Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Prof. Dr. J.E.A.T. Bogaers.

Prof. dr. J.E.A.T. Bogaers kwalificeerde de opvattingen van Albert Delahaye ooit als "klinkklare kletspraat" en noemde Albert Delahaye "een heel ernstig ziektegeval". Tot een genuanceerder verweer kwam hij niet.
Van de Romeinse Renus de Waal maken en van de Vahalis de Maas wat Bogaers doet, dat is pas "klinkklare kletspraat".


De jonge Bogaers die ook nog veel moest leren.


En dan maakt Bogaers van de Waal meteen ook maar de noordgrens van het Romeinse Rijk! Zie ROB bericht XVIII-1968. Wie vertelt hier nu "klinkklare kletspraat"?


Het geeft wel aan dat ook Bogaers er van overtuigd was dat de teksten over de Renus niet op de Nederlandse Rijn pasten. Dat zag hij dus zeker juist.


De oude professor Bogaers die alles beter wist.

Op de z.g. deskundigheid van Bogaers is heel wat af te dingen. Verschillende van zijn opvattingen zijn inmiddels achterhaald of als onjuist gekwalificeerd. Te denken valt aan:
  • De tempels van Elst
  • De mijlpaal van Monster
  • Forum Hadriani
  • Ulpia Noviomagus
  • Ceudiacum is Cuijk?
  • Castra Herculis
  • Renus is de Waal?
  • Het Bronnenboek van Nijmegen
  • Maurik
  • De traditie van de Keizer Karelstad

    De uitleg die prof.dr.J.E. Bogaers aan de Peutingerkaart geeft, is eveneens als "klinkklare kletspraat" te kwalificeren. Zie het artikel van Bogaers over Castra Herculis. Je kunt echt van "kletspraat" spreken bij het lezen van dit artikel en van verbazing, als de Winkler Prins van 1977 de opvatting Castra Herculis is Druten, op gezag van Bogaers klakkeloos overneemt. Is dit wetenschap of gewoon "klinkklare kletspraat"? Momenteel houdt geen enkele historicus deze opvatting van Bogaers nog voor juist.

    Bogaers interpreteert de Romeinse plaatsen en die van de Peutingerkaart als volgt (Westerheem 1974, p.324):
    Eremelo=onbekende legerplaats??, Katwijk = Brittenburg, Lugdunum = Valkenburg dorp (Z.H.), Leiden?Roomburg = Matilo, Alphena/d Rijn=Albaniana, Zwammerdam = Nigrum Pullum, Woerden =Laurum, Vleuten / de Meern =??, Utrecht = Trajectum, Bunnik?Vechten= Fectio, Wijk bij Duurstede = Levefanum, Maurik = Mannaricium, Kesteren = Carvo, Druten = Castra Herculis, Huissen =??, Rossum = Grinnes, Nijmegen = Noviomagus, Heumen/Heumensoord =??, Cuyk = Ceuclum, Herwen en Aerdt =??, de Byland = Carvium, Grubbenvorst/Lottum = ??
    Liefst 8 vraagtekens op 20 plaatsnamen.
    En van zijn opgravingen is veel niet eens door hem uitgewerkt, zoals van de opgraving van het badhuis in Heerlen. Blijkbaar trekt hij erg voorbarige conclusies. Opvalend is dat Bogaers in veel publicaties ook niet meer genoemd wordt. Zijn de opvattingen van Bogaers inmiddels achterhaald?

    En dat durft Bogaers de publicaties van Albert Delahaye "schokkend, zeer vreemd en volstrekt onaanvaardbaar" te noemen. Bogaers had zijn eigen artikelen eens wat beter moeten lezen. Dan zou hij begrepen hebben wat "vreemd" en "volstrekt onaanvaardbaar" eigenlijk inhoudt.

    De twijfel die Delahaye ten aanzien van een aantal traditionele opvattingen had, had Bogaers eveneens. In het NRC-handelsblad van 2 juli 1996 sprak Bogaers zijn twijfel uit over de 'vondst' van de gracht van Corbulo. Die was immers al ontdekt in 1962 en in 1991. Toen in 1996 werd gemeld dat de Romeinse gracht van Corbulo was gevonden, vroeg Bogaers zich af "Hoe vaak nog?" Daarmee sprak hij zijn twijfel uit over de laatste vondst en de publicaties daarover.

    Bogaers stelde ook eens: "Delahaye is Vermaning niet. Dat is toen een heel slechte, onfatsoenlijke kwestie geweest. Ik sta achter Vermaning, maar deze Delahaye? Die daast maar door, die gaat z'n gang maar."
    Dat zich met Delahaye nog een slechtere en nog onfatsoenlijkere kwestie heeft voorgedaan, vermeldt Bogaers wijzelijk niet. Bogaers was namelijk zelf een van de onfatsoenlijkste bestrijders van alles wat Delahaye naar voren bracht. Als je iemand een ernstig ziektegeval noemt en een doordrammer, ga je toch echt niet integer en wetenschappelijk te werk. Bogaers begreep maar al te goed dat als Delahaye gelijk heeft, hij als wetenschapper had afgedaan.

    Maar hoe liep het af met Vermaning?
    Vondsten Tjerk Vermaning vals: AD/AC. 14-12-2004.
    Bogaers ging hier dus af als archeoloog: De vondsten van Vermaning bleken vals en Bogaers had ongelijk met zijn opvatting dat de vondsten van Vermaning echt waren.
    De vraag is of Bogaers de vondsten ooit zelf onderzocht had of dat hij slechts anderen napraatte wat meer zijn 'wetenschappelijk werk' was.

    Met deze LINK verwijzen we naar enkele "wetenschappelijke" uitspraken van Bogaers.

    Bogaers, de voorzitter van de Club van Nijmegen meende ook dat er in heel Nederland niemand is die Delahaye ook maar voor een halve cent krediet zou geven.
    En dat terwijl hij zelf het gelijk van Delahaye regelmatig bevestigt in eigen uitspraken, alleen dat nooit openlijk heeft toegegeven. Zie bij de vele citaten, waaruit steeds het gelijk van Albert Delahaye blijkt.

    En dan heeft Bogaers de mond vol over de zogenaamde "niet wetenschappelijke werk" van Delahaye.


    Ingezonden reactie van een lezer op de opvatting van Bogaers ten aanzien van het verhaal van Delahaye in het Katholiek Nieuwsblad van 14 juni 1985.

    Volgens dr.P.Leupen heeft Bogaers de boeken van Delahaye wel degelijk gelezen, dus van onwetendheid van de argumentatie van Delahaye kan niet gesproken worden. Misschien was het verstandiger geweest van Bogaers dat hij de boeken van Albert Delahaye eens grondig bestudeerd zou hebben en ook vernomen had hoe andere historici erover dachten. Ik kan de lezer nu slechts verwijzen naar de vele Citaten die alle onverkort het gelijk van Delahaye aantonen en waar (LET OP) er ook enkele van Bogaers zelf tussen staan. Hoezo "klinkklare kletspraat" en hoezo kreeg Delahaye "geen krediet"?

    Als een van de samenstellers van het Bronnenboek van Nijmegen, heeft Bogaers zijn "deskundigheid" te grabbel gegooid. Alle fouten in dat Bronnenboek staan ook op zijn conto. Het Bronnenboek kwam er mede, om "voor eens en altijd van de dooddoeners van Delahaye af te zijn". Het heeft niet mogen baten. Het Bronnenboek kan gekwalificeerd worden als broddelwerk en bevestigt op alle fronten het gelijk van Albert Delahaye. Zie bij Bronnenboek

    Bogaers is met zijn goedkeuring van het Bronnenboek, ook mede verantwoordelijk voor de fouten en blunders in dit boek.

  • Bogaers laat bisschop Harduinus van Noyon in Nijmegen resideren.
  • Bogaers laat graaf Floris IV op een toernooi in Picardië sneuvelen in Nijmegen.
  • Bogaers laat koning Karel de Eenvoudige, koning van het West-Frankische rijk, in Nijmegen resideren.
  • Bogaers laat Keizer Hendrik II vanuit Aken via Kamerijk niet naar Noyon maar naar Nijmegen reizen.
  • Bogaers laat de relieken van de St. Bertijns abdij te St. Omaars, een Franse abdij, niet naar Noyon maar naar Nijmegen overbrengen.

    In zijn artikel over "De dooddoeners van Delahaye" probeert Bogaers (samen met P.Leupen) de deskundigheid van Albert Delahaye onderuit te halen. Hij vindt het een "zeer afmattende bezigheid" om de opvattingen van Delahaye te weerleggen. Die "afmattende bezigheid" noemen wij wetenschappelijke discussie, waarbij iedereen moet bewijzen wat hij beweert. En dat bewijzen is Bogaers nog steeds niet gelukt. Ook alle vooringenomen standpunten moeten dan opnieuw bewezen worden. Blijkbaar hebben Bogaers (en Leupen en andere historici) nog steeds niet begrepen dat niet alleen Nijmegen als Noviomagus ter discussie staat, maar ook heel Germania en de rest van de geschiedenis vanaf de Romeinse tijd. De argumentatie van Bogaers gaat nog steeds uit van de "zekerheden" dat de Renus de Duits/Nederlandse Rijn is en Novaesium de plaats Neuss zou zijn. Bogaers begrijpt nog steeds niet dat dat juist eerst bewezen moet worden. En die bewijzen ontbreken tot heden. Want is Novaesium wel Neuss, of is het Nouvoin-sur-Meuse, zoals Delahaye beweert? Het is precies dezelfde discussie als met de naam Noviomagus. Was dat Nijmegen of Noyon? Ook in zijn argumentatie ten aanzien van Noviomagus gaat Bogaers mank. Bogaers stelt: "Welke plaats kan anders bedoeld worden aan de rivier de Waal die het eiland van de Bataven in het zuiden voorbijstroomt?" Bogaers begrijpt dus nog steeds niet dat dan eerst bewezen moet worden dat met Patabus of Vahalis de Waal bedoeld wordt, en met Insula Batavorum de Betuwe.

    Eenzelfde "probleem" doet zich voor rondom Cuijk. Dat er Romeinse overblijfselen gevonden zijn, doet hier niet ter zake. Maar wat was de naam van die Romeinse plaats? Was Cuijk het Ceuclum ( of Cevelum) op de Peutingerkaart? In de Nederlandse opvatting wordt er Ceuclum gelezen, om er vooral Cuijk, een moderne naam, van te kunnen maken. Of was het Cevelum toch Chevilly? En nu komt het. Volgens de opvatting van Bogaers zelf heette Romeins Cuijk niet Ceuclum, maar zeer waarschijnlijk in werkelijkheid Ceudiacum. Zie (J.E.Bogaers).
    Hiermee wijkt Bogaers af van de Nederlandse traditie. Cevelum -want dat staat er- op de Peutingerkaart is dan niet de Nederlandse plaats Cuijk. Het Romeinse Cuijk droeg volgens Bogaers de naam Ceudiacum, wat een emendatie was van B.H.Stolte, die het in Ceudiaco 'verbeterde' (Brabantia, VI, 1957).
    En laat nu de Gemeente Cuijk het zelf over Cevelum hebben. Ook enkele verenigingen en bedrijven in Cuijk noemen zich "Cevelum". Op de website van de historische cartografie lees je ook Cevelum. Waar heeft Bogaers het dan over met zijn Ceuclum? De man spreekt zichzelf tegen met Ceudiacum.?
    Waarop deze these van Bogaers gebaseerd is blijft een raadsel. En als je dan toch wat Romeinse namen aan het uitdelen bent, kun je je eigen dorp (geboorteplaats van Bogaers) toch niet overslaan. Ook D.P. Blok doet ten aanzien van zijn woonplaats Nederhorst den Berg hetzelfde door er het etiket Attingahem op te plakken. Ook hier weer zonder enig bewijs. Het is tekenend voor de historisch geografische deskundigheid in Nederland. En dan heeft Bogaers het over de ondeskundige kletspraat van Delahaye!

    Opvallend blijft dat de argumentatie van de oversteekplaats en de gevonden Romeinse brug over de Maas, wat men (Bogaers e.a.) bij Cuijk gebruikt om aan te tonen dat Cuijk op de Peutingerkaart zou staan, bij Nijmegen wordt verzwegen. Daar moet tussen Nijmegen en Arnhem (Castra Herculis?) toch de Waal overgestoken worden? Maar over het gemis van een oversteekplaats bij Nijmegen lees je niets.

    Uitvergroting van de naam
    "Ce??lum"
    op de Peutingerkaart.

    Is de derde letter van deze naam een u of een v? Is de 4e letter een c of een e?
    Zie verdere details bij Cuijk, waar ook een vergelijking met andere namen op de Peutingerkaart wordt gemaakt.

    De vondst van enkele palen in de Maas bij Cuijk leidt bij Bogaers tot de volgende "wetenschappelijke" opvatting.
    "Deze palen kunnen o.a. op grond van het niveauverschil, bezwaarlijk overblijfselen zijn van de laat-Romeinse wal. De kans bestaat dat ze behoord hebben tot een constructie van een Romeinse brug, maar het is ook heel goed mogelijk dat ze uit veel later tijd dateren en deel hebben uitgemaakt van een beschoeiing." (Bron: J.E.Bogaers).
    Wat voor een wetenschappelijk betoog krijgen we hier voorgeschoteld?

    Volgens Bogaers was Castra Herculis van de Peutingerkaart de plaats Druten aan de Waal. Dat betoog steunt op de aanname, zoals Bogaers het letterlijk uitdrukt, dat de Vahalis de Maas is en de Renus de Waal. Zo kun je natuurlijk alles rechtpraten wat krom is. En dan vindt Bogaers dat Delahaye "klinkklare kletspraat" verkoopt. Van de Renus de Waal maken en van de Vahalis de Maas, dat is pas "klinkklare kletspraat".
    Wat Bogaers wel nog opmerkt is dat er in Druten nooit iets Romeins gevonden is. Waar sta je dan met je opvatting?
    Uit het hele betoog van Bogaers blijkt ook glashelder dat de traditionele opvattingen gewoon niet passen in het Nederlandse landschap. Slechts door met alles te schuiven of bronnen onjuist overgeleverd te verklaren is het met hangen en wurgen enigszins passend te maken.


  • "Als aan de combinatie Grinnes-zuidelijke Waaloever niet te tornen valt, dan moet Grinnes hogerop aan de Waal of Linge gesitueerd worden waardoor Bogaers' zuidelijke route op de tocht komt te staan". Letterlijk Citaat uit Westerheem. Daarmee komt de zogenaamde deskundigheid van Bogaers ook aardig op de tocht te staan.

    "De locatie van Castra Hercules in Driel (Bogaers, 1981) of Druten (Bogaers, 1968) kan als onzinnig beschouwd worden". Bron: Westerheem. De twee locaties van Bogaers geven al zijn "beweerde stelligheid" van zijn ongelijk aan en is de afwijzing van de opvattingen van Delahaye net zo onjuist.

    De 'Municipium hypothese' van Bogaers, binnen de opvattingen van die tijd een begrijpeliijke visie, heeft afgedaan!

    "De conclusie van Bogaers dat Ganuenta als de hoofdstad van de Frisiavones beschouwd kan worden, mag verruild worden voor de theorie dat het de stad der Marsaci zou betreffen". Bron: Westerheem,p.14. De locatie van Ganuenta van Bogaers kan dus van tafel, evenals veel van zijn andere opvattingen.

    De stenen Gallo-Romeinse tempel in Elst blijkt op zijn vroegst uit 100 na Chr. te stammen. (Zie Archeobrief). Hèt uitgangspunt van Bogaers over Romeinse Nederland en de opstand van de Bataven in 69/70 n.Chr., staat daarmee op losse schroeven.
    Wat krijgt Albert Delahaye hier weer gloeiend gelijk!

    Ook in eigen uitspraken geeft Bogaers Delahaye regelmatig gelijk. Een uitspraak van dr J.E. Bogaers was: "Hier moet opgemerkt worden dat een van de grootste lacunes van de provinciale Romeinse archeologie in ons land wordt gevormd door de omstandigheid dat we nog steeds geen overzicht hebben van het totaal van het Romeinse verdedigingssysteem langs het Nederlands gedeelte van de Rijngrens. Dit geldt ook ten aanzien van de wegen die voor de noodzakelijke verbindingen moeten hebben gezorgd".
    Ofwel er is niets gevonden dat de traditionele opvattingen bevestigd. Ook hier had Delahaye weer gelijk. En dan had Bogaers zoveel commentaar op Delahaye om het 'kletspraat' te noemen. Bogaers verkondigt zelf kletspraat door zijn eigen opvattingen te ontkennen.

    Naarmate de historische wetenschap vordert en men de opvattingen van Bogaers op juistheid gaat controleren, blijken die steeds vaker onjuist geweest te zijn. Bogaers heeft bij leven zijn opvattingen steeds als zaligmakend en als enig juist verkondigd. Hij alleen had er verstand van. Tegenspraak op zijn visie werd steevast afgedaan als 'ondeskundig' en 'amateuristisch' gebrabbel. Ook Albert Delahaye heeft van deze professor docter menig sneer moeten slikken. Bogaers was de enige die de alles omvattende waarheid kende.
    Steeds vaker blijkt nu dat deze professor er gloeiend naast zat. Ook op zijn 'vertalingen' van Romeinse opschriften komen steeds meer aanmerkingen, maar zeker op zijn conclusies uit die opgravingen. En elke keer krijgt Albert Delahaye steeds meer niet een beetje maar zelfs heel veel gelijk.

    In berichten van de ROB (jaargang 17, p.99 e.v.) staat het artikel "Enige opmerkingen over het Nederlandse gedeelte van de limes van Germania Inferior". Ook in dit artikel spreekt Bogaers de nodige twijfel uit en komen diverse keren dezelfde bewoordingen voor. Bogaers plaatst het kustvolk der Frisiavones (dat zijn de Friezen) in Noord-Brabant. Wie verkoopt er hier nu kletspraat?
    Hij komt tot die conclusie omdat Plinius dit volk tussen het Helinium en het Flevum plaatst. Bogaers (maar ook Stolte) vraagt zich af 'waar de regio of civitas Frisiavorum en haar caput gelegen hebben'. Ook dit is dus een groot vraagteken. Bogaers kan daarmee dus niet overweg in de traditionele opvattingen en noemt het dan ook "in tal van opzichten een vreemde passage". Maar niet de passage is vreemd, maar de opvatting van Bogaers c.s. Bij hen is het Helinium de monding van de Maas en het Flevum de Zuiderzee. Maar daartussen woonden toch de Bataven en de Cananefaten? Volgens Bogaers woonden de Bataven behalve in de Betuwe ook nog tussen de Waal en de Maas en nog verder zuidwaarts in Noord-Brabant. En die kun je niet even opzij schuiven om er de Frisiavones te plaatsen. En Noord-Brabant was toch Toxandrië, waar de Texuandri woonden? En woonden daar volgens de traditionele opvattingen (zie o.a. bij W.van Es) dan niet eerder de Menapii? Dus schuift Bogaers beide volkeren een beetje op en propt de Frisiavones daar maar tussen. Het kaartje (zie hiernaast) geeft dat al aan, al noemt Bogaers het omzichtig nog de vermoedelijke woonplaats der volkeren en zet hij een vraagteken achter de Frisiavones. Maar dáár wonen de Frisiavones helemaal niet tússen Helinium en Flevum, verre van. Het vraagteken is er door Bogaers dan ook heel terecht gezet. Blijkbaar weet Bogaers ook zelf niet hoe het dan precies zit.

    En zo schrijft men (en Bogaers) dus geschiedenis.

    Zou Bogaers gewoon de opvattingen van Delahaye volgen, dan is er geen enkel probleem. Dan komen de Frisiavones netjes aan de kust van Vlaanderen te wonen, precies tussen het Flevum (=Almere bij St.Omaars) en het Helinium, een meer aan de Mosa (is de Moeze) bij Kortrijk waar plaatsen als Helchin en Hellebecq nog aan herinneren. Het Helinium is al spoedig nadat Plinius daarover schreef verzand. Bij latere schrijvers wordt dit meer niet meer genoemd.

    Ook uit dit artikel van Bogaers spreekt slechts twijfel. Met veel vreemde beweringen houdt Bogaers ondanks alles toch vast aan de traditionele opvattingen. Het gebruik van woorden als vermoedelijk (9x), mogelijk (4x), waarschijnlijk (11x), schijnt (5x), wellicht (4x), wijzen op (5x), is te identificeren (3x) en aan te nemen (3x) geven al aan dat er helemaal niets zeker is in dit artikel van zo'n 5 bladzijden tekst. Tellen we het aantal keren dat er van twijfel sprake is (meer dan 50 keer), dan is het onthutsend te noemen. Dat is gemiddeld 10x twijfel per bladzijde. En dan hebben we 'zou kunnen zijn' of 'zou hebben' nog niet meegeteld. Ook bewoordingen als: veronderstellen, onbekend, suggereert, het ziet ernaar uit maken wel duidelijk dat er nog heel veel twijfel en onzekerheid bestaat over Romeins Nederland.

    Als Bogaers dan ook nog vermeldt dat de opsomming der volkeren langs de Renus bij Plinius 'moeilijk met elkaar in overstemming te brengen is' moet je toch gaan nadenken of je niet op de verkeerde plaats aan het zoeken bent. En dat zei Albert Delahaye ook al langer, maar dat vond Bogaers maar 'klinkklare kletspraat'.

    Prof. dr. J.E.Bogaers.
    Prof.dr.J.E.A.Th. (Julianus Egidius Alphonsus Theresia, doorgaans gebruikt Bogaers slechts de eerste 2 initialen) Bogaers (1926-1996) stond vooral bekend als deskundige op het terrein van de Romeinse archeologie. Als hoogleraar was hij verbonden aan de Universiteit van Nijmegen (Katholieke Universiteit Nijmegen *) (zie noot), vakgroep Provinciaal-Romeinse Archeologie). Daarvoor was hij werkzaam bij de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort, waar hij in Amersfoort in 1958 en 1959 nog enige tijd raadslid is geweest. De Amersfoortse Courant betoogde in die tijd dat het "discussiepeil in de raad bedenkelijk was gezakt". In hoeverre dat aan Bogaers te wijten was, vermeldt de krant niet.
    Bogaers heeft talrijke publicaties op zijn naam staan, waarin - en dan volgen we even wat hiervoor gemeld is- er geen enkele ruimte was voor discussie. Bogaers twijfelde nooit aan eigen opvattingen, slechts aan die van anderen. Zijn opgravingsverslagen getuigen hierdoor misschien van een zekere zekerheid, maar aan zijn deskundigheid en zijn interpretaties mag men twijfelen. Veel zijn foutief omdat hij uitging van verkeerde veronderstellingen.
    De volgende uitspraken van Bogaers kwalificeert zijn manier van denken en van werken: "De archeoloog plaatst zijn vondsten tegen de achtergrond van de literatuur die daarover bekend is". "Over de Romeinse tijd in ons land hebben verschillende schrijvers zoals Caesar en Tacitus het een en ander meegedeeld, zodat het mogelijk is zich een voorstelling te maken van de toestanden in die periode.

    En hier ging Bogaers in slaafse navolging van de traditionele historici dus in de fout. Want Caesar en Tacitus schreven niet over ons land! Deze veronderstelling moet allereerst bewezen worden, voordat men hun teksten op Nederland van toepassing kan achten. En die bewijzen zijn nooit geleverd, ook niet door Bogaers. Albert Delahaye heeft juist aangetoond dat Julius Caesar en Tacitus het helemaal nooit over ons land hebben gehad. En als het uitgangspunt fout is, is ook de rest van het betoog fout en dient men opnieuw te beginnen. Het recente onderzoek van de Gentse professor H.Thoen bewijst onweerlegbaar dat Julius Caesar nooit in België is geweest (en dan al helemaal niet in Nederland). Dat zou Bogaers ook moeten weten, want de Romeinse tijd laten de meest optimistische historici (ook foutief) pas beginnen in 12 v.Chr. En toen was Julius Caesar al 32 jaar dood!

    *) Overigens ontkende Bogaers dat de Universiteit van Nijmegen opgericht in 1923, ooit de naam van Karel de Grote gedragen zou hebben. Volgens enkele kritici is die Universiteit in 1924 wel degelijk onder die auspiciën op gericht, maar keurden de bisschoppen deze naam niet goed. (Doorzagen zij wel wat voor een figuur die keizer geweest is en de naam van een universiteit onwaardig?) Vervolgens werd voor de nietszeggende naam "Katholieke Universiteit" gekozen, maar koos het studentencorps voor de naam Carolus Magnus. Op het briefpapier van de Universiteit wordt in het logo en de spreuk (zie afbeelding hiernaast) wel degelijk verwezen naar Karel de Grote. Zolang dat niet verandert, blijft de naam van Karel de Grote aan de universiteit kleven, ook al is deze nu getooid met de even foutieve naam van Radboud.

    In zijn opvatting over de Romeinse geschiedenis in ons land hanteerde en verkondigde Bogaers onverkort de traditionele visie. Dat hij daarbij wel eens voor onoverkomelijke bezwaren kwam te staan, zichzelf in publicaties wel eens tegenspreekt of de traditie toch niet helemaal volgde, werd zoveel mogelijk verzwegen, evenals de zaken die hij oversloeg. Bogaers was een schoolvoorbeeld van een wetenschapper die op zijn titels en gezag eigen inzichten staande probeerde te houden. "Daar hoeft niet aan getwijfeld te worden, omdat het zo is, zoals ik het zeg en het altijd zo geweest is", was een opvatting die feilloos bij Bogaers paste. Andere historici durfden hem niet eens tegen te spreken, totdat................. er in het archief van Nijmegen ene Albert Delahaye kwam werken.

    Toch zijn anderen niet altijd overtuigd geweest van het gelijk van Bogaers. H.K.J.Cowan had in 1974 in de ROB-berichten al opgemerkt dat Bogaers er ten aanzien van de Peutingerkaart een erg afwijkende en niet erg overtuigende opvatting op na hield. Bogaers meende dat de twee wegen in de Patavia aan beide zijden van de Waal geprojecteerd dienen te worden, waarbij door hem de Waal als Renus werd opgevat. Niet de Rijn was de grens van het Romeinse Rijk, maar de Waal.

    Het is dan ook onbegrijpelijk dat Bogaers zo fel ageerde tegen Albert Delahaye, terwijl hij net zo'n grote twijfel had over veel traditionele opvattingen. Er was slechts één verschil. Bogaers hield zich stil (zijn reputatie stond op het spel), terwijl Delahaye de mythen ging bestrijden.

    De sterke tegenstand tegen de publicaties van Albert Delahaye, maar ook tegen zijn persoon (hoe professioneel ben je dan?) kan alleen verklaard worden uit het oogpunt dat er een reputatie op het spel stond. Bogaers stond immers internationaal bekend als een deskundig en alom gewaardeerd wetenschapper, met name op het gebied van de Romeinse archeologie. Nadat hij de visie van Delahaye gelezen had, en dat hij die boeken drommels goed gelezen heeft blijkt wel uit zijn verweer, overzag Bogaers meteen alle consequenties in alle omvang. En juist op het punt waarop hij zijn titel en professoraat had gehaald, bleek er veel mis met zijn opvattingen. En dat er in zijn werk wel eens wat foutjes zaten, wist Bogaers ook al vanaf de eerste dag van zijn aanstelling te Nijmegen. Uit de recentie van zijn boek, nota bene in Numaga, het eigen tijdschrift van Nijmegen, lezen we:
    "J. E. BOGAERS, Civitas en stad van de Bataven en Canninefaten. Berichten van de Rijksdienst van het Oudheidkundig Bodemonderzoek, jaarg. 10-11 (1960-61), blz. 263-317.
    Deze studie van prof. Bogaers is in wezen zijn rede, die hij heeft uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in de Romeinse oudheidkunde van de Nederlanden aan de Nijmeegse universiteit op 21 oktober 1961 en werd als zodanig door dr. H. J. H. van Buchem uitvoerig besproken in ons tijdschrift (jrg. VII, blz. 129 v.v.). Wel heeft de auteur, rekening houdend met een aantal opmerkingen van buiten- en binnenlandse vakgenoten, hier en daar de tekst sterk gewijzigd en uitgebreid".
    (Einde citaat).

    "Sterk gewijzigd en uitgebreid" betekent niets meer en niets minder dan dat Bogaers enkele onjuistheden verbeterde en dat hij onvolledig was en dat aanvulde. Het woord "sterk" benadrukt behalve dat er nogal veel veranderd moest worden, ook dat zijn manier van werken niet adequaat en wetenschappelijk was. Die was allerminst sterk te noemen.

    Het is overigens opvallend dat men in Nederland dit artikel van Bogaers niet als uitgangspunt heeft opgevat. Zeker diegene die Bogaers zo graag als deskundige opvoeren. Men gebruikt het daarentegen zelfs om te bewijzen dat Nijmegen in de Romeinse tijd Noviomagus en Batavodurum geheten heeft. En dat is uiteraard vreemd, aangezien Bogaers juist in dit artikel meent dat aan de naam Ulpia Noviomagus voor Nijmegen nog wel te twijfelen valt, evenals aan de naam Foro Adriani voor Voorburg. En dat zijn wel twee fundamenten van Romeins Nederland die Bogaers hier aan het wankelen brengt.

    In dit artikel spreekt Bogaers ten aanzien van een aantal zaken toch duidelijk zijn twijfel uit. De woorden "waarschijnlijk" (komt 54x voor), "mogelijk" (31x), "wellicht" (30x), "vermoedelijk" (20x), "twijfel" (13x), "niet duidelijk" (4x), "echter" (62x), "onjuist" (16x), "zou kunnen of zou hebben of kan of moet hebben" (meer dan 60x), "moet men wel concluderen" (4x), "ongetwijfeld" (11x), "aannemen" (10x), "aannemelijk" (12x), "onzeker" (2x), "misschien" (4x) en verder termen als "valt niet te bewijzen", "het staat geenszins vast", "ten onrechte", "het lijkt erop dat" komen te vaak voor in dit artikel van 54 bladzijden. Dat komt neer op 6 opmerkingen per bladzijde waaruit twijfel spreekt. Daarnaast maken ontkenningen als 'niet' (126x) en 'geen' (75x) er ook niet meteen een betrouwbaar en gefundeerd verhaal van. Verder vindt Bogaers zelf al enkele zaken 'merkwaardig' (5x), 'onwaarschijnlijk' (2x) of zijn er 'geen gegevens' of is er 'geen enkele aanwijzing' waarmee zijn opvattingen niet veel sterker worden.

    Onbegrijpelijk blijft dat juist Bogaers zo sterk ageerde tegen de opvattingen van Delahaye, die hij met dit artikel in feite gewoon gelijk geeft. Bekijkt men bovendien de auteurs in de noten genoemd, dan blijkt duidelijk dat Bogaers in dit artikel slechts oude opvattingen herhaalt. Genoemd worden Byvanck:1943 (66x), Brunsting:1937 (21x), Van Buchem:1955 (24x), Stolte:1959 (17x), Bogaers zelf:1955 (21x), Korneman:1898 (26x), Mommsen:1887 (38x), Von Petrikovits:1957 (35x), De Waele:1931 (27x), Daniëls:1927 (14x), Van Schevichaven:1881 (10x) en Holwerda:1910 (10x). Hiermee wordt duidelijk aangetoond dat Bogaers slechts de aloude opvattingen herhaald en er enkele onbewezen eigen meningen aan toevoegt. Dat maken de woorden "mijns inziens" (8x), "mijn mening" (6x) en "mag men aannemen" (10x) wel duidelijk.

    Andere artikelen van Bogaers laten eenzelfde beeld zien.

    In Numaga 1965-1 is een artikel van Bogaers opgenomen over "Romeins Nijmegen". In dit artikel komen eveneens veel woorden voor als "waarschijnlijk" (komt 23x voor), "wellicht" (10x), "niet duidelijk" (12x), "mogelijk" (7x), "vermoedelijk-vermoed(en)" (17x), "aannemelijk/aangenomen/men mag aannemen" (5x), "kan/kunnen heel goed" (4x), "zou kunnen/kan/kon" (9x) enz. Ook omschrijvingen als "als mijn vermoeden juist is" (2x), "zou kunnen wijzen op" (2x), "naar het schijnt" (4x), "de indruk krijgt" (3x), "het ziet ernaar uit" (4x), "is men geneigd (te denken)" (2x), "ongeveer" (5x), "moet/moest" (22x), "valt niet op te maken" (2x), "zou kunnen (zijn)" (16x) en "het is nu de vraag of" (1x). Bij zoveel onzekerheid in één artikel van net 26 pagina's kan men toch niet blijven spreken over zekerheden.
    Ook bij dit artikel komt men weer dezelfde auteurs tegen waarnaar verwezen wordt in de noten. Het zijn o.m. Bogaers zelf (5x), Holwerda (14x), Brunsting (20x), Daniëls (18x), Von Petrikovits (9X), Ritterling (19x), Wagner (7x), allemaal auteurs van vóór 1955, soms zelfs uit de 19e eeuw.

    En dan zou Romeins Nijmegen een zekerheid zijn? Dat gelooft toch niemand meer!

    Als je alles wat Bogaers geschreven heeft over Romeins Nederland zorgvuldig leest dan is het onbegrijpelijk dat men in Nijmegen nog steeds de geschiedenis hanteert uit de tijd van Johannes Smetius. Delahaye heeft uit de onzin die zijn opponenten schreven nooit zijn argumenten gehaald. Het wordt tijd dat het nu wel eens wel gebeurd.
    J.E.Bogaers c.s. tonen met hun eigen geschrijf aan dat de Romeinse en Karolingische geschiedenis van Nijmegen nooit bestaan heeft.

    Prof.dr.J.E.Bogaers als wetenschapper.
    Aan de deskundigheid van prof.dr. J.E. Bogaers als historicus mag, gezien het hierboven staande, ernstig getwijfeld worden.
    Zijn opvattingen (en hier geven we enkele voorbeelden) over de prehistorische vuistbijlen van Tjerk Vermaning, over de Gallo-Romeinse tempels te Elst, over de mijlpaal van Monster, over Ulpia Noviomagus, over enkele Romeinse opschriften, over gevonden Romeinse munten in Velsen of over de opgravingen te Maurik, zijn allemaal niet zonder kritiek gebleven.

    Reconstrueert men nu de opvattingen van Bogaers met de "BEWIJZEN" die hij ervoor aanvoert, dan blijkt Bogaers de grote falsaris van Romeins Nijmegen te zijn. Wat Bogaers over Romeins Nijmegen heeft gepubliceerd grenst aan het ongelooflijke. Het is zeer begrijpelijk dat Bogaers het felst van alle historici tegen Delahaye ageerde.


    In het Memoriam van Jules Bogaers worden zijn scherpe tong en pen juist geprezen. Die waren alom beroemd en beducht, volgens W.J.H.Willems. Ook vermeldt Willems dat Bogaers nooit een echte veld-archeoloog was. Voor de Nederlandse archeologie wordt zijn vroegtijdig overlijden een groot verlies genoemd die op vele fronten bijdroeg aan de interpretatie van het archeologisch erfgoed. (Scarabee nr.25 dec.1996 p.48).

    Het voorbeeld van zijn scherpe pen is deze ingezonden brief in het NRC. d.d. 2 juli 1996 (zie hiernaast).
    Hieruit blijken meerdere zaken:
  • dat archeologen niet op de hoogte zijn van elkaars werk. Er is namelijk al eerder over geschreven en wel in 1962 en 1991.
  • dat er twijfel bestaat over de werkelijke plaats van de gracht van Corbulo;
  • het 'Hoe vaak nog?' wijst op het weinige vertrouwen dat Bogaers in mede archeologen en historici voor de toekomst heeft.
  • Bogaers legt hier een pijnlijk probleem bloot: archeologen en historici lezen elkaars publicaties niet.

    Ook in Westerheem laat Bogaers van zich horen. Zo schreef hij over de Arma Christie in Westerheem 5 van 1985 dat de schrijver over dit pelgrimsinsigne de kennis van het het latijn niet machtig zou zijn. De letters INRI op dit insigne zouden volgens Bogaers betekenen Iesus Nazarenus Rex Iudaeorum. In een reactie op de ingezonden brief van Bogaers wordt fijntjes opgemerkt: "De (overbodige) 'e' heeft een Hooggeleerde Heer (is Bogaers dus) aan het schrijven gezet. Het mag opmerkelijk genoemd worden dat het Bogaers niet is opgevallen dat de afbeeldingen omgekeerd afgebeeld staan".
    Het ontgaat Bogaers blijkbaar ook dat de letters INRI op dit pelgrimsteken ook kunnen staan voor Ignis Natura Renovatur Integra, verwijzend naar de Phoenix die door de dood uit de as zal verrijzen en Gods schepping in haar oorspronkelijke staat herstelt.

    In de Haagse Courant van 13 sept.1984 verklaart prof. J.E.Bogaers dat het een idioot plan is dat Voorburg in 1985 het 1900-jarig bestaan van het stadje wil gaan vieren. Dat zou volgens Bogaers pas in 2010 of 2065 aan de orde zijn. Het enige aanknopingspunt van deze nederzetting is een mijlpaal die in Monster of Naaldwijk gevonden is, stelt Bogaers. Die mijlpaal verwijst naar Forum Hadriani en daar staat de inscriptie M.A.C. en het jaartal 162 op, wat volgens Bogaers Municipium Aelium Cananefatium is. De stichting 'Mooi Voorburg' tilt niet zwaar aan de kritiek van Bogaers. "We zijn in elk geval de oudste stad in Nederland en dat mag weleens gevierd worden" is men daar van mening.

    Het 'In Memoriam' schets wel een goed beeld van Bogaers als archeoloog. Geen eigen onderzoek doen en fel ageren tegen iedereen die anders over zijn interpretatie dacht dan hij. Dat heeft ook Albert Delahaye mogen ervaren. Immers als Delahaye gelijk had, stonden de reputatie en titels van Bogaers op het spel. Een reputatie waar achteraf NIETS van overblijft, aangezien hij steeds van de verkeerde uitgangspunten is uitgegaan en daar omheen zijn theorieën bij elkaar heeft gefantaseerd. Niet Delahaye heeft de deskundigheid van Bogaers te grabbel gegooid, zoals hij dacht, dat heeft Bogaers zelf gedaan. Bogaers kan het best gekwalificeerd worden als de grote fabeldichter van Romeins Nijmegen.

    Deze houding van Bogaers zal er zeker toe hebben bijgedragen dat hij in 1965 niet tot opvolger van P.Glazema als directeur van de ROB. werd benoemd. Aan deze benoeming waren zoveel verwikkelingen vooraf gegaan dat er zelfs vragen over zijn gesteld in de Tweede Kamer. Zijn 'voorwaarden' waren voor het ministerie niet acceptabel. Bogaers had naar deze benoeming erg uitgezien en er vast op gerekend. Hij had in een carnavalsuitrusting zijn voorganger met water besprenkeld om hem symbolisch te zuiveren. Echter als opvolger van Glazema werd niet hij maar W.A. van Es benoemd. Of hij deze teleurstelling heeft kunnen verwerken blijft een vraag. Hij reageerde zijn frustaties in elk geval af op Albert Delahaye, voor hem een welkome 'bliksemafleider'.

    In die uitrusting en het met water besprenkelen had Bogaers wel een voorspelling gedaan met de later ook door hem benoemde Bisschop van Nijmegen.

    Ook op andere archeologische locaties maakt Bogaers er een potje van. Bijvoorbeeld de aanname dat de Canninefaten bij Voorburg een Romeinse stad hadden, die nergens wordt vermeld en waarvan de naam een compleet verzinsel van Bogaers is. En dat op grond van één enkele losse letter. Bij Bogaers is het blijkbaar normaal dat hij zonder verder bewijs, zijn gedachten als vaststaande feiten etaleert. Als Bogaers op een steen die uit de Oosterschelde is opgevist «DMB››leest wordt dat bij hem automatisch "Decurio Municipii Batavadorum", waar hij vervolgens gelijk maar Nijmegen van maakt (Zie: Romeins Nijmegen. Van Nijmegen naar Nehal|(a)en(n)ia / J.E. Bogaers. p– In : Berichten R.O.B. 10-11, 1960).

    Die letters «D M B›› zouden net zo goed als « Dis Manibus Beneficium›› of «Dis Manibus Brigantes›› of zoiets kunnen betekenen. Wie zegt dat de gedachte van Bogaers de juiste is? Die is duidelijk gestoeld op de vooringenomenheid dat de Bataven in Nederland woonden. Dan niet bij de Oosterschelde, maar daar is de Betuwe toch niet zo ver vandaan?
    Opgevist uit de Oosterschelde! Lag daar niet de haven Domburg, waar ook de Nehalennia altaren gevonden zijn? En was deze steen met het opschrift «D M B›› wellicht een grafsteen? En waren die Nehalennia altaarstenen niet bestemd voor vervoer naar Engeland. En laat nu de «Brigantes›› een volksstam in Engeland zijn. De cirkel is rond!

    De Gallo-Romeinse tempels in Elst.
    Het stokpaardje van prof.dr.J.E. Bogaers (waarover ook zijn proefschrift handelde) was de Gallo-Romeinse tempel(s) te Elst, zijn "levenswerk". En had Bogaers daar dan verstand van? Nou, neen, Want voor zijn promotie moest Bogaers zijn proefschrift op enkele wezenlijke punten aanpassen. Zo goed had hij zijn huiswerk nu ook weer niet gedaan.

    En wat schrijft Dr. J.E.A. Th. Bogaers zelf in zijn boek "De Gallo-Romeinse tempels te EIst in de Over-Betuwe"?
    Pag. 182 Een verklaring van de gegevens die de Tabula Peutingeriana en het Itinerarium Antonini bevatten ten aanzien van de Romeinse wegen in de Betuwe, kan nu nog alleen gegeven worden onder veel voorbehoud.
    Pag. 186 Volgens een bepaalde interpretatie van de bodemkartering zou de Over-Betuwe de eigenlijke "Insula Batavorum" zijn geweest. Sprey is terecht van mening dat dit zeer in strijd is met de definitie welke Tacitus van de Insula heeft gegeven. ( ... insulam ... quam mare Oceanus a fronte, Rhenus amnis tergum ac latere circumfluit) en waarin uitdrukkelijk de zee als westelijke grens wordt genoemd.
    Pag. 206 In de resultaten van de opgraving te Elst is dus geen argument te vinden ter staving van de mening van Post, Taminiau e.a., volgens wie er op grond van de oorkonde van 726, in dat jaar reeds een kerk stond te Elst.

    Delahaye antwoordde hierop in Holle Boomstammen (pag. 87): Prof. Bogaers, de leider van de opgraving, houdt met grote stelligheid aan de conclusie vast, dat de oudste kerk van Elst gebouwd is, kort na het midden van de 10e eeuwen tevens dat er geen enkel archeologisch bewijs gevonden is voor het bestaan van een kerk ten tijde van Willibrord.

    Bogaers geeft hier Delahaye 3x gelijk. Het is dan ook onbegrijpelijk dat hij zo tegen Delahaye ageerde terwijl hij dezelfde twijfel over enkele traditionele opvattingen had.

    In 2007 blijkt zich een typisch voorbeeld van voortschrijdend inzicht in de historische wereld voor te doen.
    De opvattingen van Bogaers over deze tempels, moeten fundamenteel herzien worden, nu gebleken is dat de oudste tempel niet van vóór 69 n.Chr. dateert, maar volgens recent onderzoek op zijn vroegst uit 100 na Chr. (Bron: H.v.Enckevort).
    Daarmee komt het uitgangspunt van Bogaers' betoog over Romeins Nederland en het hele verhaal rond de opstand van de Bataven in 69/70 n.Chr. op losse schroeven te staan. De bouw van deze tempel komt daarmee in een compleet andere historische context te staan. Niet de Bataafse opstand, maar andere gebeurtenissen vormen de historische achtergrond van deze tempel. De opvattingen van de 'deskundige bij uitstek' Bogaers, dienen dus herzien te worden en met deze, die van andere historici, die voortborduren op de opvattingen van Bogaers! Het bewijst tevens dat de wijze van "archeologisch onderzoek" van Bogaers (en hoevelen met hem?) steeds gebaseerd is geweest op vooringenomen standpunten en naar bekende feiten toe is geredeneerd, en dat deze niet steunen op technisch onderzoek. Op hoeveel andere vindplaatsen in Romeins Nederland is dit ook zo gebeurd? Bogaers is niet de enige geweest die op deze wijze archeologisch "onderzoek" gedaan heeft. W.A. van Es heeft hetzelfde principe gehanteerd bij zijn zoektocht naar Dorestad. Wat krijgt Delahaye hier weer eens "klinkklaar" gelijk!

    Ik ben benieuwd of ze nu ook alle literatuur gaan aanpassen, anders duikt het achtergehaalde verhaal van Bogaers in de toekomst steeds weer op.

    En verder in Elst? Volgens de traditie was Elst het in oorkonde uit 726 genoemde Helisthe-Marithaime, waar St.Willibrord "custos" (bewaarder) van de Salvatorkerk was. En wat schrijft Bogaers er zelf over? "Bij opgravingen zijn geen vondsten gedaan die gedateerd moeten worden tussen de 4e en 7e/8e eeuw!" Bogaers spreekt hier zelf zijn eigen traditie tegen, terwijl hij Albert Delahaye gewoon gelijk geeft. "Continuïteit tussen de heidense tempel in Elst en de op dezelfde plek gebouwde kerk is archeologisch niet aan te tonen", schrijft Bogaers, al neem hij wel aan dat een "angstige eerbied" deze plek bleef omgeven. Die "angstige eerbied" is weer zo'n nietszeggende uitdrukking van Bogaers om te verhullen dat er niets gevonden is dat zijn verhaal bevestigt. Hij maakt er dan maar een gevoelskwestie van met een "angstige eerbied". Angst of eerbied voor wie of wat wordt niet vermeld. Deze uitdrukking van Bogaers kunnen we ook weer kwalificeren als "klinkklare kletspraat". Het betekent gewoon dat er geen Salvatorkerk in Elst was ten tijde van St.Willibrord. Elst was dus niet het bedoelde Helisthe-Marithaime waar wel een Salvatorkerk was. Volgens Delahaye was dit Ouest-Marest in Normandië. Maar als Helisthe-Marithaime uit Nederland verdwijnt, dan is voor de zoveelste keer aangetoond dat ook de interpretaties rondom het Utrecht van St.Willibrord, die van Deventer en Tiel, maar ook die van Wijk bij Duurstede als Dorestad foutief zijn.
    Hier geeft Bogaers Delahaye dus gewoon gelijk, al heeft hij dat nooit openlijk toegegeven. Wie verkoopt er dan "klinkklare kletspraat"? Om de geliefde uitdrukking van Bogaers over de opvattingen van Delahaye ook eens te gebruiken.
    Overigens merkt Bogaers op (in zijn boek over de Gallo-Romeinse tempels) dat de overgeleverde tekst op één plaats onduidelijk, geredigeerd of misschien zelfs corrupt (vals) is en in de loop der jaren op verschillende wijzen geïnterpreteerd is. Bogaers is van mening dat met deze kerk slechts de St.Salvatorkerk te Utrecht bedoeld kan zijn en dat er in 726 geen Salvatorkerk te Elst bestond. Hij bestrijdt daarmee o.a. de opvatting van prof.dr.R.R.Post die stelde (in "Eigenkerken en bisschoppelijk gezag in het diocees Utrecht tot de 13e eeuw") dat Willibrord wel degelijk in het bezit was van de Salvatorkerk in Elst. Bogaers merkt daarover op, dat de resultaten van de opgravingen in Elst geen aanleiding geven ter staving van de mening van Post. De geleerde heren wetenschappers, zij die de opvattingen van Albert Delahaye belachelijk maakten, zijn het onderling allerminst eens.

    Hoe Delahaye ook hier weer gelijk krijgt. Ten aanzien van de mening van Post over Elst krijgt Delahaye gelijk en nog wel van Bogaers, niet meteen zijn grootste medestander! Het lijkt een onbeduidend detail, maar wel een van cruciaal belang.
    De kerk in Elst blijkt uit de 10e eeuw of zelfs nog later te dateren en is rechtstreeks op de Romeinse fundamenten gebouwd. Ook om deze reden kon er van een kerk uit 726 al geen sprake zijn. Er bleek tussen het Romeins en 10e (of 11e) eeuw een hiaat van ruim 7 eeuwen te bestaan. Hetzelfde zien we ook op andere plaatsen in Romeins Nederland, zoals in Utrecht en Nijmegen, waarbij het in Nijmegen zelfs een hiaat van ruim 8 eeuwen gaat.

    In 896 laat Koning Zwentibold een onvrije vrouw van de kerk van Elste vrij. De determinatie van P.Leupen in het Bronnenboek van Nijmegen als Elst in de Betuwe, werd door Bogaers altijd als onjuist gezien, wat hij aan de hand van opgravingen bewezen meende te hebben. En dan slaat Bogaers een belachelijk figuur door deze opvatting van Leupen in het Bronnenboek waaraan hij zelf meewerkte te laten passeren en goed te keuren. Immers Bogaers was mede samensteller van Het Bronnenboek (zie met name de Romeinse teksten), waaronder ook zijn handtekening staat. Wat voor een wetenschapper ben je dan?
    Ook hier krijgt Delahaye weer gelijk!
    De juiste plaats van dit genoemde Elste is Elnes, op 14 km zuid-oost van Tournehem en niet dezelfde plaats als Heliste-Marithaime

    "Municipium Ulpia Noviomagus Batavorum".
    Een volgend voorbeeld van de "wetenschappelijke" deskundigheid van Bogaers is Ulpia Noviomagus.
    ULPIA NOVIOMAGUS kan het best een "uitvinding van Bogaers" genoemd worden. De naam en het ontstaan van de Romeinse stad Noviomagus zijn uitvoerig en grondig besproken door J.E. Bogaers in zijn inaugurale rede in 1959. Sindsdien is algemeen aanvaard dat de Romeinse nederzetting in Nijmegen-West van Keizer Traianus de naam Ulpia Noviomagus heeft ontvangen tezamen met het marktrecht. Dit zou in 103 of 104 n.Chr. zijn gebeurd ter compensatie van het vertrek van de Legio X Gemina naar het Donaugebied (ach, zielig Nijmegen, moet Trajanus hebben gedacht, ik moet Nijmegen wel enige compensatie geven voor de verloren gegane werkgelegenheid - wie gelooft dit zelf?-). In latere tijd zou Ulpia Noviomagus als Municipium Batavorum stadsrecht hebben gekregen. Het "Ulpia" werd door Bogaers aanvankelijk nog wel tussen haakjes geplaatst. Hij twijfelde blijkbaar ook aan dat deel van de naam, maar voerde ook geen enkel bewijs aan voor die toevoeging. Het woord "Ulpia" is voordat Bogaers het als zodanig gebruikte nooit in welke bron dan ook op Nijmegen van toepassing gebracht. Hij heeft het dus nieuw uitgevonden en toegepast, zonder enig bewijs. Het was zijn fantasietje.

    Het gaat hier dus over een "sterke traditie sinds de Romeinen" van Hugenholtz, die dus pas sinds 1959 bestaat. De opvattingen van Bogaers, waarvoor hij geen enkel bewijs aanlevert -het is slechts zijn gedachte-, zijn allerminst overtuigend geweest, getuige de uitspraken van Van Buchem in Numaga VI mei 1959 p.51: "Wij hopen, dat dr. Bogaers spoedig gelegenheid zal vinden om zijn nieuwe denkbeelden omtrent deze voor de oude geschiedenis van Nijmegen toch waarlijk niet onbelangrijke kwesties duidelijker en uitvoeriger uiteen te zetten."
    Van Buchem betwijfelt de gegrondheid van Bogaers' scepsis, dat het Romeinse Nijmegen, onder de naam "Municipium Ulpia Noviomagus Batavorum", zijn stadsrechten aan keizer M. Ulpius Traianus (98-117) te danken zou hebben.
    H.Halbertsma meent (Numaga VIII 1961 p.48), "dat er ten onrechte een band zou zijn gelegd tussen Noviomagus en keizer M. Ulpius Traianus en dat dat niet door Bogaers is gesuggereerd". Dat had meneer Halbertsma dus niet goed begrepen, want Boagers heeft niet de bedoeling gehad Ulpia van Noviomagus van elkaar te scheiden, aldus Van Buchem. (Kunt U deze redenatie nog volgen?) De "gedachte" van Bogaers bleek meteen een zekerheid te zijn geworden, zonder dat er ooit één enkel bewijs voor werd geleverd. Op "gezag" van Bogaers werd deze nieuwe mythe, want dat is het, aan de geschiedenis van Nijmegen toegevoegd. En deze nieuwe mythe is nog hardnekkiger te verwijderen dan alle overige mythes, zeker nu Museum Het Valkhof te Nijmegen er een publiekstrekker van heeft gemaakt, compleet met een "zuil van Trajanus". De afbeelding van Trajanus, waar men in Nijmegen mee pronkt is echter zeer omstreden. Zowel de vindplaats als de voorstelling zijn onbekend.

    En wat schrijft J.K. Haalebos (de compaan van Bogaers) in Numaga (XlVII 2000 p.36)? Bogaers heeft voorgesteld dat de naam Batavodurum van de oude hoofdplaats der Bataven in het oosten van Nijmegen is meeverhuisd naar het nieuwe bestuurscentrum in het Waterkwartier. Een dergelijke verschuiving van de plaatsnaam Batavodurum is puur hypothetisch, schrijft Haalebos. Als stad (municipium) wordt Nijmegen pas in het begin van de 3de eeuw vermeld onder de naam Municipium Batavorum. Noviomagus betekent Nieuwveld of Nieuwmarkt. Het doet wat vreemd aan dat een dergelijke naam gegeven zou zijn aan een bestaande nederzetting, zelfs als dit samen zou gaan met het verlenen van marktrecht. Zowel de aanwezigheid van de Ala Batavorum als het feit dat deze ruiterafdeling nog Bataven onder haar manschappen telde, mag opmerkelijk worden genoemd en wijkt af van de gangbare opvattingen over de ontwikkeling van de Romeinse hulptroepen. Meestal wordt aangenomen dat de Bataafse hulptroepen na de grote opstand van 69/70 uit de provincie zijn verwijderd en dat er aan het einde van de 1ste eeuw weinig rekening meer met hen werd gehouden. Hiermee toont Haalebos aan dat er nog wel kritsche historici bestaan, die niet alles zo maar klakkeloos slikken, zelfs niet van hun eigen 'baas'.

    De vraag is dus zeer gerechtvaardigd: "Wie verkoopt er hier nou KLETSPRAAT?" De Bataven zouden in de Nederlandse opvatting dus als dank voor hun opstand tegen de Romeinen een nieuwe stad met marktrecht gekregen hebben. Om het met Obelix te zeggen: "Rare jongens, die Romeinen".

    Een "dwaas" gebouwtje.
    Dr.J.Haalebos en dr.J.Bogaers hebben een langdurige "samenwerking" in de archeologie. Bij opgravingen op de Sterreschansweg te Nijmegen, waar Haalebos de leiding van het onderzoek had, werd de fundamenten van een Romeins gebouw gevonden. De afdeling Provinciaal-Romeinse archeologie van de KU weet vooralsnog geen antwoord op de vraag wat het precies is geweest. Een onderdeel van een groter complex? Een badhuis? Een woning? Wie het weet mag het zeggen. En dan komt de deskundige bij uitstek aan het woord, prof.dr. Bogaers, die het als "een dwaas gebouwtje" kwalificeert. Hier spreekt dus de wetenschap, een dwaas gebouwtje. Omdat Bogaers niet weet wat het is, is het dus dwaas. Wie is hier "dwaas" (=zonder verstand, gekke dingen zeggend, wat aan iemands verstand doet twijfelen - Van Dale)?
    Bogaers laat hier (en bij andere opgravingen, bijv. van de Romeinse Muur) weer eens zien helemaal geen deskundig archeoloog te zijn. Hij kwalificeert de vondsten te vaak naar eigen bevindingen. Hier moet eerder aan het verstand van Bogaers dan aan de vondst getwijfeld worden?

    Andere opvallende verschillen van Bogaers met de traditie.
    De slag van de Usipeten en Tencteren wordt door de Nederlandse historici op grond van de tekst van Caesar"op 80 mijl van de kust, waar de Mosa in de Renus valt" (in de antieke tekst staat dus niet "Maas" en "Rijn"). Deze plek wordt door de verschillende historici op totaal verschillende plaatsen gedacht.
    Byvanck plaatste de oversteek van Caesar over de Renus te Kleef of Emmerik en de veldslag te Goch of Kevelaar; Van Es plaatst de slag te Gorinchem; Hoogveld op eigen argumentatie (we gaan hier niet in op die argumentaties) te Neerbosch bij Nijmegen. Andere historci denken meer aan Rossum (hoe dat dan met de oversteek van Caesar over de Renus zit, wordt niet vermeld).
    Bogaers plaatst deze slag in Frans Vlaanderen bij Cassel Menapiorum, immers bij de oversteeek over de Renus kwamen zij in botsing met de Menapii. Bogaers wijkt hier dus geheel af van de traditie, die deze slag immers steeds in Nederland/Duitsland plaatst. Wat was Bogaers hier nu dicht bij de ware kijk op de geschiedenis van ons land in het eerste millennium! En wat geeft Bogaers Delahaye hier gelijk, die deze slag ook in Frans-Vlaanderen plaatst! Hoezo "klinkklare kletspraat" van Delahaye?

    Castra Herculis. Bogaers was van mening dat Castra Herculis in de omgeving van Druten (1968) of Driel (1981) gezocht moest worden. Daar hebben andere historici steeds andere meningen over gehad. Van Castra Herculis zijn liefst 24 verschillende locaties bekend in Nederland, ofwel men weet gewoon niet waar het gelegen heeft.
    F.Gorissen, de archivaris uit Kleef en samensteller van het "Stedeboek van Nijmegen", vermeldt over Bogaers: "In tegenstelling met J. E. Th. Bogaers (De Gallo-Romeinse Tempels te Elst in de Overbetuwe 's Gravenhage 1955, diss. Nijmegen) neig ik tot de mening, dat Castra Herculis in de omgeving van Elst gezocht moet worden."
    Ook hier dus een afwijkende mening van die van Bogaers. Want als Elst Castra Herculis was, dan was het niet Helisthe-Marithaime en dan ging de hele theorie van Bogaers natuurlijk niet meer op. En dat doorzag Bogaers meteen, vandaar zijn ontkenning ten opzichte van de mening van Gorissen. Was dit nu ook "klinkklare kletspraat", maar dan van Gorissen?

    Aan de deskundigheid van Bogaers mag ernstig getwijfeld worden.

    We geven nog een voorbeeld uit HONDERD EEUWEN NEDERLAND, blz. 153.
    In 1954 is te Kapel-Avezaat, gemeente Zoelen (Neder-Betuwe) een klein altaar gevonden met een belangrijk opschrift: ,,--..Silvester decurio Municipii Batavorum-...".
    Wat schrijft Bogaers hierover?
    "Met Municipium Batavorum kán moeilijk een andere plaats dan Nijmegen bedoeld zijn".
    Bogaers beweert dus dat het Municipii Batavorum op deze steen op Nijmegen betrekking heeft. Dit "kan moeilijk een andere plaats" is dus duidelijk zijn interpretatie, maar dit vormt geen enkel bewijs ten gunste van Nijmegen. Het hier genoemde Municipium Batavorum is de plaats waar deze Silvester vandaan kwam. De nabijheid van de vondst bij Nijmegen heeft de interpretatie vooropgezet op Nijmegen gericht. Men mag zich zelfs afvragen waarom Silvester zijn altaar dan niet in Nijmegen zelf heeft opgericht, als hij daarvan afkomstig was? Bovendien zijn gedenkstenen van Bataven door het hele Romeinse Rijk gevonden. Waar ze elders niets bewijzen, bewijst deze steen bij Nijmegen ook niets.
    Het Municipium Batavorum was niet Nijmegen, maar Béthune in Noord-Frankrijk. Daar kwam deze Silvester vandaan en niet uit Nijmegen.
    Op deze manier probeert Bogaers de Bataven vooral in Nederland en in de Betuwe te houden. Maar daar is geen enkel bewijs voor. Het "bewijs" van Bogaers staat model voor het interpreteren van historici om vooral de bestaande Romeinse traditie in Nederland te handhaven.

    Deze denkwijze van Bogaers wordt meteen al gelogenstraft door een gedenksteen van een Nerviër, gevonden in Nijmegen. Hier zal niemand het in zijn hoofd halen om daarmee aan te tonen dat Nijmegen dus de stad van de Nerviërs was. Iedereen weet dat het onmiskenbaar Bavay in Noord-Frankrijk was. Die Nerviër zal wel net als de Bataaf Silvester vanuit Noord-Frankrijk gerecruteerd zijn in het Romeinse leger.

    De mijlpaal van Monster of Naaldwijk.
    Rond 1500 is er in Monster of Naaldwijk een (Romeinse) mijlpaal gevonden, waar sindsdien heel wat mee gebeurd is. Men heeft zich zelfs lange tijd afgevraagd of hij wel echt Romeins was. Van deze Romeinse (?) mijlpaal is 1. de vindplaats onbekend en 2. in de 16e eeuw is deze mijlpaal "bijgewerkt en gerestaureerd". Voor een echte wetenschapper, zoals bijv. A.W. Byvanck, is zo'n bron op slag waardeloos, echter niet voor Bogaers. Byvanck kende de paal wel, maar heeft er geen conclusies aan verbonden. Een Romeinse mijlpaal vormde een goede scheepsbalast in landen zonder natuurlijke steen. Zeker die van afgezette keizers.

    Bogaers heeft in 1959 een poging gedaan de letters M.A.C. te verklaren als Municipium Aelium Canninefatium, de hoofdplaats van de Canninefaten, wat dan de belangrijke Romeinse burgerlijke nederzetting met marktplaats Foro (H)Adriani (Arentsburg/Voorburg) geweest zou zijn. Zowel Byvanck als Van Es weerleggen dit. Ook Bogaers erkent zelf dat van een burgerlijke nederzetting niets gebleken is bij opgravingen in Arentsburg/Voorburg. Zie bij Foro Adriani. Van Buchem noemt de opvatting van Bogaers om de letters M.A.C. te verklaren als Municipium Aelium Canninefatium, "een treffende gedachte" en schrijft verder: "en hier is hij dan gekomen waar hij, geloof ik, ook wel gaarne wezen wilde. Ik krijg zo de indruk dat hij zich door een begrijpelijk enthousiasme over zijn ontdekking van een municipium van keizer Hadrianus bij de Canninefaten heeft laten meeslepen tot de veronderstelling dat dan ook het municipiurn Ulpium bij de Bataven eigenlijk een municipium Aelium geweest moet zijn, een door keizer Hadrianus gestichte stad".(Bron: H.J.H. van Buchem)

    Het verklaren van de naam Municipium Aelium Canninefatium aan de hand van de letter A.M.A.E.(of F) C. waarbij die niet van pas komende E (of F?) als een latere toevoeging wordt bestempeld, is geen wetenschap maar puur speculatief giswerk. Het is een vooropgezette gezochte naam om te bewijzen wat feitelijk eerst bewezen moet worden, n.l. dat de Canninefaten langs de kust in Holland woonden. En dat ze daar niet woonden wordt meteen al bevestigd door de traditie, die het land van de Bataven door laat lopen tot de kust. Lugdunum Batavorum (in de traditie Leiden, Katwijk of de Brittenburg? -er is dus nog keuze) dat de hoofdstad van de Bataven was, lag anders in het land van de Canninefaten. Welk volk staat het toe dat een ander volk een van haar hoofdsteden in hun land bouwt? Of woonden de Canninefaten toch in Frans-Vlaanderen en de Bataven eveneens? En waar woonden dat de Friezen? Volgens de traditie woonden zij behalve in Friesland toch ook langs diezelfde kust van Noord- en Zuid-Holland.

    Het hele bestaan te Voorburg van een Canninefatenstad met een dubbele naam, is gebaseerd op een negentiende eeuwse gissing en een tekst op een mijlpaal die flink "bijgewerkt" is. Het betoog van Bogaers gaat uit van 7 veronderstellingen, die geen van alle ooit bewezen zijn.

    De veronderstellingen zijn:
    1. dat de Canninefaten bij Voorburg een Romeinse stad hadden, wat in geen enkele bron wordt vermeld, dus een puur verzinsel is;
    2. dat er oorspronkelijk op de steen alleen A M A C stond en niet A M A E(F) C wat er in werkelijk op staat. Ook de vermelde afstand is onzeker, staat er XII of VII? Slechts door de huidige steen vals te verklaren wordt door Bogaers "bewezen" wat hij zo graag wilde aannemen;
    3. dat Ulpia Noviomagus Nijmegen is, wat nooit bewezen is, zelfs niet met het Bronnenboek;
    4. dat Arentsburg/Voorburg het Foro Adriana van de Peutingerkaart was;
    5. dat de Canninefaten überhaupt in Nederland woonden en wel in dezelfde streek waar de hoofdstad van de Bataven (Lugdunum Batavorum=Leiden?Katwijk?Brittenburg?) zou liggen. Welk volk zou het goedkeuren dat een ander volk zijn hoofdstad op hun grondgebied zou bouwen?
    6. dat Foro Adriani van de Peutingerkaart dezelfde plaats is als Foro Hadrianensi van een opschrift uit Hongarije;
    7. dat Hadrianus vanuit de Betuwe de oversteek naar Engeland zou hebben gemaakt en niet vanaf de plaats waar iedereen altijd overstak: Het Kanaal, tussen Calais en Dover.
    De feiten zijn:
    • dat de Canninefaten niet voorkomen op de Peutingerkaart: er kunnen van die kaart dan ook geen gegevens ontleend worden ten gunste van dit betoog;
    • dat de vindplaats van de mijlpaal onzeker is. In hoeverre is deze niet van elders versleept en hergebruikt? Een Romeinse mijlpaal vormde een goede scheepsbalast in landen zonder natuurlijke steen. Zeker die van afgezette keizers. Een dubbelexemplaar is te Remagen in Duitsland gevonden.
    • dat er aan de mijlpaal flink "gerestaureerd" is door ter zake zeer ondeskundigen (wat ook Bogaers erkent), waarmee deze onbruikbaar wordt als historische bron.
    • dat op alle vergelijkbare mijlpalen altijd de provinciale hoofdstad wordt vermeld, met uitzondering van die van Monster/Naaldwijk. Over welke zekerheid gaat het dan nog?
    • dat over de nederzetting van Arentsburg niets met zekerheid valt te zeggen, wat behalve Bogaers zelf, ook andere historici erkennen. Er is nooit aangetoond dat Arentsburg een marktplaats (Forum) was.
    • dat Bogaers zijn eigen betoog een hypothese noemt, aangezien de beschikbare gegevens wel "zeer summier" zijn, wat hij ook zelf erkent.

    Dit betoog kan men niet als wetenschappelijk kwalificeren, slechts als "klinkklare kletspraat", om de geliefde uitdrukking van Bogaers nog eens te gebruiken. Dr.A.W. Byvanck, die de steen ook vermeldt en kende, had zich in 1935 nog niet aan dergelijke fantasterij durven bezondigen. Dr. W.A. van Es verklaarde in 1980 (De Romeinen in Nederland p.107) de letters MAC als [plaatsnaam?] wellicht Macilo of Matilo, waarschijnlijk Roomburg bij Leiden op 12 (?) mijlen. Gezien de rest van de tekst op deze "mijlpaal" een meer gefundeerd verhaal dan dat van Bogaers.
    Nog een klein ander detail! Het landgoed Arentsburg in Voorburg waar de mijlpaal naar zou verwijzen ligt niet op 12 Romeinse mijlen (=18 km.) van Monster of Naaldwijk, maar op slechts 7 mijl (=10 km). Stond er op de mijlpaal XII of VII? Ook dat is onzeker!

    We geven hier de letterlijke tekst van de interpretatie van Bogaers weer.

    Het hele bestaan te Voorburg van een Canninefaten-stad met de dubbele naam is gebaseerd op een negentiende eeuwse gissing en een tekst die eventueel uit een inscriptie op een mijlpaal zou kunnen worden afgeleid, en waarvan bovendien een dubbelexemplaar te Remagen in Duitsland is gevonden, zodat de steen meer dan waarschijnlijk vandaar naar Zuid-Holland is vervoerd voor hergebruik. Laten we daarom zien hoe J.E. Bogaers in 1960 de zaak bepleit:

    «Alvorens de vraag te beantwoorden, wanneer dit laatste is gebeurd, wil ik de aandacht richten op de ontwikkeling van de bestuursorganisatie in het land der Canninefaten in het westelijke deel van de insula Batavorum.
    Traianus’ opvolger, Hadrianus, is op een van zijn vele reizen hoogst waarschijnlijk ook in ons land geweest, en wel in 120/121. Wellicht is de herinnering aan dit bezoek bewaard in de plaatsnaam Forum Hadriani, die voorkomt op de Tabula Peutingeriana (afb. 2: Foro Adriani) en – als origo: Foro Hadrianensi – in een vermoedelijk 3de-eeuwse inscriptie op een sarcofaag die te Kórnye in Hongarije (Pannonia Superior) is gevonden. De plaats was – te oordelen naar de Tabula Peutingeriana – gelegen in het land der Canninefaten. Ze moet op grond van de inscriptie uit Kórnye een soort stad zijn geweest, de voornaamste burgerlijke nederzetting in de kuststreek tussen de monding van de (Oude) Rijn en die van de Maas. De naam wijst er op dat Hadrianus in dit gebied een marktplaats heeft gesticht. Daar is dus een nederzetting ontstaan die het ius nundinarum bezat en daardoor van groot belang moet zijn geweest als de – naar het schijnt – het dichtst bij de zee gelegen officiele handelsplaats in het land van de Beneden-Rijn.
    Over deze nederzetting valt verder niets met zekerheid te zeggen. Wel mag men op goede gronden vermoeden dat ze te Voorburg, op of in de buurt van het landgoed Arentsburg heeft gelegen, en wel vlak bij het van die plaats bekende castellum. Monumentale burgerlijke inscripties zijn in het mondingsgebied van de Rijn en de Maas tot nu toe alleen gevonden bij of te Voorburg, afgezien althans van de mijlpaal, die omstreeks 1500 bij Monster of Naaldwijk is ontdekt. Deze mijlpaal, die volgens de inscriptie in het jaar 162 tijdens de regering van Marcus Aurelius en diens adoptiefbroer Lucius Verus is opgericht, heeft – zoals ik elders heb uiteengezet –- vermoedelijk gestaan op een afstand van twaalf Romeinse mijlen van de plaats M.A.C. Dit drietal letters kan m.i. het beste beschouwd worden als een afkorting van Municipium Aelium of Aurelium Canninefatium; vergelijk hiermee M(unicipium) Bat(avorum) op de altaarsteen van Kapel-Avezaat. Hoe de plaatsnaam op de mijlpaal ook mag hebben geluid, belangrijker is dat daarmee een caput viae is aangeduid, dat zich waarschijnlijk bevonden heeft op twaalf Romeinse mijlen van de vindplek. Deze afstandsbepaling kan heel goed betrekking hebben op een burgerlijke nederzetting aan de gracht van Corbulo, in het bijzonder die welke gelegen zou hebben op of bij het landgoed Arentsburg in de gemeente Voorburg: Forum Hadriani. Bovendien valt uit de omstandigheid dat op de mijlpaal een bepaalde plaats als caput viae is aangegeven, de conclusie te trekken dat deze nederzetting de hoofdplaats van een civitas is geweest of (enkel of tevens?) een stad-de-iure. Wanneer op mijlpalen in Gallia, Germania, Raetia en Noricum één plaats is vermeld om de afstand vandaar aan te geven, betreft het steeds echte steden, hoofdplaatsen van provincies, legioensvestingen of hoofdplaatsen van civitates. Alle mijlpalen uit Germania Inferior waarvan we een caput viae kennen, vermelden de provinciale hoofdstad Colonia (Claudia Ara) Agrippinensis of Colonia Agrippina als zodanig, met uitzondering van de mijlpaal van Monster/Naaldwijk. Als caput viae komt voor deze laatste verder geen legioensvesting in aanmerking (de dichtstbijzijnde was te Vetera gelegen) en evenmin de hoofdplaats van de civitas Batavorum, Ulpia Noviomagus. De letters M.A.C. kunnen m.i. alleen betrekking hebben op de belangrijkste burgerlijke nederzetting in het mondingsgebied van Rijn en Maas, nl. Forum Hadriani, gelegen in het woongebied der Canninefaten.
    Wat kan nu uit deze twee namen worden afgeleid aangaande de geschiedenis van de plaats waaraan ze verbonden zijn? Helaas zijn de beschikbare gegevens wel zeer summier en bieden deze enkel de mogelijkheid tot het opstellen van hypothesen.
    Forum Hadriani is zoals gezegd als marktplaats of handelsnederzetting gesticht door Hadrianus, wellicht in 120 of 121. Het werd – in het kader van Hadrianus’ politiek van urbanisering – een tegenhanger van Ulpia Noviomagus, de door Traianus tot marktplaats verheven nederzetting, die tevens hoofdplaats was van de civitas Batavorum. Men mag vermoeden dat Forum Hadriani door toedoen van Hadrianus ook het bestuurlijke centrum is geworden van een civitas Canninefatium; dit betekent echter geenszins dat de Canninefaten voor de regering van deze keizer nog geen eigen civitas kunnen hebben gehad. Aangenomen dat de plaats Forum Hadriani identiek is met M(unicipium) A. C(annine- fatium), dan is de eerste naam ongetwijfeld primair. Forum Hadriani moet zich ontwikkeld hebben – zoals zovele ‘fora’ – tot een stedelijke nederzetting, die – als ik de letters M.A.C. juist geinterpreteerd heb – nog tijdens de regering van Hadrianus(?) of liever onder Antoninus Pius of Marcus Aurelius, in ieder geval op zijn laatst in 162 een stad de iure, en wel een municipium is geworden. Indien M.A.C. betekent Municipium Aelium Canninefatium, dan kan de verheffing van de daarmee aangeduide plaats tot stad niet alleen onder Hadrianus, maar ook onder diens opvolger Antoninus Pius (138-161) hebben plaatsgevonden. Als M.A.C. echter een afkorting is van Municipium Aurelium Canninefatium, dan kan alleen keizer Marcus Aurelius het stadsrecht geschonken hebben; dit moet dan in het begin van diens regering gebeurd zijn. In het laatste geval zou de oprichting van de mijlpaal – mede als eerbetoon en uiting van dankbaarheid jegens Marcus Aurelius en Lucius Verus – heel goed in direct verband hebben kunnen staan met de verheffing tot stad.
    Het municipium heeft ongetwijfeld het stedelijke middelpunt gevormd van het woongebied der Canninefaten. Het is de vraag in hoeverre naast deze stad nog een zelfstandige civitas Canninefatium is blijven bestaan. Zeer waarschijnlijk is de civitas nauwelijks meer dan in naam zelfstandig gebleven, terwijl haar gebied in feite geattribueerd was aan de stad en van daaruit bestuurd werd. Ook de naam Municipium A. Canninefatium kan hierop wijzen. Na verloop van tijd zal de civitas wel geheel met de stad zijn samengesmolten of liever daarin zijn opgegaan. Het is zelfs mogelijk dat de stichting van het municipium praktisch is neergekomen op de opheffing van de civitas, indien nl. haar gebied als territorium aan de nieuwe stad is toegewezen.
    De officiele naam van deze stad was m.i. Municipium Aelium (of Aurelium) Canninefatium. Daarnaast moet de naam Forum Hadriani, zoals blijkt uit de Tabula Peutingeriana en de inscriptie van Kórnye, in gebruik zijn gebleven, maar dit is geenszins uitzonderlijk; deze naam is enkel als eigennaam blijven bestaan.
    Nadat op deze wijze een poging is gedaan een nagenoeg onbekende stad in het woongebied der Canninefaten te lokaliseren en iets van haar geschiedenis te achterhalen, dienen wij thans terug te keren tot Ulpia Noviomagus, de hoofdplaats van de civitas Batavorum.››


    In één artikeltje spreekt Bogaers liefst 47 vermoedens, waarschijnlijkheden of mogelijkheden uit om zijn opvattingen te bewijzen. En dan heeft Bogaers het over "klinkklare kletspraat" als hij over de opvattingen van Albert Delahaye oordeelt, die Forum Hadriani in Frankrijk situeert. Voor dit verhaal van Bogaers over Forum Hadriani kan slechts één kwalificatie gegeven worden: KLINKKLARE KLETSPRAAT!



    Hans Wijffels sprak in 2007 zijn twijfel uit over de deskundigheid van Bogaers in het artikel over de
    'Romeinse wegen in Nederland'. Binnen de opvattingen van die tijd is een dergelijke visie begrijpelijk, schrijft hij. Hij noemt het historisch misverstand dat Bogaers in 1960 in zijn inaugurale rede aan de universiteit van Nijmegen naar voren bracht: de "Municipium hypothese". Bogaers meende dat de bedoelde plaatsnaam met de letters MAC betrekking moest hebben op Voorburg, dat hij dus als caput viae aannam en daarom ook maar als Romeinse stad aanzag. Feitelijk lichtzinnige beweringen, zonder elke vorm van bewijs, ofwel 'klinkklare kletspraat'. "Bogaers heeft waarschijnlijk de originele referentie van Willem Heda uit 1521 niet gekend en ging uit van een verbasterde tekst op de mijlpaal", stelt Wijffels. Bogaers stelde dat de inscriptie gelezen moest worden als Municipium AElium Canninefatium'. Niet origineel overigens stelt Wijffels, want deze foutieve inscriptie was al eerder in 1942 door Hardenberg voorgesteld, waarnaar hij overiegsn in zijn rede niet verwees.
    Hier leert men de ware Bogaers kennen; napraten van een eerdere opvatting zonder de bron te noemen (Hardenberg) en bovendien niet alle bronnen te kennen (Heda). Het is Bogaers ten voeten uit. En dan beticht hij Albert Delahaye van 'Klinkklare Kletspraat'?
    (Overigens houdt Wijffels het MAC niet op Voorburg maar op Ockkenburg en meent hij MAC als Mansio Agrippinensis Coloniae ofwel Praetorium Agrippinae op te kunnen vatten.)

    de bewijzen worden niet gegeven Nijmegen niet de oudste stad?
    Dat was wel even schrikken voor chauvinistisch Nijmegen in 1963. Niet de Waalstad was de oudste van Nederland, maar Voorburg. Het was niet zo maar iemand die dat beweerde. Nee, het was de gerenommeerde Nijmeegse archeologieprofessor J.E. Bogaers. Onderzoek van een Romeinse mijlpaal die bij Rijswijk werd gevonden, had hem hiervan overtuigd. Inmiddels zijn de bordjes allang weer verhangen. Nijmegen noemt zich met trots de oudste stad van het land. Net als Maastricht overigens. Maar dat is vooral goede PR. Bij Nijmegen is het wetenschappelijk aangetoond (meent men in Nijmegen,maar de bewijzen worden -begrijpelijk- niet gegeven. Nijmegen zou meteen door de mand vallen!)
    Daarvoor heeft de opvolger van Bogaers, Jan Kees Haalebos gezorgd. Hij schreef in 2000 een artikel waarin hij de Romeinse erkenning Nijmegen als stad (municipium) dateert op 98 na Christus of wellicht iets later. Die status werd Nijmegen verleend door keizer Traianus.

    Voorburg heette in de Romeinse tijd Municipium Aelium Cananefatum Forum Hadriani. Het moet de naam en status hebben verdiend aan keizer Aelius Hadrianus, weet Haalebos. Die zwaaide de scepter van 117 tot 138 na Christus. 'Men kan zich nauwelijks voorstellen dat er in het gebied van de Cananefaten een stad is gesticht voordat het centrum van het Batavenland deze status had verkregen', schrijft Haalebos. 'Niet alleen was Noviomagus in economisch opzicht veel belangrijker, maar ook lijkt het territorium van de Cananefates te zijn afgesplitst van dat van de Bataven'.
    Hier gaat Haalebos dus lijnrecht in tegen de beweringen van Bogaers. Er blijft van het hele betoog van Bogaers dus niets over, ofwel Haalebos kwalificeert het betoog van Bogaers als "klinkklare kletspraat". Er klopt immers niets van.
    Het is wel pijnlijk, maar kenmerkend in de Nederlandse historische wetenschap, dat zelfs compagnons als Bogaers en Haalebos elkaar zo kategorisch tegenspreken en elkaar "wetenschappelijk denigreren".

    Het onderzoek van de Maastrichtse stadsarcheoloog Titus Panhuysen scherpte daarna de kwestie nog verder aan in het voordeel van Nijmegen. Hij concludeerde na bestudering van de zogeheten Nijmeegse godenpijler dat de Bataafs-Romeinse stad Oppidum Batavorum al in 17 na Christus zou zijn gesticht. De godenpijler, waarvan enkele brokken zijn teruggevonden, was een ereteken voor keizer Tiberius die regeeerde van 14 tot 37 na Christus. De zuil zou in Nijmegen zijn opgericht naar aanleiding van een overwinning door de veldheer Germanicus op de Germanen in 17 na Christus.

    Zo wordt Nijmegen steeds ouder. De stad viert volgens de geschiedkundigen van de historische vereniging Numaga zijn 1900-jarig bestaan in 2005, maar dat jubileum is gebaseerd op een reeds achterhaalde datering van de stadsstichting. Bogaers plaatste die in 103 of 104 na Christus (verlening van de naam Ulpia Noviomagus en het marktrecht). Die datering bleef decennialang overeind. Maar uiteindelijk werd ze, in het zicht van het jubileum, terzijde geschoven.

    De stad kan in 2017 weer een jubileum vieren. Dan bestaat hij 2000 jaar. Dat jubileum hebben ze dus alvast in 2005 gevierd. Wie kan er nog een beetje rekenen in Nijmegen?

  • Uitspraken van Bogaers.
    Hiernaast een ingezonden reactie van een lezer op de opvatting van Bogaers ten aanzien van het verhaal van Delahaye in het Katholiek Nieuwsblad van 14 juni 1985.

  • PROF. DR. J.E.BOGAERS heeft Delahaye eens "verweten" dat hij handig gebruik maakte "van de gave van het woord" en dat hij daarmee de lachers op zijn hand kreeg. Inderdaad is de hele fabel rondom Karolingisch Nijmegen één grote klucht, het lachen waard. En hoewel Albert Delahaye zeker gevoel voor humor had, is zijn studie dermate overtuigend, dat het lachen je al vlug vergaat bij alle blunders in de traditionele geschiedenis.

  • In de tijd van 12 tot 9 voor Chr., toen Drusus opperbevelhebber was in Gallië, zijn langs de oever van de Rijn meer dan 50 castella aangelegd. Van deze versterkingen, waarvan er ongetwijfeld ook wel enige aan de benedenloop van de Rijn moeten zijn gebouwd, is tot nu toe geen enkel zeker spoor in ons land ontdekt. Wel mag men op goede gronden vermoeden dat te Vechten (Fectio) een dergelijke vroeg-Romeinse vesting heeft gelegen. (Bron: J.E.Bogaers)
    Na deze ontboezeming van Bogaers vraagt men zich toch af, waarom juist Bogaers zo'n sterke weerstand had tegen de visie van Delahaye. Hij geeft Albert Delahaye hier gewoon gelijk.

  • In het voorafgaande zijn summier enige vestingen besproken die deel hebben uitgemaakt van de Limes Germaniae Inferioris. Hier moet bij opgemerkt worden dat een van de grootste lacunes van de provinciaal-Romeinse archeologie in ons land wordt gevormd door de omstandigheid dat we nog steeds geen overzicht hebben van het totaal van het Romeinse verdedigingssysteem langs het Nederlandse gedeelte van de Rijngrens. Dit geldt ook ten aanzien van de wegen die voor de noodzakelijke verbindingen moeten hebben gezorgd! (Bron: J.E.Bogaers)
    Na deze volgende ontboezeming van Bogaers vraagt men zich tot tweemaal toe af, waarom Bogaers steeds zo sterk ageerde tegen de opvattingen van Delahaye. Hij geeft Albert Delahaye opnieuw gelijk.

    Met deze LINK verwijzen we naar nog meer "wetenschappelijke uitspraken" van Bogaers.

    In het Bronnenboek van Nijmegen wordt ten aanzien van de 13 van de 19 Romeinse opschriften of teksten de datering en interpretatie van Bogaers volledig gevolgd. Nergens wordt een toelichting gegeven waarom de opvatting van Bogaers de juiste zou zijn en dat met het genoemde (Ulpi) Noviomagus of Batavorum Nijmegen bedoeld zou zijn. De naam Bronnenboek van Nijmegen kan voor de Romeinse periode beter het "Bronnenboek van Bogaers" genoemd worden. En dat prof. Bogaers er met zijn interpretaties helemaal naast kan zitten bewijzen andere voorbeelden en andere historici. Hij is als "lid van de Club van Nijmegen" en mede samensteller van het Bronnenboek net zo verantwoordelijk voor de blunders en flaters als Leupen. Ook Bogaers heeft willens en wetens ingestemd met "de benoeming van een bisschop" in Nijmegen. De historische flater van de eeuw.

    De behandeling van bronnen door Bogaers.
    Van prof. dr. J.E.Th. Bogaers is algemeen bekend dat hij ten aanzien van vondsten met groot enthousiasme reageert en meteen klaar staat om vindplaatsen te bezoeken. Dat enthousiasme heeft ook een keerzijde, want te enthousiast en voorbarig uitgesproken opvattingen werden zonder nader en zorgvuldig onderzoek op zijn woord meteen aanvaard als waarheden. Bogaers was immers de deskundige bij uitstek over Romeins Nederland die je toch niet zomaar kon tegenspreken? Maar dat Bogaers er als 'dekundige' helaas vaak naast zat, bewijzen alle voorbeelden (en er zijn er meer) op deze bladzijde.

    Bij de opgravingen van de vroege Romeinse nederzetting te Velsen II in 1964 werden enkele dinarii gevonden, waarvan prof.J.E.Bogaers van de universiteit van Nijmegen beweerde, dat deze munten geslagen waren. Technisch onderzoek toonde echter aan dat de munten niet geslagen, maar gegoten waren. Bovendien bleken tegen de verwachting in, deze munten van tin te zijn. Daarmee werd weer eens pijnlijk aangetoond hoe deskundig deze professor feitelijk is. Ook hier zat hij er weer gloeiend naast.

    Als volgend voorbeeld mag de vondst van enkele scherven en dakpan- en tegelfragmenten te Maurik dienen.
    Bij zijn eerste bezoek aan de vindplaats op de oever van de Rijn, stond het voor Bogaers meteen al vast dat hier de plaats Mannaricium gevonden was. Dit concludeert Bogaers meteen al op grond van enkele gevonden scherven. Prof. Bogaers verzocht de veldwerkers de vindplaats in het oog te houden en "nog eens goed rond te snuffelen". Een archeologische opdracht die wel getuigt van deskundigheid. In de weken erna werden nog 3 fragmenten met inscriptie gevonden. Tot heden (1992) zijn er in totaal 40 stempels gevonden, 'veel' Romeinse schrijfstiften en 'nog wat' houten balken en tufsteen.
    Maar nergens is een bevestiging gevonden, ondanks wat Bogaers beweerde, dat het hier om de plaats Mannaricium zou gaan. Geen enkele inscriptie geeft dat aan.

    Een ander voorbeeld van de deskundigheid van Bogaers vinden we in het artikel "De loop van de Waal in de Romeinse tijd". De schrijver J.J.Jager wijst er fijntjes op (met een verwijzing naar bevindingen van Dr.W.A. van Es en anderen), dat Bogaers*) er ondanks 'een heftige reactie' niet in geslaagd is aan te tonen, dat de hoofdtak van de Waal van Tiel naar het zuidwesten liep. De Waal liep in de Romeinse tijd, in tegenstelling van wat Bogaers beweerde, bij Wamel onvertakt rechtdoor en volgde het bed van de Linge. Maar dan wordt de Betuwe wel heel erg klein en dat "zag" Bogaers dus meteen, daar kun je dan onmogelijk het machtige volk van de Bataven plaatsen.

    Bron van deze gegevens: "Tussen herinnering en historie". De Betuwe in terugblik. Historische kring Kesteren, 1992.

    *) Bogaers heeft in het verleden ook al eens gesteld dat de Waal als Renus begrepen moet worden en dat het Eiland der Bataven niet de Betuwe kan zijn. Deze laatste visie sluit aan bij die van archeoloog Van Es, die hetzelfde stelde. Het sluit echter niet aan bij de traditie. De teksten waarin over de Renus gesproken wordt passen gewoonweg niet op de Rijn, dat begreep ook Bogaers. Hij maakt er dan maar Waal van, want men wenst de geschiedenis toch kost wat kost in Nederland te houden. Een goed verstaander weet dan genoeg: de Renus is niet de Rijn en al helemaal niet de Waal.

    Een volgend voorbeeld van het hanteren van bronnen door Bogaers.
    Bogaers deed ter gelegenheid van het aanvaarden van het ambt als buitengewoon hoogleraar te Nijmegen in 1960 de volgende bewering over de aanwezigheid van Canninefaten en Bataven in ons land: "Zij hebben zich naar men mag aannemen in de loop van de tweede helft van de laatste eeuw voor Chr. in de Rijndelta gevestigd, en wel vóór het jaar 12, toen Augustus's jongste stiefzoon, Drusus, in verband met de verovering van Germania met het opperbevel over de legioenen aan de Rijn werd belast en 'het eiland der Bataven' dienst deed als operatiebasis."
    In een voetnoot daarbij is het volgende cryptogram te lezen :"Cf. Cassius Dio LIV, 32, 2 (=E.R. I, 342); Byvanck I, 82, 88 en 202 s.; Sprey 16ss.; Bogaers 174.". Het zijn dus verwijzingen naar zijn bronnen.
    De Griekse schrijver Cassius Dio (Cassii Dionis, ca. 163-235) vermeldt geen Canninefaten en in de Excerpta Romana, samengesteld door dr. A.W. Byvanck, zijn ze onder die schrijver dan ook niet terug te vinden. In Byvanck I (Nederland in den Romeinschen tijd, deel 1) staat:
  • p.82: "Belangrijker voor ons zijn enkele andere Germaansche stammen, die misschien in deze periode een woonplaats in Gallië hebben gekregen, de Bataven en de Canninefates, de bewoners van de Rijndelta. Het is niet bekend, wanneer deze laatste volksstammen zich in hun nieuwe woonplaatsen hebben gevestigd. Maar wanneer zij in het licht van de geschiedenis treden, in het jaar 12 v. Chr., zijn zij daar blijkbaar nog niet lang geleden gekomen en zij waren toen, zoals wij beneden zullen opmerken, reeds vazallen van Rome".
  • p.88: "In elk geval kunnen wij zeker zijn, dat het Romeinsche leger deze werken (de dam van Drusus) niet heeft tot stand gebracht in vijandelijk land. Bij gevolg moeten de Bataven op de eilanden tusschen Rijn en Waal reeds eerder dan het jaar 12 v. Chr. in het Romeinsche rijk zijn opgenomen of althans een bondgenootschap met Rome hebben gesloten. Hetzelfde geldt voor de Canninefates aan de zeekust. Het gebied aan den hoofdarm van den Rijn tot de meren in het midden van Nederland was dus reeds onderdanig, voordat de veldtochten van Drusus zijn begonnen.
  • p.202: "De Bataven bewoonden eenige eilanden in de Rijndelta, voornamelijk het naar hen genoemde eiland tusschen Waal en Rijn. Maar hun gebied strekte zich ook verder naar het zuiden uit, over het Rijk van Nijmegen en het noorden van NoordBrabant. Wellicht behoorde eertijds ook de Veluwe aan hen. Evenals hun naburen in het westen, de Canninefates, stamden zij af van de Chatten en maakten dus een deel uit van de groote groep der Herminones. Zij waren wegens oneenigheid met hun stamgenooten weggetrokken uit hun oorspronkelijke vaderland om zich te vestigen in de onbewoonde streek in het noorden van Gallië aan den Rijn en in de Rijndelta. Zoo wordt het ons ten minste medegedeeld. Wanneer deze uittocht van de Bataven heeft plaatsgehad, weten wij niet. Gelooft men, dat de mededeeling in Caesar's berichten over zijn Gallische oorlogen, waar over de Bataven wordt gesproken, een invoegsel van den schrijver zelf is of uit zijn tijd, dan zijn zij reeds vóór het midden van de eerste eeuw v. Chr. naar Nederland uitgeweken. Eerder zal men moeten aannemen, dat dit in wat later tijd is geschied. De streek, waar naderhand de Bataven woonden, heeft, naar het schijnt, in Caesar's tijd aan de Menapii behoord. Waarschijnlijk was de Betuwe toen nog vrijwel geheel onbewoond. Zeker weten wij, dat de Menapii land aan den rechteroever van den Rijn in bezit hadden in de Graafschap Zutphen of wat verder naar het zuidoosten, in den tijd toen de Usipetes en de Tencteren hun inval in Gallië hebben gedaan, dus in den winter van 56 op 55 v. Chr. Wij vernemen niets van de Bataven vóór het jaar 12 v. Chr., toen Drusus van hun land uit zijn eerste krijgstocht naar Germanië heeft ondernomen".

    Cassius Dio schreef :"Drusus wachtte de Germanen op die de Renus wilde oversteken en sloeg hen terug. Vervolgens trok hij door het land van de Usipetes, passeerde het eiland van de Bataven en trok vandaar langs de rivier naar het gebied van de Sucambriërs, waar hij veel land verwoestte. Hij voer over de Renus naar de oceaan, overwon de Friezen, stak het meer over, trok het land van de Chauci binnen, waar hij door de eb overvallen zijn schepen moest achterlaten. Hij werd gered door de Friezen die met hun infanterie zijn expeditie hadden gesteund.

    We zien hier dus dat Bogaers een grote naschrijver is, o.a. van Byvanck, maar dat hij de ongerijmdheden en tegenspraken in de beweringen van verschillende schrijvers niet benoemd of weerlegd. Woonden de Bataven vóór het jaar 12 v.Chr. nu wel of niet in de Betuwe? En is dat archeologisch ooit aangetoond? En hoe is de tocht van Drusus te rijmen met de woonplaats van die verschillende volkeren? Die tocht is toch gewoon niet mogelijk geweest?
    De enige juiste bewering die Byvanck doet, is dat de Bataven in het land van de Menapii woonden. En de Menapii woonden niet in Nederland maar in Noord-Frankrijk aan het Kanaal, waar Castellum Menapiorum (Cassel) hun hoofdstad was. De Menapiërs worden door verschillende klassieke schrijvers als synoniem van de Bataven voorgesteld. Beide volken woonden naast de Morini, waar de oversteekplaats naar Engeland was.
    En daar, vlak bij de "oversteekplaats naar Engeland" woonden de Bataven, waar vanuit het "eiland der Bataven" Julius Caesar overstak. Dat was dus niet de Betuwe en nog minder de Veluwe, Noord-Brabant of het Graafschap Zutphen.

    Prof.dr.J.E.Bogaers is altijd een felle bestrijder geweest van de opvattingen van Albert Delahaye. De reden laat zich raden: zijn reputatie stond op het spel! Want als Delahaye gelijk had, kon hij met zijn tites en professoraat wel inpakken. Hij wierp Delahaye van alles voor de voeten om hem maar zoveel mogelijk belachelijk te maken. Op zijn argumenten ging hij niet in, al beweerde hij steeds van wel. In de Gelderlander van 26 nov.1982 verwijt hij Delahaye dat "hij om tegenstanders heen loopt, nu en dan lelijke woorden schreeuwend, verzwijgt hun argumenten of weigert er serieus op in te gaan en meent nu al 25 jaar dat zijn beweringen identiek zijn met bewijzen". Dan heeft Bogaers blijkbaar het debat in oktober 1980 gemist, waar hij toch zelf bij was. Dat ontkracht zijn hele betoog. Delahaye was de rust zelf (lees het verslag er op na) ging op alle beweringen inhoudelijk en gefundeerd in en heeft nimmer geschreeuwd. En de bewijzen waar Bogars het hier over heeft lezen we zeker in Het Bronnenboek van Nijmegen, waaraan hij een belangrijke bijdrage leverde? Op zijn conto staat dus ook 'de bisschop van Nijmegen' en alle overige blunders in dat Bronnenboek. Zie daar. Dat de gehanteerde opvattingen in dat Bronnenboek in hoofdzaak beantwoord aan de huidige stand van de wetenschap dat als argument wordt gebruikt is helemaal waar. Hoezo in hoofdzaak? Spreekt daaruit altwijfel? Ui deze opmerking blijkt slechts dat met de huidige stand van de wetenschap nog het nodige mis is.
    En dat Delahaye lelijke woorden schreeuwt is een volgende manier van Bogaers om zijn eigen straatje schoon te vegen. Delahaye heeft Bogaers nooit 'een ernstig ziektegeval' genoemd en zijn vasthoudendheid aan tradities nooit 'klinkklare kletspraat' of 'zomerzotheid'. Wie gebruikt er nu eigenlijk lelijke woorden?
    Maar ook hiermee liet Bogaers zien geen andere argumenten te hebben om de bewijzen van Delahaye te ontkrachten, dan slechts ze belachelijk proberen te maken. Het was voor Delahaye een volgend bewijs dat hij gelijk en Bogaers geen weerwoord had.

    Prof. DR. J.E.BOGAERS was zelf ook niet overtuigd van de Keizer Karel traditie.
    Bogaers heeft in 1987 in een discussie met Willem van Stalberg glashard ontkend dat de Nijmeegse Katholieke Universiteit ooit de naam "Keizer Karel Universiteit" heeft gedragen en stelde dat men ook nooit voornemens was dat te doen. Dit hoewel deze naam officieus wel werd gevoerd en zelfs de keizerskroon evenals de lijfspreuk van Karel de Grote "In dei nomine feliciter" op het briefpapier van de Universiteit is terug te vinden. Het studentencorps tooide zich toen met de naam "Carolus Magnus". Als Bogaers als representant van de Nijmeegse Alma Mater de officieuze naam nadrukkelijk afzweert moet dit gezien worden als een bekentenis. Het kan niets anders betekenen dan dat men in Nijmegen al lang niet meer in een Keizer Karelmythe gelooft. Immers, indien men rotsvast van de Keizer Karel traditie overtuigd was, dan had men het voorstel van het Universiteitsbestuur om de universiteit de naam van Keizer Karel te laten voeren, onmiddelijk gevolgd.

    Over de KEIZER KAREL UNIVERSITEIT schrijft Albert Delahaye in De Ware Kijk Op (p.235) het volgende:
    "De Alma Mater van Nijmegen is zelf ook niet een van de eerlijkste. De KU, Katholieke Universiteit is in 1923 gesticht onder detitel “Keizer Karel-Universiteit”. Dit predikaat heeft zij enkele jaren geleden laten vallen om het te vervangen door KU. Daarbij werd de motivering gegeven dat dit gebeurde om nadruk te leggen op het katholieke karakter van de universiteit, een enorme drogreden en een enorme wimpel voor de ogen van de leken, daar eenieder weet dat het sindsdien alleen maar bergaf is gegaan met dat katholieke karakter. De ware reden voor het veranderen van de naam is, dat bij velen in de eigen universitaire kring van Nijmegen de twijfel aan karolingisch Nijmegen al diep was doorgedrongen. Men wilde het risiko niet lopen die titel nog op de voorgevel te hebben wanneer het debakel zou losbarsten, dat men toch zag aankomen, en dat eenieder zich dan vrolijk zou maken. Daarom liet men de naamplaat bijtijds verdwijnen in de hoop dat zij vergeten zou worden, overeenkomstig het bekende recept van het Bronnenboek voor het uitwissen van sporen. In de eerste jaren van de kwestie werden mijn bedenkingen over Noviomagus opgevat als een aanval op de universiteit. Wie dit niet kan aannemen of wil ontkennen, moet er de artikelen van Post maar eens op naslaan, vooral zijn dagblad-artikelen waarin hij geheel Nijmegen te wapen riep. Het gebeurde overigens ten onrechte, daar een historicus zich niet druk behoeft te maken over 20e eeuwse naamgevingen, wat ik dan ook niet heb gedaan, net zo min als een haar op mijn hoofd eraan heeft gedacht om het straatnaam bord “Keizer Karel-Plein” uit de grond te trekken. Het dient juist in der eeuwigheid te blijven staan tot vermaak van de toeristen. Het getuigde van een onnozel historisch inzicht, dat die naamgevingen als argument en “bewijs” werden aangevoerd. Nu getuigt het van misleiding, dat de vlag aan de voorgevel werd binnengehaald en de goegemeente een andere dan de juiste verklaring kreeg voorgeschoteld."

    De Katholieke Universiteit van Nijmegen heeft sinds 1 september 2004 de naam Radboud-Universiteit (zonder ‘Sint’, om het katholieke weg te moffelen) aangenomen. Daarbij wordt een beroep gedaan op een heel andere bisschop dan de fictieve van Nijmegen uit het Bronnenboek van die stad die evenwel te Noyon zetelde, namelijk de laatste bisschop van Tournehem in Frans-Vlaanderen, die, in zijn functie van beschermheilige van de specifiek katholieke wetenschapsbeoefening, het historische geknoei van de universiteit mag toedekken met zijn bisschoppelijke mantel. Aan de voorzitter van het College van Bestuur, Roelof de Wijkerslooth, werd discreet de volgende vraag gesteld: «Hoogleraren gaven in een enquête de voorkeur aan Keizer Karel als naamgever boven Radboud. Waarom daar niet voor gekozen?››
    Hij antwoordde, de eigenlijke kwestie omzeilend: «Dat idee grijpt terug op de eerste rector van de universiteit, Jos. Schrijnen. Heel lang is die naam in beeld gebleven als alternatief, maar ik zie er niks in. Het probleem van de eenheid is er niet mee opgelost, want het UMC [het Universitair Medisch Centrum van de St.-Radboudstichting] heeft helemaal niks met Keizer Karel.››

    Weg Keizer Karel ! De universiteit van Nijmegen slaagt er nog altijd niet in om de vroeg-middeleeuwse geschiedenis van de stad uit handen te nemen van een stelletje theologen. Sinds 1982 zijn die niet in staat geweest om te antwoorden, maar ondertussen gaan binnenshuis de zwartmakerijen door.
    Zo verklaarde de Nijmeegse gemeentelijke CDA-fractie-voorzitter dr. Ad Lansink op zaterdag 27 november 2004 vanaf de preekgestoelte van de Stevenskerk te Nijmegen heel academisch:«Ik zou bijna een lans gaan breken voor Albert Delahaye, de gefrustreerde oud-gemeentearchivaris, die zijn scheldpartijen baseerde op zijn passie voor de historische waarheid, die hij overigens nooit gevonden heeft. Schrijven en schelden: een actueel thema, voor betweters, maar ook voor biografen.››
    Wie al veertig jaar betweterig met de mond vol tanden staat en alleen maar kan schelden en pluimstrijken – argumenten ho maar ! – heeft natuurlijk allang de hoop opgegeven nog te kunnen bijten. Vandaar dat het vraagstuk door de bijna lansbrekende Lansink liever wordt omgedraaid met een psychologiserende benadering. De Universiteit van Nijmegen heeft de naam die het volop verdient ondertussen geheel zélf uitgekozen; die van een afgedankte intrigant en nep-heilige uit Frans-Vlaanderen.

    Analyseer je deze beweringen van Lansink, dan blijkt dat hij er niet veel van begrepen heeft. Blijkbaar heeft hij de boeken van Delahaye nooit gelezen. Daarin vind je immers alle argumenten die hij zo mist. Verder verwijt hij Delahaye zaken die hij nooit beweerd heeft en voegt er wel enkele aan toe. St.Radboud ziet hij als een afgedankte intrigant en nep-heilige. Voor Nijmegen mag hij die kwalificatie best gebruiken, in Frans-Vlaanderen is hij dat beslist niet geweest. De Radboud-universiteit die de naam van Karel de Grote niet durft te voeren (men weet dus dat het onjuist zou zijn), tooit zich met de naam van een Frans-Vlaamse heilige. Beter kunnen we het probleem niet illustreren.

    In een televisieprogramma van 3 juni 2005 (“Twee vandaag”) ter gelegenheid van het bezoek van koningin Beatrix aan de stad die beweert al tweeduizend jaar zonder onderbreking te bestaan kon stadsarcheoloog J. Thyssen van Nijmegen wél een erepijler van keizer Tiberius uit 16 na Chr. laten zien, maar niets uit de vroege middeleeuwen.

    CDA.-kamerleden Beinema en Hennekam stelde in 1985 schriftelijke vragen aan minister Deetman over de werken van Albert Delahaye. Deetman antwoordde daarop dat hij geen verder onderzoek wenste in te stellen en dat hij als minster van onderwijs niet over de inhoud van dat onderwijs ging. Vreemd! De Minister van Onderwijs gaat niet over de inhoud van het onderwijs? Mogen scholen dat dan zelf bepalen? Gezien de kerndoelen is dat dus allerminst het geval. Was het maar zo! (Als oud-directeur van een basisschool had ik best gewild dat het zo was.)
    In reactie op die kamervragen noemde Bogaers de vragen van Beinema "zomerzotheid". Volgens Beinema ligt daarmee de kern van het probleem bloot. "Er wordt wel gelachen, maar niets weerlegd!" Beinema: "Als slechts 10% van wat Delahaye beweerd waar is, dient er terdege rekening mee gehouden te worden". "Ik begrijp wel dat ze in Nijmegen alleen maar lachen om de werken van Delahaye. Per slot van rekening zitten daar veel mensen die direct of indirect (in proefschrift of als promotor) hebben geschreven dat Karel de Grote wel hier is geweest", waarmee Beinema de kern van de problematiek van de gezamenlijke ontkenning in de historische wereld feilloos aangeeft.

    Aan de Waalkade lag ooit tientallen meters Romeinse muur. Je zou denken: dat koester ik als stad van bijna 2000 jaar oud. Nee. Dat doe je dus niet. Daar zet je een casino neer. Het boek "Graven met Beleid, gemeentelijk archeologisch onderzoek in Nijmegen 1989-1995" bevat een foto van die muur. Bijschrift: "Tijdens het onderzoek van de ROB op de Waalkade kon over enkele tientallen meters lengte Romeins muurwerk worden vrijgelegd. Bij de bouw van het casino is dit grotendeels verwijderd. Slechts een klein deel is in de achterzijde van het casino geïntegreerd en zichtbaar gemaakt". Dat was in 1986/1987 en het viel -heel begrijpelijk- niet in goede aarde bij een aantal mensen. Posters met termen als 'geschiedsvervalsing' en 'vandalen' maakten dat wel duidelijk. Later is er meer zorgvuldigheid betracht, maar toen was het kwaad al geschied.

    Bizar detail: waarom is Bogaers er niet voor gaan liggen? Dit zou een van zijn pronkstukken moeten zijn. Op een plek schijnt een stuk muur 3 meter hoog te zijn geweest. Op de Delahaye site is het volgende te vinden in dit kader:

    "PROF. DR. J.E.BOGAERS erkende in een interview in De Gelderlander van 31 dec. 1987, dat hij "het ook niet weet" of "wat het was" en "waarvoor het diende". Dit naar aanleiding van de vondst in 1987 van enige Romeinse muren aan de Waalkade. "Het probleem van die muren is dat we niet weten wat we gehad hebben". "Ik wil niet zuur doen", zegt Bogaers, "ik stel vast dat die muur weg is. De primaire taak van een archeoloog is overigens onderzoek en niet het behoud." Waarmee Bogaers goed probeert te praten dat dit stuk Romeins erfgoed niet behouden werd, maar verdween onder het nieuw te bouwen Casino. "Zo bijzonder was deze muur nu ook weer niet", aldus de ROB., de club waar Bogaers ooit voorzitter van was. "Vandalen." stond er op enkele affiches die her en der werden aangeplakt door wél betrokken beschermers van historisch erfgoed."

    "Het betrof hier zonder twijfel een Romeinse muur die als waterkering gediend heeft. En dat zag Bogaers natuurlijk meteen, wat uiteraard verzwegen moest worden. En Bogaers doorzag meteen alle consequenties. De muur was een regelrechte bevestiging van het gelijk van Delahaye, vandaar dat het Bogaers ook niet speet dat de muur weg was. Vandaar ook dat Bogaers geen enkele moeite heeft gedaan om dit unieke stuk Romeins cultuurgoed te behouden.".

    De muur was behoorlijk dik en vol, maar zonder twijfel als waterkering bedoeld. En dat Bogaers daarom dat ding maar liet verdwijnen? Zodat Delahaye geen gelijk kreeg met zijn overstroomde Betuwe? Dat gaat wel heel ver. Misschien was Bogaers niet bestand tegen de druk vanuit de 'hogere machten' die daar heel graag een casino wilden en helemaal niks met 'ouwe meuk' hadden waar ze toch niks aan konden verdienen? Een monument kost geld, een casino levert (vaak) geld op. Ironisch genoeg staat er nu een spreuk van Bogaers op een soort van gereconstrueerde muur...... Blijkbaar wilde Bogaers in Nijmegen niets behouden wat het gelijk van Delahaye aantoonde. Hoe wetenschappelijk ben je dan, als je alleen je eigen hachje wil sparen, zelfs ten koste van belangrijk cultureel erfgoed?