Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

De Canninefaten.

Volgens de Nederlandse traditie woonden de Canninefaten langs de kust in Holland, met name in Kennemerland.
Maar woonden daar de Friezen dan niet? En tussen Rijn en Maas woonden toch de Bataven? Was de hoofdstad der Bataven immers niet Lugdunum Batavorum? En was dat niet Leiden?

De geschiedschrijving van de Canninefaten bestaat voor een groot deel uit een strijd tussen een taaie mythe en kritisch onderzoek vanuit modernere standpunten, waarbij de eerste het onderwijs, de handboeken en encyclopediën aan zijn zijde vindt en de tweede van de traditionalisten weinig meer dan hoon kan verwachten.

Gaat men terug naar het ontstaan van de mythe omtrent de Canninefaten dan is de grond voor de mythe tweeledig:·
  • de Canninefaten uit de Romeinse bronnen bewoonden het westelijk deel van het Eiland der Bataven dat met de Betuwe dan wel de Zuid-Hollandse eilanden werd vereenzelvigd;
  • de namen 'Canninefaten' en 'Kennemerland' beginnen allebei met een k-klank.

    Daarover valt onmiddellijk op te merken:
  • de Batavieren-mythe stamt uit 1517; daarvoor had nog niemand deze stam met Nederland in verband gebracht of er zelfs maar van gehoord, en men zal dan ook vergeefs naar ze zoeken in de oudere Hollandse geschriften;
  • dat geldt vanzelfsprekend ook voor de Canninefaten die niet lang daarna in 1521 voor het eerste genoemd worden in Hollandse geschriften. Bovendien heeft geen taalkundige ooit serieus geprobeerd om de naam 'Kennemerland' uit 'Canninefaten' af te leiden, hoewel er wel een paar voorzetten zijn gedaan.

    Zo gemakkelijk ontstonden de mythen, maar ze ontstonden vooral doordat het de chauvinistische vooringenomenheden en de historische verbeeldingskracht streelde. In een tijd waarin de natie het zwaar te verduren heeft wordt graag een beroep gedaan op zo roemrucht mogelijke voorvaderen.

    Ook bij deze mythe geldt dat het opruimen ervan meer overtuigingskracht en bewijzen vragen dan het ontstaan en behoud ervan.

    De naam Canninefaten of Kaninefaten wordt wel eens vertaald met 'konijnevangers' of 'lookmeesters'. Beide associaties zijn foutief en gebaseerd op een klankovereenkomst en foutieve afleidingen.
    De Canninefaten worden in Nederland traditioneel langs de Noordzeekust geplaatst. En in de duinen zitten natuurlijk konijnen. Echter het latijnse woord voor konijn is "leporides". In de dierenwereld worden konijnen ingedeeld bij de "Oryctolus Cuniculus"; in het frans is het lapin, in oud frans 'connil', in oud fries 'con(n)in'. De etymologie tussen Canninefaat en 'cuniculus' wordt nergens als zodanig vermeld. Canninefaat lijkt alleen op het Duitse "Kaninchen", waarmee meteen de herkomst van deze mythe wordt geëtaleerd: uit het sprookjesland van Jacob en Wilhelm Grimm.

    Canninefaten zou ook "lookmeesters" betekenen. De vraag is dan meteen welk look? Knoflook (Latijn: allium sativum) of berglook (Latijn: Allium Carinatum)? Beide vind je niet langs de kust van Holland. Ook hier speelt de mythe een grotere rol dan de historische werkelijkheid.

  • De visie van Albert Delahaye.
    De Stam der Canninefaten (ook Cananefaten, Cannanifates of Canninefates) woonden volgens Plinius (Nat.Hist. IV, 101), evenals de Friezen, Chauci en Marsaci op eilanden tussen Renus en Helinium. "In de Renus zelf ligt, bijna 100 mijlen in de lengte, het zeer edele Eiland van de Bataven en de Cannenefaten, en andere van de Frisones, Chauci, Frisiavonen, Sturii, Marsaci die zich uitstrekken tussen Helinium en Flevum." Waar in Nederland kan dat geweest zijn? Het Flevum was volgens de traditie het IJsselmeer, het Helinium de monding van de Maas.
    De Chauci worden volgens diezelfde traditie in Noord-Nederland en Noord-Duitsland tussen Eems en Elbe geplaatst. Omdat hun verblijf daar niet overeenkomt met wat de klassieke Romeinse schrijvers vermelden, worden ze gemakshalve vaak maar een "zwerfvolk" genoemd. Zo lost de historische wereld haar topografische problemen op.
    De Canninefates waren de bewoners van Genech op 25 km. zuidoost van Rijssel en op 40 km van Béthune.
    De Romeinse Renus was de Schelde, het Helinium lag ten oosten van Kortrijk waar de plaatsnamen Helchin en Hellebecq naamkundige relikten zijn. Erder werd gedacht aan de baai van de Liane die oorspronkelijk ook de Helena heette. Het Flevum was de zeebaai tussen Calais en Oostende, waar voor de kust verschillende eilanden lagen.

    In 9 vóór Chr. onderwerpt Tiberius ver in Germania de Canninefaten en de Attuarii (Suetonius, Tiberius, 15). In het jaar 9 v.Chr. was er nog geen Romein in Noord-Nederland geweest. De Attuarii (ook Atuatuci) plaatst men gewoonlijk in de buurt van Namen. Tiberius zou dus in 9 v.Chr. zowel in Holland als in Wallonië gevechten geleverd hebben. Ook hiermee wordt weer aangetoond dat de traditionele opvattingen een onmogelijkheid zijn.

    Na het jaar 4 na Chr. onderwerpt keizer Tiberius de Canninefaten, wat hen een eerste historische vermelding oplevert bij de Romeinse geschiedschrijver C. Velleius Paterculus (ca. 20 voor Chr.-35 na Chr.) die in zijn Historiae Romanae, boek II, hoofdstuk 105, uit 29/30 na Chr. het volgende meldt:
    "Hij [Tiberius] drong Germania opnieuw binnen. De Canninefaten, de Attuariërs en de Bructeriërs werden onderworpen, de Cherusciërs (Arminius, die ons weldra een geduchte nederlaag zou toebrengen, sproot uit deze stam voort) werden opnieuw onderworpen, de Visurgus werd overgestoken en de gebieden daarachter binnengedrongen".
    De Attuariërs worden gewoonlijk in Namen (Frans Namur) geplaatst maar woonden in Ath niet ver daar vandaan; de Bructeriërs woonden in Broxeele, en niet, wat er in De Franken in Nederland van wordt gemaakt, op een onbestemde plaats 'tegenover Keulen' (Blok); de Cherusciërs woonden in Chérisy en niet ergens in Midden-Duitsland; de Visurgus is de Wimereux en niet de Wezer in het hoge noorden van Duitsland waar nooit een Romein voet heeft gezet. De Canninefaten kunnen op grond van deze eerste vermelding dus moeilijk in Kennemerland of Zuid-Holland geplaatst worden.

    Tacitus (ca.55-117 n.Chr.) vermeldt de Canninefaten in twee boeken : in zijn Annales en zijn Historiae; in zijn Germania komen ze niet voor. Tacitus zegt letterlijk dat de Canninefaten woonden in de Gallische landen. Daartoe kan het grondgebied in Zuid-Holland net zo min als Kennemerland gerekend worden. Julius Honorius is in 410 na Chr. de laatste die de Canninefaten vermeld, in zijn Cosmographia, hoofdstuk 13, in 410 na Chr., temidden van andere stammen: "Als stammen bevinden zich in de provincies van de westelijke Oceaan: Chatti, Chauci, Cherusci, Usipii, Quadi, Vaccaei, Verdaci, Frisones, Canninefates, Allobroges, Alaudes, Ruteni, Teutones, Cimbri, Antequini, Cenomanni". Tot de provincies van de westelijke Oceaan kan men toch moeilijk midden- en zuid-Duitsland en zelfs Zwitserland rekenen, waar men traditioneel de Quadi plaatst.

    Het is overbodig te zeggen dat deze namen in Nederland nergens in een samenhangend geheel kunnen worden aangewezen. En als Midden- en Noord-Duitsland tot aan Denemarken erbij worden gesleept, waar nooit iets Romeins gevonden is en waar al die namen 'verdwenen' zijn, dan is het toch wel duidelijk dat ook de Canninefaten elders gezocht moeten worden dan in Nederland "ergens" langs de kust.


    Wat schrijven de Nederlandse historici over de Canninefaten?
    W.A. Byvanck, Nederland in den Romeinschen tijd.

    W.A. van Es, De Romeinen in Nederland, 1981.
    We geven enkele citaten uit dit boek van Van Es.
    "In het middennederlandse rivierengebied hebben zich de Bataven en hun verwanten de Cananefaten (schrijfwijze bij Van Es) gevestigd. Beide groepen hadden zich van de Chatti aan de bovenloop van de Weser afgesplitst (zie noot 1) en waren tussen 50 en 12 v.Chr. in hun nieuwe woonplaats aangekomen. De Cananefaten hadden zich in Zuid-Holland gevestigd, vermoedelijk door de Zuidhollandse venen van de Bataven min of meer gescheiden. De Maas vormde waarschijnlijk hun zuidelijke grens". "Hoe de vroegere bewoners van het uitgestrekte woongebied van de Bataven en Cananefaten heetten, weet men niet zeker" (p.27)
    "Het grote veenkussen, dat de Cananefaten van de Bataven scheidde, was niet bewoonbaar " (p.223)
    "De nederzetting op De Bult bij het Haagse Rijswijk is een van de weinige die nagenoeg volledig zijn opgegraven. Zodoende zijn wij over tenminste één nederzetting uit het land der Cananefaten uitvoerig ingelicht" (p.159).
    "De vraag in hoeverre Rijswijk representatief is voor de overige nederzettingen in het Cananefatenland, blijft voorlopig door gebrek aan gegevens moeilijk te beantwoorden" (p.165)
    Commentaar: Van Es weet het niet zeker (p.27), maar baseert zijn opvatting slechts op vermoedens en waarschijnlijkheden. Bij gebrek aan zowel archeologische als tekstuele gegevens, is de aanname van Van Es op drijfzand gebouwd.
    De Cananefaten waren een omvangrijk en krachtig volk. Daarvan is in de Nederlandse archeologie, waar bij Rijswijk slechts de vermoedelijke plattegronden gevonden zijn van 3 boerderijtjes, nooit iets gebleken.
    Een dorp is in Rijswijk nooit gevonden (p.164). Waar woonden de Cananefaten?
    Ook de opgravingen in Ockenburg en Kethel geven geen uitsluitsel. Daarover concludeert Van Es: "Een marginaal gebied met voor bewoning en bedrijfsvoering minimale mogelijkheden" (p.166).
    "Het gebied van de Cananefaten zou de civiele en militaire bevolking wel eens niet hebben kunnen voeden" (p.229). De vraag blijft waar dan het grote en machtige volk der Cananefaten dan gewoond en geleefd hebben als er te weinig voedsel en plaats voor bewoning was?

    Hieruit blijkt klip en klaar dat het volk der Caninefaten, net zo min als de Bataven, niet in het Nederlandse rivierengebied hebben verbleven. Behalve dat er te weinig plaats was en te weinig voedsel, is er ook niets van omvangrijke nederzettingen ("men zou van gehuchten kunnen spreken" p.230) teruggevonden. "Gezien de beschikbare hoeveelheid landbouwgronden zou de Cananefaatse plattelandsbevolking maximaal tussen de 6500 en 19000 zielen sterk zijn geweest. Aangenomen dat alle beschikbare gronden in de 2e eeuw in gebruik waren" (p.231) "Deze cijfers zijn uiterst hypothetisch" (p.231).
    Bataven en Cananefaten hadden zich tot levering van troepen aan de Romeinse legers verplicht. "Dat moet met de beschikbare voorraad mensen een hele toer zijn geweest" (p.231). Op p.253 schrijft Van Es echter: "Bataven en Cananefaten kwamen in grote getalen naar alle delen van het rijk: naar het Oosten, Corsica, Noord-Afrika, Dalmatië, het Donaugebied en Engeland". Hoe waren zij in staat die grote getalen legionairs te leveren?
    "Het nederzettingensysteem van de Bataven en Cananefaten was geen statisch gegeven. Het was het resultaat van een ontwikkeling die zich, voor zover te beoordelen valt, na 70 heeft versneld en omstreeks het midden van de 2e eeuw in grote lijnen afgesloten was" (p.230). "Over het nederzettingensysteem uit de late 3e en de 4e eeuw is zo goed als niets bekend" (p.232).

    (noot 1) De Bataven en Cananefaten hebben zich van de Chatti afgesplitst. Zij hebben dus gezamenlijke stamouders en dus ook zeker gezamenlijke gewoonten gehad. Toch is voor Van Es het verschil in de (plattegrond-)afdruk van huisvormen (?) de reden om verschil te maken tussen het woongebied van de Bataven en dat van de Cananefaten (zie p. 173-181).

    D.P.Blok, De Franken in Nederland.
    Blok noemt in zijn boek de Chamaven, Chauken, Chatti, Chattuarii, de Friezen, de Bructeri, de Bataven, de Salii, de Amsivarii als voormalige bewoners van ons land. De Canninefaten noemt hij niet. Waar zij gewoond hebben, maar vooral waar zij gebleven zijn na de Romeinse tijd, laat Blok in het midden. De reden van Blok om de Canninefaten te verzwijgen is waarschijnlijk dat hij op die plaats aan de kust ten zuiden van de Rijn de Salliërs wil plaatsen (p.16,17).

    Ach ja, verzucht Blok (p.17) "het blijft natuurlijk een hypothese, maar bij het volkomen ontbreken van berichten over wat zich aan de rechterzijde van de Rijn afspeelde, kunnen we ook niet verder komen. Dat oostelijk Nederland echter tot het uitgangsgebied van de Franken behoorde, mogen we wel als zeker aannemen".

    En zo komt de Nederlandse traditie aan haar "zekerheden". Het zijn dus hypothesen en aannames!

    Ganuenta, hoofdstad van de Canninefaten.
    Op een van de in de Oosterschelde gevonden Nehalennia-altaren is de plaatsnaam Ganuenta te voorschijn gekomen, die Bogaers en Van Es niet thuis kunnen brengen (Van Es, De Romeinen in Nederland, p. 131, 199, 217, 220, 233), maar waarvan zij veronderstellen dat de plaats daar in de buurt gelegen heeft. Het is de normale fout van de Nederlandse archeologen. Wanneer zij een votief-, graf- of altaarsteen met een naam aantreffen, konkluderen zij meteen dat die plaats dan ook dáár gelegen heeft waar de steen gevonden is, een methodiek die door honderden gelijksoortige stenen over de Romeinse wereld wordt gelogenstraft. De in Nijmegen gevonden steen van een Moriniër van Terwaan is zelfs een zéér bij de hand liggend voorbeeld voor de onjuistheid van deze methode.
    Van Es brengt Ganuenta in verband met de Frisones, en daar zat hij op de goede weg. Het is natuurlijk de naam van Genech, de hoofdplaats van de Canninefaten, naaste buren van de Frisones in Vlaanderen. De naam Ganuenta is afgeleid van het Gallische "gena" = riviermond, wat ter plaatse geheel klopt, daar dit volk gezeten was aan een der Monden van de Renus-Schelde, die naar het grote deltagebied van het Flevum uitstroomde. Diezelfde stam zit ook in het woord Gandavum, welke naam natuurlijk eveneens dubbel voorkwam: een Gandavum in het leven van St. Amandus genoemd, dat vermoedelijk ook Genech was of een andere plaats aan de kust, en het latere Gent (zie de teksten over St. Amandus). De Nederlandse plaatsnamen Gendt, Genderen en Gendringen hebben een andere afleiding en worden zeker niet met Ganuenta bedoeld.

    Het zal toch zeker niet zo zijn dat de Canninefaten hun hoofdstad Ganuenta in het land van de Bataven zouden hebben gebouwd, zoals de Bataven hun hoofdstad Lugdunum Batavorum in het land van de Canninefaten bouwden, wat de Nederlandse traditie ervan maakt.
    Deze historische kronkel zagen Bogaers en Van Es dus ook wel in. Vandaar hun stilzwijgen over Ganuenta.

    De "pagus Catualinus" (Van Es, p. 217), eveneens een raadsel voor Bogaers en Van Es, is vanzelfsprekend afgeleid van het op de Peutinger-kaart voorkomende Catualium, dat Couthuin (B.) was en dus niet de plaats Heel in Limburg.


    Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.