Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Teutoons - Diets - Dutch - Nederlands.

In de bewogen geschiedenis van het Nederlandstalige Dietse volk dat men vaak Vlamingen noemt, nemen de Franse Nederlanden (Noord-Frankrijk) in het algemeen, en Frans Vlaanderen in het bijzonder, een vooraanstaande plaats in.
In het land van de Westhoek, Artesië en Pikardië tot aan de Somme liggen de wortels van onze taal, cultuur en tradities diep begraven onder het gewicht van eeuwenlange strijd! Een gebied van aanhoudende invasies en bittere oorlog, waar haast alle omringende landen tegen elkaar optrokken en waar de bodem met bloed van Romeinen en Bataven, van Fransen, Vlamingen, Engelsen, Spanjaarden, Oostenrijkers, Duitsers... enz. doordrenkt werd. Een smeltkroes van Romaanse en Germaanse cultuur, al naar gelang van menselijke, bodemkundige, economische en taalkundige factoren in mindere of meerdere mate culturen tot uitdrukking gekomen. Een kruitvat van internationale spanningen, een hoogwaardig gebied van grote ambachtelijke nijverheden en technische uitvindingen, een machtige agrarische reserve. Na eeuwenlange strijd, vanaf de opstand van de Bataven (die zich ook hier heeft voorgedaan en niet in de Betuwe) tot Lodewijk XIV en het verdrag van Nijmegen (1678), werd dit gebied definitief bij Frankrijk ingelijfd. Aan die toestand hebben de Spaanse Successieoorlog (1701-1713), de Vrede van Utrecht (1713), enkele grenscorrecties tijdens de 18de eeuw, de Franse Revolutie, de Frans-Duitse oorlog (1870-1871), de bloedige slachtingen van 1914-1918 en vier jaar Duitse bezetting (1940-1944) geen wezenlijke verandering meer gebracht.


Op school werden kinderen gestraft voor hun on-Franse tongval. Tot op de dag van vandaag wordt de plaatselijke Nederlandse taal, het 'Vlemsch' geminacht door de autoriteiten, met als gevolg dat het oorspronkelijk spreken van deze Dietse taal op sterven na dood is. De Franse staat kent een lange geschiedenis van actieve, egalistische natiebouw. In het beeld van één groot Frankrijk met één taal en één cultuur en grandeur, met de politiek van Assimilation als middel om dit doel te bereiken, hebben gemeenschappen van oorspronkelijk anderstaligen, van niet-Fransen, binnen de staatsgrenzen eerder gegolden als een hindernis i.p.v. een culturele verrijking.

Zowel in de geschiedschrijving als in de taal en cultuur werd in Frans-Vlaanderen een onbloedige volkerenmoord gepleegd door de Nederlandse taal te verbieden en de Franse taal in onderwijs en openbaar leven verplicht te maken. Dit gold evenzeer in andere delen van het huidige Frankrijk zoals het Baskenland, Bretagne en Frans Elzas-Lotharingen. Dit deden de Fransen in al hun bezette gebieden, zowel binnen Frankrijk als in de kolonieën, zodat de inlandse taal en deels de cultuur er na 2 á 3 generaties verdween.
Het Vlemsch van het Département Nord-Pas-de-Calais is een minderheidstaal in deze randstreek van Frankrijk. Kijk naar de rest van Frankrijk, waar in de geografische en staatkundige marges van het land autochtone etnische minderheden wonen; aan zee heeft men gepoogd de Bretoense Kelten steevast te verfransen waardoor thans het Bretoens slechts een schim is van wat het was; in het zuiden, aan de golf van Biskaje, stelt het Baskisch nog maar weinig voor; in de aan de Middellandse Zee grenzende streek van de Roussillon zijn er Catalanen die er hun identieke Rossellones spreken, maar het aantal sprekers van dit Catalaans is sterk afgenomen; in de Elzas is het Elzassisch - in feite een Duitse taal - met grote inspanning verdrongen naar enkele kleine dorpen en slechts naar de monden van oudere mensen; noordelijk van Thionville werd er nog Luxemburgs/Lëtzebuergesch - in feite Moezelfrankisch - gesproken. Thans nauwelijk meer.
De grensgebieden zijn veroverd op anderstalige landen en volkeren en de eenheidsdwang van het Frankrijk in de 18de, 19de en 20ste eeuw heeft omvangrijke culturen uitgedund.

De taalgrens dwars door België is niet alleen een politiek probleem in België, maar ook in de historische geografie van West-Europa. Deze grens tussen het Germaanse en Romaanse taalgebied levert historici nog steeds veel problemen op.
De taalgrens wordt al in de 1e eeuw door Tacitus beschreven.

Zolang men blijft vasthouden aan de aloude opvattingen van het ontstaan van die grens, zal men het probleem met alle consequenties vandien niet kunnen oplossen.

In de traditionele Nederlandse opvattingen stammen de oudste Dietse teksten uit het laatste kwart van de twaalfde eeuw, dus na 1175. Men is daarbij helaas vergeten ook even over de grens te kijken. Oudere en wellicht de oudste Dietse (Nederlandse) teksten komen uit Frans-Vlaanderen. Die bestonden daar al voordat er in Nederland sprake was van enige bewoning, laat staan van een zekere geletterdheid. Voordat de ontginningen plaats vonden was Nederland één groot moeras-, wadden- en veengebied en totaal ongeschikt voor bewoning. Pas na het jaar 1000 kwamen de ontginningen en daarmee gepaard de bewoning vanuit het zuiden op gang. Deze immigranten namen ook de hen bekende taal mee en de plaatsnamen die ze toepasten op de nieuw ontgonnen en verworven gebieden. De 'deplacements historiques' is zo oud als de mensheid.

Jacob van Oudenhoven schreef in 1654 in zijn "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" al over "het ontbreken van elke schriftuur", geen enkel geschrift over de geschiedenis van Holland. Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". "Het geeft geen pas", schrijft hij met enige verontwaardiging "zo een ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was". Die oude Jacob had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd

Klik hier voor verdere informatie over de taalgrens.

De taalgrens was ook een volkeren grens, immers een taal wordt gesproken door het volk. Enkele literaire werken zijn ook ontstaan op die taalgrens, zoals het Beowulf-epos, de Gudrun-sage, de sage van de Nibelungen, het Ludwigslied, Carel ende Elegast, Walewein, Flandrijs, Seghelijn van Jeruzalem, het leven van Sint Amand, het Roelandslied, het Oera-Lindaboek en het episch gedicht de Heliand, ook wel 'het Evangelie van de Noordzee' genoemd. Het werd geschreven rond 825 aan de Litus Saxonicum, de Saksische kust van Germaanse zee, nu het Kanaal en de Noordzee. Het waren vanouds Germaanse en Saksische epossen. Maar van welke Germanen en welke Saksen? Van de Germanen van Tacitus en van het oude Saxonia aan de Kanaalkust. Saksen in Duitsland ontstond pas na de 9e eeuw. Zie verder bij Germania en bij de Saxones.

Ook het zo Duits lijkende gedicht Ludwigslied komt van oorsprong uit Frans-Vlaanderen. Het is dus niet door Jacob Grimm geschreven, slechts door hem vertaald. In Vlaanderen was het Teutoonse gedicht bekend onder de titel 'Rithmus Teutonicus de pia memoriae Ludovico rege Filio Ludovici rege' en werd in de bibliotheek van Valenciennes herontdekt. Het Ludwigslied werd geschreven te Sint-Amands. Dit epos behoort ook tot de Oud-Nederlandse letterkunde, het Diets. Door zijn contact met zijn vriend Lodewijk de Baecker werd het bij Grimm bekend die het in het Duits vertaalde.
Het Ludwigslied bezingt de overwinning van de West-Frankische koning Lodewijk III op het leger van de Vikingen in Saucourt-en-Vimeu in 881. De Slag bij Saucourt-en-Vimeu vond op 3 augustus 881, 15 kilometer ten westen van Abbeville plaats en niet ergens in Duitsland. Ook dit traditioneel als Oud Hoogduits geziene gedicht behoort tot het Vlaamse Erfgoed en is met de rest van de geschiedenis vanaf het Germania van Tacitus naar Duitsland getransplanteerd. Slechts de vertaling van Lodewijk (Louis) in 'Ludwig' is het enige 'Duitse' aan dit Dietse gedicht.

Het Saksische epos 'De Heliand' met Friese en Frankische elementen werd tussen 822 en 840 geschreven in het Boonse (Boulogne) aan de Vlaamse kust.

De Beowulf? Angelsaksische of Fries-Saksische erfgoed?

Het Oera Lindaboek? Vals of toch Fries-Saksisch erfgoed?

Over beide boeken zijn de nodige discussies gevoerd en bestaan verschillende meningen. Grond van al deze discussies is dat er getwijfeld wordt aan de authenticiteit van beide werken omdat de inhoud niet toepasbaar bleek op de gebieden die men er traditioneel voor hield. De traditionele toepassing op Engeland (Beowulf) of Friesland in Nederland (Oera-Lindaboek) leveren diverse geografische en historische problemen op. Maar past men beide werken op de juiste streek in Frans-Vlaanderen toe, dan blijken zowel de geografische als de historische problemen wonderwel te verdwijnen als sneeuw voor de zon.
Lees daarvoor: Joël Vandemaele. Het Beowulf-epos. Angelsaksisch of Fries-Saksisch Erfgoed van omstreeks 500 uit Frans-Vlaanderen. Uitgeverij Galerij Katteman 2006.

Meer informatie over 'De Beowulf' en het 'Oera Lindaboek' vindt U hiernaast.

Webstekken met doorverwijzingen:

Vereniging Zannekin

De Roepstem Mooi Frans-Vlaanderen, waar ooit het Nederlands bloeide.

Komitee voor Frans-Vlaanderen.

De Yserhouck.

Widopedia.

Veel woorden in het Nederlands zijn afkomstig uit Frans-Vlaanderen. Ze komen daar in oudere geschriften voor dan bij 'Hollandse' schrijvers.

Voorbeelden zijn:
watergang = wetering
grèpe = greep
dyck (digue) = dijk
connins = konijn
hareng = haring
beke = beek
moque = mok
poznet = polsnet (klein net)
morins = moeras
kalder = kelder
kogge = schip met platte bodem
botkin= bootje
mulle = molen
botkin=bootje
ruie = roeien
getie = getij
dune = duin

Zie voor meer voorbeelden: Lodewijk de Baecker, Les Flamands de France. Etudes sur leur langue, leur litérature et leurs monuments (1850) en Cyriel Moeyaert, Lexicon van de schrijftaal van de Westhoek in Frankrijk en 'Nieuw Oud Vlaams', Woordenboek van het Frans-Vlaams.

Ook andere begrippen zijn afkomstig uit Frans-Vlaanderen en in het Nederland overgenomen. De schrijfwijze kan verschillend zijn, de uitspraak en zeker de betekenis is dat allerminst.
Deurgeld, huysgelt, kerkegelt, kaiegelt, lastgelt, vaertgelt, waghengelt, wehrgelt (=diverse belastingen), dyckgrave, kerels, keurheers, lanthouder, haegepoorters, havendyck, hofstede, wetheeren, moerduivels, scipvaert, tafelhouder (=bureau-houder), woestine enz.
Zelfs oh zo holland lijkende woorden komen uit Frans-Vlaanderen. Het woord poldre is in Frans-Vlaanderen al bekend voordat in Nederland de eerste ontginningen plaats vonden. Poulre - poldre = polder (via poul/poel=ondiepe waterkuil = modderplas). Het Latijnse palus (moeras) is eraan verwand, wellicht het 'grondwoord'.



St.Mommelin de Noyon.


Diets: Middelnederlands, diet (volk), dus eigenlijk: taal van het volk. Diets is de Vlaamse nevenvorm van Duuts en (na de ontwikkeling tot tweeklank) Duits. Alle woorden zijn afkomstig van dezelfde wortel. Het woord Diets kwam na 800 op om het Duits-Nederlandstalige volksdeel van het Frankische Rijk tegenover de Romaanssprekenden (Latijn en Frans) aan te duiden. Het woord is ook nog terug te vinden in het Duitse Deutsch en het Engelse Dutch. In de Middeleeuwen was het de benaming voor de Middelnederlandse dialecten. In de 19e eeuw werd de term vooral door "Flaminganten" gebruikt voor de Nederlandse taal en de Nederlandse stam, zowel binnen als buiten de staatkundige grenzen van het Koninkrijk. Later werd de benaming overgenomen door de voorstanders van Groot-Nederlandse idealen van culturele en politieke aard, verenigd in de "Dietse Beweging". Sinds de Tweede Wereldoorlog is het woord in onbruik geraakt door misbruik in nationaal-socialistische kringen.

De Dietse Beweging, is een stroming in de Vlaamse Beweging van de 19e eeuw, die in taalkwesties vooral uitging van de verwantschap tussen het Nederlands en het Nederduits. In engere zin is het begrip gehanteerd in de Groot-Nederlandse gedachte.
De visie van Albert Delahaye.

Frans-Vlaanderen is altijd een gebied geweest van grote contrasten. Het was het gebied waar volkeren uit verschillende culturen elkaar ontmoetten, wat menigmaal voor conflicten zorgden.
Toch heeft dit gebied een rijke culture erfenis en een omvangrijk erfgoed voortgebracht.
Niet alleen de tradities van predikers en heiligen werd uit deze streek geïmporteerd in Nederland, maar ook veel namen van plaatsen en streken. Ook het Diets waaruit de Nederlandse taal ontstond, kwam van oorsprong uit Frans-Vlaanderen.
Veel culturele en klassieke geschriften zijn juist in deze streek ontstaan, waar men altijd veel contacten had met andere volkeren en landen. Het gebied "de Westhoek" is de bakermat van het Diets, waarin het Nederland, het Fries, het Engels en het Duits hun oorsprong vonden en dat vele literaire werken heeft voortgebracht.
Voorbeelden van die rijke culturele geschriften zijn de Beowulf, de Gudrunsage, het Roelandslied, het Ludwigslied en de verhalen van de Nibelungen die allemaal in Frans-Vlaanderen hun oorsprong vinden. Ook alle geschriften die men hanteert als zijnde van Echternach, Egmond en Utrecht zijn uit deze streek afkomstig. Voorbeelden daarvan zijn het Psalter van Utrecht, Het cartularium van Radboud en de oorkonden van Werden. Ook het Oera Lindaboek vindt zijn oorsprong in dezelfde streek van Frans-Vlaanderen.


Het Nibelungenlied.
Het Nibelungenlied is een heldenepos bestaande uit ongeveer 2300 strofen, waarin de ondergang van het huis van de Bourgondiërs wordt beschreven. Het lied is in zijn rijkdom en diepgang, alsmede door zijn meeslepende stijl, een absoluut hoogtepunt in de vroegmiddeleeuwse literatuur. De Duitse dichter en filoloog Karl Simrok (1802-1876) heeft het Nibelungenlied in het Duits vertaald. Hij was ook de auteur van Die Deutsche Volksbücher en daarmee werd het van oorsprong Dietse heldenepos in de 19e eeuw een Duits heldenepos. De Bougindii (Burgondiones) was een volksstam die rond Bourghelles woonden en niet ergens in Duitsland. Ze worden al in de 3e eeuw door Romeinse schrijvers genoemd als volk in Gallia. Er bestaat geen enkele klassieke tekst die bevestigt dat de Burgundiones ergens in Duitsland woonden. De vermelding dat ze zich in de omgeving van de Renus
(zie daar) genesteld hadden heeft geleid tot de opvattingen van de Grote Volksverhuiszing waarmee het Nibelungenlied plots Duits werd.
De Nibelungen sage is een oud-Saksische sage waarin Siegfried en Brunhilde de hoofdpersonen zijn. De Route Brunehaut (Chaussée Brunehaut ofwel de Via Belgica) verwijzen nog steeds naar de oorsponkelijke plaats waar deze sage zich afspeelde. Daar zit geen meter Duitsland bij.

Teuten waren geen Duitsers, maar bewoners van het Germania van Tacitus in Frans-Vlaanderen.
De taal van de Teutones, het Teutoons, 'lingua teutonica et teutisca', werd hier gesproken door de abten Adelhardus van Corbie, door Mommelinus van St.Omer en door Lambertus van Trith-Trajectum.
Juist in de streek waarin zoveel conflicten hebben plaats gevonden, is de schriftelijke overlevering opvallend rijk geweest.
Het is ook dit gebied dat de bakermat is van het Teutoons, de taal der Teutonen, waaruit het Diets en later het Nederlands ontstaat. En precies hier vindt men het Teutoonse Woud, waar de Varusslag (zie daar) zich heeft voorgedaan.
Al bij Julius Caesar is sprake van het volk van zeevaarders dat aan de kust van het Kanaal woonde en Diabintes genoemd worden. Het Diabintes is de latijnse afleiding van de taal die zij spraken, het Teutoons. Het oudste historisch verband wordt genoemd door Julius Caesar die de Teutonen aan de oceaan noemt als voorvaderen van de Attuatuci. (De Bello Gallico II, 29). En precies hier vond de strijd plaats tussen de Romeinen en de Cimbren en Teutonen en niet in Duitsland of ergens in Nederland, waar Julius Caesar nooit geweest is.

De Romeinse schrijver Pomponius Mela vermeldt dat de Teutones tussen Helinium en Renus leefden bij de zeearm Codanus. Het Helinium was de Liane, de 'renus' het Flevum tussen Aa en Schelde. De Codanus sluit de discussie; dat was Het Kanaal en niet 'Het Kattegat' bij Denemarken. Maak van Helinium eens de monding van de Maas en van Renus de Rijn, wat de traditionalisten doen. Hoe staat dat dan in verband met Het Kattegat?
Het misverstand is ontstaan door het verkeerd begrijpen van enkele Romeinse schrijvers, waardoor het Romeinse germania op Duitsland werd geplakt. Mela (Chrorographia III, 30-32) vermeldt dat de Codanus boven de Albis ligt. Maakt men van Albis de Elbe, dan komt men dan wel in Denemarken uit, maar niet in de Oostzee. Ook hier blijkt weer dat men de klassieke teksten vrij globaal en onjuist toegepast heeft. Het Kattegat ligt niet boven de Elbe. De Elbe stroomt uit in de Waddenzee (Noordzee) bij Cuxhaven. Maar zowel in Noord-Duitsland als in Denemarken zijn de Romeinen nooit geweest en hebben er ook nooit over geschreven. De Albis was ook niet de Elbe, maar de Franse Aa, die door een kalkgebied stroomt, waardoor het water wit van kleur is: Alba=wit. De Italiaanse plaats Alba (waar het hoofdkantoor van Ferrero is gevestigd) is bekend om zijn witte truffels.

Plinius noemt dezelfde Codanus als een zeebaai bij het promontorium van de Cimbri wat het Flevum tussen Cap-Gris-Nez en Cap-Blanc-Nez was. Ook hier past Denemarken totaal niet in dit verhaal.
Florius (Epitome, I, 60, -120 n.Chr.) noemt de Cimbri, Tungri en Teutones volkeren van de oceaankust die hun land moesten verlaten vanwege langdurige overstromingen. Het gaat hier evenmin over Duitsland of Denemarken, maar over de kust van het Kanaal.

Suetonius zegt in zijn boek 'De Keizers van Rome' (vertaling V.d.Hengst, p.72) dat de Cimbri en Marsi tegen Varus streden in 9 n.Chr. Zij waren buren van de Teutones, dus streed Varus in de streek van Thiembronne (F.) met warmwaterbronnen en Mont Teutins (in Rinxent bij Marquise) en niet ergens ver in Duitsland. Daar is Julius Caesar die ook streed tegen de Cimbri en Teutones ook nooit geweest. Een der plaatsnamen die aan de Teutonen herinnert is Tutioville, de oude vorm van Doudeauville. Zie verder bij Varusslag.

Het Teutoons.
Tot ver in de 16e eeuw wordt het Nederlandse taalgebied van Frans-Vlaanderen Teutonica genoemd. Petrus Curius stelt in 1538 zijn Grieks-Nederlands woordenboek samen onder de naam van 'Vocubula Graece et Teutonica interpretata'. Dit woordenboek beïnvloedt het meesterwerk van Kiliaan dat de titel draagt: Etymologicum Teutonica Linguae, uitgegeven in Antwerpen in 1599. (Bron: Frans-Vlaamse lexicografen door dr.F.Claes s.j. in De Franse Nederlanden, jaarboek 1981).

De Annales Vigorniensis et Teohesburiensis (MGHS, XXVIII, 467) noemen in 1234 de strijd tussen Christenen en ketters op een eiland dat Stadingas heet. De expeditie stond onder leiding van de voogd van Béthune en graaf Boudewijne Annales Vigorniensis et Teohesburiensis van Bethune. De Annales Coloniensis (is niet Keulen, maar Cologne bij Calais! MGHS, XVII, 843)geven aanvullende informatie over de streek waar deze strijd zich voordeed en wel 'in de uiterste gebieden van Teutonia en Flandria'. Wie hier aan Duitsland denkt, moet toch eens een atlas aanschaffen. In datzelfde jaar sneuvelde de graaf van Holland (Floris IV) op een toernooi te Corbie, in het bisdom Amiens. Dit toernooi plaatst Het Bronnenboek van Nijmegen in Nijmegen.

De Stadingi woonden in het grensgebied van Frisia en Saxonia, omringd door ontoegankelijke moerassen en rivieren. Het was dezelfde streek waarvan sprake is van de 'iles Flottantes', de streek van St.Omaars tot Nieuwpoort (in België) waar ook Plinius over schreef. De Stadingi weigerden tienden te betalen en waren vele jaren in de ban van de Kerk. In die oorlog zijn meer dan 2000 soldaten gesneuveld, de overblijvers vluchtten naar de naburige Frisones. Het is ook precies dit gebied, de Westhoek geheten, waar het allereerste fabrieksproletariaat van Europa ontstond en waar de bevolking in opstand kwam vanwege sociale uitbuiting. De hervormde predikanten, de protestanten, kregen met hun nieuwe godsdienst voet aan de grond bij de bevolking die protesteerden tegen de bestaande sociaal economische structuur, waarbij men de kerk en het Spaanse gezag als oorzaak zagen. Op 10 augustus 1566 na een zoveelste 'hagepreek' sloeg de vlam in de pan en kwam (een klein deel van) de bevolking in opstand tegen het gezag, in wat wij sindsdien de Beeldenstorm noemen.

In de "Allerneueste Beschreibung von gantz Deutschland aus der Alten und Neuen Geografie" van M.Joh.Samuel uit 1713 (zie afbeelding hiernaast) wordt Flandria Teutonica beschreven als het gebied van Flamisch Flandern, waarin Gent ligt. Foutief wordt hier Julius Caesar als stichter van de stad genoemd, net zoals Caesar ook onjuist als stichter van Nijmegen te boek stond. Het is wel duidelijk dat Teutonica in Vlaanderen lag en niet ergens in Duitsland. Die onjuiste opvatting is in elk geval pas na 1713 ontstaan.

In 1567 schreef regentes Margareta van Parma in haar strijd tegen het Calvinisme aan koning Filips II van Spanje: "Als ik Doornik en Valenciennes kan heroveren en in enkele andere plaatsen in Vlaanderen garnizoenen kan legeren, dan zullen de andere dietssprekende steden de een na de ander volgen". Doornik en Valenciennes waren dus Dietssprekende steden. In Valenciennes werd dan ook zware strijd geleverd. Op 31 mei 1567 werden er 5 mensen geëxecuteerd, onder wie de ook in Nederland bekende gereformeerde predikant en verzetsstrijder Guido de Bray (de Brès), en vielen er 8 doden en vele gewonden bij de rellen die er uitbraken. De volgende dag werden nogmaals 11 personen ter dood gebracht.

Vlaams erfgoed.
Het Diets en het Teutoons waren aan elkaar geraleteerde talen. Er zijn verschillende studie over verschenen die elkaar niet tegenspreken, maar wel andere accenten leggen. Zie bijv. Maerlants Wereld van Frits van Oostrum. Jacob van Maerlant (ca. 1235- ca. 1300), de vader der Dietscher dichtren algader, was pionier van de dietstalige literatuur. Hij was ook de eerste die in de 13e eeuw met zijn Rijmbijbel kritiek leverde op de Rooms Katholieke Kerk door terug te gaan naar de bron (de bijbel), en daar de lering uit te halen. Dat was dus eeuwen vóór Luther.
Maar ook andere 'Nederlandse' literaire en praktische zaken vinden hun oorsprong in Frans-Vlaanderen. Het overbekende lied "Al die willen te Kaapren varen" is een Duinkerks zeemanslied. Ook de oh zo Hollands lijkende Beeldenstorm begon hier en wel in Steenvoorde op 10 augustus 1566 en spreidde zich uit naar het noorden.
Twee van de eerste beeldenstormers Mark van Ghelder en Antoon de Jonghe werden te Kassel opgehangen. Niet in Duitsland, maar in Frans-Vlaanderen.
En wat is er Hollandser dan de haring, de windmolen, de tulp, de klomp en de aardappel. In Frans-Vlaanderen bestonden in de 9e eeuw al molens (mulle geheten) voordat er ook maar één in Nederland stond. De klomp die uit populierenhout gesneden wordt, was in Frans-Vlaanderen al bekend voordat Nederland bestond. Het woord 'haring' (hareng in het Frans) is eveneens afkomstig uit de streek rond Duinkerke, waar het dorp Haringe ligt net over de grens in België. Of het haringkaken inderdaad is uitgevonden door Willem Beukelszoon uit Biervliet (Zeeuws-Vlaanderen) is aan discussie onderhevig. Wellicht heeft hij dat gezien in Duinkerke in Frans-vlaanderen, waar de haringvangst en het zouten van haring (de Panne was zoutwinnings gebied) al langer bestond dan ca.1396.
Het Nederlandse woord 'molen' is afkomstig van 'mulle' uit Frans-Vlaanderen en werd in het Frans verbasterd tot 'moulin'.

Op het gebied van de textielterminologie, maar ook op dat van molens was het Land van Maas en Rijn een overgangsgebied tussen het Nederlands en Duits. In het Theuthonista of Duytschender, een Middelnederlands handwoordenboek dat in 1477 in Keulen verschijnt en was samengesteld door Gert van der Schueren, secretaris van de Kleefse vorsten, is sprake van Dietse woorden die in Vlaanderen en Brabant in gebruik waren. Termen als wullenampt (gilde van wolwevers), doec (doek/stoffen), gewant (laken), wulle (wol), doijckdreger (doekdrager/lakenwever), doicksnider (doeksnijder) en doickschaer (doekschaar) zijn er enkele voorbeelden van.
Rond 1360 verschijnt de eerste vertaling van de Bijbel in Dietsche schrifture, de taal van het volk. Dit werd gedaan door Petrus Naghel, prior van het klooster van Herne (Halle-Vilvoorde). Meer dan honderd jaar later, in 1477, verschijnt in Delft de eerste gedrukte Bijbel in het Nederlands, waarvoor Naghels werk als basis diende.
De kaart die in 1664 in Amsterdam door Joan Blaeu (1596-1673) werd uitgegeven was ontworpen en gemaakt door Vedastus Du Plouich (afkomstig uit Vlaanderen of Artesië) voor de cartograaf Henricus Hondius (1597-1651). Deze kaart draagt als oorspronkelijke titel DITIO CASLETANA IN COMITATU FLANDRIAE VULGO CASSEL AMBACHT. De kaart is dus niet door Blaeu gemaakt, maar was afkomstig uit Vlaanderen.

Talloze werken van 'Dietse' herkomst vonden in hun oorspronkelijke of in een in taalkundig opzicht aan de Saksische verhoudingen aangepaste vorm hun weg naar bibliotheken en kwamen in bezit van de adel en burgerij in (Noord-)Duitsland.
Het Middelnederlandse aandeel in de wereldlijke letterkunde van (Noord-)Duitsland zijn terug te voeren op Middelnederlandse dichtwerken afkomstig uit Frans-Vlaanderen. Te denken valt aan: Flos unde Blankeflos, Valentin unde Namelos, Der Verlorene Sohn, Reinout van Montalban en Gerart van Rosilun. Deze werken kwamen in de 16e eeuw via Vlaanderen-vaarders in Hamburg terecht.
De 'lingua-franca' van het totale handelsgebied van de Hanze was het Middelnederlands en het daaraan verwante Middelduits. In het Hanzegied tussen Boulogne en Dantzig waren dit de twee nauw verwante talen, waardoor een eenheid binnen dit cultuurgebied ontstond met twee andere wezenlijke elementen: de godsdienst en de economie. (Bron: Nederlands-Nederduitse letterkundige betrekkingen in de Middeleeuwen. Dr.T.Sodman, in Jaarboek 7 Zannekin 1985). De oudste Hanzestad was ongetwijfeld St.Omaars, waar al in het begin van de 12e eeuw de Hanze gesticht was.

Dietsland.
Nog in de 19e eeuw spreekt Constant Jacob Hansen over Dietsland, dat het gebied is van Duinkerke tot Königsberg, een grondgebied van 17 miljoen inwoners. In 1833 was hij de oprichter van de Aldietse Beweging die een eenheidstaal tot stand wou brengen langs de hele Noordzeekust door een hereniging van het Nederlands en het Nederduits, die tot in de Middeleeuwen altijd één en dezelfde taal waren geweest.

Een Fries reist door de Nederlanden in Frankrijk.
175 jaar geleden, op 12 september 1840, werd de Friese taalkundige en dialectoloog Johan Winkler (1840-1916) geboren. Zijn boek Oud Nederland is in 1888 in Den Haag uitgegeven. In dit werk beschrijft Johan Winkler taal en volkeren van de oude, historische Nederlanden van Friesland tot de Nederlanden in Frankrijk en in Duitsland.
Zeer wetenswaardig is het relaas van zijn reis naar Frans-Vlaanderen in 1887. Johan Winkler maakt een unieke samenvatting van de situatie van land, volk en taal op het eind van de 19de eeuw. Toen kon men in Duinkerke, Sint-Winoksbergen, Hazebroek, Belle, Watten, allemaal steden die Johan Winkler bezocht, nog gezellig vertoeven zonder een woord Frans te spreken. In de streek van Kales (Calais) sprak men Nederlands.
Winkler schrijft het volgende:
"Nog ten huidigen dagen (1887) spreken de dorpelingen, de boeren en de arbeiders, die in Artesië langs de zeekust wonen, tussen Kales en Bonen (Calais en Boulogne sur mer) tot aan het rivierke de Canche en tot kaap Wittenes (Blanc nez zeggen de Fransen, Whiteness de Engelsen), hun Oud-Diets, hun Oud-Vlaams, hun oude landseigene goudspraak van het Nederlands". Een oud-Nederlander, een waar vaderlander en tevens een verdienstelijk geschied- en taalvorser, de heer G.P. Ross die in deze streek woont, meldt ons enige nadere bijzonderheden van die hedendaagse Dietse volksspreektaal langs de kust van Artesië (…). De streek van Kales nog Diets op ’t eind van de 19de eeuw, aldus de getuigenis van een Fries taalgeleerde.
(Bron: Zannekin, 35e jg. 1e trimester 2017).

Wilhelmus Johannes Maria Antonius Asselbergs, beter bekend onder zijn pseudoniem Anton van Duinkerken (Bergen op Zoom, 2 januari 1903 - Nijmegen, 27 juli 1968) was een Nederlandse dichter, essayist, redenaar en literatuurhistoricus. Met de keuze van zijn pseudoniem liet Asselbergs als literatuurhistoricus blijken, dat juist de omgeving van Duinkerken de bakermat van het Diets en het Nederlands was.

En zo zijn er nog veel meer voorbeelden (zie onder bij feiten en feitjes) te geven van uit het zuiden afkomstige 'Nederlandse' gebruiken, gewoonten en erfenissen. Zie ook bij Holland.

Godfried van Boulogne.
Het is ook een historisch vaststaand feit dat Godfried van Boonen, de leider van de Eerste Kruistocht, zowel Frans als Diets (zijn moedertaal) sprak. Godfried kwam van Boulogne en niet van Bouillon, dat is een onjuiste opvatting *)zie onder het verhaal van de Zwaanridder. De moeder van Godfried was de Heilige Ida van Boonen die in 1090 een Benedictijnen abdij stichtte in Broeckham. Deze abdij bezat twee liturgische handschriften in de Dietse taal. Ida werd een Dietse heilige genoemd. Zij stichtte ook de Dietse abdij van O.L.Vrouw van Cappel. Zij is overleden in 1113 en begraven in Waast.
Godfried was opgevoed 'op de grens van twee volkeren' en sprak beide talen. Hij stond bekend als een Dietse ridder, de "Dux Teutonicus". Godefroy parlant notre 'westvlaemsch', schrijft Emile Coornaert.Die hele streek en het graafschap Gizene (Guînes: comitum Ghisnensium) was toen volkomen Diets. Het Diets werd naast het Latijn ook wel de lekentaal genoemd, de linga laicalis, de taal van het volk. In Audruicq (rond 1300 Aldervicum geheten, in het Nederlands: Ouderwijk) werd nog Nederlands gesproken in 1728, in Vieille Eglise (Oudekerke) zelfs nog tot 1897. Tot in het begin van de 20e eeuw kon je op de markt van St.Omaars meer Vlaams dan Frans horen. De bekende Friese taalkundige Johan Winkler (1840-1916), op bezoek in Sint-Omaars, getuigt in zijn beroemde boek Oud Nederland, verschenen in 1888: "Ten marktdage, op de markt van Sint-Omaars. en hoort men byna niet anders als Vlaamsch".

We kunnen uit het hierbovenstaande concluderen dat Diets, Teutoons (lingua Teutonica), Westvlaams, Picardisch en Nederlands een overeenkomstige taal was.

Robrecht van Kassel (1275-1331).
Robrecht van Kassel was een zoon van Robrecht van Bethune of de Leeuw van Vlaanderen (zoals Hendrik Conscience hem noemde) en Yolande van Nevers. Een geheel Franse adelijke familie. Kassel is hier Cassel in Frans-Vlaanderen en niet in Duitsland.
Hij heeft z'n sporen op diverse Europese slagvelden verdiend en moet over een sterke lichaamsbouw en een flink uithoudingsvermogen beschikt hebben. Uit de studie van Carlier weten we dat Robrecht van Kassel of Vlaanderen (zoals hij ook wel eens genoemd wordt) vertrouwd was met de Vlaamse zeden en instellingen. Ook was hij de taal, het Diets, machtig. Dit in tegenstelling met z'n oudere broer, Lodewijk.
Robrecht overleed in 1331 in Waasten (Warneton), gelegen in België tegen de Frans-Belgische grens, tussen Ieper en Lille. Zijn weduwe liet een grafzerk van zwart marmer maken en liet zijn lichaam bijzetten in de kerk van Waasten. Daar rust hij nog altijd.
Jacob van Maerlant.
Jacob van Maerlant was de vader der Dietse dichtren algader. Bij hem zijn nog een aantal oorspronkelijke taalkenmerken van het Diets terug te vinden. Bij het overschrijven ervan door latere kopiïsten werden een aantal eigen kenmerken vervangen door woorden van hun eigen taal en voor de lezers begrijpelijk waren. Deze 'vertalingen' geven soms een verkeerde inhoud van de tekst weer, waardoor er een andere betekenis aan de zin werd gegeven. Enkele voorbeelden van een andere betekenis zijn: fraai voor braaf, duchten voor opletten, ijdel voor leeg. Voorbeelden van wijziging van woorden waarvan men de betekenis niet kende, maar daardoor de betekenis van de zin veranderde: moeie is niet vermoeid, maar is tante, algelyk is niet 'allen gelijk', maar benadrukt juist de tegenstelling toch, voeting is niet voeding, maar fundering. Denk aan 'de voet van een bouwwerk'. Er zijn nog veel meer voorbeelden te geven. Zo is 'koppe' in Frans-Vlaanderen een spin. In Brabant gebruikt men wel het woord 'spinnekop' voor een spin, waarin dat 'kop' terugkomt. 'Brigge' is brug dat dicht bij het Engelse 'bridge' staat. Een 'schrijne' is een kist, 'zole' is een ploeg, 'vroom' is sterk en 'kindkers(t)en' is dopen, waarin we nog het 'kind kerstenen' herkennen.

Westvlaamse dialecten
Kaart van het Westvlaamse taalgebied en de verschuiving van de taalgrens.
(klik op de kaart voor een vergroting)


Net als de door de Romeinse schrijvers genoemde Germaanse stammen zijn uitgesmeerd over heel Europa tot in Hongarije en Rusland, zijn ook de literaire werken uit Frans-Vlaanderen uitgesmeerd over Europa en worden nu niet meer als Frans-Vlaams Erfgoed herkend en erkend.
Samen met de verspreiding van plaatsnamen, de verering van heiligen en verschillende gebruiken, heeft ook de literatuur deze streek verlaten en is op de nieuwe plaats inheems gedacht. En Dat ondanks dat juist in Noord-Frankrijk (departementen Nord en Pas-de-Calais) er een wisselwerking bestond en bestaat tussen het Romaans en het Germaans. Die wisselwerking is al aantoonbaar voordat het Nederlands en Nederland bestaan en vond plaats tussen het Pikardisch en westvlaams, een algemeen Diets genoemd. In alle domeinen van het Nederlands vindt men leenwoorden afkomstig uit Frans-Vlaanderen. Er zijn veel voorbeelden van te geven (zie o.a. hiernaast). Met de opkomst van de schrijftaal begint vanaf de 12e eeuw in het Franse en later ook in het Nederlandse taalgebied een standaardiseringsproces op gang te komen, dat in beide taalsystemen leidt tot een interne differentiatie tussen de plaatselijke omganstaal en de standaardtaal. Veel kopiïsten menen bij het overschrijven van teksten afkomstig uit andere gewesten een aantal eigenaardigheden te moeten vervangen door overeenkomstige kenmerken van hun eigen taal. Deze 'taalmenging' brengt uiteraard ook verschillende fouten voort.

Het Roelandslied is Vlaams Erfgoed.
In een gedegen studie heeft Prof. Jozef Luciaan de Prince 'De Dietse oorsprong van het Roelandslied' (L'Origine Thioise de la Chanson de Roland) aangetoond. Het is onmiskenbaar van Vlaamse oorsprong. Niet alleen het woordgebruik van Vlaamse (Dietse) woorden toont dat aan, maar ook de plaatsen die erin genoemd worden. Veel geleerden die het hebben onderzocht, waaronder prof.dr. J.van Mierlo, vonden geen oplossing omdat zij hun onderzoek beperkten tot Frankrijk, soms tot Duitsland. Zij dachten er evenwel nooit aan Vlaanderen in hun navorsingen te betrekken. Dat heeft J. de Prince nu wel gedaan en alle puzzelstukjes vielen op hun plaats. Het Roelandslied dat doorgaat voor het eerste en mooiste meesterwerk in de Franse letterkunde, blijkt in het Diets in Vlaanderen te zijn ontstaan.

Ook het verhaal van de Zwaanridder dat in Nijmegen en Kleef wordt geplaatst kwam oorspronkelijk uit Frankrijk. Met het in de tekst genoemde Nimaie is niet Nijmegen bedoeld maar Nimes. De Enfances Godefroi, waarin de Zwaanridder een voorname rol speelt, is doorgeborduurd op de cyclus der chansons van Charroi de Nîmes. Oorspronkelijk werd deze sage, in Frankrijk ontstaan, aan het huis van Bouillon*) toegeschreven; Boudewijn, de broer van Godfried van Bouillon, was gehuwd met een vrouw uit een Noormannengeslacht, dat de zwaan als embleem voerde. De franse versie, die ongetwijfeld de oudste vorm der sage is, werd niet gelocaliseerd te Nijmegen of te Kleef. Nauw verbonden met deze sage is die der Zwaankinderen, waarin Beatrix, de vrouw van koning Oriant, een rol speelt. Er is geopperd, dat door de naam van Beatrix de sage naar Kleef werd over gebracht; dat om het huwelijk van een graaf van Kleef met een Beatrix van Bouillon de sage te Kleef werd gelocaliseerd. Dit is vanzelfsprekend niet door een Franse trouvère geschied, maar door een Nederlandse of Duitse navolger. In Kleef sloeg dit verhaal aan; het werd een deel van de levende epiek. De historiciteit van de Kleef-Bouillonse relatie werd bijzaak. Er ontstond een overlevering, al dan niet kunstmatig in het leven gehouden, waardoor Kleef een zwanen-traditie kreeg, die eeuwen lang in stand bleef tot op de dag van vandaag.
De sage van de Zwaanridder werd waarschijnlijk van Kleef naar Nijmegen over geplant, mogelijk op dezelfde tijd dat zij te Kleef ontstond, mogelijk ook enige tijd later. Koenraad van Wurzburg, die tussen 1250 en 1287 werkte, heeft haar vermoedelijk het eerst aan Nijmegen toegeschreven vanwege de daar aanwezige machtige en alom bekende burcht van Frederik Barbarossa.

*) Het huis van Bouillon kwam niet uit het Belgische Bouillon, maar uit Boulogne (Bononia - Boonen) in Frans-Vlaanderen. In het Belgische Bouillon hadden zij wel bezittingen, zoals het daar gelegen kasteel, maar het geslacht kwam uit Boulogne. Vandaar dat dit vaak voor verwarring zorgt. Godfried van Bouillon (Boulogne-sur-Mer of Baisy-Thy, 18 september 1060 - Jeruzalem, 18 juli 1100) was (als Godfried IV) hertog van Neder-Lotharingen (van 1089-1100) en één van de leiders van de Eerste Kruistocht. Hij werd tevens uitgeroepen tot de eerste koning van het koninkrijk Jeruzalem maar weigerde die titel. Godfrieds ouders waren graaf Eustaas II van Boulogne en Ida van Verdun, zuster van hertog Godfried met de Bult die hem in 1076 had aangeduid als zijn erfgenaam. Keizer Hendrik IV van het Heilige Roomse Rijk echter besloot het hertogdom aan zijn eigen zoon Koenraad te geven en enkel Bouillon en het markgraafschap Antwerpen aan Godfried. In augustus 1096 sloot hij zich, samen met zijn broers Eustaas en Boudewijn van Boulogne (de latere Boudewijn I van Jeruzalem), aan bij de Eerste Kruistocht en vertrok met een leger van 40.000 man, dat onderweg nog aangevuld werd met heren en ridders, maar ook veel avonturiers, tot een leger van 100.000 man. Jeruzalem werd in 1099 veroverd, de stad en haar inwoners werden daarbij blootgesteld aan brute plunderingen, moorden, verkrachtingen en vernielingen.

Wat weten we nu feitelijk echt?

Flandriae Teutonicae.
De plaatsbepaling van de Cimbri en Teutones, wijst al sinds Julius Caesar op Noordwest-Frankrijk, in wier nabijheid ook de Attuarii en Morini verbleven. De taal was voor hen geen Frans maar Teutoons, de bakermat van meerdere west-Europese talen, onder andere het Diets. De Teutoonse taal kent referenties tot in de 7e eeuw (650-700).
In 649, in een oorkonde daterend van 6 september, wordt de plaatsnaam Sithiu voor de eerste keer vermeld. Dit Saksische toponiem is de oude benaming van Sint-Omaars. De oorkonde vermeldt dat Adroald, eigenaar van het eiland Sithiu, op aanraden van Odernar, bisschop van Terwaan, zijn eigendom schenkt aan Bertijn, Mommelijn en Ebertram om er een klooster, de latere Sint-Bertijnsabdij, op te richten. Deze drie geestelijken die uit Konstanz aan de Bodensee kwamen, werden volgens de traditie voor deze missie uitgekozen omdat ze 'Diets' spraken.
Het teutoons, de lingua teutonica en teutisca, wordt ca. 800 genoemd in de vitae van abt Mommelin (648) uit Sithiu - St.-Bertinus (St.-Omèr; St.Omaars in het Nederlands), die in 659 bisschop van Noyon werd vanwege zijn meertaligheid. Ook van abt Lambert (670) uit Trith-St.-Léger bij Valenciennes en van de neef van Karel de Grote, abt Adalhard van Huise (750-826) van de abdij Corbie, is bekend dat zij de Teutoonse taal spraken. Omstreeks 800 laat de abt van Sint-Bertijn het water van de Aa tot het dorp Arken (Arques) omleiden om er een molen te bouwen. Het afvoerkanaal, de Lage Meldyck (spreek uit 'Muldyck'; mulle is Frans-Vlaams voor molen) loopt langs de abdij het moeras in. In 'La Revue du Nord' (1980) is sprake van 'les marais de Saint-Omer'. De rivier die daar doorheen naar het noorden stroomde had verschillende namen: Nardstroom, Oude Aa en Reninge. Een rivier in de buurt heette Moerlake en vlak daarbij heette een andere rivier Lek. Lake is een Middelnederlands woorrd voor waterloop en Lek heeft een homoniem in Nederland.
De Lyzel is een daar stromende rivier, waarvan K. de Flou heeft vastgesteld dat deze oorspronkelijke Yzel heette en wordt al in 1093 vermeld. De Nederlandse IJssel is een doublure van de Frans-Vlaamse Yzel. In 1445 is sprake van een tneelgroep uit Lyzel, een Vlaamse wijk van Sint-Omaars, die in de Franse tekst 'Ysselaires'genoemd worden. Omstreeks 1100 vinden we in de geschriften al het oorspronkelijke Meere bij Sint-Omaars, nu nog terug te vinden in een strook van de gekanaliseerde Aa. Combineer je deze 2 namen dan leidt dat meteen tot Aa-meere c.q. Al-meere. Het was de plaats van het vroegere Almere dat we kennen uit de Roeinse tijd. In de buurt van ligt Klommeres, oorspronkelijk Klaarmarasch (in het Frans Clairmarais) in een groot moerasgebied. Over dit gebied schrijft Plinius als hij de drijvende eilanden noemt, die er nog bestaan als 'les iles flottantes'. Deze tekst van Plinius is altijd op Nederland van toepassing gedacht en wordt gezien als 'de geboortetekst van Friesland'. De toepassing op Frieland is op zich niet onjuist, als het maar over het oude Fresia gaat dat in Frans-Vlaanderen lag. Waar in Frieland de details niet passen, zijn deze nog heden in Frans-Vlaanderen aan te wijzen.

Uit deze tijd en deze streek stammen meer woorden die zo Nederlands lijken, maar Frans-Vlaams ofwel Diets of Teutoons zijn. Zie de voorbeelden in de kolom hiernaast.
Het is dan ook niet merkwaardig dat de streek van de Beowulf overeenkomt met dit Oud-Vlaanderen. Sterker nog, de kaart "Les Provinces des Pays-Bas Catholiques" uit 1708, zegt smalend over de streek, 'vulgaire ment connues sous Ie nom Flandre', en daarop staat nog ingevuld FLANDRE TEUTONE tussen Cassel en Tielt, gelegen in het midden van West-Vlaanderen. De plaats aanduiding is iets te zuidelijk-'katholiek', want historisch reikte Vlaanderen zuidwestwaarts tot aan Het Kanaal en de Somme. Dat was de streek die we nu Frans-Vlaanderen noemen. Flandre Teutone of Flandriae Teutonicae werd ook Flandre Allemande genoemd. De Allemannen waar later Duitsland naar genoemd werd, was een volk dat woonde in Alamania, het klassieke Germania van Tacitus. En dat was beslist niet Duitsland. Zie de afbeelding aan het begin van dit artikel van een detail uit de Atlas van Blaeu (uit ca.1635).


Abt Mommelin (zie afbeeldingen) is vooral bekend geworden om zijn spraaklessen, die hij aan kinderen met een spraakgebrek gaf. De Nederlandse woorden 'mommelen' of 'murmelen' en 'mompelen' (onduidelijk, binnensmonds spreken, ook stotteren) zijn afgeleid van de naam van deze abt Mommelin van het St.Bertins klooster in St.Omaars.
In 659 wordt Mommelinus bisschop van Doornik-Noyon, niet alleen vanwege zijn deugden, maar vooral ook quia latine et teutonica preapollebat faecundia (omdat hij niet alleen uitmuntte in de Latijnse mmar ook in Dietse welsprekendheid). Dt Mommelinus geen Frans kende is niet verwonderlijk, want het Frans bestond nog niet voor de 9e eeuw. Hij blonk uit in de Dietse taal (non minus quam Teutonicam calleret linquam). Het Vita Sancti Bertini is geschreven tussen 860 en 878,

Voor informatie over de "Westhoek", Picardië, Artesië, Pas-de-Calais, Nord (het noorden van Frankrijk) verwijzen we onder meer naar de volgende boeken:
  • Cyriel Moeyaert, Nieuw Oud Vlaams. Woordenboek van het Frans-Vlaams. Herdruk 2014.
  • Lodewijk de Baecker. Les Flamands de France. Etudes sur leur langue, leur literature et leurs monuments.
  • Woordenboek van de Vlaamse Dialecten. Rijksuniversiteit Gent 1979.
  • K.ter Laan, Folkloristisch Woordenboek van Nederland en Vlaams België. 's-Gravenhage 1949.
  • ZANNEKIN. Driemaandelijks tijdschrift en jaarboek van de Vereniging/Stichting Zannekin. Ieper.
  • ZANNEKIN. De Nederlanden 'extra muros'. De Jaarboeken.
  • Revue du Nord. Histoire et Archeologie de noord de la France, Belgique et Pays-Bas.
  • Jozef van Overstaeten. De Nederlanden in Frankrijk. Antwerpen 1969.
  • Eric Vanneufville. Histoire de Flandre. Saint Evarzec 2011.
  • Dr.Louis Lemaire. Histoire et des institutions de Dunkerkque et de la Flandre Maritime. Handzame 1974.
  • Eric Vanneufville, Apprenons notre histoire de Flandre, Lille 1980.
  • Eric Vanneufville, de l'Elbe à la Somme, Léspace Saxon-Frison des origines au Xe siècle. Lille 1976.
  • Jozef Deleu. Frans-Vlaanderen. Tielt 1982.
  • Luc Verbeke. De Nederlanden in Frankrijk en het komitee voor Frans-Vlaanderen. Waregem 1978.
  • Joël Vandemaele. Gudrun, Ontvreemd Vlaams Erfgoed? Nevele-Landegem 1997.
  • Robert Fossier. Histoire de La Picardie. Toulouse 1974.
  • Joël Vandemaele. Controversiële Geschiedschrijving. Nevele-Landegem 1999.
  • J.M.Gantois. De Zuidelijkste Nederlanden. Wilrijk 1967.
  • Ph. Despriet. De Westhoek in Frans-Vlaanderen.Kortrijk 1979.
  • Joël Vandemaele. Het Beowulf-epos. Watou-Abele 2006.
  • Francois Denoeu. Hauts de France (France Nord). Saint-Omer 1975.
  • Wido Bourel: Broekers in Waterland (2013), Hier en aan de overkant (2011), De saga van Lodewijk (2014), Perspectief (2013), Cyriel Moeyaert, in de taaltuin van mijn vaderen (2015), Kinderen van de Beeldenstorm (2016), Olla Vogala, het verhaal van de taal van de Vlamingen in Frankrijk en elders (2017).
  • Stichting Ons Erfdeel. De Franse Nederlanden, Les Pays-Bas Français. Jaarboeken diverse jaargangen.
  • F.Carton & D.Poulet, Le parler du Nord Pas-de-Calais. Paris 2003.
  • Webstekken met veel doorverwijzingen, zie hiernaast.

    Het Engelse 'Dutch' verklaart feitelijk alles omtrent het Diets, de oorsprong van het Nederlands.
    Dutch is geen Duits en het Nederlands stamt zeker ook niet van het Duits af! Het is juist andersom.

    Ook het Nederlands Volkslied kwam uit Frans-Vlaanderen.
    Eindelijk is duidelijk wie het Wilhelmus, het Nederlandse Volkslied heeft geschreven. Volgens Nederlandse en Vlaamse onderzoekers was het de 16de-eeuwse dichter Petrus Datheen. De wetenschappers lieten nieuwe computertechnieken los op het Wilhelmus, dat werd vergeleken met werk van verschillende auteurs. De schrijfstijl van Datheen komt overeen met die van ons Nederlands volkslied. (bron: AD/AC 11-5-2016).
    Petrus Datheen, ook wel Pieter Datheen, Pieter Dathen of Petrus Dathenus (*Kassel Frans-Vlaanderen ca 1531 - †Elbing in West-Pruisen, 17 maart 1588) was een psalmberijmer die een belangrijke rol speelde bij de calvinistische Reformatie in de Zuidelijke Nederlanden. Hij werd, na omzwervingen in ballingschap, een van de leidende theologen van de officiële hervormde kerk in de Noordelijke Nederlanden, waarin hij de orthodoxe partij koos. Van 1566 tot 1773 vormde de psalmberijming van Datheen de belangrijkste liedbundel van de Nederduits Gereformeerde Kerk, later genoemd de Nederlandse Hervormde Kerk. Hij was een van de belangrijkste raadsmannen van Willem van Oranje.

    Ook hier zien we dat een oh zo Hollands lijkend Volkslied net als veel andere 'Nederlandse geschiedenis' uit het zuiden komt en wel ook alweer uit Frans-Vlaanderen.
    Van de melodie is al langer bekend dat het afkomstig was van het Franse spotlied Autre chanson de la ville de Chartres assiégée par le prince de Condé, dat werd gezongen tijdens het beleg van de stad Chartres door de Hugenoten in 1568. Waarvan Acte!
    Beowulf Beowulf, tekst

    Het Beowulf-epos.

    BEOWULF, Angelsaksisch of Fries-Saksisch erfgoed?
    Beowulf staat bekend als het oudste Engelse epos. Het handschrift werd in 1705 ontdekt en berust nu in de Cottonische Bibliotheek van de British Library. Historisch dateert het heldendicht uit de tijd van de Angelsaksische emigratie naar de Britse eilanden. Beowulf was, in het verhaal, koning van de Geatingas. Sleutelmoment van de dateringen is de veldslag die zijn oom Hygelac, koning van de Geatingas van 503 tot 523, leverde tegen de Franken. Hygelac werd in 523 verslagen door Theodebert, zoon van Theoderik, koning (511-533) van de Merovingische Franken in die tijd. Gregorius van Tours vermeldt hetzelfde feit in zijn Historiën, namelijk dat de koning Chlochilaicus (Hygelac) van de Dani, een volkstam van Geatingas en Hretllingas, het land der Frankische Attuarii van over zee binnen viel. De held Beowulf werd geboren in 495 en werd op 7-jarige leeftijd naar het hof van koning Hrethel, zijn grootvader aan moederszijde gebracht. Na woelige jeugdjaren nam hij in 515 (20 jaar oud) een opdracht aan van Hrothgar, toenmalige koning der Dani. Deze volksstam en de buren werden al 12 jaar door het monster Grendel geterroriseerd. De strijd tegen het monster duurde vele jaren. Uiteindelijk, nadat Beowulf zelf koning geworden was, maakte hij op hoge leeftijd het monster af te Hronesness (Walviskaap, grijze nesse, Cap Griz-Nez?).
    Geografisch lijken de plaatsnamen uit het verhaal onmogelijk in Engeland te situeren.
    De vertalingen zijn meestal gebaseerd op Deense en Scandinavische literaire werken die van jongere datum zijn dan de historische gebeurtenis uit het epos. Als de klassieke vertalingen van Dani in Denen en Dania of Danamarken in Denemarken, Swêon in Zweden, Eoten of Uoten in Jutten verder worden gevolgd, dan blijft een hopeloos verward beeld bestaan van de levenssituatie en van het beschreven strijdtoneel. Daartegenover zijn uit het verhaal tal van persoons- volkeren- en plaatsnamen te vinden die niet op Engelse bodem maar wél aan deze zijde van het Kanaal, op de westkust van Frankrijk, zijn gesitueerd en die heden nog bestaan. Deze vaststelling leidt tot de ophefmakende hypothese dat de koningsnamen in de Beowulf kleven aan plaatsnamen uit noordwest-Frankrijk!
    In dit boek worden deze namen uit de Beowulf systematisch geduid. Zo komt een nieuwe, geografisch logische, denklijn te voorschijn over het oudste Germaanse epos. Beowulf vond zijn oorsprong in de schrijfcultuur van Frans-Vlaanderen, waar de klassieke Latijnse en Griekse teksten ons oude volkeren aanwijzen die daarmee verband hebben. Het Beowulf-epos wordt vergeleken met het Fries-Saksisch Gudrun-epos en met andere sagen waarmee een verbondenheid te vinden is.

    ALLES KWAM UIT HET ZUIDEN.

    Nog steeds geldt als oudste 'nederlandse' tekstregel het 'Habban olla uogala nestas hagunnan hinase hi[c] [e]nda thu uug...mb.ada....e nu....'. Het 'versje'dateert uit het derde kwart van de 11e eeuw. Het staat (zo goed als zeker) vast dat deze tekst geschreven is door een monnik van de St.Bertijns abdij uit St.Omaars. Enkele taalwetenschappers proberen die en andere oudste Nederlandse teksten naar de 8e en 9e eeuw te trekken, maar komen dan steevast met voorbeelden uit Vlaanderen, zoals de Wachtendonkse Psalmen. Deze zijn genoemd naar de Luikse kanunnik Arnold van Wachtendonk. Waar die psalmen precies vandaan komen daarover bestaan enkele hypothesen, in elk geval niet uit het Frans-talige Luik. Enkele onderzoekers hebben in hun uitgave de eerste drie psalmen niet opgenomen daar zij van mening zijn dat zij eerder tot het Oudsaksisch dan tot het Oudnederlands behoren. Dat geeft precies de herkomst van de psalmen aan: het Oud-Saksische gebied aan de kust van Het Kanaal. Net als de eerste Hollandse en Gelderse Graven uit Frans- en West-Vlaanderen kwamen, komen ook de Wachtendonkse Psalmen precies dáár vandaan. En dat is precies de stelling van dit betoog: de Nederlandse taal is ontstaan in Frans-Vlaanderen en kwam met de ontginners mee naar het noorden.
    Behalve de taal kwamen ook de plaatsnamen mee en de verhalen over de predikers, zoals St.Willibrord, St.Bonifatius, St.Ludger, St.Lebuinus, St.Amandus en St.Anscharius. Ook het Germania van Tacitus dat Frans-Vlaanderen was, kwam zo foutief in Allemania (Duitsland) terecht dat men na de 15e eeuw Germania is gaan noemen.

    Literatuur over het ontstaan van de Nederlandse taal.
  • Het verhaal van een Taal. Negen eeuwen Nederlands. Jan W. de Vries, Roland Willemyns, Peter Burger. Uitgeverij Prometheus Amsterdam 1993.
  • Het verhaal van het Nederlands, een geschiedenis van twaalf eeuwen. Nicoline van der Sijs, Roland Willemyns, Amsterdam 2009.
  • Calendarium van de Nederlandse taal. De geschiedenis van het Nederlands in jaartallen. Nicoline van der Sijs, Den Haag 2006.
  • 229.Nederland in stukken. Beeldkroniek van Nederlandse archieven. Diverse auteurs. Haarlem 1979.
  • Archief schatten. Duizend jaar Vaderlandse Geschiedenis. Red. Margriet de Roever. Zwolle 1991.
  • Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Frits van Oostrom, Amsterdam 2006.
  • Onze literatuur, Piet Calis, Amsterdam 1988.
  • Geschiedenis van de Nederlandse taal, prof. dr. C.G.N. de Vooys, Wolter-Noordhoff nv Groningen 1970.
  • Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur. Dr. C. Brandt Corstius, Spectrum Utrecht-Antwerpen 1959.
  • Nederlandse Spraakkunst. Syntaxis door Dr. F.A. Stoet. Martinus Nijhoff ’s-Gravenhage 1923.
  • Middelnederlandse Bloemlezing, Dr. A.C. Bouman, Leiden 1948.
  • Handwoordenboek van Nederlandsch Synoniemen, door J.V. Hendriks, Tiel 1890.
  • Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen. Onder hoofdredactie van dr.Marlies Philippa. Amsterdam University press 2009.

    Geografische variëteiten van het Nederlands.
    In het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands worden de begrippen Belgisch-Nederlands (afkorting BN) en Nederlands-Nederlands (afkorting NN) gebruikt, voor standaardtalige of boven-regionale woorden die (vrijwel) uitsluitend in een van deze geografische varianten van het Nederlands voorkomen. Daarnaast wordt Surinaams-Nederlands (SN) gebruikt ter aanduiding van de variëteit van het Nederlands die in Suriname wordt gesproken.

    Het Germaans
    Het Germaans is een groep talen die wordt onderverdeeld in Oost-Germaans (het uitgestorven Gotisch, naast de vrijwel niet overgeleverde talen van de Bourgondiërs en de Vandalen), Noord-Germaans (Zweeds, Noors, Deens, IJslands en Faeröers) en West-Germaans (Duits, Jiddisch, Letzeburgs, Engels, Fries, Nederlands en het daaruit ontstane (Zuid-)Afrikaans). Binnen de West-Germaanse talen worden Engels, Fries, en de kustdialecten van het Nederlands en het Noord-Duits samen ook wel Ingveoons of Noordzee-Germaans. De oudste teksten in het Germaans zijn runeninscripties uit de 2e eeuw in het Oernoords en een 4e-eeuwse bijbelvertaling in het Gotisch.

    Het Noordzee-Germaans
    Het Noordzee-Germaans, in de literatuur ook wel Ingveoons of Kust-Germaans genoemd, is geen aparte taal, maar een aanduiding voor een verzameling kenmerken die gemeenschappelijk is voor de West-Germaanse talen en dialecten die aan de Noordzee grenzen, te weten Engels, Fries en de kustdialecten van het Nederlands en het Nederduits. Noordzee-Germaans is bijv. de vorm muide (in de plaatsnamen Diksmuide, Arnemuiden, Muiden, Ter Muiden) tegenover Frankisch monde (Dendermonde), uit Protogermaans mund, waaruit ook Engels mouth stamt. Ook Noordzee-Germaans is de ontronding van de umlauts-u tot i in West-Vlaams pit 'put', rik 'rug', dinne 'dun', krikke 'kruk', eveneens zoals in Engels pit, thin. Vgl. ook de plaatsnaam Stalhille tegenover Lotenhulle, met West-Vlaams hille 'heuvel', zoals Engels hill. Een ander voorbeeld is de ie voor uu in liede, lien tegenover luiden, lui, en in bestier 'bestuur', vier 'vuur'. Verder nog de overgang van -ege- naar -ei-, Engels -ai-, zoals in Nederlands zeil, Engels sail naast Duits Segel.


    Enkele feiten en feitjes.(Voor de verantwoording: zie de hierboven genoemde literatuur).
  • In 831 bevatte de abdij in St.Riquier (bij Abbeville) het Diets lijdensverhaal, het enige niet Latijnse boek in de bibliotheek.
  • IN 1147 komt het een ernstig verschil tussen de Vlaamse monniken en enkele Franstalige religieuzen in de communiteit van de St.Bertins abdij. Prior Erkembode doet een beroep op de burgers van de stad die een eind maakten aan de 'aanstellerigheid van de indringers'en zetten ze uit het klooster.
  • De abdij van Vicoigne waar abt Arnould (1184-1197) de prior was, bevatte heel wat werken in de Germaanse taal (=Westnederfrankisch of Oudnederlands ofwel Diets) in haar bibliotheek.
  • In 1208 wordt de abt van Andres weggejaagd omdat hij geen Vlaams kende.
  • De Beatrijs en Ferguut zijn eveneens Dietse dichtwerken. In het begin van de 12e eeuw heeft in Vlaanderen een autonome Arthurtraditie bestaan. De Romans van Halewein (de plaats Halluin in het Frans is ernaar genoemd), Ferguut, Parchevael en de Graalqueeste zijn terug te voeren op Keltische gegevens, maar vonden in Vlaanderen hun literaire oorsprong. Jacob van Maerlant heeft in zijn Spieghel Historiael kritiekloos de Arthur-legende opgenomen, als zou het ware geschiedenis zijn geweest.
  • In de 13e eeuw wordt Sint-Omaars 'une ville germanique et non romane' genoemd. Het gewone volk spreekt er Diets. Vanaf de 14e eeuw krijgt het diets een plaats in openbare akten en verdringt het Latijn. Eind 14e eeuw moesten de schout en schepenen en andere verkozen overheidspersonen van de stad, de bij de installatie in het Frans afgelegde eed van trouw in het Nederlands herhalen.
  • In de 15e eeuw werden alle aanplkabiljetten in twee talen gemaakt en de politieverordeningen die opgemaakt waren in het Frans werden afgekondigd in het Nederlands. Dat betekent dat alle inwoners van Sint-Omaars verondersteld werden het Nederlands te verstaan.
  • Dat de adel in de vroege en latere Middeleeuwen verfranst was is nog altijd een onjuist opvatting. In 1491 werd vanuit Belle aan de magistraten in het Nederlands geschreven met als aanspreektitel "Eererdighe ende wyse heeren". Ook aan de bewoners van St.Omaars werd in 1306 nog in het Nederlands geschreven. Ook op grafstenen zoals op die van Jan van den Clite uit 1443 staat de tekst in het Nederlands.
  • In 1447 worden de Franse monniken uit de St.Bertijns abdij verdreven. De dietse monniken blijven er.
  • In 1553 wordt Terwaan op bevel van Keizer Karel V volledig verwoest. In 1566 breekt De Beeldenstorm uit in Steenvoorde begin in Frans-Vlaanderen.
  • Nog in 1590 is het Nederlands de taal van het gerecht in Sint-Omaars en omgeving. Tot het eind van de 16e eeuw zou de adel en de burgerij tweetalig zijn, terwijl het gewone volk alleen Diets kende. Steeds wordt het Vlaams of het 'Nederlands' Diets genoemd, ook 'thioise' of Teutoons.
  • Vanaf de 17e eeuw hebben verschillende drukkers in Sint-Omaars Nederlandse boeken uitgegeven, zoals een Nederlandstalige katechismus bestemd voor de plaatselijke bevolking. Deze drukkers hadden dus kennis en waardering voor het Nederlands.
  • Zelfs na 1677 na de inlijving van Frans-Vlaanderen bij Frankrijk, bleef veel onderwijs nog in het Nederlands. In 1853 werd het onderwijs in het Vlaams op de scholen in Frans-Vlaanderen uitdrukkelijk verboden. De moedertaal van de Frans-Vlamingen wordt als een, voor de eenheid van het land, gevaarlijke Germaanse taal beschouwd. De Duitse eenmaking in wording roept dan ook vragen op. De drang naar het westen van Duitsland zal, na de Frans-Duitse oorlog in 1870-1871, in de 20e eeuw zelfs twee wereldoorlogen tot gevolg hebben.
  • In de 18e eeuw raakt Sint-Omaars verfranst. In 1850 worden de streektalen in Frankrijk wettelijk verboden. Toch blijven de buitenwijken Hogebrigge en Lyzel Nederlands/Vlaams.
  • Tot in 1883 was de voertaal van het klooster van Katsberg nog steeds Nederlands.
  • De verfransing onder druk leidde in het begin van de 20e eeuw tot een verbod voor priesters om in de volkstaal te prediken en katechismus onderricht te geven. De kerk steunde hierin de Franse staat. Toch bleven veel priesters nog tot aan de eerste wereldoorlog, ondanks het verbod, in de Vlaamse volkstaal prediken. In sommige plaatsen zelfs nog tot na de tweede wereldoorlog. Bijna alle priesters in De Westhoek zijn nu goed Vlaams sprekend. Zelfs tijdens hun Franse preken gebruiken ze nog regelmatig Vlaamse woorden en uitdrukkingen. (Bron: Luc Verbeke, de Nederlanden in Frankrijk, 1978).
  • Vanaf 1948 heeft de universiteit van Rijssel een officiële Nederlandse leergang. Het Frans-Vlaams wordt momenteel net als het Baskisch, Occitaans, Catalaans, Duits en Bretoens als volwaardige taal erkend en niet langer onderdrukt of verboden. In 1970 en 1971 werden enkele wetsbesluiten uitgevaardigd waardoor voor het eerst het Nederlands op de middelbare scholen kon worden onderwezen.
  • In de Kroniek 'De Franse Nederlanden' wordt Frans-Vlaanderen in 1985 nog 'Dietsland Europa' genoemd.
  • Van lieverlee werd de taalgrens in Frankrijk door het verbod van onderwijs in het Nederlands naar het noorden verschoven. Helemaal verdwenen is het Nederlands niet. Momenteel (1982) spreken nog ongeveer 100.000 bewoners in Frans-Vlaanderen Nederlands, maar het aantal neemt toe.
  • Veel plaatsnamen dragen naast de franse naam ook nog steeds een 'Nederlandse' naam, zoals Claimarais dat in het Nederlands Klamarasj heet. Juist in de oude Nederlandse naam is de etymologie terug te vinden van de oorspronkelijke betekenis en verklaring van de plaatsnaam en de oorspronkelijke herkomst ervan. Juist hiermee zijn veel mythen van de zogenaamde 'vaderlandse geschiedenis van de Nederlanden' opgelost met als sluitstuk de 'deplacements historiques'. Daarmee wordt aangetoond dat een zeehaven ver landinwaarts een farce is, zoals gebeurd is met Dorestad dat halverwege Nederland in Wijk bij Duurstede werd gedacht.

    In Sint-Omaars is het Nederland tot op de dag van vandaag nog steeds aanwezig, in beroepen, belastingen (pontgeldt=tol om een brug over te mogen gaan, delftgelt=invoerrechten), begrippen (zoeninge=minnelijke schikking na een overtreding of misdaad) en zelfs eigennamen (bijv. Jean le Bort of Staes Rebesteen). Veel straten dragen nog steeds Nederlandse namen en eindigen op -straet of -brigge (brug). Ook op andere gebieden blijft het Nederlands doorklinken. Een Colhof (koolhof) is een groententuin, een moessel (mussel) is een mossel, een broek (brouc) is een laag weidegebied, een mulle een molen. Deze en andere woorden hebben zich tot in Nederland verspreid met het verschil dat ze in het zuiden eerder voorkwamen dan in het noorden.
    Nog een aantal voorbeelden met tussen haakjes het Noord-Nederlandse woord: makarel (makreel), vorscot (overschot), conin (konijn), herbergher (herbergen), escuteman (schipper), harincsop (haringpekel), clenke (deurklink), vissop (viswater). Soms zijn woorden precies hetzelfde gebleven zoals: timmerhout, kieseles (kiezels), beke (beek), blanke (blank-wit),

    Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.