Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het Bronnenboek van Nijmegen.

In Nijmegen laat men de Karolingische geschiedenis na de Romeinse tijd weer beginnen met de oorkonde van Karel de Grote uit het jaar 777.
Van de 14 namen uit deze oorkonde wordt de determinatie van 10 namen compleet verzwegen. Het Bronnenboek noemt 7 plaatsen niet eens. Met slechts 28% van de namen wil men bewijzen wat door de overige 72% weerlegd wordt. Is dat historische wetenschap?

De visie van Albert Delahaye.
Het Bronnenboek van Nijmegen, geschreven door P. Leupen en B. Thissen, is een aanfluiting van historische wetenschap.
Als kritiek op het Bronnenboek is "De Bisschop van Nijmegen" verschenen, in welke titel de grootste flater van het Bronnenboek wordt geëtaleerd, een nieuw benoemde "bisschop" door de "historische paus" Piet Leupen.



In het Bronnenboek van Nijmegen werden de gebruikelijke teksten aangehaald om aan te tonen dat de Karolingische palts wel degelijk in Nijmegen had gestaan. Geschreven werd het Bronnenboek niet, slechts "nageschreven", voornamelijk van de Stede-Atlas van F.Gorissen uit 1956. De auteurs Leupen en Thissen presenteerden Het Bronnenboek om eens en voor altijd alle bronnen aangaande Karolingisch Nijmegen te bundelen en om "van de dooddoeners van Delahaye" af te zijn. In het Bronnenboek voerden zij ook een bisschop van Nijmegen die er nooit bestaan heeft ten tonele, die de bisschop van Noyon bleek te zijn. Dit feit wordt in het boek "De Bisschop van Nijmegen" genadeloos afgestraft.

Met de "nieuw benoemde" bisschop van Nijmegen wordt tevens de lang bestaande verwarring tussen Nijmegen en Noyon, die altijd ontkend werd, feilloos bevestigd.

De gangbare historie van Nederland in het eerste Millennium is geen wetenschap, maar slechts methodische naschrijverij.
De historici van de Universiteit van Utrecht (o.a. Hugenholtz, de grootste verdediger van Karolingisch Nijmegen.) distantieerden zich reeds van dit boek. Ook de afwezigheid van prof.dr.W.A. van Es is opmerkelijk, want als Karolingisch Noviomagus valt, dan volgt Dorestad even vanzelfsprekend als onvermijdelijk.

De verdeeldheid in historisch Nederland is tekenend en veelzeggend. Van de in het eerste Bronnenboek genoemde deskundigen trokken drie historici (Blok, Dickmann en Lemmens) zich bij de tweede versie terug. Zij bleken het niet eens met de inhoud van het Bronnenboek en worden in het tweede Bronnenboek niet meer genoemd als "co-auteurs". Het is tekenend en veelzeggend.

De verdeeldheid onder de historici tonen de mythen die bestaan ten aanzien van Karolingisch Nijmegen al aan. De echte kenners onder de historici huldigen zich een dodelijk stilzwijgen. Dat is hun enige weerwoord. Zij kennen de waarheid, maar durven die niet hardop te zeggen, slechts ter voorkoming van eigen reputatieschade.

Alleen degene die nauwelijks op de hoogte zijn van de feiten, blijven de mythen verkondigen als ware geschiedenis. Hoe minder deze goedgelovigen van de feiten op de hoogte zijn, des te feller is hun standvastigheid in het behoud van de mythen. De mythen zijn ook het enige dat zij over de hele Karolingische periode weten, waar ze dan ook graag aan vasthouden. Haal je die weg, dan hebben ze niets, dan staan ze met lege handen. Van twijfel of discussie hebben zij nooit gehoord en daarover willen ze ook niets horen. Die goedgelovigheid zij hen gegund, maar het is geen historische wetenschap.

Net zo min als het je lukt een kleuter ervan te overtuigen dat Sinterklaas niet bestaat, lukt het je ook niet de goedgelovigen ervan te overtuigen dat Karel de Grote niets met Nijmegen te maken heeft gehad.

Het Bronnenboek van Nijmegen is een overweldigende bevestiging van het gelijk van Albert Delahaye en toont onmiskenbaar aan dat de traditionele Romeinse en Karolingische geschiedenis van Nijmegen vals is. Wij zijn dr.P.Leupen erg erkentelijk nu eindelijk de "bewijzen" op tafel zijn gekomen, waarop de geschiedenis van Nijmegen is gebaseerd. Er blijft niets van over!
Behalve dat de archeologie van Karolingisch Nijmegen blanko is, blijken nu ook de altijd door Nijmegen gebruikte teksten van Noyon te zijn.

In Het Bronnenboek van Nijmegen wordt ook 'het gat van Nijmegen' (dat steeds ontkend wordt) overigens glashard bevestigd doordat men tussen 227 en 725 geen enkele tekst heeft.


Met het Bronnenboek wil men in Nijmegen de Karolingische traditie van de stad bevestigen, maar men slaat de drie belangrijkste feiten uit het leven van Karel de Grote over: zijn kroning tot koning der Franken in 768, zijn kroning tot keizer in 800 en zijn overlijden in 814. Ze worden niet genoemd.

Het is nog steeds niet bewezen dat Nijmegen als een Karolingische palts beschouwd kan worden. De summiere schriftelijke aanwijzingen daarvoor slaan duidelijk op Noviomagus-Noyon, de stad waar Karel in 768 gekroond werd wat nergens betwist wordt. Dit is een specifiek probleem voor Nijmegen. Deze verwarring is meer dan 50 jaar geleden ontdekt en publiek gemaakt door Albert Delahaye. Diens ontdekking werd later vooral versterkt door blunders in de publicatie Bronnenboek van Nijmegen (1982), een boek dat onder leiding van prof.dr.Piet Leupen tot stand kwam. Dat dit boek een wanprestatie was, is overduidelijk aangetoond, iedere insider weet het, maar weinigen zeggen het en zijn daarom mede-schuldig aan dit debakel.

"VER BENEDEN ELK WETENSCHAPPELIJK PEIL" is de kwalificatie die Dagblad Trouw, 22 mei 1985 (C.D. van 0osten) aan het Bronnenboek van Nijmegen heeft gegeven. Nu de Katholieke Universiteit eindelijk met de bewijzen en argumenten is gekomen waarop de Karolingische traditie van Nijmegen zou zijn gebaseerd, blijken deze te bestaan uit een opsomming van teksten die zonder enige vorm van wetenschappelijke argumentatie klakkeloos op Nijmegen worden toegepast. Deze "klakkeloosheid" manifesteert zich als beste in de "benoeming " van Harduinus als Bisschop van Nijmegen, een historische blunder en een wanprestatie van de eerste orde!

Weet de Universiteit niet dat het Burgerlijk Wetboek bij wanprestatie ontslag op staande voet toestaat? Maar neen, professor Leupen en zijn co-auteurs bleven mooi op hun leerstoel zitten. Waar zien we dat meer in de wetenschappelijk, de juridische en medische wereld, dat grove fouten niet aan de kaak worden gesteld, maar worden vergoeilijkt door het 'old-boys-netwerk"? Behalve gerechtelijke dwalingen bestaan er dus ook historische dwalingen ofwel sjoemel-geschiedenis.

Voorbeeld van een tekst uit 850 die (begrijpelijk) niet in het Bronnenboek staat.
"Wat zal er geworden van Beauvais? Wat van Noviomagus en de andere voornaamste steden van Gallië? Moeten zij allen ten prooi vallen aan de aanvallen van de Noormannen?"
Bron: Chronicon S. Maxentii, Histoire de France, XI, p. 216 (Tekst 247 in De Ware Kijk Op).

Het "Bronnenboek van Nijmegen" van dr.P.Leupen is gepresenteerd als hèt standaardwerk van de bronnen, waarop de Romeinse en Karolingische geschiedenis van Nijmegen gebaseerd is. Het werd samengesteld door de meest deskundige historici van de Universiteiten van Nijmegen en Amsterdam. De historici van de Universiteit van Utrecht (o.a. Hugenholtz, de grootste verdediger van Karolingisch Nijmegen.) distantieerden zich reeds van dit boek. Ook de afwezigheid van prof.dr.W.A. van Es is opmerkelijk, want als Karolingisch Noviomagus valt, dan volgt Dorestad even vanzelfsprekend als onvermijdelijk. De verdeeldheid in historisch Nederland is tekenend en veelzeggend. Van de in het eerste Bronnenboek genoemde deskundigen trokken drie historici (Blok, Dickmann en Lemmens) zich bij de tweede versie terug. Zij bleken het niet eens met de inhoud van het Bronnenboek en worden in het tweede Bronnenboek niet meer genoemd als "co-auteurs". Het is tekenend en veelzeggend.
Voor de visie van Albert Delahaye is het Bronnenboek van Nijmegen een overweldigend succes geworden. Het Bronnenboek bevestigt het gelijk van Albert Delahaye op een even onmiskenbare als overtuigende wijze!

Het overmijdelijke moest eens gebeuren, namelijk dat voor de verdediging van de mythen eens een grote blunder gemaakt zou worden. En dat nu is precies wat in het Bronnenboek gebeurd is, niet één keer, maar een hele rij flaters zijn er te vinden. Met als toppunt van ondeskundigheid de "benoeming" van een bisschop van Nijmegen door de "historische paus" dr. P.Leupen, die hiermee als deskundig historicus heeft afgedaan.
In "Het Bronnenboek van Nijmegen" worden 190 teksten opgevoerd, die moeten aantonen dat het in de citaten genoemde Noviomagus Nijmegen is en niet Noyon. Het is een triest herkauwen van middeleeuws geschrijf geworden, waarbij de auteurs (Leupen en Thissen) zich beroepen op interpretaties van anderen. Eigen onderzoek ontbreekt, aangezien deze teksten bij elkaar geraapt zijn door studenten (zie de inleiding van Het Bronnenboek), wat niet meteen gezien kan worden als deskundige wetenschap. Zelf de bronnen opzoeken en de teksten lezen, maar dan ook alle teksten zonder premature selectie, en in samenhang verklaren wat er staat, dat is historische geografie en juist dàt missen we in het Bronnenboek.

Aangezien Karolingisch Noviomagus dezelfde plaats was als Romeins Noviomagus, moet ook deze naam voor Nijmegen worden weggestreept.
Karolingisch Noviomagus lag in Francia, Romeins Noviomagus lag in Gallië. Er is geen enkel bewijs dat Noviomagus de Nederlandse plaats Nijmegen zou kunnen zijn. Ook een kritische lezing van Het Bronnenboek van Nijmegen leidt tot deze ene conclusie: Romeins en Karolingisch Noviomagus is niet Nijmegen, maar Noyon.

De Bisschop van Nijmegen.


Als reactie op "Het Bronnenboek van Nijmegen" schreef Albert Delahaye het boek "De Bisschop van Nijmegen", waarin hij tekst voor tekst aantoont dat de interpretaties van het Bronnenboek onjuist zijn. Daarop werd door J.E.Bogaers en P.Leupen in Numaga no. 3 van nov.1982 een weerwoord geschreven onder de titel "Nijmegen en de dooddoeners van Delahaye". Het artikel begint met de verwijzing naar de "waardevolle bijdragen van de hoogleraren R.R. Post en B.H.Stolte", die volgens Bogaers en Leupen reeds vele jaren geleden een afdoende bestrijding van Delahayes denkbeelden hebben geleverd. Vreemd is het dan, dat uit de artikelen van Post en Stolte niets geciteerd werd in het Bronnenboek, noch dat ze genoemd worden in de literatuuropgave. Zo waardevol waren deze bijdragen blijkbaar toch ook weer niet.

Afbeelding hierboven: een Carnavaleske persiflage op de Bisschop van Nijmegen.
Prof.Bogaers die deze figuur zag lopen in het Carnaval van Nijmegen schoot er als een haas achteraan om te weten te komen wie zich onder die toog verborg. De betrokken Carnavalist bleef voor hem onbekend, maar wist hem wel te melden dat hij niet hem persoonlijk, maar de historische faculteit met 'de bisschop van Nijmegen' op de korrel nam, waarna de professor afdroop.

Nijmegen en de dooddoeners van Delahaye.

Leupen "verdedigt" zijn 'selectie' van teksten als volgt: "We hebben in een aantal gevallen -190- voor Nijmegen gekozen en dus tegen Noyon, en zijn er van overtuigd dat deze lijst in hoofdzaak beantwoordt aan de huidige stand van de wetenschap". Einde citaat.

In dit citaat erkent Leupen dus twee cruciale hoofdzaken, namelijk dat er wel degelijk een verwarring bestaat tussen Nijmegen en Noyon (iets dat steeds ontkend werd in historisch Nederland) en dat zijn interpretaties in hoofdzaak beantwoorden aan de huidige stand van de wetenschap. Dat deze stand van de wetenschap stil is blijven staan bij hetgeen in de 17e eeuw beweerd werd, iets nieuws is er sindsdien immers niet bijgekomen, wordt echter niet vermeld.

De verwarring die altijd ontkend werd, wordt ook duidelijk in de zin: "Wanneer eind achtste eeuw melding wordt gemaakt van Niumaga of Noviomagi, is de naam vanaf dat tijdstip tot de twaalfde eeuw meestal verbonden aan de palts Nijmegen." Het gebruik van het woord meestal impliceert dat er dus ook een andere mogelijkheid bestaat. En juist deze andere mogelijkheid, deze verwarring tussen Nijmegen en Noyon, die in Nijmegen altijd ontkend werd, is het uitgangspunt geweest van alle studies van Albert Delahaye. Wat zijn uitgangspunt betreft, krijgt Delahaye hier van Leupen dus eindelijk gelijk. De eerste boeken van Albert Delahaye heetten immers "Het mysterie van de Keizer Karel-stad" en "Vraagstukken in de Historische Geografie van Nederland", titels waarmee de grote verwarring van de geschiedenis van Nederland ter sprake werd gebracht.

In zijn repliek op de door Delahaye genoemde blunders in het eerste Bronnenboek, geeft Leupen in het tweede (dus toch herziene) Bronnenboek als verweer aan dat hij "getracht heeft bij de verhalende bronnen allereerst de mening van de auteurs van deze bronnen weer te geven". Als weerlegging van de bisschop van Nijmegen voert Leupen aan dat "de schrijver van de Gesta zich vergist moet hebben" of dat "de bron niet ongeschonden is overgekomen". Het is een typerend standpunt in de traditionele geschiedenis. Op deze manier kun je elke bewering "bewijzen". "In grote lijnen - niet voor iedere vermelding afzonderlijk, daar viel niet aan te beginnen", schrijft Leupen, "hebben wij hierover verantwoording afgelegd in de inleiding tot het Bronnenboek. Wij hebben in een aantal gevallen -190- voor Nijmegen gekozen en dus tegen Noyon, en zijn er van overtuigd dat deze lijst in hoofdzaak beantwoordt aan de huidige stand van de wetenschap", aldus Leupen. Voor de uitleg over "voor Nijmegen gekozen en tegen Noyon" en "de huidige stand van de wetenschap": zie eerder op deze bladzijde.
De vraag blijft natuurlijk interessant en relevant, waarom een universitair college en universitaire wetenschappers bij een universitaire publicatie "niet voor iedere vermelding afzonderlijk" een verantwoording -noem het een toelichting- gegeven hebben, omdat "daar niet aan viel te beginnen". Er niet aan viel te beginnen? Hoezo niet? Wegens tijdgebrek? Wegens geldnood? Uit gemakzucht? Of was het wegens onwetendheid of misschien wegens onmogelijkheid? Waarom slaagt Albert Delahaye er in zijn eentje wel in om elke tekst van Het Bronnenboek van commentaar te voorzien en valt er wat Leupen betreft "niet aan te beginnen"? Zelfs niet met een heel universitair college en een dozijn studenten achter zich?

Voor de Romeinse tijd gaat het Bronnenboek helemaal af op de opvattingen van prof. J.E. Bogaers. Van de 18 genoemde bronnen komt de interpretatie 13x voor rekening van Bogaers. Dat Bogaers onvolledig is en de tekst bijvoorbeeld niet vertaald wordt of de vindplaats van de bron niet wordt vermeld, is blijkbaar niet bezwaarlijk. Maar het achterhouden van gegevens is verre van wetenschappelijk! Alsof er iets te verzwijgen is. Als deze gegevens wel bekend zijn, wordt meteen duidelijk dat alle interpretaties van Bogaers onjuist zijn. Als de vindplaats van de Romeinse gedenkstenen niet vermeld wordt, getuigt dat verre van een wetenschappelijke aanpak. Voor deze details verwijs ik naar het hoofdstuk over deze 18 Romeinse (en één Griekse) bronnen.

Opmerking:
Ten aanzien van de wegen op de Peutingerkaart die van Noviomagus naar Colonia Agrippina lopen, wordt in de "Bisschop van Nijmegen" nog de traditie gevolgd. In zijn in 1997 postuum uitgebrachte studie "De Peutingerkaart en het Itinerarium Antonini van Frans-Vlaanderen" geeft Albert Delahaye een nieuwe zienswijze. Hij was al langer van mening dat ook deze wegen niet vanaf Nijmegen over Limburg en over Duitsland naar Keulen gelopen hebben. Alleen heeft hij voordat hij dit kon publiceren, de bewijzen moeten verzamelen en beschrijven. Dat is in genoemde uitgave gebeurd en derhalve zal het gedeelte van "Nijmegen" naar "Keulen" verplaatst moeten worden naar Noord-Frankrijk en wel van Noyon naar Avesnes-sur-Helpe, het Agrippina dat behoorde bij de Limes Germanicus uit de 4e eeuw.



Het Bronnenboek van Nijmegen.

In de opzet als standaardwerk voor de geschiedenis van Nijmegen, is het Bronnenboek allerminst geslaagd, het is zelfs een complete deceptie geworden.

In het Bronnenboek worden teksten zo gemanipuleerd, dat de toepassing op Nijmegen bewezen lijkt. Niets is minder waar. Klik op deze link voor een voorbeeld van bedoelde manipulaties.


Behalve de omvang stelt ook de inhoud teleur.
1. De eerste desillusie is de omvang van het boekje, waarin op net 40 bladzijden slechts 190 teksten worden genoemd. Opvallend is het ontbreken van honderden (ruim 756!) teksten over Noviomagus die men blijkbaar niet eens geraadpleegd heeft of niet meer op Nijmegen van toepassing acht. Opvallend is verder het ontbreken van talloze teksten die voorheen steeds op Nijmegen werden toegepast, maar nu -zonder verdere toelichting- niet meer worden vermeld. Een stad die zich beroept op een geschiedenis van 2000 jaar blijkt over de eerste 1250 jaar slechts 190 teksten bij elkaar te kunnen vinden en laat er honderden, die over dezelfde gebeurtenissen handelen, liggen. En van die 190 gaan alle teksten vóór het jaar 1125 ook niet over Nijmegen. Blijven er een 50-tal over, waarvan een aantal evenmin over Nijmegen gaan maar o.a. over Neumagen bij Trier of Novillare in Italië, andere Noviomagi. Al met al hebben de auteurs van "Het Bronnenboek" (en hun studenten) er een rommeltje van gemaakt!
Het boek heet "Bronnen"boek, maar geeft geen bronnen. Het verwijst slechts naar bronnen of geeft enkel gedeelten van de bronnen. Blijkbaar moet de lezer de bronnen zelf maar opzoeken? Het toont het onwetenschappelijke niveau waarop het Bronnenboek gestoeld is.

2. De tweede teleurstelling van het Bronnenboek is dat van veel (belangrijke) teksten de vertaling ontbreekt. Van de bedoelde tekst is door het publiek dus niet te controleren of het hier wellicht over Nijmegen zou kunnen gaan. Juist de "klakkeloze vertalingen" van plaatsnamen hebben in het verleden voor de grote verwarring gezorgd.

3. De derde ontgoocheling is dat bij alle gegeven teksten een toelichting ontbreekt, waarom het in de tekst genoemde Noviomagus als Nijmegen moet worden opgevat. De methode bestaat uit het citeren van een aantal teksten waarin sprake is van Noviomagus en waarvan zonder het minste bewijs Nijmegen wordt gemaakt. Zo bestaat tekst 18 uit slechts één woord: Noviomagi, waarbij als bron de "Tabula Peutingeriana" genoemd wordt. Er wordt niets gezegd over de overige plaatsen op die Peutingerkaart, of over de Nederlandse interpretatie van die plaatsen. Zo'n bron zegt dus niets ten gunste van Nijmegen en hiermee menen de auteurs desondanks de geschiedenis van Nijmegen te kunnen aantonen. Ook 56 aanhalingen in oorkonden met "Actum Noviomagus", zeggen niets ten gunste van Nijmegen, zolang niet is aangetoond op welke gronden hier Noviomagus met Nijmegen "vertaald" moet worden. Ook erbij gesleepte reisroutes zeggen niets ten gunste van Nijmegen. Opvallend is het ontbreken van teksten over Noviomagus, waarbij het overtuigend is dat Noyon bedoeld is, zoals teksten in verschillende kronieken die over de kroning van Karel de Grote in 768 te Noyon handelen.
Tekst 21 betreft de bekende oorkonde uit 777. Deze tekst werd altijd als het "geboortebewijs" van Karolingisch Noviomagus beschouwd. Deze oorkonden bevat 14 namen van plaatsen, rivieren of streken. In het Bronnenboek worden alleen de plaatsen Niumago en Trajectum "vertaald" als Nijmegen en Utrecht en de rivieren Lockia en Renus als Lek en Rijn. Ubkirika en Dorestad worden wel genoemd, maar niet "vertaald". Blijkbaar twijfelt het Bronnenboek aan de gebruikelijke interpretatie Wijk bij Duurstede voor Dorestad, immers het wordt niet vermeld en ook niet als een bewijs gezien ten gunste van Nijmegen. De overige 7 namen (dat is 50%) in deze oorkonde worden betekenisvol overgeslagen. Tel daarbij het onvertaalde Ubkirika en Dorestad, dan is de balans 72% tegen 28% in het voordeel van het gelijk van Albert Delahaye. Zie verder bij de Oorkonde uit het jaar 777!

Maar toch geeft het Bronnenboek belangrijke openheid van zaken en wel in de bijlage. Daar wordt een lijst van bruggraven en richters gegeven. En wat blijkt? Deze lijst begint in het jaar 1165, wat precies het begin van Nijmegen aangeeft, tien jaar na de bouw van de palts van Fredrik Barbarossa. In 1165 werd de eerste burggraaf aangesteld, die de door Frederik Barbarossa gebouwde burcht beheerde. Vóór dat jaar was er niets in Nijmegen. De lijst eindigt in 1795, het jaar dat de burcht van Fredrik Barbarossa in Franse handen kwam en het begin van het verval aangeeft. Later werd de burcht volledig gesloopt.



In de inleiding van het (herschreven.) Bronnenboek worden een aantal feiten genoemd die precies aangeven hoe zorgvuldig het Bronnenboek is samengesteld. We lezen o.a. het volgende:
"Het hier bijeengesprokkelde materiaal geeft tevens aanleiding tot het stellen van vele vragen".
Het materiaal is dus bijeengesprokkeld en er blijven dus veel vragen bestaan, die onbeantwoord blijven. Men heeft dus wat "dode takjes bijeengeraapt (=sprokkelen), zonder op de levende bomen te letten". Men twijfelt dus aan eigen deskundigheid, omdat men de vragen niet kan beantwoorden. Het is een eerlijk erkennen van eigen onkunde. Hoezo durft men dan te spreken van een zorgvuldige studie?
"Reeds dadelijk bleek een nieuwe inventarisatie van gedrukte bronnen en literatuur, voortbouwend op de in 1956 verschenen Stede-Atlas van F.Gorissen, een noodzakelijk als zinvol uitgangspunt."
Het Bronnenboek erkent dus zondermeer dat de visie van Gorissen, die steeds klakkeloos als uitgangspunt werd gehanteerd, op veel punten herzien moest worden.

Maar ook hier, en hoe kan het ook anders, spreekt Leupen niet de waarheid. Zijn selectie van teksten is rechtstreeks overgenomen uit de "Stede-Atlas van Nijmegen" van dr. Friedrich Gorissen uit 1956. Deze Kleefse archivaris noemt in zijn Stede-Atlas van Nijmegen (??kon niemand uit Nijmegen deze Atlas maken??) tussen 777 en 1180 liefst 80 teksten waarvan er 76 ook in Het Bronnenboek te vinden zijn. Vier van Gorissens teksten (uit 983, 1057, 1062 en 1180) met de vermelding Noviomago heeft Leupen niet overgenomen. Op grond waarvan deze teksten zijn vervallen wordt niet vermeld. Men staat ze dus af aan Noyon. Het aantonen van de altijd ontkende verwarring kan gewoon niet duidelijker. Daarnaast heeft Leupen nog 30 teksten toegevoegd aan die van Gorissen. De "selectie" van teksten van Leupen kan niet meteen erg wetenschappelijk genoemd worden, zeker omdat hij bijna nergens vermeldt, waarom de in de tekst genoemde Noviomago (en varianten) dwingend op Nijmegen betrekking heeft. Hij heeft gewoon dr. Gorissen "nageschreven". (Naschrijverij is helaas nog steeds het belangrijkste uitgangspunt in de historische "wetenschap". Zie de vele verwijzingen in de noten in historische publicaties!
En dan meent Leupen ook nog dat het werk van Gorissen op veel punten herzien moest worden. Hierin heeft Leupen echter wel gelijk, maar dan dient hij eraan toe te voegen dat het ook voor zijn eigen werk geldt.

De 4 studenten die het Bronnenboek samenstelden konden slechts één semester besteden aan het verzamelen van het materiaal. Daarbij is gewerkt volgens de door Edith Ennen in haar Rheinische Städteatlas gebruikte 'Stichwort-Schema' methode.
Het materiaal is dus in een half jaar bij elkaar gezocht. Hoezo zorgvuldige studie? En het werken volgens de Stichwort-Schema' methode betekent eveneens het accepteren van een grote mate van onzorgvuldigheid en onvolledigheid. Alleen indiceren op steekwoorden houdt immers in dat er niet naar de context gekeken wordt, wat vooral blijkt uit de vele fouten, de niet gevonden teksten en de door anderen gevonden nieuwe teksten die aan het tweede Bronnenboek zijn toegevoegd. Het "we hebben alle bronnen gezien" zoals Leupen beweert, blijkt door deze eigen aanvullingen al niet op te gaan!

Als voorbeeld van het indiceren mogen de teksten over de invallen van de Noormannen in de jaren 880 en 881 dienen. Uit de hele serie teksten, poogt het Bronnenboek er 2 naar Nijmegen te trekken. De overige teksten zoekt men tevergeefs in het Bronnenboek, ofwel die zijn bij de auteurs niet bekend (zijn zij dan wel de deskundige die ze claimen te zijn?) ofwel zij erkennen dat deze niet over Nijmegen gaan, maar geven dit nergens toe (dan wordt dus de wetenschap en de lezer bedrogen)!

"Opnieuw is de lijst kritisch doorgenomen" lezen we vervolgens in de inleiding. "Alle gebruikte bronnen werden onderworpen aan een nauwkeurig onderzoek naar de betrouwbaarheid van de naam". De vraag is dan hoe zorgvuldig dat onderzoek geweest is, als alle genoemde professoren van de Club van Nijmegen zulke grote en kapitale fouten hebben laten staan? Zie bij FLATERS.

Gelukkig erkent het Bronnenboek haar eigen tekorten: "Op dit punt zijn in het verleden en worden ook nu nog fouten gemaakt" en geeft als voorbeeld een Latijnse tekst van St.Vaast uit 889. "Zulke fouten zijn nog met vele andere te vermeerderen". Inderdaad, een eerlijke en juiste conclusie. Het zullen er ruim 2000 worden. Zie bij BLUNDERS en OVERGESLAGEN TEKSTEN.


De verdienste van het Bronnenboek.
Feitelijk is het verschijnen van het Bronnenboek een goede zaak geweest, omdat de historische wereld van Nederland hiermede geëtaleerd heeft waarop de traditie van Nijmegen als Romeinse en Karolingische plaats gebaseerd was. Ook in Nijmegen werd ingezien dat de altijd geldende bewering "dat hoeven we toch zeker niet te bewijzen" niet meer opging. Zo kwam eindelijk de bewijsvoering op tafel.
Het heeft overigens velen verwonderd dat het in 1980 plots nodig gevonden werd om met het Bronnenboek aan te tonen, dat de altijd gehanteerde "zekerheden" toch bewezen moesten worden. Was er dan zelfs in de Nijmeegse historische wereld plots twijfel gerezen? Of wilde men met een alles omvattend Bronnenboek nu eindelijk Delahaye voor eens en altijd het zwijgen opleggen? De "bewijsvoering" blijkt te bestaan uit foutieve interpretaties, gemanipuleerde en zelfs vervalste teksten en zelfs enkele grove historische blunders, zoals "de benoeming van een bisschop van Nijmegen". Het Bronnenboek bewijst derhalve precies wat juist niet de bedoeling was, namelijk dat de Nijmeegse traditie vals is.

Zie voor de betreffende teksten het hoofdstuk over Noviomagus of het boek De Ware Kijk Op. Lees die authentieke teksten en oordeel zelf.

Het complete materiaal.
Het Bronnenboek geeft aan dat dit het complete materiaal is dat men in Nijmegen ter beschikking had. De auteurs schrijven "dat ze alle bronnen hebben gezien" en dat de kwestie zo uitputtend mogelijk behandeld is. Meer heeft men dus niet. Toch komt men in het herziene Bronnenboek dat binnen 2 jaar verschijnt al een paar nieuwe vermeldingen van Noviomagus tegen, die door anderen zijn aangedragen. Dat logenstraft al meteen de bewering van de auteurs dat zij alle bronnen hebben gezien en de kwestie uitputtend behandeld is. Uit die niets-zeggende aanvullingen blijkt overigens alleen, dat de verblinding nog in het gehele land heerst en dat zij geen lokale mistbank te Nijmegen is.
Vervolgens roepen de auteurs op: "Wij hopen dat ontdekkers van nieuwe vermeldingen de weg naar ons zullen weten te vinden". Echt uitputtend is de zaak dus niet behandeld, immers men twijfelt zelf al aan de volledigheid van het eigen onderzoek. Of zouden de auteurs van het Bronnenboek zelf ook begrepen hebben dat ze "de gouden tekst" nog steeds niet gevonden hebben. Tevens wordt duidelijk geëtaleerd dat de auteurs "De Ware Kijk Op" nooit gelezen hebben, immers daarin staan alle teksten over Noviomagus, echter niet over Nijmegen maar over Noyon (Frankrijk) of over Neumagen (Duitsland) of over Neuville-en-Condroz (België) of over Novillare (Italië). Het onderscheid tussen deze plaatsen, die alle Noviomagus heetten, is bij de auteurs van Het Bronnenboek geheel onbekend.
Er moet tevens gewaarschuwd worden speciaal te letten op wat het Bronnenboek overslaat; dat valt namelijk niemand op, doch dat is nog veel belangrijker dan de grove blunders. We raden iedereen daarom aan het boek "De Ware Kijk Op" aan te schaffen, immers hierin staan ook de overgeslagen teksten en hierin vindt U tevens de WARE geschiedenis van Nijmegen.

Het complete materiaal?
Maar kennen de samenstellers van het Bronnenboek dan niet de teksten die de oude Nijmeegse schrijvers noemen? Hebben ze deze niet gezien? Zo noemen Johannes in de Betouw in Annales Noviomagi (1790) en Johannes Smetius in de Chronijk (1784) verschillende jaartallen en teksten die sinds de 18e eeuw op Nijmegen werden toegepast. Echter, in het Bronnenboek ontbreken ze. Waarom zijn ze weggelaten?
We noemen de jaartallen: 700, 713, 735, 768, 776, 779, 796, 799, 817, 829, 831, 835, 838, 841, 851, 875, 885, 900, 902, 925, 947, 948, 965, 968, 974, 990, 997, 1002, 1026, 1064, 1082, 1099, 1147, 1150. In al deze teksten is sprake van het verblijf van een der keizers of een andere gebeurtenis in Noviomagi/us. Het verblijf van Julius Caesar in Nijmegen in 54 v.Chr., bij Smetius en In de Betouw nog genoemd, staat terecht niet in het Bronnenboek. Die mythe is dan eindelijk verlaten. In de hierboven vermelde jaartallen handelde het volgens Smetius en In de Betouw steeds over Nijmegen. In het Bronnenboek worden deze teksten niet genoemd. Waarom zijn deze overgeslagen? Wist men niet van het bestaan van deze teksten? Zijn Smetius en In de Betouw al vergeten? In de Betouw wordt in de bibliografie nog wel genoemd (met het boek Handvesten, niet met de Annales Noviomagi), Smetius komt men er niet tegen. En dat terwijl Smetius de bedenker van de Bataafse mythe in Nijmegen was. Hoe ondankbaar kan men in Nijmegen zijn. Of was Leupen inderdaad van mening dat het bij deze oude schrijvers niet over Nijmegen ging? Dan had hij dat wel moeten vermelden, wil hij integer en wetenschappelijk over komen. Maar ook dit ontbreekt bij Leupen.
Ook uit de Romeinse periode slaat Het Bronnenboek (c.q.Leupen) teksten over waarin Noviomagus of het Eiland der Bataven genoemd worden. Zowel bij Julius Caesar, als van Tacitus en die uit het jaar 70, 105, 176, 200, 262, 268, 286, 300, 310, 351, 360, 410 en 500. Deze staat Leupen dus af aan Noyon!
Met het Bronnenboek wordt -helaas voor Nijmegen- precies bewezen, wat feitelijk niet de bedoeling was, namelijk dat de Nijmeegse traditie vals is. Na bestudering van het Bronnenboek (de zetduivel maakte er in een vooruitziende blik bij de eerste editie Bronnenbroek van), blijft er van de Nijmeegse Karolingische en Romeinse traditie niets meer over.
Zoiets kan ook niet uitblijven als men met het onderzoek naar de geschiedenis van het Noviomagus van Karel de Grote begint met het overslaan van de vele teksten die berichten dat Karel de Grote in 768 in zijn zetel te Noviomagus (is Noyon) tot koning van de Franken is gekroond. Deze teksten zoekt men tevergeefs in het Bronnenboek.
Ook teksten over de invallen van de Noormannen, die voorheen altijd op Nijmegen van toepassing werden gehouden, zoekt men tevergeefs in het Bronnenboek. Deze teksten worden blijkbaar welwillend, overigens zonder enige vorm van toelichting of verklaring, aan Noyon afgestaan.


Wetenschap is geen invuloefening, maar een avontuur dat noopt tot het inslaan van onbekende paden. (Bloemers, Voeten in de Aarde, o.c. p.99).

Een analyse van het Bronnenboek.

Wat zegt de eerste tekst in het Bronnenboek van Nijmegen?
De eerstgenoemde en oudste tekst in het Bronnenboek van Nijmegen dateert uit 50 na Chr. Hoewel deze tekst (over de Civitates Batavorum) allerminst op Nijmegen betrekking heeft, erkent het Bronnenboek hiermee wel, dat alles wat daarvoor ligt, niet bij Nijmegen hoort! Het Bronnenboek vermeldt Julius Caesar en zijn beschrijving van het Eiland van de Bataven niet. De tekst van Willem van Berchen zoekt men tevergeefs in het Bronnenboek van Nijmegen, ofwel men erkent hiervan de valsheid en men erkent dat het hier niet over Nijmegen of de Betuwe gaat.
Het Bronnenboek van Nijmegen, uitgegeven door de eigen Universiteit, laat de Romeinse periode in Nijmegen dus beginnen in 50 n.Chr. en eindigen in 227 na Chr. Dit is helemaal juist! De eerstvolgende tekst in het Bronnenboek is uit 700-725, waarin het echter niet over Noviomagus gaat maar over Noita. Daarna volgt de tekst van de bekende oorkonde uit 777. Derhalve vertoont het Bronnenboek van Nijmegen tussen de 3e en 8e eeuw een gat van 5 eeuwen, waarmee bewezen is dat de continuïteit van Nijmegen nooit bestaan heeft. Dat gat zal allengs groter worden, nu aangetoond is (zie de boeken van Albert Delahaye en hoofdstuk 6 over het gelijk van Albert Delahaye!) dat Karolingisch Nijmegen nooit bestaan heeft.


Over de hele Romeinse periode die in Nijmegen toch 2 eeuwen heeft geduurd, worden in het Bronnenboek 18 teksten genoemd. Van geen enkele tekst (16 in het Latijn, 1 in het Grieks) wordt een vertaling gegeven. De 18de bron is de Peutingerkaart, waarvan alleen de naam "Noviomagi" wordt genoemd. De overige plaatsen die van de Peutingerkaart traditioneel in Nederland worden gebruikt, worden nergens vermeld, evenmin als een toelichting waarom het genoemde Noviomagi dwingend als Nijmegen zou moeten worden opgevat. Deze aanname moet nu eens bewezen worden.

Volgens het Bronnenboek van Nijmegen duurde de Romeinse tijd in Nijmegen dus van 50 na Chr. tot 227. Dat is volkomen juist. Echter Nijmegen droeg in die periode nooit de naam Noviomagus. Dat is een aanname waarvoor geen enkel bewijs te vinden is.

Het Bronnenboek laat de Karolingische periode beginnen in 770. In de tussenliggende 550 jaar wordt geen enkele bron aangehaald, ofwel er was dus NIETS. De periode waarin Nijmegen geen geschiedenis had heeft echter langer geduurd en wel tot 1125, toen in de bronnen de nieuwe naam Neumaia verschijnt: de echte naam van Nijmegen.


Het "Broddelboek".
Het Bronnenboek is gepresenteerd als wetenschappelijk, maar kan, samengesteld door studenten, slechts de kwalificatie van ondeskundig geblunder en zelfs wetenschappelijk bedrog krijgen. De auteurs (P.Leupen en B.Thissen) hebben met dit broddelwerk de historische wetenschap allerminst een dienst bewezen. Als het dan zo'n wetenschappelijk werkstuk was, waarom moest er dan binnen 2 jaar een hernieuwde druk verschijnen, waarin een aantal fundamentele zaken -waarop gegronde kritiek kwam- gewijzigd waren? Deze vraag alleen al toont het academisch niveau van het Bronnenboek aan.In een artikel in Numaga verklaart Leupen dat zij bij de genoemde -190- bronnen juist voor Nijmegen en niet voor Noyon hebben gekozen bij de interpretatie van die bronnen op grond van de huidige stand van de wetenschap. En dat is nu net het hele punt: die huidige stand van de wetenschap wordt door Albert Delahaye juist ter discussie gesteld. Leupen begrijpt er blijkbaar dus nog steeds niets van.


Klik op de tekst voor een vergroting.

Het Bronnenboek geeft op blz. 18 deze tekst van de akte uit 777. Hier kan gesproken worden van een bewuste tekstvervalsing, want er worden zeven namen uit een oorkonde weggelaten, omdat men maar al te goed in de gaten heeft dat die namen in Nederland niet terug te vinden zijn. De overgebleven namen worden vertaald volgens de Nederlandse traditie. Zie voor de oorspronkelijke namen in die tekst de akte van 777.
Opvallend is bovendien dat met het weglaten van het in de tekst genoemde "Lisiduna" weer eens glashelder wordt aangetoond, dat zelfs het Bronnenboek de locatie Leusden als niet-acceptabel beschouwd!

Het Bronnenboek van Nijmegen schept , wat betreft de altijd ontkende verwarring tussen Noviomagus=Nijmegen? of Noviomagus=Noyon!, eindelijk helderheid. Die verwarring is er dus niet meer. Alle geciteerde Noviomagus-teksten tot 1125 in het Bronnenboek blijken betrekking te hebben op Noyon. En de teksten die overgeslagen worden, en dat zijn er nog meer, die dus niet meer geclaimd worden voor Nijmegen, laat het Bronnenboek dus ook aan Noyon!
Juist met deze overslagen, die door het publiek niet te controleren zijn (bestel De Ware Kijk Op, daarin staan ze allemaal) wordt duidelijk dat Nijmegen een traditie handhaaft op grond van leugens en "valsheid in geschrifte!"


"Geen enkele andere plaats in Nederland wordt in de periode tussen 777 en 1000 meer dan 70 maal vermeld!", merkt Leupen in de inleiding zelf al op. Zelfs deze constatering heeft hem niet aan het denken gezet. Bestonden in Nederland slechts 3 plaatsen: Nijmegen, Utrecht en Wijk-bij-Duurstede? Waar lagen al die andere plaatsen die in diezelfde bronnen genoemd worden? Die zijn nooit gevonden in Nederland! In de documentatie van de abdij van Lorsch en van de abdij van St.Vaast te Arras tussen 673 en 1025 worden 120 plaatsen genoemd die in de Batua lagen. Geen enkele van deze plaatsen is ooit in de Betuwe teruggevonden, zelfs niet in de rest van Nederland. Geen enkele van deze plaatsen kom je tegen in het Bronnenboek van Nijmegen. Geen enkele van deze plaatsen kom je tegen in welke literatuur dan ook over Merovingisch of Karolingisch Nederland. In Noordwest-Frankrijk liggen ze allemaal, waar zelfs meerdere plaatsen tegenwoordig nog exact dezelfde naam dragen. (zie voor de namen de boeken van Albert Delahaye, m.n. "De Ware Kijk Op" p. 239-277, en "De Bisschop van Nijmegen", p.46-53.
Het zijn 120 bewijzen tegen de traditionele opvatting van Karolingisch Nederland.

De dokumentatie van Noviomagus toont aan, dat de vermeldingen van de naam met zijn varianten één doorlopende en bij elkaar horende serie is waar geen ruimte blijft voor twee verschillende interpretaties. Van het begin tot het einde gaat het altijd over hetzelfde Noviomagus. Vanzelfsprekend moet men hierbij de Batua en de Vahalis op de juiste plaats neerzetten, anders blijft men 300 km van koers af.

Het Bronnenboek is samengesteld door studenten onder supervisie van professoren, die er ter goedkeuring immers hun handtekening onder hebben gezet. Dit 'proefwerk' van de studenten bevat een astronomisch aantal blunders en moet beschouwd worden als een klap in het gezicht van de historische wetenschap in Nederland. Enige blunders hebben de professoren nadien nog gepoogd recht te praten, onder andere in het tweede Bronnenboek en in het tijdschrift "Numaga", wat verloren moeite was, daar men met de doorzichtige en uit de duim gezogen uitvluchten nog dieper wegzakt in het historisch moeras van de mythen. Over de resterende massa fouten, al gesignaleerd in "De Bisschop van Nijmegen", zwijgt men in alle talen, omdat er geen uitvlucht voor te bedenken is. Nog minder kan men over de overgeslagen teksten spreken, want dan is men verplicht de reden van deze overslagen bekend te maken en te rechtvaardigen.

De zes onsterfelijke flaters bewijzen eigenlijk al voldoende dat de auteurs van het Bronnenboek niet deskundig zijn in hun vakgebied, wat op nog spektakulairder wijze bevestigd wordt door het astronomisch aantal overgeslagen teksten.


Alle blunders komen uiteraard ook op rekening van de c-auteurs die, zoals ze zelf melden, "op een bijeenkomst werden alle op- en aanmerkingen verwerkt in de uitgave". Ze hebben dus bewust over de blunders heen gekeken, ze niet opgemerkt. Wat zijn dan de titels en professoraten van prof. dr. J.E. Bogaers (KU Nijmegen), B.A.M. Kruysen (namens het Gemeentearchief Nijmegen), dr. J.K. Haalebos (KU Nijmegen), prof. dr. F. Gorissen (Kleef), prof. dr. C. van de Kieft (Universiteit van Amsterdam), drs. H. Sarfatij (ROB Amersfoort) en dr. J.H.F. Bloemers (ROB Amersfoort). dan waard als ze de blunders niet eens hebben opgemerkt? Hieruit blijkt dat zelfs professionele historici geen verstand van geschiedenis hebben.

Het verzwijgen en onjuist toepassen van de bronnen, dat altijd als behoud van de mythen werd gebruikt, is nu het bewijs geworden van de valsheid van die mythen.

De grootste flaters zijn:
Het Bronnenboek presenteert tussen ca. 770 en 1125 slechts 118 Noviomagus-teksten, waarvan het Bronnenboek steevast "Nijmegen" heeft gemaakt. Daaronder zijn 56 "Actum Noviomago" of een variant met de dagtekening van oorkonden, waar uit de gegeven context al helemaal niet is op te maken over welk Noviomagus het zou kunnen gaan. Het Bronnenboek maakt er dus zonder verdere "bewijsvoering" Nijmegen van. Van de overige 62 Noviomagus-teksten wordt ook zonder verder bewijs beweerd dat het over Nijmegen gaat. Er wordt geen enkel beargumenteerd hard bewijs geleverd dat het genoemde Noviomagus onmiskenbaar het Nederlandse Nijmegen moet zijn.

Tussen 1047 (de verwoesting van het Karolingisch paleis te Noyon) en 1125 (de eerste echte acte van Nijmegen) geeft Het Bronnenboek slechts één tekst. Deze tekst uit 1075 handelt over hertog Godfried van Neder-Lotharingen. Genoemd worden de plaatsen Thilen en Nimagum, wat voor het Bronnenboek foutief als Tiel en Nijmegen wordt opgevat. In de tekst wordt duidelijk verwezen naar Picardië, waar de oorlog steeds woedt en "de aarde doordrenkt is van vijandelijk bloed". Voor het Bronnenboek bestond Nijmegen de tussenliggende 78 jaar blijkbaar niet. Er worden immers geen enkele andere tekst gegeven. De overige teksten over Noviomagus in deze periode gaan dus blijkbaar niet (meer) over Nijmegen.

De blunders en overgeslagen teksten zijn:

Totaal 599 overgeslagen teksten. Op de 118 wel aangehaalde teksten (tot 1125) een overweldigende overwinning voor Noyon!
Deze teksten worden in "De Ware Kijk Op", allemaal genoemd en besproken.! Schaf dit boek aan en oordeel zelf.
In teksten staan vaak meerdere gegevens. Telt men die van deze 599 overgeslagen teksten bij elkaar dan komt men op een totaal van ruim 800 overgeslagen gegevens!
Voegen we daar de teksten en gegevens uit de Romeinse tijd en latere publicaties (Bronnenboek 2, artikelen in Numaga) bij, dan krijgen we de volgende balans: 150 onjuist geïnterpreteerde en ruim 5000 gegevens die zijn overgeslagen.

IS DIT OBJEKTIEVE EN INTEGERE WETENSCHAP, OF IS HET OPGELEGD BEDROG?

Fouten konden ook niet uitblijven, wanneer men het onderzoek naar het Noviomagus van Karel de Grote begint met het overslaan van de vele teksten, die berichten dat Karel de Grote in 768 in "zijn zetel" Noviomagus (Noyon) tot koning van de Franken werd gekroond.

Leupen, de auteur van het Bronnenboek, durft in een interview nog te beweren dat "Delahaye niet wetenschappelijk te werk hoeft te gaan!" Alsof het Bronnenboek wel wetenschappelijk is opgezet. "Wij staan in feite met de rug tegen de muur, omdat wij uitgaan van nauwkeurig onderzoek en gefundeerde bewijsvoering nodig hebben", verzucht Leupen in dat interview. Waar dat nauwkeurig onderzoek uit blijkt blijft onbekend, en waar die gefundeerde bewijsvoering in het Bronnenboek te vinden is, eveneens!
Op grond van dat nauwkeurig onderzoek komen de Universiteiten van Nijmegen en Amsterdam (de Universiteit van Utrecht heeft zich gedistancieerd van het Bronnenboek) tot de slotsom dat er geen twijfel over kan bestaan dat in Nijmegen een Karolingische palts gelegen heeft. Dan vraagt een onafhankelijke lezer zich toch af hoe nauwkeurig dat onderzoek is geweest als er zoveel teksten zijn overgeslagen en als er binnen 2 jaar een tweede herziene versie van het Bronnenboek verschijnt, waarin een aantal cruciale zaken gewijzigd zijn. Dit, nadat op het eerste Bronnenboek een epistel aan commentaren van Albert Delahaye gegeven werd. Heel wat teksten die in het eerste Bronnenboek nog wel stonden, bleken in het tweede Bronnenboek verdwenen, ofwel werden plots aan Noyon gelaten. En dat vraagt een kritisch lezer zich toch ook af, waarom de aanwezigheid van dat Karolingisch paleis door steeds meer historici ontkend wordt en het bestaan archeologisch nooit is aangetoond. Ondanks dat archeoloog W.A. van Es in een radio interview eens stellig beweerde dat het paleis gevonden, is die vindplaats nog steeds onbekend. Zie bij Onbegrijpelijk, hoofdstuk 6 over Karolingisch Nijmegen.

Het Bronnenboek zou wetenschappelijk zijn. Echter Leupen, de hoofdauteur van het Bronnenboek, laat keer op keer merken, dat hij, hoewel hij zegt deskundig te zijn, feitelijk geen verstand heeft van geschiedenis. Zo roept hij triomfantelijk uit dat Delahaye een Duitse keizer in Noyon laat regeren! Achtergronden, toch onontbeerlijk om sobere teksten van kronieken te begrijpen, daar schijnt Leupen nog nooit van gehoord te hebben. Hij is blijkbaar niet op de hoogte van het feit dat Noyon tot ver in de 12e eeuw een Duitse stad is gebleven, met een burcht van het H.Roomse rijk. Zij lag territoriaal wel in Frankrijk, maar heeft lang niet bij en zeker niet aan Frankrijk behoord. Ook het tekenen van documenten door vorsten die zich in het "buitenland" bevinden, schijnt bij hem onbekend te zijn. In de archieven van ons eigen land zijn daarvan vele voorbeelden te vinden als onze koningin in Porto Ercole in Italië verbleef en daar documenten tekende!

Opvallend is dat Willem van Berchen (tweede helft 15e eeuw), de Nijmeegse kanunnik en uitvinder van de Karolingische mythe, op de literatuurlijst van het Bronnenboek ontbreekt. Eveneens wordt Johannes Smetius (begin 17e eeuw) verzwegen, de dominee die voortborduurde op de fabels van Van Berchen en Nijmegen haar verkeerde Romeinse verleden schonk. Het verzwijgen van hun teksten mag dan ook gezien worden als een bewijs van de onwetenschappelijke en niet integere manier waarop Nijmegen met haar geschiedenis omgaat. En dat noemt Leupen "wetenschappelijk te werk gaan" : het verzwijgen van bronnen die de mythe tegenspreken.

Opvallend is eveneens dat het Bronnenboek zwijgt over de publicaties van prof.Post, die heden nog wel eens aangehaald worden en die in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw een van de felste tegenstanders van Albert Delahaye was. De publicaties van Post zijn in 1965 in het tweedelig boek "Vraagstukken..." afdoende weerlegd. Daarna is niets meer van hem of zijn beweringen vernomen.

De historici en archeologen die zich achter het Bronnenboek hebben opgesteld en er hun handtekening onder hebben gezet, hebben hiermee aangetoond volslagen ondeskundig te zijn in hun eigen vakgebied. Derhalve hebben zij voor de rest van hun eigen werk en hun eigen interpretaties van de Merovingische en Karolingische historie elk vertrouwen verspeeld. Het zijn de historici van de Club van Nijmegen. Met het samenstellen van de teksten in het Bronnenboek hebben zij, naast een pertinente tekstvervalsing, opzettelijk bedrog gepleegd. Bewust worden teksten overgeslagen. Dat zij van het bestaan ervan niet afweten kan niet aannemelijk worden verklaard. Het zou hun ondeskundigheid slechts verder kunnen bevestigen. Derhalve hebben zij deze teksten, die het Karolingisch paleis van Karel de Grote te Nijmegen radikaal tegenspreken, opzettelijk weggelaten. Zij hebben dus opzettelijk de zaak belogen en bedrogen.
Feitelijk heeft de Club van Nijmegen de Nijmeegse Karolingische kwestie een goede dienst bewezen en de zaak in één slag opgelost. Het is afgelopen met Karolingisch Nijmegen, want het is één grote leugen en blijkt
de bok van de eeuw te zijn.

Klik hier voor de website Noviomagus.nl
Klik hier voor de WARE geschiedenis van Nijmegen,

Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.