is sprake van korte zomer De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Domburg en Colijnsplaats.


Veel citaten op deze bladzijde komen uit de "Geschiedenis van Zeeland, deel 1", Stichting Historisch Onderzoek Zeeland. Zwolle, 2012. Redactie Paul Brusse en Peter Hendrikx.
Deze uitgave is opgedragen aan prof.dr. Cornelis Dekker.


Pingsdorf-aardewerk kent een ruime productie van de de 10e tot de 13e eeuw. Er valt dus niets mee te bewijzen over de 8e eeuw.
De nederzetting uit de 12e eeuw geeft al aan dat veel aangenomen geschiedenis elke grond mist.

Domburg zou in de geschiedenis in 3 perioden voorkomen:
  • de Romeinse tijd met de Nehalennia-altaren,
  • de vroege Middeleeuwen als Walicrum,
  • de Noormannen en Karolingische tijd.

    Dat er enige continuïteit tussen deze 3 perioden zou hebben bestaan is altijd wel al te gemakkelijk aangenomen, maar nooit aangetoond.

    De oudste vermelding van Domburg is op een goederenlijst van de abdij van Echternach omstreeks 1200. Voor de misvattingen over Echternach (zie daar).
    Maurits Gysseling (zie daar) vermeldt slechts één lemma en wel Duuenburg • 1220 • X B 21. Het Germaans duban burg dat.sg. bij nl. dof dialectiesch ook "vochtig"? Voor fonetische evolutie cf. Bambeke, Oombergen.
    D.P.Blok (zie daar) vermeldt 1181-1210 slechte gelijktijdige cop.: in Dumburch (GrondbezEcht, p. 296) onI. burch "burcht" met dun "duin", met assimilatie -rib- wordt -mb- en vokaalverkorting vóór -mb-.
    G.v.Berkel en K.Samplonius schrijven daarover in 'Nederlandse plaatsnamen, herkomst en historie' het volgende: Domburg [gem.:Veere, Z] 1181-1210 (*) Dumburch; 1271 Domborch; samenstelling van burg 'versterkte plaats, burcht' en germ. *dan'duin', met vocaalverkorting en assimilatie van -nb- wordt -mb- (vergelijk Sambeek) en dus: 'burcht in het duin'.
    Volgens deze etymologen zou dom dus afgeleid zijn van duin. Hoe bedenken ze dat? Bij Domburg zijn inderdaad duinen, maar dan nog?
    Ofwel de etymologen hebben geen sluitenden verklaring omtrent het Dom- in Domburg. Bij andere plaatsnamen met Dom- wordt een geheel andere uitleg gegeven, zoals bij Dombroek waarin Dom- van doom = damp, wasem zou afkomen. En de Dommel, bijrivier van de Maas zou van Dutmala komen, waarbij slechts enkele letters overeenkomen. Het is wel duidelijk dat deze etymologen geen andere verklaring hebben dan de traditionele opvattingen, waarbij teksten onjuist of in de verkeerde streek werden toegepast.
    Wat te denken van 'Domus' huis, zoals bij Dommartin (huis van Martin) en Dompierre (huis van steen of van Petrus?) of Domvoie (huisweg) in Frankrijk?

    In 1223 heeft Domburg stadsrechten gekregen, net zoals veel plaatsen in die tijd. Het verlenen van 'stadsrechten' was de geëigende manier van machthebbers om een plaats aan zich te binden.


    De VVV-Zeeland organiseert zelfs een Nehalennia-festival met ceremonies, (spirituele) workshops, een marktje en een lichtprocessie! Het Festival is ter ere van Nehalennia, Godin van de Lage Landen, rondom een thema waarbij men met de voeten in de Zeeuwse klei, het lage land blijft staan en de rijkdom van de Oogst gevierd wordt.
    Aan legenden en mythen ontbreekt het uiteraard niet bij zo'n festival.

    Nieuw licht op Nehalennia.


    Dit boek (zoals het aangekondigd werd) met meer gedegen historische onderzoek, is geschreven door Dr. Annine E.G. van der Meer, historicus, theoloog en symbooldeskundige. Op haar website noemt ze zichzelf godsdiensthistoricus en theoloog.
    In dit boek komen toch weer een aantal van de traditionele opvattingen uitgaande hypothesen aan de orde. Ze plaats de Bataven toch ook in de Betuwe, de Friezen in Friesland en de Rijn is ook bij haar de Limes-grens. Toch maakt zij enkele opmerkingen die haaks staan op die tradities. Ze laat de Romeinen omstreeks 260 de noordelijke grens van Germania opgeven en ze tekken zich dan terug achter de Rijn (p.140). Traditioneel gebeurde dit al in het jaar 47. Toch vermeldt ze dat er vanaf 275 een eind komt aan de Romeinse aanwezigheid in Zeeland, vanwege 'het gestegen grondwater en de verzilte bodem' (p.140).
    Ze gaat er blijkbar ook van uit dat de kaart (p.138) van Nederland geheel overeenkomt met de situatie in de Romeinse tijd. Uiteraard is het een getekende opvatting die de tradities moet bevstigen. Als je ervan uitgaat dat de Brittenburg niet ver in zee maar aan de kust lag en Romeinse relicten door de Romeinen niet tot 6 meter onder de grond werden gestopt, was de situatie toch wel anders. Dat Waal en Lek bestaan hebben in de Romeinse tijd neemt men dan wel aan als een zekerheid, maar bewezen is dat nooit. Zie bij De Waal en de Lek. Ook de genoemde Corbulogracht heeft niet in west-Nederland bestaan. Volgens Tacitus was het een voortzetting van de werken van Drusus. En de Drususgracht wordt dan weer voor de Utrechtse Vecht, een andere keer voor de IJssel gehouden. Beide opties zijn overigens nooit bewezen. De Annalen van Tacitus (hoofdstuk 2, vers 6 t/m 8) wijzen de juiste streek aan.
    Het hele verhaal dat ze over St.Willibrord en Walacria schrijft is ook een mythe. Ze noemt de verbinding van Willibrord met Nehalennia verleidelijk, maar het heeft weinig met ware geschiedenis te maken. Voor Walacria zie hier!
    En als je Nehalennia een Keltische of Germaanse godin noemt, moet je ook verklaren waarom deze godin ook door handelaars uit Rouen (Frankrijk), Tongeren (België? of was het Douia?) en Augst (Zwitserland) vereerd werd. De schenker van een altaar uit Nijmegen is het klakkeloos volgen van Bogaers. Die opvatting mag als achterhaald beschouwd worden. Zie bij gedenksteen nr. 17
    Daarnaast komen enkele opvallende opvattingen naar voren, inderdaad verklaarbaar als symbooldeskundige, maar met ware geschiedenis heeft het weinig van doen, zoals het verhaal over de zeemeermin. Zoals iedereen weet bestaat deze mythische figuur niet, dan in de fantasie van oude zeerovers.
    En om nu met vrouw Holle de naam van Holland te verklaren gaat toch ook wel wat ver. De 'tal van onderzoekers' waarnaar ze verwijst, blijkt er maar één te zijn als we de literatuurlijst bekijken.
    Voor de ware herkomst van de naam Holland zie hier!

    De vraag is dan ook in hoeverre er sprake is van nieuw licht? Niet echt dus, blijkt bij lezing en bestudering van dit boek.




    Klik op de krant uit 1970 voor een vergroting.


    Enkele zeer uitgebreide artikelen over Domburg en de Nehalennia-altaren vind je in Westerheem 1971, p.151-188 en in Westerheem 1973, p.108-117.

    Er zijn in totaal 330 wij-altaren van Nehalennia gevonden, waarvan 110 (nagenoeg) compleet, naast negen grote en vijf kleine beeldjes en enkele zuiltjes.

    Over de herkomst en de verklaring van Nehalennia's naam bestaat geen zekerheid. Vanuit het Germaans kan deze in verband worden gebracht met leidende en sturende kwaliteiten, vanuit het Keltisch met zout water en de zee. Uit de afbeeldingen en de inscripties op de altaren blijkt dat Nehalennia in de periode circa 150-250 vooral benaderd werd ten behoeve van de bescherming van personen en zaken die met scheepvaart en handel te maken hadden. Een derde inheemse godheid, Burorina, is uitsluitend bekend van een altaar dat eveneens bij Domburg is gevonden. Zie afbeeldingen van enkele altaren hiernaast.

    Afgaande op de vondsten en de hoeveelheid gevonden altaren bij Domburg en Colijnsplaat lagen daar tempelcomplexen voor Nehalennia, waarschijnlijk bestaande uit een omheinde of ommuurde ruimte met daarbinnen de tempel. Op beide locaties zijn bouwfragmenten aangetroffen, onder andere resten van zuilen. Waarschijnlijk waren het tempels van het vierkante Gallo-Romeinse type, zoals de bekendste Nederlandse voorbeelden uit Empel en Elst. (Geschiedenis van Zeeland, deel 1, p.53-54).

    De visie van Albert Delahaye.
    Over de vondsten van de Nehalennia-gedenkstenen uit de Romeinse tijd wordt zeker niet getwijfeld. Dat staat wel vast. Maar de tradities die eraan worden toegeschreven staan zeker onder druk. Was Nehalennia een Germaanse godin? De vraag is dan ook wie deze gedenkstenen heeft gemaakt. Er zijn de nodige vragen over te stellen. Werden ze in productie gemaakt gezien hun overeenkomstig uiterlijk (zie afbeeldingen)? Waarom zouden de Romeinen een Germaanse godin afbeelden op hun gedenkstenen? Of hadden de Germanen de gewoonte van gedenkstenen overgenomen van de Romeinen en lieten zij die maken voor zichzelf? Was Nehalennia een godin van de vruchtbaarheid en oogst, gezien de appelen in de mand waarmee ze wordt afgebeeld? Wat is de betekenis van de hond die steeds naast haar wordt afgebeeld? In de mythologie staat een hond voor trouw, maar ook voor de jacht en oorlog (zoals bij de god Mars). Was ze godin van de schippers zoals de traditie meent omdat de beelden bij een plaats aan de zee zijn gevonden en ze (soms) met een voet op een voorsteven van een bootje rust? Was Domburg wel een belangrijke havenplaats? Maar Domburg en hele omgeving staan niet op de Peutingerkaart! Was Domburg de productieplaats of de opslagplaats van te verschepen goederen? Maar waar naartoe? Waar kwam de gebruikte steen voor deze gedenkstenen vandaan?

    Op veel van deze vragen probeert Annine van der Meer in haar boek 'Nieuw licht op Nehalennia' een antwoord te geven. Soms aannemelijk, soms ver gezocht.


    Walacria.
    Walcheren maakt in de traditionele opvattingen een belangrijk onderdeel uit, om de aanwezigheid van de Noormannen in de Lage Landen aan te tonen. Maar met een foto van het tegenwoordige strand bij Domburg bewijs je niets over de vermeende aanwezigheid van de Noormannen in de 9e of 10e eeuw. Jammer is ook dat zelfs gerenomeerde historici niet op de hoogte blijken te zijn van een ander Walcheren dan dat in Zeeland. Ook bij Brugge lag een Walcheren, waar, en dit is geen toeval, ook de plaatsen Middelburg, Vlissegem en Westkapelle bestaan. Hierover nadenken leidt tot de oplossing van de problematiek in de historische geografie in Nederland in het eerste millennium.
    Daarnaast ligt er ook in Frans-Vlaanderen nog een Wal(a)cria (villa Walcras), momenteel Vauchelles geheten, wat het Walcheren uit de levensgeschiedenis van St.Willibrord is. Zie bij
    St.Willibrord. Als je die drie onderscheiden Walacria's niet blijkt te kennen, ga je natuurlijk in de historische geografie fouten maken. En dat is nu precies wat volop aan de orde is in historische Nederland en wat precies het probleem is van de hele geschiedenis van de Noormannen in Nederland. De Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch en het verklaart ook waarom er (overigens geheel terecht) nooit over geschreven is door 'Hollandse' schrijvers. De teksten die we kennen over de Noormannen komen allemaal uit Frankrijk.
    Over Walacria bestaan een grote hoeveelheid teksten, die aantonen dat het niet over het Nederlandse Walcheren gaat, zelfs niet kan gaan omdat dat in de 9e eeuw onder water lag. Het gaat hierbij over het Vlaamse Walcheren bij Brugge of het Walacria in Frans-Vlaanderen. De naam Walcheren voor het Nederlandse eiland is zuiver import, net als de namen van de plaatsen Middelburg, Westkapelle en Vlissegem (Vlissingen!), die ook bij Brugge te vinden zijn. Dat hoeft geenszins verwondering te wekken als je eenmaal weet dat Zeeland door Vlaamse abdijen ingedijkt en in cultuur gebracht is. De eerste initiatieven hiertoe kwamen overigens van de monnikken van de St.Bertijnsabdij uit St.Omaars en dan ben je precies bij de bron van veel Noormannen-verhalen.

    Ganuenta.
    De Madelinus-munt uit Dorestad, gevonden in Domburg, toont niet aan dat Domburg Dorestad is. Zo wordt op een te Colijnsplaat gevonden Nehalennia-altaarsteen de plaats Ganuenta genoemd, wat natuurlijk niet Colijnsplaat is. Blijkbaar is Delahaye er ook klakkeloos vanuit gegaan dat Bogaers als deskundige deze tekst juist gelezen heeft. Dat had Delahaye dus helemaal niet moeten doen aangezien Bogaers er helemaal naast zat (zie hiernaast). Ook ten aanzien van de Peutingerkaart
    (zie daar) had hij de 'deskundigen' niet moeten volgen. Van die kaart klopt helemaal niets. Er zijn talloze voorbeelden te geven van plaatsnamen die door de historici door vooringenomenheid onjuist zijn geïnterpreteerd en zo op de verkeerde plaats terecht zijn gekomen. Het in de teksten genoemde Witla of Withmundi lag niet bij Vlaardingen, was ook niet Domburg of Colijnsplaat en al helemaal niet Wichmond, maar het was Wissant in Frans-Vlaanderen, precies daar waar ook Walacria lag.

    Op een van de in de Oosterschelde gevonden Nehalennia-altaren zou de plaatsnaam Ganuenta gestaan hebben, die Bogaers en Van Es echter niet thuis kunnen brengen (Van Es, De Romeinen in Nederland, p. 131,199, 217, 220, 233), maar waarvan zij veronderstellen dat de plaats daar in de buurt gelegen heeft. Het is de normale fout van de nederlandse archeologen. Wanneer zij een votief-, graf- of altaarsteen met een naam aantreffen, concluderen zij meteen dat die plaats dan ook daar gelegen heeft, een methodiek die door honderden gelijksoortige stenen over de hele romeinse wereld wordt gelogenstraft. De in Nijmegen gevonden steen van een Morinier van Terwaan is zelfs een zeer bij de hand liggend voorbeeld voor de onjuistheid van deze methode. Van Es brengt Ganuenta in verband met de Frisones, en daar zat hij op de goede weg. De pllaatsnaam Ganuenta zou best bestaan kunnen hebben, maar staat zeker niet op deze gedenksteen. Ganuenta zou de naam van Genech kunnen zijn geweest, de hoofdplaats van de Canninefaten, naaste buren van de Frisones in Vlaanderen. Een naam als Ganuenta is afgeleid van het gallische "gena" =riviermond, wat ter plaatse geheel klopt daar dit volk gezeten was aan een der Monden van de Renus=Schelde, die naar het grote deltagebied van het Flevum uitstroomde. Diezelfde stam zit ook in het woord Gandavum, welke naam natuurlijk eveneens dubbel voorkwam: een Gandavum in het leven van St. Amandus genoemd, dat vermoedelijk ook Genech was, in elk geval een plaats aan de kust. Het zou het latere Gent (zie de teksten over St. Amandus) kunnen zijn. De nederlandse plaatsnamen Gendt, Genderen en Gendringen hebben een andere afleiding. De " pagus Catualinus" (Van Es, p. 217), eveneens een raadsel voor Bogaers en Van Es, is vanzelfsprekend afgeleid van het op de Peutinger-kaart voorkomende Catualium, dat Couthuin (B.) was (zie tekst 71 in De Ware Kijk Op).

    Gannita
    Gannita wordt genoemd in de codex van Lorsch uit de jaren 772, 793, 814, 860, 863, 864, 1024, 1046, ca. 1050. Het kan Gennes-Ivergny zijn, op 24 km zuid-west van St. Pol-sur-Ternoise. Waarschijnlijker is het Genech, op 15 km zuid-oost van Rijssel. Het neemt in de goederen van Lorsch een belangrijke plaats in, daar het een centrum geweest schijnt te zijn voor het beheer van de kerken en goederen in de streek. Het toepassen van de naam op Gendt in de nederlandse Betuwe was de zoveelste slag met de pet, daar Gendt in 772 niet kan hebben bestaan, en noch uit de plaatselijke geschiedenis noch uit uit die van Gelderland iets blijkt van een regionale funktie van Gendt.
    Over Gannita wordt vermeldt dat er een eiland en landerijen lagen tussen Gannita en de rivier de Wal, wat in Nederland werd opgevat als Gendt en de Waal. Maar tussen Gendt en de Waal ligt niets, Gendt ligt aan de Waal. Over dat eiland werd niet gesproken. In andere teksten wordt deze rivier Gual(a) genoemd (Gu=W, denk aan Guillaume=Willem). Het zou een van de vele Guelles kunnen zijn, wat gewoon 'kleine rivier' betekent (denk aan het woord 'wel' als bron van een rivier, etymologisch afkomstig van 'walla' bron. Zie bij Waal.
    In 863 kreeg Lorsch deze goederen weer in bezit vanuit een bruikleen van paltsgraaf Ansfrid. Gannita maakte deel uit van een aan de Noormannen uitgegeven leen in het westen van Frankrijk. Het kan dus niet Gendt in de Betuwe zijn geweest.
    In 891 of 892 schonken Meginger en zijn vrouw Irinfrid de kerk van Gannita, toegewijd aan St.Martinus, en een deel van het terein waarop de kerk stond, aan de abdij van Lorsch. Het patroon van St.Martinus vormt geen argument, wel dat van de kerk (nu de Ned.Herv. kerk) in Gendt geen archeologisch bewijzen gevonden zijn die tot de 9e eeuw teruggevoerd kunnen worden.
    In 1024 is sprake van een koninklijke hof in Gannata en die is er in Gendt nooit geweest. Tussen 1125 en 1137 is nog sprake van een uitgestrekt bezit van de abdij van Lorsch in Gannita. Vreemd is het dan dat in 1228 Gerard van Gelre goederen onder Gendt aan het klooster van Oostbroek schenkt. Heeft de machtige abdij van Lorsch dit zonder protest laten gebeuren? Of hadden zij helemaal geen bezittingen in Gendt? De in de codex van Lorsch genoemde Gannita was dus niet Gendt in de Betuwe, maar Genech in Frankrijk.

    Het aangetroffen "Karolingisch" materiaal te Domburg op Walcheren bevindt zich in een veel jongere stratigrafische context, waar geen "Karolingische" nederzettingen zijn geweest, al blijkt de fabel van een "groot Karolingisch handelscentrum" te Domburg ook zo taai te zijn als de kat met de negen levens.
    Schepenkerkhoven is de juiste benaming van deze vindplaatsen. Het hout van een vergaan schip wordt vanzelf door de zee opgeruimd; dat is binnen enkele jaren spoorloos verdwenen. Maar zwaardere voorwerpen zoals munten en aardewerk worden niet weggespoeld. Die blijven ter plaatse en raken dan vanzelf in de grond. De vondsten uit de 4e eeuw zijn overigens zo mager en onderling zo onsamenhangend, dat er ten aanzien van een bewoning niet veel van kan worden afgeleid. Overigens is het beter niet zo hoog over deze vondsten op te geven, daar zij nog schriller aan het licht brengen dat uit de zes eeuwen daarna niets aanwezig is. Immers, wanneer men de gangbare geschiedenisboekjes zou geloven, moesten de archeologische vondsten en de bewijzen van de beweerde historische continuïteit in de bewoning mèt de eeuw toenemen, in plaats van volledig afwezig te zijn tot in het midden van de 10e eeuw.


    W. van Es vermeldt Ganuenta met een verwijzing naar Bogaers en Gysseling. Hij heeft dus zelf deze bron nooit gecontroleerd, anders had hij gezien dat helemaal nergens Ganuenta wordt genoemd. Het is dus een voorbeeld van klakkelose naschrijverij en het afgaan op de 'deskundigen' die het allemaal wel menen te weten. Dat aan die deskundigheid ernstig getwijfeld mag worden, blijkt nu wel. Op p.198 en 199 wordt een veronderstelling gegeven van de tempels in Domburg en Colijnsplaat. Van Es schrijft daarover echter: "Naar de vorm van deze tempels kunnen we slechts raden" en gebruikt hij woorden als 'vermoedelijk', 'men neemt daarom aan', 'staat niet eens vast'. "Dit Ganuenta zou, naar de veronderstelling luidt, wel eens de hoofdplaats van de Frisiavones geweest kunenen zijn". We kunnen dus de conclusie van Van Es onderschrijven die schrijft: "Zeker is dit allerminst".



    Klik op de krant uit 2001 voor een vergroting.






    Wie er een beter leesbare tekst van kan maken, laat het weten!
  • Over de aangenomen geschiedenis van Domburg en Colijnsplaat zijn de nodige vragen te stellen, zoals:
  • waren Domburg en Colijnsplaat in de Romeinse tijd belangrijke havens? Neen, zie wat er in de eigen geschiedenis over geschreven is.
  • was er een Romeinse tempel in deze plaatsen? Neen, dat is wel aangenomen, maar nooit aangetoond.
  • was Nehalennia een inheemse Germaanse Godin? Neen, de omvangrijke verspreiding van de erop genoemde personen spreekt dat tegen.
  • lagen hier ergens de plaatsen Ganuenta of Witla? Neen, die plaatsen lagen in Noord-Frankrijk.
  • was Walcheren het Walacria uit de bronnen? Neen, dat Walacria lag in Noord-Frankrijk.
  • is Willibrord hier ooit ergens geweest om afgodsbeelden te vernielen? Neen, dat is een volslagen mythe.
  • zijn de Noormannen hier ooit komen plunderen? Neen, in deze schier onbewoonbare streek viel niets te plunderen.
  • zijn de 'burghen' aangelegd tegen invallen van de Noormannen? Neen, het waren vluchtburghen bij hoog water.

    Alle antwoorden op deze vragen vindt U hierna. Het is wel duidelijk dat de opvattingen over de traditionele geschiedenis van Domburg en Colijnsplaat aan herziening toe zijn, en zeker de traditionele opvatting omtrent Ganuenta (zie daar).

    Wat lezen we er in de traditionele opvattingen zoal over?
    1. Wat de Romeinse tijd betreft wordt het traditionele verhaal gevolgd, waarbij de nodige veronderstellingen worden gehandhaafd. Zo worden de volksstammen Menapii, Marsacii, Sturii en Frisiavones in en bij het huidige Zeeland geplaatst. Van de Menapii wordt dan vermeld dat hun hoofdstad Castellum Menapiorum (Kassel, beter is met C- Cassel) is, maar dat ligt toch op ruim 175 kilometer van hun hier veronderstelde woongebied. Bovendien wordt op p.44 vermeldt dat van dorpen van de Menapii die Caesar vermeldt, het bestaan daarvan in Zeeland (archeologisch) niet bevestigd is.
      Bij de locatie van de Frisiavones wordt in de 'Geschiedenis van Zeeland deel1 (p.43) 'vermoedelijk' vermeld, dus heel zeker zijn de auteurs niet. Zo is er wel vaker sprake van twijfel waar het frequent gebruik van woorden zoals 'waarschijnlijk' (komt liefst 47x voor in hoofdstuk 3 t/m 7, p.42-87 = ca.39 pagina's tekst), 'vermoedelijk' (22x), 'mogelijk' (komt liefst 21x voor alleen al in hoofdstuk 3 over de Romeinse tijd), 'vrijwel zeker' (5x in hoofdstuk 3) op wijzen, evenals er nogal veel 'wordt aangenomen' of 'mag worden beschouwd'. Hoeveel zekerheid spreekt hieruit?

      Lees je zorgvuldig wat de Romeinse schrijver Plinius vermeldt, dan blijkt dat deze volkeren in Noord-Frankrijk woonden. Mogelijk woonden ze daar al toen Caesar dit gebied veroverde, lezen we op p.42. Maar Caesar is zo ver noordelijk nooit geweest. Als 'uitvlucht' wordt ook nog vermeldt dat ze mogelijk pas later in dit gebied zijn gaan wonen. Blijkbaar twijfelen de auteurs aan hun eigen opvattingen. Ze woonden inderdaad aan de Schelde zoals Plinius schrijft, maar die stroomt ook in Frankrijk, sterker, die begint daar. Deze stammen waren de buren van de Morini (rond Terwaan) en de gouw van Gesoriacum (Boulogne-sur-Mer). Ook noemt Plinius andere stammen die in die buurt woonden zoals de Atrebati (Atrecht), de vrije Nervii (Bavay) en de Suessones (Soissons). Plinius plaatst de Frisiavones duidelijk aan de kust van de Britse Oceaan (is Het Kanaal). De Marsaci woonden in Marck bij Calais en steunden Civilis ook in de Opstand van de Bataven, die in en rond Béthune woonden. Ook de Sturii en Masacii (Tacitus, Hist. IV, 56) worden in dit verband genoemd.

      In de Romeinse tijd zou bij Domburg een Nehalenniatempel gebouwd zijn, wat een nooit bewezen aanname is (zie verder). Deze werd volgens de traditie na de 7e eeuw bedolven onder duinzand, om in de 17e eeuw weer aan de oppervlakte te komen. Door het verder afkalven van de kust kwam zij al spoedig onder water te liggen. Schippers beschouwden Nehalennia als beschermgodin en maakten, na de zeeën getrotseerd te hebben, een stenen gedenkschrift. De Tempel van Nehalennia in Domburg is een van de twee bekende tempels gewijd aan de godin Nehalennia en gelegen in Domburg. De andere bevond zich op Colijnsplaat en uit inscripties en afbeeldingen op votiefstenen (zie afbeelding) blijkt dat tussen beide tempels nauwe contacten bestonden. Ze zouden minstens ten dele gelijktijdig hebben bestaan. Aan de hand van inscripties wordt de tempel van Colijnsplaat minstens tussen de jaren 188 en 227 als in bedrijf zijnde beschouwd.

      L. P. Louwe Kooijmans schrijft over de Romeinse Nehalennia-tempel in Westerheem 1971, p.167 het volgende: "Voor alle andere aspecten van de provinciaal-Romeinse tempel levert ons onderzoek echter weinig op: de kleine vondsten zijn niet bewaard of worden door ons nog gemist, over de tempel zelf krijgen wij nauwelijks informatie: daarvoor moeten we de gegevens aan andere plaatsen ontlenen, in Nederland met name Aardenburg, Eist, Nijmegen en Cuyk. Zoals zo vaak in de archeologie, moeten wij gegevens van verschillende terreinen combineren om tot een totaalbeeld, in dit geval van de provinciaal-Romeinse tempel, te komen".
      Let ook op deze laatste uitspraak: wat op andere plekken geldt, hoeft niet overal te gelden! Daar is de archeologie helaas regelmatig mee in de fout gegaan.

      De vondst van de Nehallennia altaarstenen wordt allerminst ontkend. Maar de aangenomen speculaties helaas wel. Dat zijn deducties uit enkele aangenomen opvattingen. Dat er ooit tempels gestaan hebben is dan wel aangenomen door de vondst van enkele dakpannen en zuiltjes, maar dat er tempels gestaan hebben is een veronderstelling op grond van de gevonden Nehalennia-altaarstenen.
      In Domburg en Colijnsplaat zijn altaren gevonden van inwoners van Keulen, Trier, Nijmegen, Dormagen, regio Tongeren, Besançon, Rouaan, Bordeaux, Lyon, Norfolk (Engeland) en zelfs uit Zwitserland. Het vinden van inscripties in een havenplaats zegt hoogstens iets over waar de goederen vandaan kwamen of naar toe gingen en niet dat dit oord in een van de streken zou moeten liggen waarvan melding wordt gemaakt. Of Domburg of Colijnsplaats een bedevaartsoord was (men heeft er resten van een gebouw gevonden: loods? tempel?) is een even onzekere als nooit bewezen stelling. Het hier gevonden altaar van deze Bataaf zegt dus helemaal niets ten gunste van Nijmegen, wat het Bronnenboek juist wil aantonen.

      Belangrijke vraag blijft, gezien de omvangrijke herkomst of bestemming (!?) van deze altaren, in hoeverre het wel om een plaatselijke inheemse Zeeuwse godin gaat? De op de altaren genoemde handelaren, reders, scheepskapiteins, bestuurders en militairen uit verre oorden als Noord- en Midden-Gallië en zelfs uit het tegenwoordige Zwitserland zijn in tegenspraak met dat plaatselijke karakter. Ook de 'Romeinse' vormgeving en de latijnse teksten zijn daarmee in tegenspraak. Maakten de Romeinen deze altaren voor de Germanen of maakten de Germanen deze altaren zelf? Hetzelfde geldt uiteraard ook voor de 'Germaanse' godheid Hercules Magusanus, waarvan in 1514 voor het eerst een wij-altaar gevonden werd bij Westkapelle.
      "Met de koppeling van Hercules aan Magusanus werd ook een mythische afstamming van de Bataafse elite en daarmee een mythische oorsprong van de Bataafse identiteit gecreëerd als een van de middelen om integratie van de Bataven in het Romeinse rijk te bewerkstelligen." Deze zin in de 'Geschiedenis van Zeeland', deel 1, (p.53) schetst precies het ontstaan van de Bataafse mythe.

    2. In of bij Domburg zou in de Vroege Middeleeuwen de handels- en havenplaats Walichrum hebben gelegen, die in de 8e eeuw een bloeiperiode moet hebben doorgemaakt. Dat wordt afgeleid uit de vele muntvondsten (circa 1200) die in de loop der jaren op het strand zijn gedaan. Daarnaast zijn er bijna 500 andere metalen voorwerpen gevonden, daterend van de 6e tot de 11e eeuw. De strandvondsten zijn afkomstig van het handelscentrum, waarvan in vroeger eeuwen bij storm nog restanten te zien waren, en mogelijk van een drietal grafvelden. De naam van deze plaats moet zijn samengevallen met de aanduiding van het eiland Walcheren.

      In de buurt van Colijnsplaat heeft een Keltische nederzetting gelegen die Ganuenta heette, waar de Frisiavoni woonden (naar het Keltische Freo hyse ea wune: Zij die op het eiland Freo wonen, waarin Freo de god Freyr aangeeft (?). Hier bevond zich een tempel voor de godin Nehalennia. In 1970 werden in de buurt van Colijnsplaat een aantal Nehalennia-altaren opgevist uit de Oosterschelde. Aan het begin van de 21e eeuw is te Colijnsplaat een Gallo-Romeinse tempel gereconstrueerd.
      Voor Ganuenta wordt op p.46 (noot 107) verwezen naar M.Gysseling en D.P.Blok, maar beiden hebben in hun Toponymische Woordenboek en Lexicon Ganuenta niet eens genoemd.

      Het wonder van Colijnsplaat dat gespaard bleef bij de Watersnoodramp in 1953, spreekt nog steeds tot de verbeelding. Dat hier de plaats Ganuenta gelegen heeft is echter een mythe. Dat wordt ook erkend in de 'Geschiedenis van Zeeland' deel 1 (redactie: Paul Brusse/Peter Hendrikx), het standaardwerk over de Zeeuwse geschiedenis, waar over Ganuenta geschreven wordt 'mogelijk Colijnsplaat' en er een '?' bij geplaatst wordt. Zowel M.Gysseling als D.P.Blok noemen Ganuenta niet in hun Toponymische Woordenboek en Lexicon. Het is veelzeggend.
      Dat de Fisiavoni in Zeeland woonden is eveneens een mythe. Plinius somt de Frisiavoni als bevolkingsgroep op tussen de Atrebati (Atrecht), de vrije Nervii (Bavay), de Veromandui (Soissons), de Tungri (Doornik), de Frisiavones (Vlaanderen), de Baetasi (Bettignies) en de vrije Leuci (Toul). Allemaal stammen in Noord-Frankrijk. En precies daar horen de Frisiavones ook thuis. Bovendien schrijft Plinius over de Frisi(avones), het volk dat toen trouw (aan Rome) was: "Ik ken niet de betekenis van hun naam; misschien betekent hij, dat zij dicht bij de Britse Oceaan (Het Kanaal) wonen". (Plinius, Naturalis Historia, XXV, 21). Beide beschrijvingen van Plinius wijzen duidelijk naar de Noord-Frans kust en helemaal niet naar het Nederlandse Friesland of Noord-Holland.

    3. Noorse Vikingen in Domburg?
      Op de tentoonstelling over de Vikingen in het Drents Museum te Assen worden diverse voorwerpen en sieraden getoond die van de Vikingen afkomstig zouden zijn. Opvallend daarbij bleek dat er gewoon niets te zien was dat in Nederland gevonden is, ook niet in Domburg. Hoezo Vikingen in Domburg? Lees meer bij Vikingen in Domburg. Er zijn in Nederland in totaal 14 locaties bekend met Vikingvondsten, waaronder enkele muntvondsten in Domburg. Maar wat bewijs je met muntvondsten of sieraden van een type die in heel Europa gevonden worden?

      De teksten geven echter uitsluitsel en wijzen duidelijk naar Noord-Frankrijk, zoals de teksten uit 836 en 837 (zie volgende kaders) waarmee men in Zeeland iets meent te kunnen bewijzen. Zie p.70 en 77 in de 'Geschiedenis van Zeeland, deel 1'.

      De tekst uit het jaar 836 luidt als volgt:
      De Noormannen vielen heftig Gallie binnen. Zij vernielden Dorestadum, de plaats Andowerpium en de haven Witla bij de mond van de Mosa en eisten schatting van de Frisones. Vandaar verwoestten zij het eiland Walacria en eisten ook daar schatting.
      Bron: Historia regum Francorum, H dF , VII, p. 259.

      Het eiland Walacria in deze tekst wordt steeds opgevat als Walcheren. Maar is dit juist?

      Deze tekst uit een Franse bron (en er zijn meerdere teksten die hetzelfde verhalen) is wel duidelijk: het gaat over Gallië en dus niet over Nederland. Het eiland Walacria lag tussen Brugge en Uitkerke. Het nederlandse Walcheren bestond nog niet. Dorestadum is Audruicq, de plaats Andowerpium is de “aanwerp” bij Marck-en-Calais en de haven Witla is Wissant bij de mond van de Mosa. Witla en Wissant zijn synoniem en betekenen resp. wit land en wit zand, wat aan de kust van Het Kanaal zeer toepasselijk is. De Mosa is niet de Maas maar de Moese, een algemeen vlaams woord voor moeras of moerassige riviermond. De Frisones waren de inwoners van Vlaanderen. Antwerpen, de normale opvatting, bestond op dit tijdstip noch in werkelijkheid, noch naamkundig. Witla lag ook niet bij Vlaardingen, maar al helemaal niet in Wichmond, wat D.P.Blok (zie daar) ervan maakte. De naam komt in verschillende bronnen ook voor als Withmotinga, Wigmodia, Witmodi, Withmundi, Witla, Witlam, Witland en Wissant en duidt dan steeds dezelfde plek aan. De lokalisatie te Wichmond (Geld.) is een komplete farce. Wichmond ligt helemaal niet aan zee, wat een voorwaarde is, gezien de details in de teksten.

      In de Nederlandse opvatting zouden de Noormannen dus Zeeland (Walcheren) hebben aangevallen om vervolgens de Friezen (uit Friesland) een schatting te laten betalen. Hoe krom kun je het bedenken. En ligt Zeeland in Gallië? Wie dat beweert moet dat ook eens bewijzen. In de 'Geschiedenis van Zeeland' deel 1 (redactie: Paul Brusse/Peter Hendrikx), het standaardwerk over de Zeeuwse geschiedenis, wordt de plaats Witla drie keer genoemd, maar er wordt geen plaatsnaam aan gekoppeld. Op p. 77 wordt Witla op Walcheren geplaatst, op het kaartje op p.73 wordt Witla tegenover Schiedam/Vlaardingen (die toen nog niet bestonden!) zogenaamd aan de Maasmonding getekend. Men weet er kennelijk geen raad mee en spreekt zichzelf in een en dezelfde publicatie tegen.

      De tekst uit 837 staat ook weer in een Franse kroniek.
      De Noormannen... vielen het eerst de kust van Vlaanderen aan, maar werden daar door de bestuurders verdreven. Vervolgens probeerden zij hetzelfde in de monding van de Seine, waar zij verdreven werden... en kwamen de Noormannen weer in Frisia (Vlaanderen). In het jaar 837 doodden de Noormannen velen in het eiland, dat Walacria heet (tussen Brugge en Uitkerke). Toen zij daar enige tijd verbleven hadden, kwamen zij naar Dorestadum (Audruicq), waar zij eveneens schatting eisten. Toen keizer Lodewijk dit hoorde, haastte hij zich naar zijn burcht van Noviomagus (Noyon). Nadat de Noormannen zijn komst vernomen hadden, trokken zij zich terug.
      Bron: Chronicon de gestis Nortmannorum in Francia, H dF , VI, p. 204.

      Hoewel de schrijver van deze tekst eenmaal Vlaanderen, de andere keer Frisia noemt (let op het woordje 'weer'), bedoelde hij dezelfde streek. De tekst toont ten overvloede aan dat Dorestadum en Noyon in dezelfde streek lagen. De keizer begaf zich naar Noyon omdat de dreiging van de Noormannen op het noorden van Frankrijk was gericht.
      Walacria, een eiland van Frisia, dat de Noormannen in 837 aanvielen en dat Heriold de Noorman in 841 in leen verwierf, was een eiland tussen Brugge en Uitkerke. Het was niet Walcheren, dat toen immers nauwelijks bewoond was, en al helemaal niet een eiland in Friesland.

      Ringwalburghen.
      In alle verhalen over de Vikingen in Zeeland worden steevast de ringwal-burchten of -burghen opgevoerd. Zo ligt er ook een in Burgh-Haamstede. Waarvoor dienden deze burghen? Bij een bezoek aan die burgh (zie foto's hieronder) ga je toch stevig twijfelen aan het traditioneel verhaal. Een Viking zou toch helemaal geen moeite hebben met een wal van 1 á 2 meter hoog? Daar loopt die Viking toch zo overheen. Wie daar wel moeite mee heeft is het water. Dat houd je met een stijging van zo'n 2 meter wel tegen. En dat is ook precies het doel van de ringwalburghen geweest. Het was een schuilplaats, een burgh, tegen hoog water. De etymologie van burgh/burcht/borg/bergen is een 'hoge verheffing' en 'in veiligheid brengen' wijst daar op. Binnen die burgh werd ook niet gewoond (er zijn geen resten van nederzettingen gevonden), maar de bevolking (met hun dieren) kwam er samen bij hoog tij of springtij. De afrastering van paaltjes met vlechtwerk (zie de middelste foto) was bedoeld om de dieren binnen de omheining te houden. Niet om vijanden tegen te houden. Het Watersnoodmuseum getuigt daar ook over. Zie het Watersnoodmuseum.
      Bovendien zouden die ringwalburchten volgens de traditionele opvattingen pas aangelegd zijn, nadat de Vikingen vertrokken waren. Verwachtte men een tweede plundering, terwijl men alles al kwijt was?


      Foto's van de burgh in Burgh-Haamstede. Rechts het bovenaanzicht van de burgh die nu gedeeltelijk wel bewoond is.


      Een van de manieren waarop de bewoners van de estuariumgronden zich tegen wateroverlast trachtten te beschermen was het opwerpen van verhoogde woonplekken: 'werven' zoals ze in het kustgebied van Vlaanderen tot Oost-Friesland vaak worden genoemd. (Bron: Geschiedenis van Zeeland, deel 1, p.92).

      Voordracht ir.J.A.Trimpe Burger: In een tekst uit de Miracula Sancti Bertini Sithiensia (van St.Omer) wordt gewag gemaakt van „castella recens facta" (d.w.z. onlangs — voor 891 — opgeworpen versterkingen). Zijn deze burchten door of tegen de Noormannen opgeworpen? Waarschijnlijk tégen, maar helemaal zeker is dit niet. Het grondplan van de onlangs onderzochte ronde burcht te Oost-Souburg, met een diameter van 160 m, toont merkwaardig veel overeenkomst met de „Noormannenburchten" in Denemarken, zoals die te Trelleborg. Het is een zorgvuldig uitgezette, door een brede gracht omgeven aanleg, met twee, elkaar kruisende wegen en vier toegangspoorten. De huizen zijn regelmatig gegroepeerd. De aanleg, die mogelijk een seme-militair karakter heeft gehad, doet denken aan de oudere, tot de Romeinse tijd teruggaande burchten van vierkante aanleg (castella) te Aardenburg en Oudenburg. Moeten de vluchtbergen als toevluchtsoord bij overstromingen of als „chateau a motte" beschouwd worden? Voor beide opvattingen is iets te zeggen, mogelijk is er soms sprake van een combinatie van beide functies. Soms maakt een berg deel uit van een kasteelcomplex (Baerland); dan is de functie duidelijk. Uit onderzoekingen is gebleken, dat de vluchtbergen in fasen zijn opgeworpen: Eerst — d.w.z. op Walcheren in de 9e of 10e eeuw, op Beveland en Tholen later — een kernheuvel, met een boerderijtje; later, in de 12e en 13e eeuw, volgde verdere verhoging en uitbreiding, zodat heuvels met een diameter van 30—32 en een hoogte van 12 m ontstonden. Vluchtbergen en kasteelbergen kunnen ook wel, primair of secundair, als molenberg gebruikt zijn. Bekende vluchtbergen zijn die van Boudewijnskerke (gerestaureerd), Kloetinge, Wemeldinge en de Haseberg bij Domburg. (Bron: Westerheem 1972, p.128).

      Waarom zouden de Denen Noormannenburchten hebben aangelegd ter bescherming tegen zichzelf? Of waren dat ook vluchtburgen tegen hoog water? Het Vikingdorp Trelleborg (zie foto hiernaast) ligt aan de kust van de Grote Belt. Nu veilig achter de dijk, maar in de 9e eeuw? Vluchtburgen uit de 12e en 13e eeuw hebben in elk geval niet gediend tegen bescherming van plunderende Vikingen. Dan blijft maar één optie open: beschering tegen hoog water!

    Klik op de afbeelding voor een vergroting.

    De Nehalennia-altaarstenen uit Domburg en Colijnsplaat (zie afbeeldingen van enkele altaren hieronder).
    Traditioneel doen verschillende opvattingen over Nehalennia (ook Nehalenia, Nehalaenniae, Nehalaenia) de ronde. Dat kan ook niet anders, aangezien er veel onbeantwoorde vragen blijven bestaan. Ze zou een inheemse beschermgodin zijn die in het 2e- en 3e-eeuwse Gallia Belgica door reizigers, vooral zeelui en handelaars, werd vereerd bij de monding van de Schelde. De gedenkstenen werden al snel tot altaren gepromoveerd, vervolgens tot heiligdommen gemaakt en tot slot tot een tempel.
    Nehalennia is alleen bekend van grote hoeveelheden gevonden altaren bij Colijnsplaat en Domburg. De votiefstenen stammen van twee in steen gebouwde tempels die lagen aan de Oosterschelde, wat de traditie voor waar hanteert. Maar was dit ook zo? De Ooosterschelde was toen de hoofdmonding van de Schelde en vormde de grens tussen de civitates der Menapii en Frisiavones (zie opmerking 1). Deze streek was toentertijd een belangrijke schakel in het Romeinse handelsverkeer tussen de Rijnstreek en Britannia. De vereerders van Nehalennia kwamen dan ook uit een groot gebied dat Gallia Belgica, Germania Inferior, Germania Superior en Britannia omvatte (zie opmerking 2).
    Er is voorlopig geen uitsluitsel of het om een Keltische of een Germaanse godin gaat of dat zij uit een oudere, inheemse traditie stamt. Ook in Keulen en zelfs in Tongeren zijn dergelijke altaren opgedoken. Haar cultus is vrijwel zeker ouder dan de periode waaruit de altaren stammen.
    Aangezien er weinig over deze godin bekend is, vinden allerlei speculaties een vruchtbare bodem in historische Nederland. En die speculaties worden, als ze niet worden tegengesproken, vanzelf historische waarheid. En als de mythe eenmaal voet aan de grond heeft gehaald, is deze met geen enkel bewijs meer te weerleggen. Een eenmaal aangenomen mythe blijkt sterker dan een historische bewijs.

    Opmerking 1: De Menapii woonden in Frans-Vlaanderen, waar Castellum Menapiorum (Cassel) hun hoofdstad was. De Frisiavones woonden in het oude Frisia dat Vlaanderen was en niet Friesland. Zie bij
    Frisia.
    Opmerking 2: De Nehalenia altaren kwamen gezien de opschriften uit een groot gebied. Het is dan ook een onhoudbare opvatting er een Keltische of Germaanse godin van te maken. Zouden de Romeinen een buitenlandse godin op hun altaarstenen hebben aangebracht? En voor wie werden deze altaarstenen gemaakt? Vereerden de Kelten of Germanen op deze wijze hun goden? Het zijn allemaal bij elkaar wel erg aangenomen opvattingen. Werden die altaarstenen hier geproduceerd en zijn er daarom hier veel bij elkaar gevonden? Of waren ze ingescheept op een schip dat toevallig hier voor de kust verging? Waar kwam de steensoort vandaan? In elk geval niet uit Zeeland of Nederland. Waarom zijn de altaren alleen uit Nederland bekend?
    Deze mogelijkheid van een schipbreuk wordt ook erkend in Westerheem 1971 p.153 waar we lezen: "Bij de tweede mogelijkheid werd er gedacht aan een Romeins vrachtschip met enkele of vele altaren, dat schipbreuk zou hebben geleden. De stenen vormden dan geen bewijs voor het bestaan van een tweede tempel ter plaatse, maar konden dan met het heiligdom te Domburg in verband gebracht worden". Was dat schip op weg naar Britannia of kwam het juist daar vandaan? Zijn die altaren dan ook in Britannia gemaakt?


    De opvattingen rondom de Nehalennia-altaren en -tempels en Ganuenta zijn terug te voeren op de opvattingen van
    J.E.Bogaers (zie daar) en M.Gysseling (zie daar) uit 1971. Steeds wordt door latere onderzoekers deze tekst aangehaald als zijnde de ultieme waarheid. Echter deze opvattingen blijken totaal onjuist te zijn. Zie de tekst op de zuil met Ganuenta hiernaast. Nergens staat Ganuenta!

    Ganuenta teruggevonden.
    De Romeinse naam van Colijnsplaat is lange tijd onbekend. Dit verandert na de vondst in 1970 van een onversierd altaar van 58 cm van blauwzwarte kalksteen, dat slechts een enkele inscriptie draagt. Het is het altaar van Gimio, die tijdelijk woonachtig is in Ganuenta of in het Latijn' Ganuentae cons(istens)'. Aanvankelijk neemt men aan dat de schipper die het altaar schonk, uit Venta in Engeland kwam. Door de voornaam van de schipper niet als Gimioga te lezen maar als Gimio (1), een Keltische naam, en door de woonplaats van de schipper niet als Venta maar als Ganuent te lezen (2), achterhaalt men de naam van de plaats 'Ganuent'. Een plaatsnaam eindigt vaak op een a, dus dat maakt 'Ganuenta' (3).
    Dat geeft dat Gimio de steen schenkt in Ganuenta waar hij tijdelijk verblijf houdt (consistens). De naam van de nederzetting bij Colijnsplaat is gevonden. Hier lag ooit Ganuenta.

    Annine van der Meer volgt hier klakkeloos de opvatting van J.Bogaers en M.Gysseling uit 1971 (zie verder). Hoezo nieuw licht?

    Niels Tuinman verwijst in zijn afstudeerscriptie ook naar de tekst 'DEAE NEHA(LE)NIAE GIMIOGA N(AUTA) VENT(AE) CONS(ISTENS) V(OTUM) S(OLVIT) L(IBENS) M(ERITO), zoals Bogaers en Gysseling die bedachten (!).
    Deze inscriptie werd vertaald als 'Voor de godin Nehalennia heeft Gimioga, schipper, te Venta gevestigd, zijn gelofte ingelost, gaarne en met reden'. Dit klonk aannemelijk aangezien bekend is dat er drie plaatsen in Romeins Engeland zijn die Venta heten. Van deze drie plekken had Venta Icenorum de beste papieren om de woonplaats van Gimioga te zijn geweest. Echter door Bogaers & Gysseling is een andere interpretatie geopperd (Bogaers & Gysseling, 1971, 232-239). Volgens hen is de naam van de persoon niet Gimioga, maar Gimio; een Keltische persoonsnaam die, in tegenstelling tot Gimioga, vaker voorkomt. Tegen de plaats Venta als woonplaats is in te brengen dat deze in de Romeinse tijd nauwelijks te bereiken was per schip, waardoor deze nederzetting niet als havenplaats kan hebben gefungeerd. (Bogaers & Gysseling, 1971, 232). Dit samen wijst erop dat de dedicant van dit altaar Gimio geheten zal hebben en zijn woonplaats Ganuent. Aan de hand van taalkundige theorieën meent Gysseling dat de plaatsnaam op een -a- dient te eindigen. Dit blijft echter een theorie en zal lastig te bewijzen zijn, schrijft Tuinman. De reden waarom wordt aangenomen dat Ganuenta ook daadwerkelijk in Zeeland lag op de plek waar het altaar gevonden is, komt doordat men gebruikmaakt van het woord 'consistens. Dit kan vertaald worden als 'tijdelijk verblijf houdend'. Wanneer in een inscriptie 'consistens' gebruikt wordt in verband met een plaatsnaam, kan er vrijwel altijd van uit worden gegaan dat deze inscriptie gemaakt is in de plaats die ook genoemd wordt in de inscriptie, stelt Gysseling. (Bogaers & Gysseling, 1971, 233-234).


    Jammer voor Bogaers en Gysseling, maar andere historici lezen er toch steeds Gimioga. Marten Henig leest deze naam Gimioga in 'A corpus of Roman engraved gemstones from British sites', met een verwijzing naar P.Stuart die dit leest als 'Gimioga N(auta) Vent(ae)'. John Wacher noemt in zijn boek 'The coming of Rome' twee schippers waarvan een met de naam Gimioga. Anthony Richard Birley noemt een Gimioga als inwoner van Rome. Malcolm Todd noemt ook twee maal Gimioga in zijn boek 'Roman Britain 55BC-400: the province beyond Ocean' (zie afbeeldingen hieronder). Ook de Franse historici Joseph Bidez, Albert Joseph Carnoy, Franz Valery Marie Cumont - vermelden in hun boek L'Antiquité classique uit 2003: "le nom antique de Colijnsplaat : dès lors Gimio (AE 1975, 641) n'est pas un « étranger » à Colijnsplaat. Il pourrait être un étranger d'une des villes de Bretagne portant le nom de Venta si on choisissait la lecture Gimioga". In L'Année épigraphique (1978) wordt ook Gimioga als een van de twee interpretaties genoemd naast het keltische Gimio.
    De redenatie van Bogaers en Gysseling gaat dus niet op.




    Net als Van der Meer verwijst Tuinman voor deze 'reconstructie' naar het artikel van J.E.Bogaers en M.Gysseling uit 1971 (Oudheidkundige Mededelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden N.R. 52 (1971).

    De 'reconstructie' van Van der Meer blijkt gebaseerd op naschrijverij en een onnavolgbare hersenkronkel. Allereerst maakt ze de denkfout door ervan uit te gaan dat de vindplaats van een gedenksteen ook de naam van de verblijfplaats van de eigenaar is. Albert Delahaye heeft meermalen aangetoond dat het een ontoelaatbare onjuistheid is. Bovendien voert ze drie leesfouten en drie correcties in de tekst op, om haar 'bewijs' rond te maken. Zie hiervoor bij Ganuenta teruggevonden. Op die manier kun je natuurlijk van alles 'bewijzen'.

    Op de 'interpretatie van Bogaers en Gysseling' is het nodige aan te merken. Naast wat Albert Delahaye reeds opmerkte over vindplaats en plaatsnaam, is de lezing van Bogaers en Gysseling een farce. Op de betreffende zuil staat nergens Ganuent-a- (zie de afbeelding hieronder). Dat een persoonsnaam wel of niet vaker voorkomt vormt ook al geen enkel bewijs voor de juistheid van de opvatting. Bovendien vormt het nauwelijks bereikbaar zijn per schip geen argument. Dan zouden er wel meer plaatsen vervallen als havenplaats. En wat houdt het nauwelijks in? Dus soms toch wel? Het gaat hier wel over de Romeinse tijd, de tijd dat de Brittenburg nog niet in zee lag! En de taalkundige ideeën van Gysseling zijn wel bekend: die slaan te vaak helemaal nergens op. Zie bij M.Gysseling. Neem als voorbeeld het 'consistens'. Naast dat het niet op de zuil staat (het is een interpretatie van Bogaers/Gysseling) hoeft het helemaal niet te betekenen dat het vrijwel altijd de plaats noemt waar de inscriptie gemaakt is. Hoezo vrijwel altijd? Dus soms toch niet? Het is een onbewezen aanname van beide heren. Tuinman meent dat de altaren voor Zeeland wel in Keulen gemaakt zijn. De gebruikte steensoort kwam in elk geval voor het merendeel daar vandaan. En dan de vertaling van 'consistens'? Consistens betekent gewoonlijk 'zich vestigen' of 'gaan wonen'. Dat is 'de plaats waar iemand verblijft of vandaan komt'. Een 'consistorium' is een plaats van samenkomst. En waar anders komt men samen dan in de eigen woonplaats: dus thuis! Maar Consisto/ens kan ook betekenen 'voor anker gaan', wat uitermate toepasselijk is voor een schipper. En als men voor anker gaat heeft men veilig de overkant bereikt en is de schipper dankbaar genoeg om een altaartje op te richten voor godin Nehalennia. Het Libens en Merito kan men ook vertalen met 'vrijwillige weldaad' of 'vrijwillige verdienste' in plaats van 'gaarne en met reden'. Gaarne en met reden is studeerkamer taal van Bogaers, maar zeker geen gewoon taalgebruik. Wij zouden zeggen: 'met de oprichting van dit altaar los ik vrijwillig mijn gedane gelofte in'.
    De opmerking van Tuinman over de opvatting van Bogaers en Gysseling 'dit blijft echter een theorie en zal lastig te bewijzen zijn', is dan ook volkomen terecht.
    Ook hier zijn logica en samenhang doorslaggevend en die zijn bij Bogaers (zie daar) en Gysseling (zie daar) wel eens vaker ver te zoeken.


    Wat staat er werkelijk op deze gedenksteen?


    Klik op de afbeelding voor een vergroting.


    De tekst op de gedenksteen is:

    DEÆ NEHA ...
    NIÆ
    GIMIOG/...
    NVƎNT? CONS...
    V I? S. L M


    Daarvan maakt Bogaers: DEAE NEHALENIA GIMIO GA/NU (ae?) CONS(istens) V(otum) S(olvit) L(ibens) M(erito) en vertaalt het als volgt: 'Jegens de godin Nehale(?)nia heeft Gimio, te Ganuent(a?) gevestigd (of verblijvend), zijn gelofte ingelost, gaarne (en) met reden'.

    De gedeelten tussen ( ) zijn aanvullingen van Bogaers en Gysseling, slechts bedoeld om eigen opvatting te bevestigen. Kan bijvoorbeeld na CONS- niet (igno) ='bezegelen' of (isto) ='voor anker gaan' of (ultus) ='om raad of zorg vragen' gestaan hebben? Dan wordt de hele zin veel logischer en aannemelijker.

    Wat in elk geval blijkt is dat er helemaal nergens een plaatsnaam GANUENTA op staat. Als men op deze inscriptie deze plaatsnaam had willen zetten, dan had men de laatste G wel op de volgende regel gezet.
    Door Bogaers wordt de laatste G/ op de derde regel aan de eerste 4 letters NVƎN op de 4e regel geplakt. Dat is een complete manipulatie van Bogaers, waaraan hij zelf ook twijfelt, aangezien hij zelf al vraagtekens bij de naam en in de vertaling zet! En dat moet als bewijs dienen?


    Opvallend blijft dat M.Gysseling
    (zie daar) Ganuenta in zijn Toponymisch Woordenboek helemaal niet noemt. Is hij niet van zijn eigen opvatting overtuigd? Hij schrijft daarover in betreffend artikel: "Onze kennis van de laat-prehistorische toponymie in de Nederlanden is zo fragmentarisch, dat het onmogelijk is te bewijzen dat Venta of Nuenta in onze gewesten niet kunnen bestaan hebben. Wel mag men zeggen dat beide woorden te onzent zeer bevreemden; nog meer bevreemdend is een persoonsnaam Gimioga. Ganuenta daarentegen is volkomen doorzichtig en past in elk opzicht in onze laat-prehistorische toponymie. Van de talen van onze prehistorische voorouders weten wij bitter weinig af, en het ontraadselen van hun plaats- en persoonsnamen is een moeizame bezigheid" Ook D.P.Blok (zie daar) vermeldt Ganuenta niet in zijn Lexicon. Blijkbaar is ook hij niet overtuigd van de opvatting van Bogaers.

    Gysseling leest dus niet Ganuenta maar Venta of Nuenta als plaatsnaam. Met 'volkomen doorzichtig' zal hij bedoelen 'volkomen niet zichtbaar' ofwel 'volkomen onbekend'. En dan zal hij wel een beroep gedaan hebben op zijn eigen creativiteit (zie daar) om er Ganuenta van te maken.
    Er is dus geen enkel bewijs dat Colijnsplaat ooit Ganuenta geheten zou hebben. Ook in het boek van Annine van der Meer wordt dat niet aangetoond. Blijkbaar vaart ze blind op Bogaers en Gysseling, de zogenaamde deskundigen.
    Zolang naschrijverij en het klakkeloos volgen van die 'deskundigen' hoogtij vieren, komt er nooit beweging in de historische opvattingen.


    Naast de opvattingen van Bogaers en Gysseling uit 1971 blijkt Van der Meer nogal gecharmeerd van het boek van Ada Hondius-Crone uit 1955. Ook niet echt nieuw licht.
    Dat nieuwe licht blijkt moeilijk te vinden. Historisch volgt ze de traditionele lijnen, al is ze hier en daar toch niet van alles op de hoogte. Zo veronderstelt ze een vaarverbinding vanaf Keulen naar Domburg. Maar in de Romeinse tijd bestond de Waal, die naar het Hollands Diep stroomt, nog niet. Ook de Striene, de verbinding tussen Maas en Schelde, bestond niet in de Romeinse tijd. Zie de 'Geschiedenis van Zeeland, deel 1, p.30,68, 78 en 135.
    Vanuit Keulen naar Domburg moest men dus via Katwijk en de Noordzee.
    Overigens wordt hiermee ook feilloos aangetoond dat de Corbulogracht niet van de Rijn naar de Maas gelopen kan hebben. De Maas stond niet in verbinding met Hoek van Holland! De Waal bestond nog niet, evenmin als de Lek.

    Nieuw licht op Nehalennia.
    Het nieuwe licht van Van der Meer op Nehalennis, maar dat zal te maken hebben met haar achtergrond als godsdienst-theologe, is dat zij Nehalennia als Moedergodin in verbinding stelt met Maria, de moeder van Jezus. Moedergodin Nehalennia vormt voor haar het voor-Christelijk fundament van de Moeder Gods in het Christendom.
    Deze opvatting past geheel bij andere boeken van haar over de verborgen geschiedenis van het vrouwelijke en de vrouwen én hun vergeten bijdrage aan evolutie en beschaving, zoals 'Weg met de boze heks', 'Vrouw Holle en de verborgen wijsheid in Sprookjes' of 'Van Venus tot Madonna'. Ze maakt ook graag van HIS-story liever HER-story.
    Toch is zeker niet alles onzin wat zij in haar boek schrijft, al kun je hier en daar wel een vraagteken bij zetten en zijn sommige opvattingen wel erg ver gezocht. Het kan in elk geval bij menig mannelijk historicus wel het een en ander losmaken. Hopelijk zet het die mannen eens aan het denken en barst er eens discussie los.

    Is dat ook de reden dat Van der Meer het niet altijd eens is met haar mannelijke collega's, zoals met Niels Tuinman? Ze vindt zijn conclusie wat ver als hij stelt dat het zeer goed mogelijk is, dat de altaren gevonden in Zeeland, gemaakt zijn in Keulen. Immers alleen daar zijn ook enkele Nehalennia altaren gevonden, bovendien kwamen de meeste steensoorten ook daar vandaan. Het is een geheel logische opvatting van Tuinman. Maar Gysseling en Bogaers volgt ze dan weer wel klakkeloos.
    Wat wel duidelijk is dat zoveel 'wetenschappers' er zijn, zoveel opvattingen bestaan, maar met manipulaties, zoals Van der Meer, maar ook Bogaers en Gysseling doen, ondergraaf je je eigen opvattingen.

    De locatie van de tempels? Wat schrijven anderen er over?
    De vraag of te Domburg en Colijnsplaat tempels hebben gestaan blijft de deskundigen bezig houden. Tot heden zijn daar slechts 'afgeleide' bewijzen van gegeven. De vondst van dakpannen is eenzelfde 'bewijs' als de vondst van munten. Verplaatsbare opbjecten kunnen overal vandaan komen en overaal naartoe gesjouwd zijn. Dat bewijzen de Nehalennia- gedenksten al. De steensoort kwam van elders.
    Met slecht 15 fragmenten van dakpannen met de inscriptie CGPF (Classis Germanica Pia Fidelis) kun je ook niet bewijzen dat Domburg een tempel had of een militair steunpunt was. Misschien kwam dat vrachtje van elders en moest verscheept worden naar elders.
    Op meerdere plaatsen zijn verschillende dakpannen gevonden van verschillende legeronderdelen, zoals in Ede (ten noorden van de Rijn), in Zwammerdam en in Nijmegen waar men honderden fragmenten baksteen met stempels gevonden heeft van de Legio X Gemina, maar ook van Legio XXX, die na 120 in Xanten was gelegerd.
    Er zouden restanten van tempels teruggevonden zijn, mogelijk waren de tempels van hout, lezen we op http://godinnen.webcastle.nl/nehalennia.php. Maar wat bewijs je met 'zouden' en met 'mogelijk van hout'?
    Niels Tuinman vermeldt: de fundering van vermoedelijk een tempel is blootgelegd. Het is echter onbekend of het een ronde of vierkante tempel betrof. Verder is er van de tempel vrij weinig teruggevonden. Zo zijn slechts één kapiteel, één fragment van een vierkante zuil en twee voetstukken van ronde zuilen teruggevonden. Bij Colijnsplaat is een gigantische hoeveelheid van zo’n 2,5 ton aan dakpannen gevonden. Van deze dakpannen is één dakpan anders dan de rest. Het betreft hier een hoekdakpan die scheef is afgesneden. Deze vondst is een goede aanwijzing dat de tempel vierkant was en het dus een Gallo-Romeins model betrof. (Lendering, 2012). Maar een goede aanwijzing vormt toch geen bewijs. Een ander opmerkelijk gegeven is dat stukken van zuilen of kantelen die toebehoord zullen hebben aan de tempel, schitteren door afwezigheid.

  • Indien de Gallo-Romeinse tempels inderdaad op eenzame plaatsen in de vrije natuur lagen en in het algemeen buiten de steden en dorpen en indien we er van uitgaan dat de theorie van J. E. Bogaers over de stad Ganuenta juist is, dan zou dat betekenen dat deze stad niet langer landinwaarts van de noordelijke oever, overeenkomend met de huidige zandbank de Vuilbaard gezocht moet worden. Dan immers zou deze stad aan de overzijde van de rivier gelegen hebben en dat lijkt hoogst onwaarschijnlijk. Dit zou tevens inhouden dat Bogaers' conclusie dat Ganuenta mogelijkerwijs als (hoofd)stad der Frisiavones beschouwd zou kunnen worden weer verruild mag worden voor de theorie dat het een stad van de Marsaci zou betreffen liggend in de civitas der Menapii waarmee we de beide tempels (Dombung en Colijnsplaat) binnen één territorium kunnen plaatsen.
    Omdat het zeer twijfelachtig is of er ooit bij de Nehalennia-tempel een plaats heeft gelegen, is het wellicht beter altaar nr.27 als volgt te lezen: "Jegens de godin Nehalennia heeft Gimio de Galliër schipper, te Venta gevestigd, zijn gelofte ingelost, gaarne en met reden". Hierbij dient nog opgemerkt te worden dat Gimio, uit de lezing van Bogaers, gezien zijn status als schipper toch wel meer dan één naam gehad zal hebben. Een controle op een tweehonderdtal Romeinse inscripties uit Duitsland, België, Noord-Frankrijk en Engeland, geeft steeds twee of meerdere namen aan.
    Onoplosbaar blijft de vraag naar het belang en de loop van de verschillende rivieren, riviertjes etc. en hun onderlinge verbindingen in de Romeinse tijd. De speculaties hierover zijn talrijk maar vaak gebaseerd op vage gegevens en vermoedens. Vast staat dat het gebied rondom de Scheldemonding een uiterst belangrijk en strategisch knooppunt van waterwegen vormde. In ieder geval was het vaarwater belangrijk genoeg om een tempel in de omgeving op te richten. Mogelijk werden de monding en de nabije havens beschermd door het vlootstation, waarvan reeds honderden dakpanfragmenten waaronder nu negen met het stempel CGPF, Classis Germanica Pia Fidelis op het strand van Oranjezon, Gemeente Veere, verzameld zijn.
    (Bron: De Nehalennia-tempel te Colijnsplaat. Nieuwe feiten over zijn vroegere ligging en ondergang. J. van den Berg en W. Hendrikse in Westerheem 1981, p.14-17).

  • Opvallende zaken: de Nehalennia-tempel bij Ganuenta (Colijnsplaat) moet op Oud Duinzand gefundeerd zijn, een aftakking naar de Maas in de Romeinse tijd (Striene) is er niet geweest. (Bron: Westerheem 1998, p.45)

  • Op 14 april 1970 werd uit de Oosterschelde bij Colijnsplaat (op Zierikzees grondgebied!) een aan Nehalennia gewijd altaar opgevist. Tot in 1997 zijn meer dan 300 (!) altaren geborgen. Ze zijn afkomstig van een Nehalennia-heiligdom dat nu op 25 meter diepte ligt. Door de sportduiker J. Valstar is op ongeveer 125 meter ten oosten van de grootste concentratie altaren een dorp ontdekt. Dit was vermoedelijk Ganuenta geheten. Zware bekapte palen en dakpannen liggen her en der verspreid. De uit Domburg en Colijnsplaat afkomstige altaren tonen aan dat de heiligdommen dateren uit de tweede helft van de tweede eeuw en de eerste helft van de derde eeuw. Aardewerkvondsten bevestigen dit. De Romeinen in Zeeland is een indrukwekkend boekje geworden voor een groot publiek. Hier en daar wellicht wat te specialistisch. Dat ligt niet aan de auteur, maar is de schuld van de Romeinen, die met hun Latijn en import-keramiek in Zeeland en ook de rest van de Lage Landen een ware cultuurschok veroorzaken. Eerst onder de hoede van Nehalennia en in de twintigste eeuw onder die van Jan Trimpe Burger, geven ze een deel van hun geheimen prijs. (Bron: Westerheem 1998, p.87)

  • Nieuwe Romeinse tempel. In het dorp Colijnsplaat (Zeeland) wordt een Romeinse tempel gebouwd (zie foto hiernaast) die zal worden gewijd aan de godin Nehalennia. Initiatiefnemer is een speciaal hiervoor in het leven geroepen stichting. Het gaat om een gallo-romeinse tempel van 13 x 13 meter met een rood pannendak en twintig hardstenen zuilen, die 450.000 gulden kost. In het verleden zijn in Zeeland tientallen altaarstenen voor Nehalennia gevonden. Bovendien moet ongeveer op deze plek aan de Oosterschelde ooit de legendarische Romeinse havenstad Ganuenta hebben gelegen. Vanwege de protestantse signatuur van Colijnsplaat spreekt de stichting in het openbaar liever niet van 'tempel' en 'afgod', maar van een 'historisch monument'. Overigens is de tempel ook te zien op pagina 4 van het Nederlandse paspoort. (Niet in mijn paspoort uit 2015 overigens!)
    BN de Stem, 15 februari 2000.

  • Zuidwesterheem nr. 26, december 2000 (Afd. Zeeland) & Nieuwsbrief Archeologie nr. 13, december 2000 van de provincie Zeeland.
    Robbert Jan Swiers is blij met de sterk toegenomen kennis van de prehistorie en de Romeinse tijd in Zeeland, maar loopt het niet lichtelijk uit de hand? Was Ganuenta (Colijnsplaat) bijvoorbeeld wel een stad? Kees de Jonge uit Goes maakte in ieder geval alvast een fantasievoorstelling van deze "havenstad". (Bron: Westerheem 2001, p.40)


    Wat weten we uit andere (klassieke) teksten en van andere onderzoekers en historici?

    Uit diverse onderzoeken en publicaties (zie voorbeelden hierna) blijkt er veel twijfel te bestaan over de 'aangenomen' opvattingen. Er is nogal vaak sprake van 'mogelijk', 'waarschijnlijk' en 'naar wij mogen aannemen'. Ook de interpretaties van de betekenis van godin Nehalennia zijn voorzien van de nodige hypothesen.

  • W.A. Van Es (zie daar) schrijft daarover in 'De Romeinen in Nederland' (p.199) het volgende: "In het mondingsgebied van de Romeinse Schelde lagen twee tempels, één bij Domburg, de andere bij Colijnsplaat, die alle twee aan de godin Nehalennia gewijd waren. Beide zijn door de natuur van de aardbodem weggevaagd. Naar de vorm van deze tempels kunnen we slechts raden. Vermoedelijk waren het gebouwen van hetzelfde Gallo-Romeinse type als Elst. In Domburg werden behalve Nehallennia ook andere goden, vooral Neptunus en Juppiter vereerd. Men neemt daarom aan dat er ook meer dan één tempel heeft gestaan. Van de tempel van Colijnsplaats -of waren er meer dan één?- staat niet eens vast of hij op de noordelijke of de zuiderlijke oever van de toenmalige Schelde heeft gelegen".
    "Het heiligdom zou deel uitgemaakt hebben van een niet onbelangrijke nederzetting, die Ganuenta heette. Dit Ganuenta zou, naar de veronderstelling luidt, wel eens de hoofdplaats van de civitas der Frisiavones geweest kunnen zijn. Het was dan dus als districtshoofdstadje een collega van Forum Hadriani en Noviomagus. Zeker is dit echter allerminst. Het wordt zelfs onwaarschijnlijk, indien mocht blijken dat de tempel van Colijnsplaat, en daarmee het hypothetische Ganuenta, ten zuiden van de Romeinse Schelde gelocaliseerd moet worden, want deze rivier geldt als de zuidgrens van het genoemde bestuursdistrict."


    In de 'Geschiedenis van Zeeland, deel 1' (p.54) wordt daarover geschreven: Rond 275 werd de limes langs de Neder-Rijn opgegeven; grotendeels voorgoed, want als geheel is de limes nadien nooit meer in gebruik genomen. Het gevolg was dat grote delen van de bevolking uit de gebieden ten zuiden van de Rijngrens een veilig heenkomen zochten in zuidelijke richting; zo ook de meeste bewoners van het tegenwoordige Zeeland. De invallen van Germaanse stammen en de ontwrichting van de samenleving waren daarvan niet de enige oorzaak; ook overstromingen en de vernatting van het veenlandschap speelden een rol. Al aan het einde van de eerste eeuw na Christus nam de invloed van de zee toe in delen van Romeins Zeeland, en nadien zette de vernatting van het veen door. Na 175 moest deze bij de kust waarschijnlijk al worden ondervangen met dijken en kunstmatig opgeworpen hoogten, terwijl de zee steeds verder het achterland binnendrong. Gelet op de dateringen van vondsten namen de bewoning en het gebruik van het gebied achter de strandwallen en de Oude Duinen rond 260 zeer sterk af en ontstond hier aan het eind van de derde eeuw door veelvuldige overstromingen een dynamisch waddengebied. Ook in het 'verdronken' achterland waren zeer sporadisch nog wel mensen aanwezig.

    Bewoningscontinuïteit?
    In de Geschiedenis van Zeelland, deel 1 (p.57) wordt over de contuïteit in bewoning het volgende geschreven: "Bovendien veranderden door de sterke uitbreiding van de invloed van de zee de veengebieden aan weerszijden van de scheldemond en in de Noord-Vlaamse kustvlakte geleidelijk in een getijdenlandschap, zodat het leven daar voor de bevolking in de late derde eeuw zo goed als onmogelijk werd en er in de vierde eeuw nog haast alleen werd gewoond op de Oude Duinen. Pas vanaf de zesde eeuw bevonden zich weer aantoonbaar mensen in het gebied. Van die samenleving was echter na circa 400 zo goed als niets over. Van bewonings-continuïteit vanaf de Romeinse tijd lijkt hoegenaamd geen sprake te zijn geweest en ook op andere vlakken, zoals op bestuurlijk, economisch en cultureel gebied zijn tot nu toe geen aanwijzingen voor enige continuïteit aangetroffen."
    Op p.61 lezen we: "Losgekoppeld van de oude transgressiefasentheorie houdt niettemin het vroegere karteringswerk van bodemkundigen en geologen zijn betekenis. Zo ziet het er naar uit dat al de door hen als oudland en oud middelland (Duinkerke II) aangeduide afzettingen zeker van voor de negende eeuw dateren. Van aanwezigheid van mensen op het oudland blijkt voor het eerst iets in de achtste eeuw in het gebied tussen Aardenburg en Oostburg, en circa 880/890 werden ook de ringwalburgen van Oostburg, Souburg, Middelburg en Domburg op als oudland gekarteerde kreekruggen aangelegd. Voor wat het oud middelland betreft mag men aannemen dat die afzettingen in het zuidwesten van Schouwen ruimschoots ouder waren dan de daarop eind negende eeuw aangelegde burg van Burgh, temeer daar nog vóór de aanleg van die burg de afzetting met een laag van circa 20 cm duinzand was atgedekt.? Anderzijds blijken als jong middelland gekarteerde afzettingen (Duinkerke IIIA) van jongere datum".

  • De tempel(s) van Domburg zouden in de vroege middeleeuwen nog als cultus-plaats gefungeerd hebben; Willibrord zou er afgodsbeelden hebben verwoest. (aldus C. Dekker in een voordracht op het Nehalennia-symposium, Middelburg 1971).
    Aan deze historicus is de 'Geschiedenis van Zeeland' opgedragen. Hoe verzin je zoiets als serieus historicus? Veel gekker moet Dekker het niet maken! Dekker zou als historicus toch geweten moeten hebben dat de aanwezigheid van St.Willibrord in Nederland en al helemaal in Zeeland stevig ter discussie staat. Dan doe je toch zo'n uitspraak niet wil men je serieus blijven nemen. Het hiernaast afgebeelde altaar zal wel het bedoelde altaar zijn geweest!?!

    Zo ontstaan dus nieuwe mythen op onbewezen uitspraken van historici!

  • J.H.F.Bloemers (in 'Eine Siedlung der Cananefaten' ,1978, p.75) oppert een samenhang tussen de namen Helinium en Nehalennia. Helinium zou mogelijk moeten worden opgevat als de aanduiding voor het hele gebied tussen Maas- en Scheldemond. Overigens lijkt deze samenhang weinig waarschijnlijk in het licht van de verklaring die Gijsseling van de naam van de godin geeft (Bogaers en Gijsseling in 'Forum Hadriana',1971). Het betekenisdragende deel van de naam Nehalennia zou juist de eerste syllabe nei- ( = 'leiden') zijn - dus: 'de begeleidster, behoedster'. Nehalennia wordt zelfs een 'Belgische' godin genoemd. (Van Es, p.199).

  • A.W.Byvanck (zie daar) schrijft daarover (p.543): "Onder de kooplieden, die op inscripties worden genoemd, zijn de handelaars in ceramiek het talrijkst. Voor het transport van aardewerk naar Engeland beschikken wij over een belangrijk gegeven door de inscriptie van een negotiator cretarius, die te Domburg een altaar heeft gewijd aan de godin Nehalennia uit dank voor de behouden overkomst van zijn koopwaar. Domburg heeft evenwel geen beteekenis gehad als uitvoerhaven. Het was slechts de eerste plaats, die men bereikte na den overtocht van Britannië naar de Rijndelta, als men den breeden mond van de Schelde (toen nog de tegenwoordige Oosterschelde) invoer".
    "Wat meer weten wij van de godin NehaIennia door het grote aantal der aan haar gewijde monumenten uit Domburg in het gebied der Morini. Meestal zijn het altaren, waarop de godin in een nis is afgebeeld. Zij is gewoonlijk voorgesteld als een zittende vrouw, gekleed in een eigenaardige dracht met een klein schoudermanteltje, een hond aan de eene zijde en een mand met vruchten aan de andere zijde naast haar op den grond. Een enkele maal is zij ook staande voorgesteld, haar Iinker voet rustend op den voorsteven van een schip; een beeld van haar in die houding is in haar heiligdom voor den dag gekomen. Behalve de altaren, die aan Nehalennia zijn gewijd, is ook een altaar voor Juppiter in het heiligdom gevonden en een ander monument van dien aard, waarop twee goden zijn afgebeeld, wellicht Neptunus en Oceanus. Deze twee laatsten vindt men ook op de zijkanten van een altaar voor Nehalennia, waar anders soms een hoorn des overvloeds is afgebeeld.
    Behalve te Domburg zijn ook twee aan Nehalennia gewijde altaren gevonden te Deutz, het eene opgericht door een sevir Augustalis (een lid van een college van zesmannen voor den cu!tus. van den keizer). Maar toch mogen wij aannemen, dat deze godin uitsluitend op Walcheren thuis hoorde. Want blijkbaar hebben zij, die hun gelofte door het plaatsen van een altaar voor Nehalennia inlosten, dat steeds gedaan als dank voor den behouden terugkeer in Walcheren na een tocht over zee. De elders opgerichte monumenten zijn vermoedelijk afkomstig van personen, die geen gelegenheid hadden gehad hun gelofte in Domburg na te komen.
    Het bijzondere doel, waarvoor de godin meteen altaar werd geëerd, heeft veroorzaakt, dat zij in de voorstelling van hen, die aan haar hun devotie betuigden, soms het karakter kreeg van een godin der scheepvaart. Zonder twijfel is zij om die reden soms voorgesteld met den voet op den voorsteven van een schip en heeft zij ook wel een scheepsroer in de hand gekregen. Naar alle waarschijnlijkheid had zij evenwel oorspronkelijk met de scheepvaart niets uit te staan en was zij uitsluitend een locale godin der vruchtbaarheid. Haar roem en de vele aan haar gewijde gedenkteekens dankte zij aan de omstandigheid, dat haar heiligdom was gelegen bij de plaats, die men vóór en na den tocht overzee aan den mond van de Schelde aandeed. In dit verband is het opmerkelijk, dat te Domburg eveneens een altaar is gevonden, gewijd aan Neptunus"
    .





  • In Het Bronnenboek van Nijmegen (zie daar) wordt onder tekst 17 uit de Romeinse tijd het volgende vermeldt:
    (227) In 1647 is in Domburg een altaar (uit 227?) gevonden toegewijd aan Nehalennia. Zie afbeelding hiernaast (klik op de afbeelding voor een vergroting).
    De tekst op dit altaar luidt volgens Bogaers: DEAE NEHALENNIAE ARAM QUAM IN HO(norem) EIUS (?) HILARUS D(ecurio) M(unicipii) B(atavorum) OB MERCE(s) SUAS BENE CONS(er)VATAS VOVERA(t) (p)OSUIT L(ibens) M(erIto) ALBINO ET MAXIMO CO(n)S(ulibus).
    (Bron: Bogaers J.E., Numaga p.7-10 (cf. AE 1975, 646). Deze bronvermelding blijkt onjuist. Het moet zijn Numaga 1972/1 p.7-11!

    Tussen ( ) staan de toevoegingen volgens Bogaers.

    In de gids bij de tentoonstelling van Deae Nehalennia, met een bijdrage van Bogaers, ontbreekt deze in Domburg gevonden tekst even veelzeggend als tekenend. Dit is blijkbaar de gebruikelijke wijze van selectief omgaan met teksten, wat in de historische geografie van Nederland gewoonte is. In Domburg en Colijnsplaat zijn altaren gevonden van inwoners van Keulen, Trier, Besançon, Rouaan, Bordeaux, Lyon en Norfolk (Engeland).
    Het vinden van inscripties in een havenplaats zegt hoogstens iets over waar de goederen vandaan kwamen of naar toe gingen en niet dat dit oord in een van de streken zou moeten liggen waarvan melding wordt gemaakt. Of Domburg of Colijnsplaats een bedevaartsoord was (men heeft er resten van een gebouw gevonden: loods? tempel?) is een even onzekere als nooit bewezen stelling.


    De tekst op dit altaar is letterlijk (de ?? zijn werkelijk onleesbare letters):

    DEAE
    NEHALENNIAE
    ARAM QVAM
    ?? HOE?? HEARV
    ? ? RRE? OBMERCE
    ?VAS BENE COM
    ??A?? VOVERA
    ?D? VIT ?? L? M
    ALBINO ?T MAXI
    MO COS.
    Volgens Bogaers moeten we hier lezen: DEAE NEHALENNIAE ARAM QUAM IN HO(norem) EIUS (?) HILARUS D(ecurio) M(unicipii) B(atavorum) OB MERCE(s) SUAS BENE CONS(er)VATAS VOVERA(t) (p)OSUIT L(ibens) M(erIto) ALBINO ET MAXIMO CO(n)S(ulibus).
    De betekenis zou zijn: 'Voor de godin Nehalaenia heeft Hilarus, decurio van (het) Municipium Batavorum het altaar dat hij ter ere van haar voor een goede bescherming van zijn koopwaar beloofd had, opgericht, gaarne (en) met reden, toen Albinus en Maximus consul waren.".

    Maar wat vermeldt Bogaers zelf in Numaga 1972/1? De letters DM kunnen enkel aangevuld worden tot D(ecurio) M(unicipii). De derde letter is grotendeels beschadigd; hoogst waarschijnlijk is het een B geweest, maar er zou ook een R gestaan kunnen hebben. Maar ik lees op regel 5 geen D als eerste letter. Daar is geen plaats voor. En de M is erg onduidelijk. Als er een M stond was ervoor geen plaats voor een D. En na die M? lees ik geen B maar een dubbele R en nog een E? Hoezo zou het een B moeten zijn? Alleen om er B(atavorum) van te kunnen maken? Zo manipuleert Bogaers een onleesbare tekst.
    Zie de afbeelding in de linker kolom hiernaast. Klik op de afbeelding voor een vergroting.

    Bij Bogaers is het blijkbaar normaal dat hij zonder verder bewijs, zijn gedachten als vaststaande feiten etaleert. Op de hierboven vermelde altaarsteen uit de Oosterschelde waarop «D M B›› staat (met de nodige vraagtekens vanwege een gedeeltelijk onleesbare tekst) leest Bogaers automatisch "Decurio Municipii Batavorum", waar hij vervolgens gelijk maar een gemeenteraadslid van het Municipium, de Stad der Bataven, ofwel Nijmegen van maakt. (Zie: Van Nijmegen naar Nehal|(a)en(n)ia / J.E. Bogaers. Numaga 1972/1, p.7-11). Het ergste is dat Bogaers op zijn mening klakkeloos gevolgd wordt, immers hij zal er wel verstand van hebben als 'deskundige'. Maar net als op de gedenksteen van Ganuent(?) (zie hiervoor) wordt hij door andere onderzoekers en historici zonder discusie gevolgd, terwijl er iets heel anders of iets geheel onduidelijks op staat.

    Die letters «D M B›› zouden net zo goed als « Dis Manibus Beneficium›› of «Dis Manibus Brigantes›› of zoiets kunnen betekenen. Wie zegt dat de gedachte van Bogaers de juiste is? Die is duidelijk gestoeld op de vooringenomenheid dat de Bataven in Nederland woonden en Nijmegen het Oppidum Batavorum zou zijn.
    Opgevist uit de Oosterschelde! Lag daar een haven bij Domburg, waar meerdere Nehalennia altaren gevonden zijn? En waren die Nehalennia altaarstenen niet bestemd voor vervoer naar Engeland? En laat nu de «Brigantes›› een volksstam in Engeland zijn. Dan is de cirkel rond!
    Het hier gevonden altaar van deze Hilarus (staat er wel Hilarus?) zegt ook helemaal niet of hij een Bataaf was en is ook geen enkel bewijs ten gunste van Nijmegen.



  • Op de Peutingerkaart die doorgaans voor een Romeinse wegenkaart wordt gehouden, maar wat een falsum is (zie daar), ontbreekt Domburg naast veel plaatsen in Nederland waar meer Romeins is gevonden dan de plaatsen die er wel op zouden staan. Ook Velsen, Ermelo, Bodegraven, Utrecht, Houten, Elst, Goedereede, Helinio, Aardenburg, Randwijk, Loowaard, Driel, Huissen, Heel, Lottum en Maastricht ontbreken op de Peutingerkaart. Dat Domburg een belangrijke havenplaats zou zijn voor de handel met Engeland wordt nergens door bewezen (zie opmerking bij Westerheem 1968 hieronder). Van een overslaghaven is ook geen sprake geweest aangezien er slechts gedenkstenen gevonden zijn. Als je gedenkstenen naar Engeland zou willen verschepen doe je dat toch op de plek waar de oversteek het kortst is?

  • Men heeft de vondsten van de Romeinse dakpannen met het stempel van de Romeinse oorlogsvloot in Germanië vaak in verband gebracht met de aanwezigheid van bases van deze vloot, en wel in het bijzonder bij Domburg, waar het Romeinse Nehalennia-heiligdom heeft gestaan. Van het bestaan van een Romeinse vlootbasis aan de Walcherse kust is tot heden toe echter nooit iets gebleken.
    (Bron: Westerheem 1968, p.134).
    In de 'Geschiedenis van Zeeland' (p.46) leest men: 'Bij Domburg en Colijnsplaat waren vrijwel zeker havens, en mogelijk gold dat ook voor de vicus bij Westenschouwen'. Dan wordt nog verwezen naar Goedereede, maar wat bewijs je daarmee? Het 'vrijwel zeker' geeft de nodige twijfel van de onbewezen aanname al aan. Er is sinds 1968 geen enkel bewijs gevonden voor de ooit aangenomen veronderstelling. Het 'nooit iets gebleken' is echter wel veranderd in 'vrijwel zeker'. Maar aanvullende bewijzen zijn er niet.
    De op p.54 genoemde 'gestationeerde vloot bij Boulogne' geeft meteen de plaats al aan waar de Romeinen overstaken naar Brittannia. Precies op de plaats waar de oversteek het kortst is en 'men de overkant ziet', wat in diverse teksten staat. Dat is de plaats waar Julius Caesar overstak, St.Willibrord en Bonifatius overstaken naar het vasteland en het is precies de plaats waar nu De Kanaaltunnel ligt.

    Romeinse haven? Met Paalvoetsijde zijn we zover in de Scheldemond. thans meer dan een kilometer in zee, waar op de kaart Zelandiae Comitatus van Visscher-Roman uit 1656 geschreven staat: "Den Roompot een voornaem casteel bij de Romeynen gebouwt pleegh alhier te leggen." De Roompot is nu de naam van een diepe geul, de belangrijkste zuidelijke uitmonding van de Oosterschelde. Roompot is wel gelezen als afgeleid van Romanorum portus, Romeinse haven. Een aanwijzing voor de handels of militaire activiteiten zijn de meer dan honderd Romeinse munten die op het strand van de Zuidduinen bij Westenschouwen in de loop der jaren zijn aangespoeld. Aan de Schouwse kant moet een noordelijke mondingsgeul van de Schelde hebben gelegen. Aan de overkant bij Domburg zijn veel méér resten uit de Romeinse tijd gevonden, onder andere de Nehalennia altaarstenen. Bedacht moet worden dat vanuit Middelburg altijd meer onderzoek is gedaan in Domburg en ook dat de afslag op Schouwen sterker was. Het zeer geïsoleerde Schouwen werd veel minder bezocht en veel vondsten moeten ongedocumenteerd verloren zijn gegaan. Aldus aardrijkskundeleraar Frans Beekman in 'Geografie educatief' 1e kwartaal 1996. Zo komen de mythen en fabels tot stand. Room = Romanorum, Pot = Portus. Gelukkig zet hij er zelf toch een vraagteken bij.

  • Er zijn in Domburg munten gevonden met de naam DORESTAD, waarvoor Domburg als muntplaats is voorgesteld.
    Uit een uitvoerig en gedetailleerd overzicht blijkt dat van een totaal van 97 in Nederland gevonden Madelinus munten er slechts 6 gevonden zijn in Wijk bij Duurstede, terwijl er 7 in de provincie Friesland en liefst 36 in Domburg gevonden zijn. De overige 49 zijn verspreid gevonden in Nederland, België en Noord-Frankrijk.
    (Bron: Westerheem 3-1978 (p.145-155) in: Verspreidingsgebieden van in Nederland geslagen Merovingische gouden munten der 7e eeuw, door Arent Pol.
    Commentaar: Hoe kunnen de 6 munten in Wijk bij Duurstede dan een bewijs vormen voor de identificatie van Dorestad en de identificatie als zou het een muntplaats zijn? Dan was Domburg eerder Dorestad, wat etymologisch aannemelijker lijkt. Domburg was in elk geval een kustplaats, wat Dorestad ook was, maar Wijk bij Duurstede allerminst.

  • Onder deze beelden vindt men voornamelijk, die van de Godin Nehalennia, die bij de eerste inwoners van Zeeland schijnt te zijn geëerd geweest. Deze en meer andere gedenkstukken der oudheid, waaronder ook vele steenen, met Latijnsche opschriften voorzien, zijn eerst ontdekt in het begin des jaars 1647 op het strand, buiten de Domburgsche duinen; nadat lang aanhoudende noordelijke winden, in December van dat jaar, te voren, die duinen geweldig hadden afgeslagen. Men heeft op datzelfde strand, ook gevonden de grondslagen van een ronden Afgodstempel, waarschijnlijk aan gemelde Godinne Nehalennia toegewijd, gelijk ook in 1687 op genoemd strand een geheel kerkhof ontdekt is, vervuld met onderscheidene kisten, waarin lijken lagen enz. Nog zijn aldaar in 1747 meer oostelijk, omtrent een half uur gaans van Domburg, onder den grond ontdekt verscheidene huizen der oude inwoners van Zeeland, die men voor woningen der oude Gothen heeft aangezien.
    (Bron: Westerheem 1968, p.95).

    Onder invloed van wind en zee werden de Oude duinen deels opgeruimd, ontstonden de Jonge duinen en verbreedden de zeegaten zich. (Bron: Geschiedenis van Zeeland, deel 1, p.91). Daaruit blijkt dat de jonge duinen pas na de 10e eeuw gevormd zijn.

  • P. Stuart, Nehalennia • Documenten in steen. Goes 2003.
    Wie kent niet Nehalennia, een inheemse godin die in de Romeinse tijd in de huidige provincie Zeeland werd vereerd. Ooit was zij verantwoordelijk voor een behouden vaart van handelaren en zeelieden op Brittannia. In 1647 werd zij aan de vergetelheid ontworsteld toen tal van altaren met haar naam en beeltenis van onder de duinen bij Domburg tevoorschijn kwamen. Enkele eeuwen later, in 1970, dook zij opnieuw op sensationele wijze op, toen men honderden aan haar gewijde altaren vanaf een diepte van 25 meter uit de Oosterschelde opviste. In 1647 reeds verschenen de eerste afbeeldingen van die altaren in druk, waarna telkens weer andere befaamde oudheidkundigen over dit fenomeen schreven. De wonderbare 'visvangst' uit 1970 vormde onderwerp van studie voor Stuart, waar de Duitstalige wetenschappelijke neerslag in 2001 werd gepubliceerd (gesignaleerd in Westerheem 2002, p. 135). Hoewel die uitgave van een Nederlandse samenvatting was voorzien, vormden het wetenschappelijke karakter en ongetwijfeld ook de prijs ervan, voor velen een forse drempel. Terecht constateert de auteur dat er buiten de kleine kring van deskundigen ook tal van anderen zijn, die zich voor dit onderwerp interesseren. 'Voor hen', zo schrijft hij in het voorwoord, 'wil dit boek zonder wetenschappelijke ballast maar toch zo volledig mogelijk beschrijven wat wij op dit moment weten over de godin en haar vereerders'. Uiteindelijk weten we nog steeds maar bedroevend weinig over deze godin, maar hetgeen dal: bekend is, wordt in dit boekje, uitgegeven door boekhandel/uitgeverij De Koperen Tuin te Goes, uitvoerig geïllustreerd uit de doeken gedaan. Stuart begint zijn verhaal in Domburg, waar hij in het kort het wedervaren van deze vroegste Nehalennia-monumenten schetst, vanaf de vondst ervan in 1647 tot de ondergang bij een brand in 1848. Van de daarbij vernietigde stenen beschikken we gelukkig nog over tal van tekeningen (zie afbeelding hiernaast, klik op de afbeelding voor een vergroting), gravures en beschrijvingen. Daarna concentreert Stuart zich in dit prettig leesbare boekje op de vondsten uit 1970, op de godenverering in de Romeinse tijd in het algemeen en op Nehalennia in woord en beeld in het bijzonder, alsmede op degenen die haar een altaar schonken. De publicatie sluit met onder andere een lijst van de Latijnse inscripties op de afgebeelde stenen, met een lijst met verwijzing van de afgebeelde stenen naar andere belangrijke publicaties en met een literatuurlijst.
    (Bron: Westerheem 2003, p.130).


  • Archeologische ontdekkingen in het Rijnmondgebied. III. P. Stuart. De Romeinse tijd, 12 voor —406 na Chr. In dit derde artikel (in Rotterdam-Europoort-Delta, 1972, nr. 4, blz.38—43), gewijd aan recente tot vrij recente archeologische ontdekkingen in het Rijnmondgebied, wordt een beknopt overzicht gegeven van de bewoningsgeschiedenis van het kustgebied, „uitmondend" in een beschrijving van de „Romeinse Europoort", de (Ooster) Schelde, waar — zoals bekend — bij Colijnsplaat sinds 1970 ver over de 100 wijaltaren van de godin Nefaalennia zijn opgevist. De bij deze Europoort behorende stad heette Ganuenta, die vele handelscontacten met het achterland bezeten moet hebben. (Westerheem 1973, p.87).
  • Bij Domburg stond op zo'n oud duin een later in zee verdwenen Romeinse tempel. Op 5 januari 1647 werd op het strand bij Domburg een Romeins heiligdom ontdekt. Tot in 1731 waren bij laag water nog resten te zien. Altaren met Latijnse opschriften waren niet alleen gewijd aan de godin Nehalennia, maar ook aan Jupiter, Neptunus, Hercules en Victoria. Nehalennia was een inheemse godin die tussen 180 en 230 uitsluitend in Zeeland door de Romeinen werd vereerd. Zij was een vruchtbaarheidssymbool, maar ook beschermvrouwe van de kooplieden die de Noordzee bevoeren. Meestal is ze zittend op een troon afgebeeld met vruchten op haar schoot. Op 14 april 1970 werd uit de Oosterschelde bij Colijnsplaat (op Zierikzees grondgebied!) een aan Nehalennia gewijd altaar opgevist. Tot in 1997 zijn meer dan 300 (!) altaren geborgen. Ze zijn afkomstig van een Nehalennia-heiligdom dat nu op 25 meter diepte ligt. Door de sportduiker J.Valstar is op ongeveer 125 meter ten oosten van de grootste concentratie altaren een dorp ontdekt. Dit was vermoedelijk Ganuenta geheten. Zware bekapte palen en dakpannen liggen her en der verspreid. De uit Domburg en Colijnsplaat afkomstige altaren tonen aan dat de heiligdommen dateren uit de tweede helft van de tweede eeuw en de eerste helft van de derde eeuw. Aardewerkvondsten bevestigen dit. De Romeinen in Zeeland is een indrukwekkend boekje geworden voor een groot publiek. Hier en daar wellicht wat te specialistisch. Dat ligt niet aan de auteur, maar is de schuld van de Romeinen, die met hun latijn en import-keramiek in Zeeland en ook de rest van de Lage Landen een ware cultuurschok veroorzaken. Eerst onder de hoede van Nehalennia en in de twintigste eeuw onder die van Jan Trimpe Burger, geven ze een deel van hun geheimen prijs.
    Met uitzondering van Zeeuws-Vlaanderen was men in Zeeland wat het vervoer betreft aangewezen op de waterwegen temidden van onafzienbare venen en moerasbossen.
    (Bron: Westerheem 1998, p.87).

  • De ROB heeft van 1990-1994 onderzoek verricht naar de vroeg middeleeuwse bewoningsgeschiedenis van Zeeland, meer in het bijzonder naar de ringwalburgen. Daarbij werd een nieuwe ringwalburg onder het huidige Domburg, met 265 m diameter de tot nu toe grootste, ontdekt. Ook in Kloetinge heeft mogelijk zo'n burg gelegen. Het onderzoek heeft een nieuw licht geworpen op de constructie en de geschiedenis van deze verdedigingswerken, waarover uit historische bronnen weinig bekend is.
    (Bron: Westerheem 1998, p.316)

  • Tot de verbeelding spreekt Walichrum ofWalacria, een bloeiende handelsnederzetting bij Domburg (ca 550-900), die in 837 door de Vikingen werd verwoest. Een zilveren naaigarnituur gevonden op het strand bij Domburg dateert uit de achtste eeuw en ademt iets van deze rijke periode. De plunderingen door de Vikingen noopte de bevolking ringwalburgen aan te leggen. De plaatsnamen Oostburg, Souburg, Middelburg, Domburg en Burgh herinneren nog aan het voorkomen hiervan.
    (Bron: Westerheem 1997,p.36).

  • Grafkist uit burcht Domburg.
    De Karolingische burcht in het Zeeuwse Domburg dateert met zekerheid uit de tweede helft van de 9e eeuw. Dit is onlangs gebleken uit laboratoriumonderzoek van een onder de burchtwal aangetroffen grafkist met het stoffelijk overschot van een ongeveer veertigjarige vrouw. Onderzoekers van de ROB en het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten deden de ontdekking begin oktober 1992 in een bouwput ten westen van de Schuitvlotstraat in Domburg, waar een supermarkt werd gebouwd. Uit onderzoek van de jaarringen van de eikehouten planken van de kist is vast komen te staan dat het hout dateert uit ca.841. Het hout is eerst gebruikt voor de bouw van een schip en pas daarna als grafkist. Dit houdt in dat de burchtwal, waaronder de kist werd aangetroffen, niet voor het midden van de 9e eeuw opgeworpen kan zijn. Overigens is nog niet duidelijk wat de reden is voor de begraving onder de wal van de burcht. Provinciaal archeoloog R. M.van Heeringen acht het niet onmogelijk dat hier sprake is van een bouwoffer: „Het is bekend dat om boze geesten af te weren, stammen en bevolkingsgroepen soms iemand op de plek van een bouwplaats begroeven, wat te vergelijken is met de doop van een schip tegenwoordig. Het ging daarbij echter om schijnoffers, lijken van mensen die een natuurlijke dood gestorven waren. Of dat hier ook het geval is, moet nog worden onderzocht. De vrouw is in ieder geval niet geofferd".
    Provinciale Zeeuwse Courant 5 februari 1993.

  • R. M. van Heeringen. De ontdekking van de „duinburcht" van Domburg. Overdruk uit: Walacria 4, 1992, pp. 57-64. In 1991 heeft men.in twee proefsleuven de wal en een gedeelte van de gracht van de vroegmiddeleeuwse burcht, waaraan Domburg zijn naam en ligging te danken heeft, bestudeerd. De diameter van de versterking is ca. 265 m (Middelburg 200 m, Oost-Souburg 144 m, Burgh 200 m). Waarschijnlijk dateert zij uit de tweede helft van de 9e eeuw.
    (Bron: Westerheem 1993, p.96)

  • Nehalennia keert terug in Zeeland.
    In Zierikzee is men druk bezig met de verbouwing van de kelder van het Maritiem Museum. Binnenkort zal deze kelder worden ingericht voor de permanente tentoonstelling van vijf Nehalennia-altaren, die nu nog ingepakt staan. Ook in het Zeeuws Museum in Middelburg treft men voorbereidingen voor een speciale Nehalennia-zaal. Het museum heeft de aanwinsten echter nog niet in huis. Beide musea krijgen deze stukken in langdurig bruikleen van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. De altaarresten zijn gevonden bij Colijnsplaat en bij Domburg. Al jarenlang is er vanuit Zeeland gepleit voor het afstaan van de beelden. Het Leidse museum wilde daar nooit aan, maar een reorganisatie van de afdeling Nederlandse archeologie maakte onlangs de weg vrij voor de verhuizing van de stukken. De mooiste stukken blijven in Leiden en de Zeeuwse musea konden een keus maken uit (zoals de Zeeuwse Courant het omschrijft) „de afdankertjes". Desondanks is conservator mevrouw M. van Meerten uit Zierikzee heel tevreden. Zij heeft de hand weten te leggen op vier altaarstukken en een beeld van de Romeinse godin. „Het zijn geen gave stukken met complete teksten erop", zegt zij, „maar de wetenschappelijke betekenis van de stukken vind ik echter niet zo van belang. De stukken moeten vooral voor het publiek interessant zijn".
    Zeeuwse Courant 8 februari 1992.

  • Burcht in Domburg.
    In het Zeeuwse Domburg zijn onder een bouwterrein de resten van een ronde burcht uit de 9e eeuw gevonden. Volgens provinciaal archeoloog R. M. van Heeringen is er al vanaf 1935 gespeculeerd over de juiste ligging van de vroegere burcht. „Het werd eveneens niet voor onmogelijk gehouden dat de overblijfselen in zee zouden zijn verdwenen". De vondst bestaat uit grondsporen van een wal van zoden of plaggen, een houten paal en scherven van Badorfaardewerk. Van Heeringen vermoedt dat er sprake is van een vluchtburcht. Vooral in de periode dat de Noormannen actief waren in de kustgebieden werden aarden verdedigingswerken opgericht met houten palissaden en één of meer grachten. In tijden van nood kon de bevolking zich daar met vee en huisraad terugtrekken.
    Reformatorisch Dagblad 29 april 1991.

  • Twee plaatsnamen, eindigend op -burg, hebben betrekking op Romeinse versterkingen ter plaatse: Oudenburg in Vlaanderen en Aardenburg in Zeeuws-Vlaanderen. Het castellum in Aardenburg is plm. 160/170 n. Chr. gebouwd en ruim een eeuw later verlaten. Oudenburg is mogelijk gelijktijdig of anders later ontstaan en heeft tot in de vierde eeuw voortbestaan. De overige plaatsnamen, eindigend op -burg, hangen samen met ronde (wal)burchten, waarvan de plattegronden in een aantal gevallen nog bepalend zijn voor het huidige dorps- of stadsbeeld: Burgh, Souburg, Middelburg, Domburg (?), Oostburg en in Vlaanderen en Noord-Frankrijk Veurne, Bourbourg en Bergues-Saint-Winoc (St. Winoksberge). Ze zijn hoogstwaarschijnlijk in de tweede helft van de 9e eeuw opgericht tegen de Noormann.
    (Bron: Westerheem 1989, p.260).

  • Colijnsplaat. In mei werden door schipper A.Mol van de Kortgene 9 twee gebeeldhouwde stenen opgevist op of in de nabijheid van de plaats waar in 1970 de Nehalennia-tempel werd ontdekt. Het betreft een gedeelte van een korf met vruchten en een groot deel van een soort voetstuk. Volgens J.E.Bogaers, die de vondsten onlangs heeft beschreven (Vreemde stenen uit de Oosterschelde, in: Zeeuws Tijdschrift 39, nr. 4, 121-3) zou het eerste fragment weleens een onderdeel van het eigenlijke cultusbeeld van de godin Nehalennia kunnen zijn dat ooit in de centrale ruimte van de tempel moet hebben gestaan. Bij het tweede stuk twijfelt hij of het wel om Romeins beeldhouwerk gaat en of het niet een ornament uit de 17e of 18e eeuw is. (Bron: Berichten-ROB 1989, p.163).
    Twijfel genoeg dus, zelfs bij Bogaers.

  • Er werd een klein onderzoek verricht op het strand te Domburg ter hoogte van het kasteel Westhove. Hierbij werd geconstateerd dat zowel de Ijzertijd- als de Romeinse bewoning in dezelfde bewoningslaag voorkomen en wel op een afzetting van D1.
    (Bron: Westerheem 1987, p.1).

  • DOMBURG (Zld.). Bij rioleringswerkzaamheden in de Ooststraat werden verscheidene skeletten aangetroffen. De geraamten dateren uit de 13de eeuw en behoren bij het kerkhof van een klooster, dat daar rondom de Agatha-kapel heeft gelegen.
    Zeeuws Dagblad (Goes), 29-11-1961.

  • Sporen van een bewoning in de 4e en 5e eeuw zijn ook op Walcheren tot nu toe niet gevonden. (Bron: Westerheem 1953, p.93).
    Vraag is wat men in Walcheren sinds 1953 aanvullende gevonden heeft.

  • Een en ander doet mij veronderstellen, dat de vroeg-inheemse nederzetting in Romeinse tijd of kort er na tijdelijk onder een gemakkelijk verspoelbare laag (bv. zand) bedolven is geweest. (Bron: IR J. A. TRIMPE BURGER -Domburg in Westerheem 1955, p.33).

  • In de moeilijke materie van de Zeeuwse burgen en vliedbergen komt langzaamaan enig licht. Reeds enige tijd heeft Dr BRAAT de theorie van HUIZINGA door zijn archaeologische onderzoekingen trachten te schragen. Deze laatste meende namelijk, dat de burgen op Walcheren: Middelburg, Domburg, Souburg, te beschouwen zijn als punten in een verdedigingsstelsel uit de Noormannentijd. Schrijver interpreteert de oorspronkelijke burgen als typische vluchtburgen, waar de omwonende bevolking bij nadering van vijanden zich borg. Het schervenmateriaal blijkt deze burgen te dateren uit tweede helft 9e en eerste helft 10e eeuw. (Bron: Westerheem 1955, p.54).

  • Vanaf de tiende eeuwe nam de bevolking rond de monden van de Schelde sterk toe. Archeologische gegevens alleen al maken dat duidelijk, aangezien bij verreweg de meeste vindplaatsen het oudste aangetroffen aardewerk uit de elfde, hooguit tiende eeuw stamt. Vooralsnog lijkt het onmogelijk de bevolkingsgroei, die zich tot de dertiende eeuw voortzette, met cijfers te staven. (Bron: Geschiedenis van Zeeland, deel 1, p. 91)
  • De recent ontdekte „Duinenburg" te Domburg op Walcheren en die van Burgh op Schouwen worden aan de hand van de opgravingsresultaten gereconstrueerd. De laatste stand van het C14-onderzoek geeft aan dat een datering van de aanleg van Domburg, Middelburg en Oost-Souburg in de laatste decennia van de 9e eeuw het meest waarschijnlijk is en ook voor Burgh niet uitgesloten is. In de vergelijking met versterkingen elders in het Noordzeegebied blijkt hoe groot de voorsprong in kennis met de Zeeuwse burgen nu is.
    Het biedt een achtergrond waartegen we het ontstaan en functioneren van de ringwalburgen kunnen verklaren. Bewoning is aanvankelijk slechts in het strandwallengebied mogelijk en in het verleden door blootgespoelde resten op het strand van Domburg zichtbaar geworden. Het belang van Domburg blijkt o.a. uit de ca. 1200 bekende muntvondsten die op een emporium-functie wijzen. Afgezien van Domburg zijn er geen archeologische aanwijzingen dat er in het huidige Zeeland voor het midden van de 9e eeuw gewoond is, hoewel ook het landschap achter de strandwallen vanaf de 8e eeuw mogelijkheden voor schapenteelt en zoutwinning geboden moet hebben. Daarna echter gaat het snel. Ook de hoger gelegen kreekruggen raken meer en meer bewoond. Het bijbehorende aardewerk komt overeen met dat van de bewoning in de ringwalburgen, alles te dateren vanaf de 10e eeuw. De 11e eeuwse dorpsvorming, aansluitend op deze expansie van de bewoning, gaat vrijwel hand in hand met de aanleg van de eerste kasteelbergjes. (Bron: Westerheem 1996, p.108).

  • De inheems-Romeinse bewoning op Noord-Walcheren werd waarschijnlijk gestimuleerd door de toenemende belangrijkheid van een oversteekplaats naar Engeland via een Soheldemond. In de tijd, waarin de Nehalennia-tempel te Domburg in gebruik is geweest, bestond niet de mogelijkheid om per schip van Domburg uit door het binnenland van Walcheren op een vaarwater te komen, dat met een Scheldeloop in verbinding stond. Een bij Domburg aangekomen schip moest buitenom varen om het vaarwater te bereiken, dat toegang gaf tot het achterland. Als begin- en eindpunt van een binnenscheepvaartroute kan Domburg daarom wel buiten beschouwing blijven. De Nehalennia-tempel aldaar wordt dan tevens op een tweede plan geplaatst. (Bron: Westerheem 1970, p.293).

  • In Spiegel historiael 5, 1970, nr. 11, nov. geeft A. Hondius-Crone onder de titel „Nehalennia" (blz. 619—623) een overzicht van onze kennis omtrent de onbekende godin Nehalennia en haar tempel. Waarschijnlijk is in Domburg reeds- in de preromeinse tijd een eenvoudig heiligdom geweest, dat in het begin van de derde eeuw door een wat grotere, gallo-romeinse tempel werd vervangen. In 1647 kwamen van deze tempel resten tevoorschijn, waaronder 40 wij-altaren.
    Dr. P. J. Stuart laat in aansluiting op dit artikel onder de titel „Vissen naar Nehalennia" (blz. 624—625) een „vluchtig en voorlopig" overzicht van de vondsten uit de Oosterschelde volgen. (Bron: Westerheem 1971, p.146).

  • In Westerheem 1972 staat het relaas van Lenoir over de Nehelannia altaren. Zijn relaas met enkele varianten, ook valt te lezen in catalogi van zijn museum 5S) en beknopt in zijn „Histoire" (4.1), m.d.v. dat de tweede alinea over de verdronken stad Domburg slechts voorkomt in bovenstaand citaat.
    De bronnen van Lenoir. Waar haalde Lenoir zijn kennis omtrent Nehalennia vandaan? Hij zelf noemt drie auteurs, te weten Mongez, De Montfaucon en Keysler. Er zijn echter redenen om aan te nemen dat hij ook te rade is gegaan bij Jacques Martin, die in zijn anoniem verschenen werk „La Religion des Gaulois" 5I)) uitvoerig aandacht besteedde aan Nehalennia. Ook andere Franstalige schrijvers die zich hebben bezig gehouden met de Domburgse altaren, zoals Des Roches, Du Chasteler, Mongez, Johanneau, Pougens, Schayes en Marchal hebben direct of indirect kennisgenomen van de beschouwingen van Martin over Nehalennia. De meeste van hen, zo niet allen, verkondigden met Martin en Lenoir de Celtische afkomst van Nehalennia.
    Van Maanen en Nehalennia. Van Maanen was, zoals meer juristen uit zijn tijd, een zeer erudiet man die een brede kennis en belangstelling had op velerlei gebied. Dit komt duidelijk tot uitdrukking in de vele geschriften die hij heeft nagelaten en waaruit de volgende interessante wetenswaardigheden werden geput. Tijdens zijn verblijf in Parijs bezocht Van Maanen op 12 augustus 1810 het museum van Lenoir, getuige de volgende aantekening in zijn dagregister: „Petits Augustins en Tuin met oude monumenten aldaar". In een brief aan zijn vrouw van 13/15 augustus deed hij verslag van dit bezoek: „Gister, Zondag; hebben wij eerst 's morgens Staats Raad gehad; — Daarna zijn wij gegaan naar het Musée des Monumens francais, aux petits Augustins; waarvan zuster Pietje ons van den winter de catalogus geleend heeft . . ." Vervolgens vertelt hij welke monumenten hij er zoal heeft bewonderd, zonder echter te reppen van het altaar van Nehalennia, dat als „monument gaulois ou gallo-romain 1e plus remarquable du musée" toch een ereplaats innam in de salle d'introduction. De aanwezigheid van het Nehalennia-altaar moet hem wel bekend zijn geweest, want de catalogus die zuster Pietje hem en zijn vrouw had geleend, was vermoedelijk de 8e editie van 1806 waarin bovenstaand relaas van Lenoir over nr. 423 eveneens voorkomt. Dat hij wel zeer onder de indruk was van zijn bezoek aan het museum van Lenoir, blijkt uit zijn bovenaangehaalde brief aan het Instituut te Amsterdam over „onze" Nehalennia. In die brief komt namelijk nog de volgende passage voor: „De Heer Le Nodr is de kundige Conservateur van het Musée des anciens monumens, in de Abdij des petits Augustins, te Parijs; — aan zijne kunde, zorgen en goede directie is men het behoud van alle die fraaije gedenkstukken der Oudheid verschudigd." Het stilzwijgen van Van Maanen over het bewuste altaar krijgt echter een merkwaardig accent door een andere gebeurtenis tijdens zijn verblijf in Parijs.
    Van Maanen te gast bij Napoleon. Op zondag 19 augustus 1810, precies een week na zijn bezoek aan het museum, was Van Maanen blijkens zijn dagregister samen met acht andere prominente Hollanders als genodigde op het „cercle dans les petits apartements te Saint Cloud" Hij had toen een lang gesprek met Napoleon, over welk gesprek hij het volgende aantekende: „Ampel discours met dK01), Gogel, v. d. Poll en mij, wel 1% uur —over 's Lands bevolking, gewoonten, oudheid, wat Cesar en Tacitus er van zeggen, of wij nog resten van oudheid hebben; — graft van Corbulo, huis te Britten, Nehalennia; — oudheid van den Haag en Amst. oude keuren; — . . . ." In een brief aan zijn vrouw van 23/24 augstus 1810 voegde hij aan het verslag van dit gesprek nog toe: „De meeste deezer punten waren mij niet geheel vreemd, en dit discours had dus niets embarrassants voor mij." Men mag dus aannemen dat Nehalennia geen vreemde was voor Van Maanen. Het is zelfs niet uitgesloten dat hij de Domburgse altaren heeft bewonderd toen hij in 1793 bij vrienden in Zeeland vertoefde. Hoe het ook zij, er was een zekere relatie tussen Van Maanen en Nehalennia, maar er was nog een andere relatie, 'n relatie die ons terug zal voeren naar ons uitgangspunt.
    Van Maanen en het R.M. O. Op 7 december 1811 installeeerde Van Maanen, als Eerste President van het Keizerlijk Geregtshof te 's-Gravenhage, enige nieuwe presidenten bij dit hof. Tijdens zijn installatierede zwaaide hij uitbundig lof toe aan een der scheidende presidenten, die door Napoleon was benoemd tot raadsheer in het Hof van Cassatie te Parijs. Deze scheidende president was, zo zei Van Maanen, „met de meesten onzer sedert veele jaren bekend; aan veelen, ook aan mij, door langdurige vriendschap verbonden . . .". Deze oude vriend van Van Maanen en nieuwe raadsheer in het Hof van Cassatie nu had een zoon, welke zoon zijn vader naar Parijs volgde en daar in 1813 het licentiaat in de rechten verwierf. Die zoon was de latere hoogleraar in de archeologie en directeur van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, Caspar Jacob Christiaan Reuvens. En hiermede is dan de kring gesloten, de speurtocht ten einde en wordt dit verslag van die speurtocht afgesloten op 5 januari 1972, de dag waarop het 325 jaren geleden is dat Nehalennia, de daad bij het woord voegend, sprak: „Luctor et emergo".

    Oudheidkundige Mededelingen, uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden; LII, 1971 ('72) (Westerheem 1973, p.37).
    P. Stuart, A riew temple of 'Nehalennia'. Dit artikel (p.76—78) wil de aandacht vestigen op dé spectaculaire vondsten van 1970 en '71 in de Oosterschelde bij Colijnsplaat. Voor een beschrijving van de vondsten uit het eerste jaar wordt verwezen naar de Middelburgse tentoonstellingscatalogus; de vondsten van het tweede jaar worden t.z.t. gepubliceerd. In totaal zijn er nu ongeveer 130 monumenten geborgen, waarvan 70 (nagenoeg) compleet; 50 waren er in Middelburg, de meeste daarvan zijn ook afgebeeld in de Gids bij de Tentoonstelling. Het artikel van Stuart geeft voornamelijk algemene inlichtingen, waarbij 13 stukken worden afgebeeld. Drie van de wij-altaren zijn gedateerd: 188, 223 en 227 n.C. Door oeverafspoeling ten gevolge van de „Duinkerken II transgressie" tussen 300 en 600 geraakten de tempelresten met de wijaltaren en verdere sculpturen op de bodem van de tegenwoordige Oosterschelde, 25 m onder A.P.

    Hoe belangrijk deze inscripties zijn blijkt nu al uit de beide volgende artikelen:
  • J. E. Bogaers en M. Gysseling schrijven "Over de naam van de godin Nehalennia (p. 79—85). Bogaers stelt allereerst de lezingen van de inscripties vast, speciaal de spelling van de naam Nehalennia (-waarbij ook de monumenten van Domburg en Keulen te sprake komen). Belangrijk is daarbij de derde letter, de H die in enkele, gevallen alleen uit de rechterhelft bestaat. In totaal vindt men drie verschillende schrijfwijzen. Mede op grond daarvan stelt Gysseling vast, dat de naam noch Keltisch noch Germaans is, maar ondergebracht moet worden bij een tussen beide in gevestigde bevolking, die men met Caesar „Belgae" kan noemen, de bewoners van Noord-Gallië. De taal van deze bevolking bevat zowel Keltische als Germaanse elementen. Nehalennia betekent dan "leidster", "stuurvrouw", "zij, die het schip veilig over zee leidt". De uitbeelding van de godin en haar attributen bevestigen deze interpretatie.
  • Een tweede dubbel-artikel van dezelfde auteurs (p. 86—92) gaat over één van de inscripties (Nehalennia, Gimio en Ganuenta). Het is het altaar no. 27 van de Middelburgse tentoonstelling. In afwijking van zijn lezing in de "Gids" van 1971 leest Bogaers nu: Deae Neha(le)nniae Gimio Ganuent(aè?) cons(istens) v(otum) s(olvit) l(ibens) m(efito): Jegens de godin N.- heeft Gimio, te Ganuent(a?) verblijvend, zijn gelofte ingelost, gaarne (en) met reden. De term "Consistens" betekent, dat iemand op de genoemde plaats wel woont, maar niet "thuis" is: een omschrijving van zijn juridische status. De daarbij genoemde plaatsnaam is, voor zover te controleren, de plaats, waar het wijaltaar staat: Daarmee weten we dus de naam van Colijnsplaat in de Romeinse tijd; nl. Ganuent(a?).
    Gysseling behandelt daarna zowel de persoons- als de plaatsnaam: Gimio komt ook elders in N. Gallië als persoonsnaam voor; de samenstellende delen van "Ganuenta" vinden hun parallellen in oude vormen van toponymen als Gent, Jemappes, Gennep en (wat de uitgang betreft) o.a. in Meduanto van de "kaart van Peutinger".

  • Het historisch-aardrijkskundig onderzoek met als conclusie, dat alleen de duinstrook bij Domburg, voorzover het Walcheren betreft, in de merovingse tijd bewoond is, maar dat het daarachter gelegen land een prooi der golven is geworden in de na-Romeinse periode van transgressie. (Bron: Westerheem 1955, p.54).



    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

  • Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.