Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Opgravingen Leidsche Rijn.

Basisrapportage archeologie 26, 2 delen, dec.2009.
Vroegmiddeleeuwse bewoning langs de A2. Een nederzetting uit de zevende en achtste eeuw in Leidsche Rijn, M. Nokkert, A.C. Aarts en H.L. Wynia.

Blijkt ook nu weer dat we de archeologie zonder meer kunnen geloven? In hoeverre is het zeker wat ze ons vertellen?
De archeologie zou onafhankelijk moeten zijn, maar te vaak blijkt dat ze zich met hun bevindingen baseren op de door historici beschreven geschiedenis. En als daarin fouten gemaakt worden, wat onmiskenbaar zo is, gaat men dus uit van onjuiste standpunten. Dat vertaalt zich dan in van de beschreven geschiedenis afhankelijke rapporten.

Een voorbeeld: vondsten in de Betuwe worden steevast Bataafs genoemd, zonder dat ooit bewezen is dat de Bataven daar wel woonden. Bataven in de Betuwe is een aanname op grond van het onjuist interpreteren van de geschreven bronnen. Zie bij Bataven.
Opgravingsverslag Leidsche Rijn.

Ten westen van Utrecht wordt sinds enkele jaren gewerkt aan de realisatie van de VINEX-locatie Leidsche Rijn. Een onderdeel van deze grootschalige stedenbouwkundige plannen is de verplaatsing en verbreding van een enkele kilometers lang deel van de Rijksweg A2. In 2000 werd het gehele toekomstige tracé van de snelweg door RAAP gekarteerd met behulp van boringen. Hierbij is een aantal tot dan toe onbekende vindplaatsen aangetroffen, waaronder de hier behandelde vroegmiddeleeuwse nederzetting
De basisrapportage over deze opgravingen bestaat uit 2 delen van resp.169 en 310 pagina's. Het geheel ziet er keurig verzorgd uit en geeft veel informatie over de opgravingen die erg indrukwekkend ogen. Het betreft opgravingen langs de A2 in een gebied dat heden bij Leidsche Rijn hoort en dat hemelsbreed op zo'n 3,5 á 4 km. van het centrum van Utrecht ligt.
Het rapport dateert de gegevens tussen ca. 525 en 750. Nu stellen we de vondsten niet ter discussie, wel de interpretatie ervan.

In het verslag lezen we de volgende opmerkingen, die de bevindingen nogal ter discussie stellen:
  • 'Net als in Leidsche Rijn is het aantal vondstlocaties in Utrecht-stad uit de vroege middeleeuwen echter relatief klein, in verhouding tot het aantal vindplaatsen uit andere perioden. Op een enkele uitzondering na, waren de archeologische onderzoeken op de meeste locaties tevens slechts van geringe omvang'.
  • "Door het gemis aan historische bronnen en een beperkte dataset moest het vaak bij vermoedens en hypotheses blijven, ondersteund door gegevens uit later tijd".
  • 'Dit lijkt erop te wijzen dat de aanvangsdatering van de kogelpotten uit de opgraving LR51-LR54 enigermate kan worden vervroegd; mogelijk naar ca. 675? In dit kader is de gedachte interessant, dat de oorsprong van de kogelpot als potvorm wel in verband wordt gebracht met de expansie van de handelsplaats Dorestad rond 700 en de aanwezigheid daarin van een centrale werkplaats voor het maken van kogelpotten'.
  • "Deze datering stemt overeen met het beeld dat naar voren komt uit de datering van de gevonden munten en het jaarringonderzoek van houten palen".
  • Over een periode van ruim 200 jaar worden munten en scherven gevonden en gedateerd wat niet echt overtuigend is. Tussen Romeinse en 'Karolingische' munten en scherven worden er ook gevonden uit later tijd. Maar wat bewijs je met munten? Wat met aardewerk? Het zijn verplaatsbare relicten die ook eeuwen later verloren kunnen zijn gegaan. En Karolingische munten behielden nog lange tijd hun waarde als ruil- c.q. betaalmiddel. In het verslag lezen we: "Tijdens de opgraving zijn 109 munten geborgen. Hiervan hebben er 61 een postmiddeleeuwse of recente datering, waarvan de oudste munt tussen 1615 en 1690 stamt". In het verslag lezen we ook: "Ondanks het feit dat dus niet alle vroegmiddeleeuwse munten in een zuivere archeologische context werden aangetroffen, geeft het totale complex van munten een goed beeld van de bewoningsduur van de nederzetting en ze vertegenwoordigen een periode van omstreeks 600 tot 840 n.Chr." Bovendien blijken er 12 munten van Romeinse oorsprong gevonden te zijn, maar "die blijven verder buiten beschouwing". Men heeft er ook een drietal Madelinus-munten uit Dorestad gevonden. Lag hier nu Dorestad, zoals men dat wel beweerde aan de hand van één gevonden Madelinusmunt in Wijk bij Duurstede?
    Wat bewijs je überhaupt met munten? Was het een spaarpotje van een verzamelaar? Ik bezit zelf ook binnen- en buitenlandse munten van ver voor de euro, waaronder een Romeinse munt en enkele Nederlandse kwartjes uit 1890 en 1903. Maar wat kun je daarmee aantonen? Men probeert ondanks dat, toch tot de tevoren geplande en gewenste uitkomst te komen.
  • In de volledige tekst komen we vervolgens een aantal bewoordingen tegen, ik heb ze even geteld, die de bevindingen behoorlijk ter discussie stellen. Voor de tekstverwerker is dat tellen een koud kunstje. Zo lezen we ruim 500x 'zou kunnen' of 'kon', het woord 'mogelijk' komt 663x voor, verder is 148x sprake van 'een vermoeden', komt het woord 'wellicht' ruim 60x voor, 'waarschijnlijk' zo'n 500x en staat het woord 'niet' in ontkennende zin, als in 'niet zeker' of 'niet bekend' of 'niet ondenkbaar' of 'niet duidelijk', er 758x in. Neem daarbij de ontkennende tegenstelling van de woorden 'echter', 'slechts' en 'maar' (samen 923x) en je gaat toch vragen zetten bij de onafhankelijkheid van de archeologische bevindingen, die toch gericht blijken te zijn op een bevestiging van wat men graag aangenomen heeft, ofwel overeen stemt met het beeld (zoals in de tekst staat) dat men tevoren heeft vastgesteld en men graag ziet.
    Deze terminologie komt wel vaker voor in opgravingsverslagen en maakt het er niet overtuigender door.


  • De noten in dit rapport.
    Wat soms nog interessanter is dan de tekst van het rapport zelf, zijn de noten die vanaf p.209 (deel 2) te vinden zijn. Daarbij wordt nogal eens naar eerdere eigen publicaties verwezen, wat het niet geheel overtuigender maakt. Enkele opmerkingen zetten je toch aan het denken, zoals over de volgende noten:
  • Over het gevonden Vikingzwaard: Hoofdstuk 2, noot 77: Een tweede Vikingzwaard is overigens reeds eerder, in 1941, gevonden in een verlande Vechtbocht tussen Zuilen en Maarssen, tegenover de voormalige NV Nederlandse Kininefabriek in Maarssen. Dit zwaard is gevonden bij het zandzuigen in een grote, afgesneden bocht van de Vecht. Deze wordt gedateerd in de tweede helft van de tiende of in het begin van de elfde eeuw (Groot 1997, 18). Beide zwaarden liggen in het Centraal Museum te Utrecht.
  • Over het kerkje van dagobert: Hoofdstuk 2, noot 79: Mogelijk werd het eerste kerkje reeds gesticht door de Merovingische koning Theutbert II (586-612) of zijn opvolger Chlotarius (584-629), koningen van dit deel van het Frankische rijk. Dagobert zou in dat geval een reeds verwoeste kerk opnieuw hebben opgebouwd.
  • Over de transgressies: Hoofdstuk 5, noot 8: We kunnen aannemen dat ten tijde van de bewoning de oorspronkelijk (seizoensmatig) laagste grondwaterstand ten minste een halve meter hoger is geweest dan tegenwoordig.
  • Over interpretatie van sporen: Hoofdstuk 5, noot 10: De conservering van de sporen is daarmee gemiddeld iets slechter dan op basis van de vooronderzoeken werd verwacht.


  • wordt vervolgd...



    Wat weten we nu feitelijk echt?


    Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf!