland noemen, volgens Roetman zelfs 20 jaar ouder dan men in Nijmegen hanteert. Woorden als 'lijkt wel', 'mogelijk' en 'zal wel' maken zijn artikel niet bepaald overtuigend. Het zijn bewoordingen die we vaker tegenkomen in de geschreven geschiedenis uit het eerste millennium, waarmee de twijfel die er toch blijkt te zijn precies wordt aangegeven.
Zijn vraag "Is de Bataaf gevonden?" beantwoordt Roetman zelf al met een volmondig NEE. De Romeinse gebouwsporen die ervoor in aanmerking zouden moeten komen, hebben geen betrekking op de stad Oppidum Batavorum.
Tot die conclusie was W.Willems ook al gekomen in de jaren 80 van de vorige eeuw (zie daar). Blijkbaar heeft Roetman dat opgravingsverslag niet gelezen, aangezien hij weer met de conclusies van DaniŽls uit de jaren 20 komt aanzetten. Ook dat verhaal van DaniŽls heeft hij blijkbaar niet goed gelezen, immers DaniŽls twijfelde al aan de algemene opvattingen (zie daar).

Lopen door de straten van Forum Hadriane (AM. nr.2-2018).
In deze special komen de traditionele opvattingen over Forum Hadriani weer eens uitgebreid voor het voetlicht. We verwijzen daarvoor allereerst naar Foro Adriani waar de ware todracht beschreven wordt.
Nu moet goed begrepen worden dat de Romeinse aanwezigheid en vondsten allerminst worden ontkent. Wel de naam van deze Romeinse plaats. Die steunt vooral op de Peutingerkaart (zie daar), waarop overigens niet Forum Hadriani staat, maar foro adriani (zonder H en zonder hoofdletters). Het artikel blijkt wat de literatuur betreft, naast op de traditie vooral op de boeken van Tom Buijtendorp te steunen.
Door Buijtendorp worden vergelijkbare bewijzen geven als in zijn boek over Caesar in de Lage Landen (zie daar). Er wordt een heleboel beweerd maar niets bewezen, ook al noemt men de klassieke schrijvers als Tacitus, Suetonius en Cassius Dio. Het is een vergelijkbaar verhaal als men in Keulen hanteert met de letters CCAA wat Colonia Claudia Ara Agrippinensium zou betekenen. Die mythe heb ik doorgeprikt met artikelen in SEMafoor nr.4 jrg.18 en nr.2 jrg.19.

Ook bij Forum Hadriani blijkt het enige bewijs van de naam gebaseerd te zijn op de Peutingerkaart. Wat Tacitus en de andere klassieke schrijvers waarnaar Buijtendorp verwijst ook schrijven, toch blijkt ook bij Buijtendorp het uitgangspunt te zijn dat de UbiŽrs bij Keulen woonden. Dat uitgangspunt is onjuist aangezien de UbiŽrs de buren van de Sueben waren, die volgens Caesar niet ver van de zee woonden waarin de Renus uitmondt. Als men voor Renus de Rijn wil houden (maar het is de Schelde (zie daar), dan woonden de Sueben dus bij Katwijk. En dan kun je de bewoners van Keulen toch moeilijk 'de buren' noemen! Het voorgaande wordt verder bevestigt doordat naast de Sueben de MenapiŽrs (is Keltisch en betekent 'kustbewoners') woonden. En de MenapiŽrs woonden in Frans-Vlaanderen, waar Cassel (castellum menapiorum) immers hun hoofdstad was.
Zo zitten de mythen in elkaar. Als men nu de klassieke schrijvers eens kritisch zou lezen en niet meteen zou spreken 'dat de schrijver zich hier vergist heeft', dan zou de ware kijk vanzelf op tafel komen. Niet de klasieke schrijvers hebben zich vergist, maar de latere historici die hun teksten op de verkeerde plaatsen toepasten. En dat ze daar niet passen geeft precies aan dat men dan elders moet zoeken. En dat is precies wat Albert Delahaye (en anderen) gedaan heeft.

De Via Belgica wijst de weg in Romeins Zuid-Limburg. (AM. nr.3-2018).
De weg zelf is niet meer zichtbaar. Met de unieke navigatie-app is het een toeristisch product geworden.
Commentaar: ook hier wordt het toerisme boven de historische werkelijkheid gesteld.

Opgraving met chirurgische precisie, door Dick Roetman. (AM. nr.3-2018).
Ook in deze magazine komen de memoires van deze amateur-archeoloog (zoals hij zichzelf noemt) ter sprake. Enkele citaten:
  • Het is een aantrekkelijk idee dat beroemde generaals als Drusus, Tiberius en Germanicus vanuit deze locatie leiding gaven aan hun veroveringstochten.
  • In 30/40 n.Chr. werd een ruitereenheid op Kops Plateau gestationeerd en werd na de Batavenopstand van 69-70 n.Chr. deze locaties opgeheven.
  • Een 1e eeuw grafveld bevatte schamele crematieresten, waarvan twee van een vrouw. Er zijn geen mantelspelden aangetroffen. De 11 crematiegraven dateren uit de periode grofweg 70-105/110 n.Chr., dus niemand uit de bezettingsperiode op het Kops Plateau (12v.Chr.-70 n.Chr.)
  • Van de gevonden 16 munten waren er 9 van vůůr de Batavenopstand uit 69/70 n.Chr. (Dus 5 van na die opstand, maar dat vermeldt Roetman niet.)
  • De zandheuvel Hengstberg is in allerlei perioden in gebrui geweest. Resultaten zijn gevonden van Laat Paleolitjicum, brondtijd/ijzertijd, Romeinse tijd, bezetting door Franse legers in 1794 en door Duitsers en geallieerden in de Tweede Wereldoorlog. Commentaar: Het aantrekkelijke idee dat Rietman noemt is de wijze waarop men in Nijmegen haar geschiedenis vaststelt. Het zijn slechts aantrekkelijke ideeŽn. Ziet U ook hier weer het gat van Nijmegen en wel tussen de Romeinse tijd en de 18e eeuw.

    Was Julius Caesar ooit in onze streken? (AM. nr.4-2018).
    Boekrecentie door Joost Vermeulen.
    Hoewel onder een recentie een kritische bespreking wordt verstaan, is dat hier allerminst het geval. Joost meent dat aan de langdurige twijfel (gesteld in de vraag) nu definitief een einde is gekomen. Voor hem lijkt zelf de opvatting van archeoloog prof. H.Thoen die in BelgiŽ nooit een spoor van Julius Caesar of zijn legers heeft gevonden, niet langer houdbaar. Het 'vrijwel zekere bewijs' dat Joost noemt (let op het woord 'vrijwel'), kan ik nergens vinden. Ik vraag me dan ook in alle oprechtheid af 'Hoe kritisch heeft Joost dit boek gelezen?'
    Voor een echte kritische recentie kunnen we verwijzen naar Caesar in de Lage Landen (zie daar).

    Afdalen in Nijmegen centrum. (AM. nr.4-2018).
    Weer een artikel van Dick Roetman over de archeologie van Nijmegen waarmee hij zich heel intensief bezig houdt. Het geeft mooie inkijkjes in de werkwijze en de opvattingen over de vondsten.
    Enkele opmerkingen in dit artikel springen toch wel in het oog, zoals: er zijn liefst 12 historische lagen opgegraven, van boven naar beneden: sporen Tweede Wereldoorlog, bewoningslagen 19e tot 14e eeuw, diverse stegen (gassen), poorten, stadwallen 16e tot 13e eeuw, Romeinse tijd en ouder'. Aldus de letterlijke tekst uit het artikel. Ziet U ook het gat tussen de 13e eeuw en de Romeinse tijd? Verder wordt geschreven dat op een diepte van 3 ½ meter over een lengte van zo'n 16 meter een Romeinse secundaire weg. Munten en mantelspelden bevestigen de oudste datering: 1e eeuw n.Chr. In de lagen erboven hadden de archeologen al eerder een straatje aangetroffen, het Scheidemakersgas met bakstenen funderingen van huizen uit de 14e eeuw. Dus hier ook weer dat gat, nu van zelfs 13 eeuwen. Verder noemt Roetman nog 'de wal van Gorissen', de stadsomwalling waarvan Gorissen beweerde dat de eerste aarden verdedigingswal omstreeks 1200 werd opgericht en de tweede in 1230/1235. Duidelijk hier is ook weer dat de geschiedenis van Nijmegen na de Romeinse tijd pas in de 13e eeuw weer opkwam. Dat werd al eerder aangegeven door mededeling van het (voormalig) Nijmeegs museum Commanderie van St.Jan (nu museum Het Valkhof) in 'Het Bronnenboek', waarin te lezen is dat Nijmegen (en ik citeer) "als stad ten onder is gegaan aan het eind van de derde eeuw en er pas in de 13e eeuw weer een nederzetting van enige omvang was".
    Het mag duidelijk zijn: de archeologie van Nijmegen spreekt duidelijke taal: na de Romeinse tijd begint de geschiedenis weer in de 13e eeuw.
    Over de Merovingische of Karolingische tijd GEEN WOORD. Ook in dit artikel niet.
    Nijmeegse oudste stad van Nederland? Daar is helemaal geen sprake van met een gat van bijna 10 eeuwen in de bewoningsgeschiedenis.

    Tropaeum Traiani. (AM. nr.4-2018).
    Hoewel dit artikel niet over Nederland gaat willen we er toch wel het volgende uit vermelden. Het sluit wel aan bij de opvattingen van Nijmegen, immers van keizer Traianus zou Nijmegen stadsrechten hebben gekregen tijdens zijn persoonlijke aanwezigheid in Nijmegen. Maar wat blijkt uit dit artikel? In de jaren tussen 100 en 107 was deze keizer in DaciŽ oorlog aan het voeren. Hij was daar persoonlijk aanwezig toen zijn troepen over de Donau trokken.
    En aangezien deze keizer geen heilige was is bilocatie, wat alleen aan zeer heilige personen is voorbehouden, uitgesloten. Als hij in DaciŽ was, dan was hij tussen 100 en 107 niet in Nijmegen. De Romeinse nederzetting Traianenses Tropaeenses (in RoemeniŽ) die tijdens de regeerperiode van Traianus tot stand kwam, bleef tot het begin van de 6e eeuw functioneren.
    Wel opvallend is dat deze plaats die nu Adamclisi is, als zodanig niet op de Perutingerkaart staat. Er loopt ook geen weg die op de Peutingerkaart staat naartoe. Vandaar dat er toch twijfels bestaan in deze herbouw, zoal het er nu bijstaat!


    In AM. nr. 5-2018 is de special gewijd aan Stonehenge. Uit dit artikel blijkt dat naarmate het onderzoek over dit pre-historisch monument vorderde er nieuwe inzichten ontstonden. Zo zijn er ook nieuwe inzichten ontstaan over de geschiedenis van de Nederlanden in het eerste Millennium, maar die worden, in tegenstelling tot die van Stonehenge, niet geaccepteerd door de gevestigde wetenschap.

    Romeinse legerpost in Krommenie. (AM. nr.5-2018).
    In Krommenie het Provily sportpark werden in 1964 stukken aardewerk, resten hout en tientallen stenen slingerkogels ontdekt. Amateurarcheologen hebben wekenlang het terrein onderzocht. Zij concludeerden na afloop van hun onderzoek dat er wellicht een vierkant houten gebouw had gestaan en die resten hout zouden onderdeel kunnen zijn van een omheining. En de datering? Het zou Romeins kunnen zijn. In een van hun publicaties werd zelfs de eerste helft van de eerste eeuw gesuggereerd. Ondanks deze vondsten zag de professionele archeologische wereld toen echter. geen aanleiding voor verder onderzoek.
    Commentaar: Typisch voorbeeld van de hooghartige professionele wereld!
    Vorig jaar (2017) werd het archeologisch bureau Argos ingeschakeld en al vlug bleek dat de amateurs uit 1964 volledig gelijk kregen. Mogelijk geeft de komende tijd meer uitsluitsel of het hier echt om een Romeinse legerpost gaat of om een versterking die de lokale bevolking heeft gebouwd.

    Nieuwe Romeinse vondsten in Valkenburg ZH. (AM. nr.5-2018).
    In Valkenburg (Gemeente Katwijk) is een stuk Romeinse weg uit de tweede eeuw na Christus opgegraven, samen met een grafveld, huisplattegronden en een grachtensysteem. 'Hiermee wordt onze kennis van de bewoningsgeschiedenis van dit gebied flink uitgebreid', aldus archeoloog Jeroen Loopik van ADC Archeoprojecten. Er is nauwelijks inheems aardewerk opgegraven: 'Het is allemaal Romeins importaardewerk'. Een grachtensysteem dat mogelijk diende als afwatering.
    Commentaar: Op welke wijze die kennis werd uitgebreid wordt in dit artikel helaas niet vermeld. Die weg gaat natuurlijk weer een bevestiging vormen van eerdere hypothesen. Dat die pas uit de tweede eeuw is, wordt niet al te nadrukkelijk vermeld, wat natuurlijk wel consequenties heeft voor de continuiteit in de Romeinse aanwezigheid in Nederland!

    Grafveld door de eeuwen heen. (AM. nr.5-2018).
    Ook in dit artikel van Dick Roetman gaat het over Nijmegen, dat door hem nu Ulpia Noviomagus wordt genoemd. Er zijn 77 inhumatiegraven en 17 crematiegraven gevonden. Daartussen een graf 'dat er niet hoorde', namelijk een graf met een klokbeker. Klokbekers kwamen voor van 2500 tot 2000 v.Chr. Roetman concludeert: 'De Romeinen moeten dit graf in de 3e eeuw wel gezien hebben. Ongetwijfeld een grafheuveltje, dat door hen is gerespecteerd en ongemoeid is gelaten'.
    Commentaar: Een graf uit een andere tijd dan verwacht, kan ook betekenen dat begraafplaatsen over langere perioden werden gebruikt. Met de dateringen, zeker van grafgiften, is het dus uiterst oppassen. Een klokbeker in een 'Romeins' graf is zo'n voorbeeld.

    De Rotterdamsebaan in Den Haag. (AM. nr.6-2018).
    Enkele artikelen in deze AM zijn gewijd aan opgravingen op de Rotterdamse baan. De vondsten liegen er niet om lezen we: prachtige overblijfselen uit de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen. Aan het eind van de 13e eeuw is er weer volop activiteit in dit gebied. Er zijn vooral resten uit de 14e eeuw en later gevonden. Ockenburg wordt genoemd als een belangrijke vindplaats van Romeins. Na de Romeinse tijd was het terrein in de Vlietzone ongeveer duizend jaar onbewoond. In de 4e eeuw wordt het terrein verlaten en pas aan het eind van de 13e eeuw zijn er weer activiteiten (drie grote erven). Het is goed mogelijk dat er vanuit Forum Hadriani een weg heeft gelopen naar de Romeinse vindplaats.
    Commentaar: Ziet U ook hier weer het gat tussen de Romeinse tijd en de zelfs Late Middeleeuwen (13e eeuw!). Jammer dat die weg nooit gevonden is en ook niet op de Peutingerkaart staat! Ging het wel over Nederland op die kaart?

    Lent was al in de oudheid bewoond, deel 1. (AM. nr.6-2018).
    In Lent (aan de overkant van Nijmegen) zijn 50 inhumaniegraven en 19 crematiebijzettingen gevonden. Of het Merovingisch is wordt nog getwijfeld. Commentaar: Deze graven zijn dus niet in Nijmegen gevonden, maar worden in Nijmegen wel gebruikt om haar geschiedenis mee te bewijzen. Zie bij Nijmegen. Ook spreekt men hier terecht niet over 'graven van Bataven'.

    Lent was al in de oudheid bewoond, deel 2. (AM. nr.61-2019).
    Vaak moesten de bewoners wel maken dat ze wegkwamen als de Waal overstroomde.
    Commentaar: Overstromingen in de Betuwe (en laag-Nederland) blijken van alle tijden te zijn.

    Munten uit Sittard geven Caesar gelijk, door Herman Clerinx. (AM. nr.2-2019).
    Twee muntschatten uit Sittard-Graetheide moeten datern uit het midden van de eerste eeuw v.Chr. pal tijdens de Gallische oorlog toen Julius Caesar onze gebieden kwam veroveren.
    Commentaar: Ook bij deze muntschat kunnen weer de gebruikelijke vragen gesteld worden. 1. Door wie? 2. Wanneer? en 3. Waarom is deze schat verborgen? Zolanf deze vragen niet met feiten worden beantwoord blijft het bij speculaties.
    Ook al worden de munten gedateerd halverwege de 1e eeuw v.Chr. (wat een hypothese is) dan zijn ze niet aan de veldtochten van Julius Caesar te koppelen. Deze munten worden ook steevast aan de Eburonen gekoppeld, maar die woonden niet in Limburg maar in Frans-Vlaanderen. De Eburonen waren de buren van de Nervii (Bavay) en de Atuaci (Douai). Zie bij de muntschat van Amby. De aanwezigheid van Caesar in Nederland is nog steeds een onbewezen mythe. Als er van Caesar en zijn troepen in heel BelgiŽ al nooit iets gevonden is, dan is zijn aanwezigheid in Nederland een volslagen fabel.

    Het raadsel van Romeinse munten, door Tessa de groot en Jan-Willem de Kort. (AM. nr.3-2019).
    Bij het dorp Berlicum werde munten gevonden met een dikke korst er omheen. Dit wijst erop dat deze plek ooit zeer nat was. De oudste munt kwam uit het jaar 90 voor onze jaartelling. Andere munten uit de tijd van 69 tot 79 n.Chr. en uit de jaren 161 tot 180. Hoe de gevonden geldstukken ooit in de grond terecht zijn gekomen is een nog op te lossen vraag.
    Commentaar: Uit deze vondst van munten uit zo'n lange periode (ruim 270 jaar) blijkt dat munten vele generaties kunnen meegaan, ook al zijn ze niet bij elkaar in een schat gevonden. Een preciese datering levert grote problemen op. Ze zijn in elk geval niet aan een specifiek gebeurtenis te koppelen, wat archeologen en historici bij andere muntvondsten wat al te voorbarig doen.

    Tachtig crematiegraven, door Dick Roetman. (AM. nr.3-2019).
    In Huissen was in de 1e en 2e eeuw n.Chr. sprake van een welvarende woongemeenschap van Romeins georiŽnteerde bewoners. Misschien leefden er ook gepensioneerde Romeinse soldaten. Er was sprake van een burgerlijke bewoning, geen militaire aanwezigheid.
    Commentaar: Albert Delahaye sprak al over veteranen die in de Betuwe verbleven. Dit past precies in de visie van Albert Delahaye die er de 'Agri Decumates' plaatst. In hoeverre is Huissen (ooit voorgesteld als Castra Herculis) als Romeinse legerplaats nog vol te houden? Omtrent de ligging van de genoemde castella (Maurik, Kesteren, Opheusden, Driel, Huissen/Loowaard en Herwen) bestaan alleen op bodemvondsten gegronde vermoedens. Van de castella zelf heeft men ter plaatse nog nauwelijks enig spoor gevonden. (Bron: J.H.Verhagen in J.H.Verhagen, prehistorie en vroegste geschiedenis van West-Brabant, Waalre, 1984). Zijn die sinds 1984 wel gevonden?

    Ook vroegmiddeleeuwse sporen in de Utrechtse wijk Zuilen, door Joost Vermeulen. (AM. nr.3-2019).
    Op de oever van de Vecht gelegen zijn nederzettingen uit de 7e-8e eeuw en uit de 10e eeuw tot en met de 12e eeuw aangetroffen. Dit is het eerste archeologische bewijs dat er al in de vroege Middeleeuwen mensen in dit gebied langs de Vecht hebben gewoond. De aangetroffen bewoningssporen uit de 7e-8e eeuw bestaanuit groondplannen van tenminste drie grote boerderijen. Den Braven denkt... meer dan zomaar een paar huizen. verder zijn er honderden stukken aardewerk, dierenbotten,metalen voorwerpen en tietallen houten palen gevonden.
    Commentaar: Het eerste archeologische bewijs! Dus alles wat er voordien beweerd werd was nergens op gebasserd. De vraag die onbeantwoord blijft is op welke gronden kwam men tot de wel ruime datering 7e-8e eeuw? Deze wordt ook hier weer meteen aan het verblijf van St.Willibrord in Utrecht gekoppeld. Afwachten is het op de nog te verschijnen basisrapportage van de gemeente Utrecht.

    Paleis van een ruiter, door herman Clerinx. (AM. nr.4-2019).
    In een lezing van Xavier Delamare die Clerinx bijwoonde werd Echternach genoemd. De oudste geschreven vorm die we daarvan terugvinden dateert uit de 7e eeuw en luidt Epternacus. Delamare herleidt dat tot Epo-tarino-s. Betekenis: 'wie te paard vooruitstormt' of 'ruiter-speerdrager'. We herkennen daarin epos, Gallisch voor 'paard'. Te mooir om waar te zijn? Sinds decennia weten we dat in de villa van Echternach paarden werden gefokt. Nu blijkt dat de plaatsnaam taalkundig verband houdt met paarden. Delamare geloofde niet in toeval. Maar zekerheid bezat hij helaas niet.
    Commentaar: Zo ontstaan weer nieuwe mythen op grond van speculaties en allerlei veronderstellingen. De oudste vorm 'Epternacus' heeft geen betrekking op Echternach maar op Eperlecques, oorspronkelijk gespeld als Aefterlacum (= 'nabij het meer', dat het Alechmere-Almere was). Aefternacum, door de oorkonden van Eperlecques talloze malen in verband met de Batua genoemd, is Eperlecques, op 10 km noord-west van St. Omaars en op 7 km oost van Tournehem. Het klooster van Echternach is in 973 als een nieuw klooster gesticht. Zie verder bij Echternach.

    Een Romeinse ruiterhelm, nieuw licht op een oude vondst, door Jasper de Bruin. (AM. nr.4-2019).
    Het Romeinse fort Fectio is vermoedelijk al rond het begin van de jaartelling gesticht. Recent ging men er nog vanuit dat helm en masker bij elkaar horen. Toch zijn daar geen aanwijzingen voor, Met wat knip- en plakwerk komt er dan een heel mooi resultaat uit.
    Commentaar: Dat is het grote probleem in Romeins Nederland: het hangt met teveel knip- en plakwerk aan elkaar vast. Zo wordt de naam Fectio geplakt op de naam Fletione die op de Peutingerkaart staat. Maar dat zijn twee verschillende plaatsen. Zie verder bij Fletione.

    Het ware paradijs, door Tom Buijtendorp. (AM. nr.4-2019).
    In een uitvoerig artikel over 'de zoektocht door 3 continenten' naar het paradijs, komt Buijtendorp zelf al tot de volgende conclusie: Voor geen van de besproken zienswijzen valt overigens wetenschappelijk bewijs te leveren. Dat het paradijsverhaal een ergens in MesopotamiŽ speldende mythe is, blijft daarom een zeer goede mogelijkheid. Maar ook daarvoor ontbreken harde bewijzen.
    Commentaar: Ook hier laat Buijtendorp zijn fantasie de volle loop. Hetzelfde doet hij in zijn boeken over Jullius Caesar en het jaar 117. Zie verder bij Caesar in de Lage Landen en het jaar 117.
    Het gat in de Limes, door Joost Vermeulen. (AM. nr.5-2019).
    Het zwakste en moeilijkst te verdedigen deel van de totale limes lag in het zuidwesten van het huidige Duitsland. Tussen Rijn en Donau bevond zich namelijk een zwaar bebost , heuvelachtig gebied. Niet alleen ontbraken daar de natuurlijke barrières (rivieren, heuvelruggen), de natuurlijke gesteldheid van het terrein bood aan vijandelijke stammen een uitgelezen mogelijkheid om, ongezien, diep te kunnen doordringen in het Romeinse Rijk. Iets wat in de eerste eeuw dan ook herhaaldelijk gebeurde.
    Commentaar: Hier maakt Vermeulen drie beoordelingsfouten. 1. De Romeinen waren over de Rijn en Donau al jaren actief. De bekende Deutsche Limesstrasse tussen Aken en Regensburg bevestigt dit. Ook heeft onderzoek aangetoond dat er talloze houten wachttorens juist in dit gebied hebben gestaan. 2. Ook de Romeinse weg tussen tussen Augusta Ruracum (Kaiseraugst-CH) en Reginum (Regensburg) lag voor het grootste deel ten noorden van de Donau. De Romeinen waren dus aanwezig in dit gebied 3. Van invallen van Germaanse stammen in die uithoek is weinig tot niets bekend. In de traditionele opvattingen worden daar geen volkeren genoemd. De Chatten, Tencteren en Mattiaci verbleven ten noorden van de Main. Van de Marringi en Varisii of Naristii die daar zouden wonen, zijn geen invallen bekend. Overigens woonden de Alamannen in Noord-Frankrijk ten oosten van de beide Germaniaís in de streek tussen de Ardennen en Straatsburg. Zij vielen dan wel Gallia binnen, maar niet vanuit Duitsland, maar vanuit de streek bij Straatsburg. Daarmee blijkt Gallia beperkter te zijn geweest dan het huidige Frankrijk.



    Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf!

  • Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.