Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Dendrochronologie ofwel jaarringen datering.

Dendrochronologie of jaarring(en)onderzoek is de wetenschapsdiscipline die zich bezighoudt met het dateren van houten voorwerpen of archeologische vondsten aan de hand van in de voorwerpen herkenbare groeiringen.

Bomen in een gematigd klimaat groeien maar een deel van het jaar: in de winter vindt geen groei plaats. Onder gunstige omstandigheden groeit de boom snel en zijn de cellen (en de ringen) groot en wijd; wordt het weer slechter dan worden ook de cellen (en de ringen) kleiner en de laag dichter. Als gevolg hiervan is op de doorsnee van een stam een lijnenpatroon van concentrische ringen zichtbaar.


Jaarringen van een in februari 2007 omgewaaide boom.

In droge en natte jaren, of in koude en warme, zullen bomen verschillend dikke jaarringen afzetten. Hierdoor ontstaan patronen van dikke en dunne jaarringen die bij alle bomen in een bepaald gebied, (die aan dezelfde klimaatomstandigheden zijn blootgesteld) vergelijkbare patronen veroorzaken, te zien als lichtere of donkere ringen. Deze patronen worden gebruikt in de dendrochronologie.

Het basis principe van deze dateringsmethode is dat een opeenvolgende reeks met voldoende jaarringen een patroon bevat dat uniek is voor een bepaalde periode en dat andere bomen in dezelfde periode en binnen hetzelfde gebied een vergelijkbaar jaarringpatroon hebben waardoor deze vergelijkbaar zijn.

Als een jaarringreeks van onbekende ouderdom vergeleken wordt met een jaarringreeks waarvan de datering bekend is (bijvoorbeeld een jaarringreeks van een levende boom) en er wordt een positie gevonden waarop de gelijkenis van beide jaarringreeksen buitengewoon groot is, dan is daarmee de datering van de ongedateerde jaarringreeks een feit. Deze methode kent geen marges; van iedere jaarring in een gedateerde meetreeks is het corresponderende kalenderjaar bekend. Door dit proces te herhalen kan steeds verder terug de tijd in gegaan worden.

Maar:

Jaarringreeksen van minder dan 70 jaarringen zijn doorgaans niet als uniek te beschouwen; voor korte jaarringreeksen kunnen meerdere posities gevonden worden die beide even (on)betrouwbaar zijn. Hierdoor komt maar een deel van de monsters in aanmerking voor dendrochronologisch onderzoek. Ook als een monster wel in aanmerking komt wil dit nog niet zeggen dat het ook een datering oplevert.
De uiteindelijk meetreeks is een reeks getallen. Deze kan ook als een grafiek weergegeven worden waardoor het menselijk oog makkelijker overeenkomsten vast kan stellen. Dit is een zeer belangrijke stap van het onderzoek. Het meeste hout dat onderzocht wordt is ergens tussen het heden en 2500 jaar geleden gekapt. Daarnaast zijn voor verschillende herkomstgebieden aparte referentiecurven nodig omdat de bomen onder andere omstandigheden gegroeid zijn.
Dit betekent dat voor iedere meetreeks al gauw een paar duizend mogelijke posities gecontroleerd moeten worden. Om dit te vereenvoudigen wordt door een computerprogramma iedere mogelijke positie statistisch gecontroleerd en de berekende waarden van hoog naar laag gerangschikt. Op deze wijze worden mogelijke posities er uit gefilterd. Hierna moet de positie door de dendrochronoloog visueel beoordeeld worden en vervolgens verworpen of geaccepteerd worden.

Dendrochronologie is dus niet zo absoluut als de wetenschappers ons voor wensen te houden.
Dendrochronologie.
De dendrochronologie is een methode om hout te dateren door de jaarlijkse groei-ringen van bomen te tellen. Deze methode bepaalt in welke periode de boom werd gekapt. Bij de datering van hout met deze methode moet echter ook de geografische oorsprong ervan bepaald zijn. De periode tussen 400 en 1000 blijkt in de vele onderzoeken minder goed vertegenwoordigd te zijn. Het natuurlijke materiaal beperkt zich tot de periode 400-570 n.Chr., hetgeen betekent dat de Nederlandse kalender van inheems eikenhout hier haar chronologische eindpunt bereikt. Voor het dateren van in Nederland gegroeid (inheems) eikenhout is er in de periode 570-1000 n.Chr. dus sprake van een kennislacune. Daarbij komt dat de dataset niet landsdekkend is; Noord-Nederland en Zeeland zijn sterk ondervertegenwoordigd. (Bron: Esther Jansma -ROB/Nederlands Centrum voor Dendrochronologie RING).

Betrouwbaar dateren?
Dendrochronologisch onderzoek zou bestaande historische opvattingen kunnen bevestigen of weerleggen. De opeenvolging van de jaarringen vormt een 'streepjescode' die momenteel teruggaat tot aan de ijstijd en die voor het eerste millennium n.Chr. volledig is. Echter hieraan wordt door andere dendrochronologen getwijfeld. Zij geven aan dat er juist in de karolingische periode hiaten zitten. Alle pogingen om een sluitende cyclus van Merovingisch hout te verzamelen hebben gefaald (Hans Erdmann Korte). Zij geven ook aan dat deze methode minder nauwkeurig is dan te vaak wordt toegedicht. "Er zijn zelfs teksten uit geschriften gebruikt om de dendrochronologie sluitend te krijgen" (Petra Ossowski en Larse Ake Larsson). Bij de hypotheses met betrekking tot de chronologie van het eerste millenniumm is de vraag naar ononderbroken en eenduidige jaarringen van 2000 jaar van groot belang. Hierbij is wel de nodige voorzichtigheid gewenst: in bepaalde situaties kan een boom een afwijkend ringpatroon vertonen. Dit kan bijvoorbeeld door de bodemgesteldheid of de vochtigheid komen.
Bij archeologische opgravingen worden vaak stukken hout aangetroffen. Indien deze stukken hout voldoende ringen hebben (meer dan 60, anderen menen meer dan 80 als men betrouwbaar wil dateren. Zie E.Jansma 2016 hieronder.) kunnen deze met behulp van dendrochronologie gedateerd worden. Hierdoor is het mogelijk om de kap van bomen voor de bouw van bijvoorbeeld een beschoeiing, waterput of gebouw tot op het jaar(seizoen) nauwkeurig te dateren. Ondanks de voorschrijding van de techniek is een monster met minder dan tien ringen NIET te dateren.

De natuurwetenschappelijke methode van dateren door dendrochronologisch onderzoek zijn vanuit het oogpunt van absolute datering aan discussie onderhevig. Daarbij spelen de volgende aandachtspunten een rol:
  • Er is slechts een zeer kleine groep experts mee bezig, die kwasi-wetenschappelijk en een beetje arrogant beweert dat anderen er dus geen verstand van hebben. Maar kan niet iedereen jaarringen tellen? En weet niet iedereen dat een boom een afwijkend ringpatroon kan hebben en dat een jaarring ook nooit absoluut rond is? Het uit een stuk hout genomen "monster" kan dus net een afwijkend patroon vertonen.
  • De hierboven genoemde "kennislacune" kent te weinig vergelijkend materiaal om tot een betrouwbare datering te komen. Als de herkomstplaats van het hout niet bekend is kan dat al leiden tot afwijkingen van meerdere decennia.
  • Bomen en dus jaarringen groeien ongelijkvormig. Zie de foto hierboven. De zonnekant van een boom groeit sterker dan de schaduwkant. Aan elke boom kan men constateren dat de jaarringen verre van rond zijn. Het is dus van belang te weten van welke kant van een boom het hout komt. Hieronder twee voorbeelden van DEZELFDE boom. de jaarringen zijn wel te tellen, maar de dikte is te verschillend om er een datering mee te bepalen als men ťťn van deze stukken heeft.


  • Er wordt te weinig ingegaan op de kritiek op het absolute van de dendrochronologie. De datering is zeker niet absoluut. Meestal wordt hout ouder gedateerd dan het is, wat blijkt uit schriftelijke bronnen.
  • Er wordt te weinig rekening wordt gehouden met de geografische herkomstplaats die vaak onbekend is, de bodemgesteldheid (nat of droog) of klimaatverschillen (veel of weinig zon enz.) daar. Allemaal onbekende factoren die van grote invloed zijn op de datering van hout. Het hout uit de Romeinse tijd in Nederland wijst op een omvangrijke houthandel en blijkt massaal van elders te komen. Maar waar vandaan precies, is niet bekend. Als het geografische herkomstgebied niet exact bekend is zijn de onderzoeksresultaten dus niet absoluut, maar onzeker en dus aan discussie onderhevig.
  • Met dendrochronologisch onderzoek kan het jaar(seizoen) van de kap van de boom vastgesteld worden. Maar het jaar van kappen is per definitie niet gelijk aan het jaar van gebruik. En juist daarmee gaat de archeologie vaak in de fout. Er wordt te weinig en soms zelfs geen rekening gehouden met de periode van opslag, verwerking, vervoer en vooral van hergebruik van het hout. Hergebruikt hout in gebouwen is per definitie ouder dan het gebouw zelf. Hergebruikt hout komt met name voor in fundamenten van latere (stenen) gebouwen. Daarvoor gebruikte men geen nieuw jong hout, maar oud en doorhard hout. Hergebruikt hout komt ook veel voor in boerderijen, stallen, zeker bij primitieve volkeren, waar hergebruik vanzelfsprekend is. In Wijk bij Duurstede werden wijnvaten dendrochronologisch gedateerd zonder rekening te houden met de periode tussen kap, gebruik en het hergebruik van deze wijnvaten als waterput. Een nieuw wijnvat gebruik je niet als wand van een waterput. Dat kan zo maar 100 tot 200 jaar verschil opleveren.

    Jansma,E., 2016: 'Richtlijn houtmonsters dendrochronologisch dateringsonderzoek', in: KNA Opgraven (landbodems) Protocol 4004, 67-68.
    Met dit nieuwe protocol wil men blijkbaar de in het verleden gemaakte fouten herstellen. Men is voorzichtiger geworden met dateren op grond van dendrochronologie. Het protocol bleek noodzakelijk aangezien dateringen onjuist bleken te zijn. Zo moet met dit protocol voldaan worden aan meerdere voorwaarden wil men tot een betrouwbare datering komen.
    Conclusie: alle in het verleden gedane dateringen aan de hand van de oude dendrochronologie zullen opnieuw getoets moeten worden. Het komt er tegenwoordig op neer dat er per object/bouwfase 3 houtmonsters genomen dienen te worden die voldoen aan de volgende criteria:
    1. de houtsoort is dateerbaar (in Nederland eik, es, iep zilverspar, fijnspar, grove den);
    2. bij bewerkt hout: het houtmonster bevat meer dan 70 jaarringen; bij onbewerkt stamhout: het houtmonster bevat meer dan 80 jaarringen;
    3. het hout is regelmatig gegroeid, het betreft geen wortelhout en er is geen sprake van wondweefsel, noesten of zijtakken;
    4. ten behoeve van de exacte datering van de kapdatum: het monster bevat de laatst gevormde jaarringen uit het leven van de boom (bij eiken: spinthout).
    Pas hierna kunnen meer betrouwbare conclusies getrokken worden.
    Bij de opgravingen in Wijk bij Duurstede is in elk geval niet volgens dit protocol gewerkt om de eenvoudige reden dat het toen nog niet bestond. Die gegevens zullen allemaal herzien moeten worden wat tot een andere conclusie zal leiden.

    De algemene conclusie is dan ook dat datering op grond van dendrochronologisch onderzoek niet de absolute zekerheid biedt die betreffende wetenschappers er zo graag aan geven.

    Een voorbeeld van de jaarringen van een boom. Voor een vergroting klik op de foto.

    Deze boom telt zeker 100 jaarringen, al zijn ze in de (zwarte) kern niet heel duidelijk te tellen. Tel ze zelf anders even na.
    Men ziet duidelijk dat de kern van deze boom niet in het midden zit. De breedte van de jaarringen links-onder zijn ook duidelijk verschillend van de breedte ven dezelfde jaarring rechts-boven.



    Bij de afbeelding: Chronologische verdeling van Vlaamse sites in TG (A). Vierkanten: geschatte kapdatumbereiken op basis van het aantal spinthoutringen. De kapdata van De Meern 1 en 4 zijn rood gemarkeerd. De Meern 6 is uitgesloten van deze grafiek wegens gebrek aan spinthout. (Voor interpretatie van de verwijzingen naar kleur in deze figuurlegenda is de lezer dat wel verwezen naar de webversie van dit artikel).
    Uit een recente studie van Esther Jaarsma e.a.
    De mogelijkheden van dendrochronologie in de Lage Landen zijn aanzienlijk verbeterd sinds de ontwikkeling van de DCCD-infrastructuur (Jansma et al., 2012a; Jansma, 2013). De huidige studie was gericht op drie scheepswrakken uit Utrecht-De Meern, gelegen in het centrum van Nederland langs de noordgrens van Germania inferieur: De Meern 1 en 4 (binnenschepen van de Zwammerdam type) en De Meern 6 (een punter). Eerdere studies gebruikten relatief kleine aantallen dendrochronologische referentiegegevens en plaatsten hun herkomst in Nederland (Jansma, 2007a, b; Dallmeijer en Morel, 2012). Maar de huidige studie is gebaseerd op een veel grotere gegevensverzameling en vergelijkingen tussen individuele tijdreeksen en toont in plaats van gemiddelde chronologieŽn aan dat deze schepen in het huidige Vlaanderen zijn gebouwd. Gezien dit onverwachte resultaat, het zal het de moeite waard zijn om de herkomst van hout in de Laag opnieuw te beoordelen Landen en Vlaanderen op een bredere schaal, met de nadruk op andere vondsten groepen uit de Romeinse tijd en onze inspanningen ook uitbreiden naar andere periodes.
    (Bron: A dendrochronological reassessment of three Roman boats from Utrecht (the Netherlands): evidence of inland navigation between the lower-Scheldt region in Gallia Belgica and the limes of Germania inferior Esther Jansma, Kristof Haneca, Menne Kosian, 2014).

    Uit dit artikel blijken twee opmerkelijk zaken: 1. de herkomst vanuit het zuiden en 2. dateringen pas vanaf ca. het jaar 80 n.Chr. op 2006_P3 na.
    Vondst 2006_P3 betreft een plank gevonden in Knesselare (bij Brugge) en gedateerd tussen 124 en 9 v.Chr. (zie p.491). Hier gaat het beslist ook niet over Romeins Nederland.


    Bij de afbeelding: Doordat bomen bij lange droge perioden dunnere jaarringen maken, kan de wetenschap inmiddels terugkijken op het klimaat van de afgelopen 2500 jaar. Foto Bill Oxford.
    Als het juist is wat hier gesteld wordt, zou deze boom vanaf het planten de eerste 29 jaar natte jaren hebben gekend en daarna aansluitend ruim 25 droge jaren. Of zou het misschien zo zijn dat een boom in het begin snel groeit en naarmate de boom ouder steeds minder snel, net als andere natuurlijke levensvormen zoals de mens en het dier?

    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

  • Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.