Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Einhard: de Vita Karoli Magni.


1521: eerste gedrukte uitgave van de Vita Karoli Magni.

Einhard wordt in de historische literatuur ook wel de secretaris en persoonlijke vriend van Charlemagne genoemd. Daaraan mag sterk getwijfeld worden aangezien hij enkele essentiŽle zaken van Karel de Grote toch niet weet. De 'Vita Karoli Magni' schreef hij overigens ook pas zo'n 20 jaar na het overlijden van Charlemagne. Over de levensbeschrijving van Einhard, zoals die is overgeleverd, zijn de nodige vragen te stellen met name over de authenticiteit van deze vita.

De eerste voor de hand liggende vraag is "Waarom zo lang gewacht voor het schrijven van een Vita van een persoon die hij zo bewonderde?"
"En waarom zo'n beperkt verhaal als hij zegt zoveel van hem te weten?"

Voor iemand die Charlemagne waarschijnlijk nog persoonlijk gekend heeft, in elk geval in zijn tijd geleefd heeft, staan er ook teveel onjuistheden en zelfs fouten in dit boekje. Dat was ook de reden waarom men lange tijd aan de echtheid van deze "Vita' getwijfeld heeft.
M.Halphen vindt het ook niet aannemelijk dat Einhard een vertrouweling van Charlemagne geweest zou zijn (zie: Études Critiques sur l'Histoire de Charlemagne. Paris 1928, p.75 ). Dan zou hij zeker een aantal zaken hebben geweten die hij nu niet noemt of waar hij zich iets over afvraagt.

De 'Vita Karoli Magni' is vermoedelijk geschreven tussen 830 en 836 aan het hof van Lodewijk de Vrome, de zoon en opvolger van Charlemagne. Deze is verloren gegaan. De versie waar men nu over beschikt komt echter uit de 12e eeuw en is dus een kopie. Deze is zeker aangepast, immers er staan zaken in die Einhard in zijn tijd nog niet kon weten.
Het is overduidelijk dat Einhard met de persoonsverheerlijking van Charlemagne het algemene gevoel van die tijd beschrijft. Charlemagne was toen ruim 20 jaar dood en men verlangde duidelijk terug naar de tijd van het machtige Karolingische Rijk met de krachtige vorst Charlemagne. Dat werd zeker versterkt aangezien zijn zoon en opvolger Lodewijk de Vrome het rijk danig heeft laten verloederen. Na die tijd viel het rijk al spoedig in drie delen uiteen, welke verdeling al sinds 806 in het verschiet lag, toen Charlemagne zijn rijk al onder zijn 3 zoons verdeelde. Die verdeling ging in 814 niet door, aangezien 2 zoons al overleden waren.

Omdat er tot wel 80 kopieŽn bestaan, meestal geklassificeerd in 'classe' A1 en A2, B1 en B2 en C, blijkt het al om overgeschreven exemplaren te gaan. Opmerkelijk is overigens dat deze kopieŽn van elkaar verschillen, wat voor de kritische onderzoeker interessante perspectieven opent. Vaak betreft het slechts namen die verschillend geschreven worden, maar ook andere zaken zijn niet altijd gelijk. Hieruit blijkt dat de verschillende kopieŽn aangepast zijn aan de tijd. De originele handschriften zijn echter verdwenen. Men weet dus niet meer wat er in het authentieke handschrift van Einhard heeft gestaan, wat is weggelaten en wat is toegevoegd. Van enkele zaken kunnen we dat overigens exact vaststellen (zie hiernaast).
Het oudste gedrukte exemplaar stamt uit 1521 en toen hadden verschillende mythen zich al in alle omvang verspreid in de historische literatuur.

De waarde van de getuigenis van Einhard moet men flink relativeren.

Het is wel duidelijk dat Einhard van enkele Romeinse geschriften (o.a. Suetonius wordt als bron genoemd) gebruik heeft gemaakt, waarvan hij de tekst soms letterlijk overgeschreven heeft. Hoe betrouwbaar is die tekst dan? Te vaak blijkt dat hij ook slordig en lichtvaardig met zijn bronnen is omgegaan, slechts om Charlemagne nog grootser te maken dan de Romeinse keizers Caesar en Augustus.
Ook de vele verwijzingen naar Bijbelse gebeurtenissen wijzen hierop. Niet vergeten mag worden dat hij een 'hofschrijver' was, die schreef in opdracht van zijn broodheer (Lodewijk de Vrome, de zoon van Charlemagne).

Einhard noemt zo vaak die alom geŽerde grootsheid van Charlemagne dat het overdrevene er vanaf druipt. Maar zijn misstanden noemt hij nauwelijks of praat die goed onder het mom van de kerstening van het ware geloof.

Menig maal doet Einhard de historische waarheid geweld aan door zaken te vernoemen die hij beslist niet geweten kan hebben, omdat die pas nadien ontstaan zijn (zie voorbeelden hierna en hiernaast).
De vraag is dan ook gerechtvaardigd of deze 'Vita' wel door Einhard zelf geschreven is of slechts aan hem toegeschreven werd om het vertrouwen van de lezer te wekken dat een tijdgenoot van Charlemagne over hem schrijft. Wellicht in oorsprong wel, maar deze vita is nadien zeker aangepast, zoals dat van meer teksten bekend is. Er wordt ook al langer getwijfeld aan de juistheid van deze levensbeschrijving. Zie o.a. wat F.L.Ganshof daarover schreef. Zo zou Einhard waarvan we mogen aannemen dat hij rond 776 geboren is (hij vermeldt immers zelf dat hij in 836 zestig jaar was) in 788 liefst 6 charters geschreven hebben. Hij was toen 12 jaar! Dat gelooft toch niemand?
Het is overigens ook bekend dat de indeling in hoofdstukken niet van Einhard zelf is, maar van de abt Walahfried van Reichenau en van na 840 is. Dat was dus al de eerste modificatie van de tekst van Einhard. Hoeveel er in de meer dan 80 handschriften nadien is aangepast is moeilijker aan te tonen. Dat het aanpassen gebeurde kan men wel als een zekerheid beschouwen. Het was de gewone gang van zaken in de Middeleeuwen.

Die historische waarheid geldt ook voor Einhard zelf.
Einhard zou in het bezit geweest zijn van de abdij van St.Servaas in Maastricht. Maar in zijn tijd stond St.Servaas nog steeds te boek als bisschop van Tongeren. Pas in de 10e eeuw wordt hij voor het eerst als bisschop van Maastricht genoemd door Heriger, monnik en later abt van de abdij Lobbes. En zo zijn er wel meer onvolkomenheden aan te tonen in de Vita Karoli Magni van Einhard (zie hiernaast), waarvan we nu weten dat hij dat toen (in begin 9e eeuw) niet geweten kon hebben en waaruit dus ondubbelzinnig is vast te stellen dat de teksten van latere tijd of gemodificeerd zijn.

De teksten bieden voor historisch geografische gegevens derhalve geen houvast en dus zijn we aangewezen op andere teksten en de archeologie. En die zijn wat Nijmegen betreft wel duidelijk. Uit de tijd van Charlemagne heeft men er niets gevonden.

Door de levensbeschrijving van Einhard werd Charlemagne ten onrechte op een voetstuk geplaatst. Zijn 'Vita Karoli Magni' getuigt niet van een objectieve levensbeschrijving.





Einhard maakt in zijn 'Vita Karoli Magni' denigrerende opmerkingen over jaloezie, gierigheid en laksheid van de Merovingische vorsten. Het was slechts bedoeld om Karel de Grote op te hemelen en te kunnen verheerlijken als deskundig en getrouw vorst. De waarheid is dat Karel de Grote geen haar beter was dan Clovis of Chlotarius aan wie hij overigens zijn rijk te danken had.
De "Vita Karoli Magni"geschreven door Einhard is voor de Nijmeegse traditie altijd beschouwd als historisch goud.
De zinsnede "Iuxta villam cui vocabulum Ingilenheim, alterum Noviomagi super Vahalem fluvium, qui Batavorum insulam a parte meridiana praeterfluit" werd altijd als het ultime bewijs beschouwd van de aanwezigheid van een paleis van Karel de Grote in Nijmegen en daarmee met de Karolingische waarheid voor Nijmegen.

Vertaling: (Karel liet nieuwe paleizen bouwen) "zowel de villa die Ingelheim heet, alsook te Nijmegen aan de rivier de Waal die het eiland van de Bataven in het zuiden voorbij stroomt".

In deze zin, en dat zal geen mens ontkennen, wordt met Noviomagi duidelijk Nijmegen bedoeld, de plaats waar Charlemagne dan ook een paleis liet bouwen.
Maar is deze ene zin wel betrouwbaar? Er zijn meerdere zaken (zie hierna) in het Vita Karoli Magni die onjuist dus onbetrouwbaar zijn.
Is deze zin een interpolatie van een latere kopiÔst, toen de mythe alom had postgevat? Immers het originele handschrift bestaat niet meer.

Toch levert deze zin enkele problemen op. Op de Peutingerkaart stroomt de Patabus (wat algemeen als de Waal wordt opgevat) ten zuiden van Nijmegen. En Nijmegen, dat de hoofdstad van de Bataven zou zijn, ligt niet in het land van de Bataven dat men algemeen als de Betuwe beschouwt. Vandaar dat men het Eiland van de Bataven wat heeft opgerekt, zodat Nijmegen er wel binnen ligt. J.E.Bogaers houdt dan ook de Maas voor de Patabus. Maar dan klopt de zin van Einhard weer niet, want daar staat toch duidelijk Vahalis en niet Mosa.

Ook kan er twijfel bestaan over dat 'in het zuiden'. Als deze windrichting gebaseerd is op de Peutingerkaart (wat enkele historici menen.) kan dit niet van deze kaart afgeleid zijn. Immers van de Peutingerkaart zijn geen windrichtingen te herleiden. Daarvoor is deze kaart te schematisch. Zie bij Peutingerkaart.

Het volgende probleem is dat in de tijd van Einhard zowel in Nijmegen als in Ingleheim geen paleis stond. Dat is archeologisch ondanks meerdere progingen zowel in Nijmegen als in Ingleheim wel aangetoond. Net als in Nijmegen is ook in Ingleheim nooit een Karolingisch paleis gevonden. Er bestaan dan wel aansprekende tekeningen van, maar wat men daarop laat zien is niet uit de 8e eeuw, maar uit de 12e eeuw. De waarheid zal zijn dat Frederik Barbarossa beide paltsen liet pas bouwen en in Nijmegen herstelde wat de Romeinen hadden achtergelaten, zoals de gedenksteen die hij liet maken duidelijk vermeld. In Nijmegen is archeologisch geen steen, zelfs geen scherf van een paleis van Charlemagne gevonden. De zogenaamde Karolingische Kapel, het oudste stenen bouwwerk in Nijmegen (en in Nederland), stamt aantoonbaar uit 1085. Deze kapel werd tot in de 20e eeuw aanvankelijk heidense (?) kapel genoemd (gebouwd door de Romeinen die men als heidenen beschouwde), maar heet momenteel Ottoonse kapel. Hiermee is al aangetoond dat de geschiedenis is gaan schuiven en dat de Nijmeegse mythe heeft opgehouden te bestaan.
In Ingelheim is ook niets gevonden uit de tijd van Charlemagne. De oudste archeologische vondsten zijn van nŠ het jaar 900, vermoedelijk zelfs later tot in de 11de eeuw.
Uit de vermelding van de paltsen Noviomagi en Ingelheim is dan ook op te maken dat de oorspronkelijke tekst van Einhard aangepast is aan de later ontstane situatie en de toen heersende opvattingen.

Zowel Nijmegen als Ingelheim bestonden in de 8e eeuw niet als plaats, ook dat staat archeologisch volkomen vast. Van de hele hofhouding van Charlemagne die er bestaan moet hebben is niets gevonden of niets gebleken. Er zijn geen domeinen bekend rondom Nijmegen, die er beslist geweest moeten zijn, als in Nijmegen een Karolingisch paleis heeft gestaan. Charlemagne ging ook nooit alleen op reis. Zijn hele hofhouding en gevolg bestond vaak uit meer dan 1000 (duizend) personen, inclusief zijn omvangrijke familie die altijd mee op reis ging. Waar hebben die gewoond in Nijmegen? Waar woonden de werklieden die het paleis bouwden?
Ook in de (verre) omgeving van Nijmegen zijn geen bewijzen te vinden van een paleis ter plaatse in de 8e eeuw. Nijmegen heeft geen Karoligische traditie gehad, wat het gemis van een bisschopszetel wel bevestigd. We kunnen slechts de conclusie trekken dat de archeologie deze zin van Einhard dus faliekant tegenspreekt. Einhard kan dus nooit geweten hebben wat hij schrijft, een latere kopiÔst echter wel. Daarmee is aangetoond dat de tekst van Einhard een falsum is, waar later beweringen aan zijn toegevoegd.

Aangezien Nijmegen pas na 1283 voor het eerst Noviomagus werd genoemd, is het aangepaste afschrift van de tekst van Einhard dus van na die tijd. Ten aanzien van beide paltsen bestaat de opvatting dat Frederik Barbarossa deze liet herstellen. Van die in Nijmegen is momenteel wel vastgesteld, ook door een aangebrachte herdenkingssteen en oorkonde, dat dit op een groot misverstand berust. Dat geldt ook voor Ingelheim, waar nu archeologisch is vastgesteld dat er geen enkel archeologisch relict te vinden is uit de tijd van Charlemagne (9e eeuw).

Bovendien zijn er veel tekstuele bewijzen dat het Noviomagus van Charlemagne niet Nijmegen was, maar Noyon. Dat heeft Albert Delahaye als eerste en belangrijkste stelling in zijn onderzoek ondertussen wel aangetoond. Het wordt door de meeste historici momenteel ook aanvaard, behalve in Nijmegen waar men tegen beter weten in, steeds nieuwe uitvluchten verzint.

Een kritische twijfel ten aanzien van de tekst van Einhard is dan ook zeker terecht. Deze tekst kent meerdere onjuistheden en kan dus algemeen als een falsum opgevat worden.

De onjuistheden in de tekst van Einhard.

Neemt men de hele "Vita Karoli Magni" door, dan blijkt deze vrij veel controleerbare onjuistheden te bevatten. Daarmee wordt aangetoond dat de tekst van Einhard gemodificeerd is, ofwel door een kopiÔst is aangepast aan later bestaande situaties. Dat de tekst waarover we beschikken een afschrift is, is wel zeker. De vraag is alleen in welke tijd is dit afschrift tot stand gekomen en door wie is het gemaakt? De tekst van Einhard moet als een falsum beschouwd worden.

De Vita Karoli Magni bevat enkele onverklaarbare fouten. Deze zijn echter wel te verklaren als men ervan uitgaat dat de tekst meerdere keren overgeschreven is, waarbij de kopiÔsten de voor hen onbegrijpelijke zaken hebben vervangen door hen wel bekende zaken.
  • Bij het noemen van het aantal concubinen (bijzitten, maîtresses) blijkt al dat het om overgeschreven afschriften gaat. Er bestaan immers meerdere afschriften. Het ene afschrift noemt 3 namen, een andere 4 en weer een andere liefst 7 concubinen. Zie daarvoor de studie van F.L.Ganshof.

    Maar er zijn meerdere slordigheden, onjuist- en onduidelijkheden te constateren in de tekst van Einhard.

  • Einhard vindt het zinloos om over de geboorte van Charlemagne, zijn kinderjaren en zijn jeugd te schrijven, omdat er nooit over geschreven is (hij beschikte blijkbaar niet over deze bronnen) en er toch niemand meer leeft die daarover iets kan vertellen. Hij heeft er Charlemagne blijkbaar ook nooit naar gevraagd. Daaruit blijkt dat Einhard dus niet de vertrouweling is geweest van Charlemagne wat hij ons wel steeds wil laten geloven. En zou er niemand meer geleefd hebben van een jaar of 80 die veel daarvan nog zou kunnen navertellen? Maar in hoofdstuk 26 noemt Einhard overigens toch dat Charlemagne sinds zijn kindsheid met het Christelijk geloof is opgegroeid. Hoe weet hij dat dan? Bij de opsomming van de 'getuigen' van zijn verhaal noemt hij ook abt Angilbert van St.Riquier (750-818) die sinds hun beider jeugd als vriend van Charlemagne te boek stond en Einhard zeker over de jeugd van Charlemagne had kunnen informeren. Ook aartsbisschop Hildebald van Keulen († 819) die Karel het H.Oliesel gaf, kende hem vanaf hun jeugd. Als zij beiden niet meer leefden, schreef Einhard deze Vita pas na 819. Enkele onderzoekers houden het op ca.830. Waarom zo lang gewacht met een Vita ter verheerlijking van Charlemagne? Waarom niet meteen geschreven na zijn dood, of zelfs nog tijdens zijn leven, als je zo'n verheerlijker bent van deze keizer?

    In hoofdstuk 18 schrijft Einhard dat de eerste vrouw van Charlemagne door hem om onbekende redenen na een jaar verstoten werd. Deze wettelijke eerste vrouw was de dochter van de Longobardische koning Desiderius en wordt daarom vaak Desiderata genoemd, al is die naam verre van zeker. Dat er onbekende redenen waren tot deze verstoting is onjuist, immers in de kronieken van het klooster St.GalliŽn wordt vermeld dat ze verstoten werd omdat ze onvruchtbaar was en ongeneeslijk ziek*). Ook hier doet Einhard Charlemagne weer mooier voorkomen dan hij in werkelijkheid was. Overigens kan het 'repudiavit' naast verstoten ook 'scheiden van' betekenen. Einhard zal zeker bedoeld hebben dat Charlemagne zich liet 'scheiden van' zijn eerste vrouw om te kunnen trouwen met Hildegard. Dat maakt de gebeurtenis in 770 wat minder zwaar dan 'verstoten'. De reden van de verstoting was ook zeker een politieke door de gebeurtenissen in ItaliŽ. Uit wraak voor deze verstoting van zijn dochter die door Desiderius als een belediging werd opgevat, nam Desiderius Gerberga, de weduwe van Karels broer Carloman I, in bescherming en erkende haar zonen als zijn erfgenamen. Hij verklaarde tevens de oorlog aan de paus van Rome omdat die weigerde Gerbergaís zonen tot koning te kronen. De paus wist Charlemagne ervan te overtuigen (van) zijn eerste vrouw te verstoten (te scheiden?) en ook in 773 een oorlog te beginnen met de Longobarden.
    Overigens waren beide broers Karel en Karloman getrouwd met 2 zusjes, beide dochters van Desiderius.
    *) Hoe constateerde men toen dat iemand ongeneeslijk ziek was? Blijkbaar omdat ze kort daarna is overleden. Waaraan blijft een vraag al dringt zich wel een 'vergiftiging' op, aangezien Charlemagne 'van haar af moest' om te kunnen trouwen met Hildegard.

  • Einhard schrijft dat de meisjes (de dochters van Charlemagne) linnen moesten spinnen [coloque ac fuso]. Hieruit blijkt dat Einhard niet goed op de hoogte is van de gang van zaken op een hof, aangezien het spinnen van linnen in alle sociale lagen slechts aan vrouwen was voorbehouden, nooit aan meisjes. Het was namelijk een werk waarbij veel ervaring en grote deskundigheid nodig was en jonge meisjes hadden die ervaring en deskundigheid nog niet.

  • Ook zou Charlemagne op al zijn reizen zijn kinderen meegenomen hebben. Arme kinderen. De jongens reden naast hem, de meisjes volgden. Dit is echter niet juist, want uit de Annales Regni Francorum blijkt juist dat Charlemagne bij hoge uitzondering zijn kinderen meenam op zijn reizen. Overdrijven ter meerdere eer en glorie van Charlemagne is een slechte gewoonte bij Einhard. Bovendien was Karel de Grote bijna jaar in jaar uit op (oorlogs-)pad. Zijn kinderen, waar Karel de Grote toch erg trots op was, zouden zo een onverantwoord risico gelopen hebben.

  • In hoofdstuk 16 schrijft Einhard de overwinningen op de Moren aan Charlemagne toe, terwijl die in 797 en 798 behaald werden door koning Alphonse II van GaliciŽ en AsturiŽ. Uit de Annales Regni Francorum is overigens op te maken dat Charlemagne daar niet eens geweest is, maar in 798 alleen een door Alphonse II behaalde overwinningstrofee ontving. Alphonse II was dus verre van een vazal van Charlemagne, wat Einhard wel schrijft. Alphonse II regeerde van 791 tot 842, dus heeft Charlemagne verre overleefd, overigens ook diens zoon Lodewijk de Vrome. GaliciŽ en AsturiŽ zijn ook nooit in bezit geweest van de Karolingen, ook niet als vazalstaat. Een aantal kaarten in historische atlassen zijn dus aan herziening toe. (Feitelijk alle kaarten uit het eerste millennium).

  • De mededeling van Einhard dat Charlemagne Spanje van de PyreneeŽn tot de rivier de Ebro (Hiberum) veroverd zou hebben, berust op een ook pas later ontstane situatie en was in de tijd van Einhard onjuist.

  • In datzelfde hoofdstuk 16 vermeldt Einhard dat de Schotse Koningen zich aan Karel de Grote onderdanig zouden hebben gemaakt. In de hele verdere bronnen is als zodanig nergens sprake van Schotse koningen. Het is totaal onbekend welke koningen hier bedoeld worden. Ook hier blijft slechts twijfel aan de juistheid van de tekst van Einhard bestaan. De eerste Schotse koning was Kenneth I die regeerde van ca.843 tot 858. Omdat Einhard in 840 overleed kan dit bij hem nooit bekend zijn geweest zijn en blijkt hier nogmaals duidelijk uit dat dit gegeven later aan de tekst is toegevoegd. De Vita Karoli Magni kan in oorsprong wellicht authentiek zijn, maar is later duidelijk gemodificeerd.

  • De onderwerping van Hunold en zijn volk is een volgende onjuiste mededeling: dat is nooit gebeurd.

  • Einhard verward in zijn tekst voortdurend de Avaren met de Hunnen.

  • Ten aanzien van de verdeling van het rijk op 9 oktober 768 vergist Einhard zich door te stellen dat Pepijn deze verdeling nog bepaald zou hebben. Dat is niet juist. Pepijn stierf vrij plotseling en was feitelijk nog vrij jong (54 jaar). Hier wordt door Einhard duidelijke een legitimatie van de verdeling gegeven, waarmee de rechten van Karel de Grote op de helft van het rijk bepaald zouden zijn, iets wat zijn broer Karloman steeds betwistte. Hij zou als enige wettige erfgenaam het hele rijk hebben moeten erven.

  • Ten aanzien van de regeringsjaren van Charlemagne vergist Einhard zich ook. Karel is gekroond tot Koning op 9 oktober 768. Op 9 oktober 813 heeft hij dus 45 jaren geregeerd. Tot zijn sterfdag 28 januari komen er nog 3 maanden en 19 dagen bij. De 47 jaar die Einhard noemt zijn dus onjuist. Maar had Einhard een bedoeling met het getal 47? In het Oude Testament gaat juist psalm 47 over de lofzang aan de Heer: "Want de Here, de Allerhoogste, is geducht, een groot Koning over ganser aarde...". In de hele ophemeling van Charlemagne past deze psalm als geen ander.

  • In hoofdstuk 33 geeft Einhard aan dat Charlemagne in 811 in het 43ste jaar van zijn regering zijn testament opmaakte. Dan zou 814, dat dus maar net begonnen was, dus het 46e regeringsjaar zijn en niet het 47e. Ook dit klopt niet.

  • In hoofdstuk 26 beschrijft Einhard de bouw en de inrichting van de kerk in Aken. Er mocht zich niets onchristelijks of onreins in die kerk bevinden. Is dat de reden dat hij de troon van Charlemagne niet noemt? Of bestond die marmeren troon toen nog niet? Het is of een onjuiste weergave of een vertekend beeld. De troon is wel het zinnebeeld van wereldlijke macht die verre stond van het Christelijk geloof. Christus had zelf gezegd dat 'zijn rijk niet van deze wereld was'.

  • In hoofdstuk 16 wordt door Einhard een verwijzing gemaakt naar een pas veel eeuwen later ontstane sage over de kruistocht van Charlemagne naar Jeruzalem (die hij overigens nooit gemaakt heeft). Ook dit geeft aan dat het verhaal van Einhard nadien aangepast is. Einhard kon in de 9e eeuw nog niets weten over de Kruistochten naar het H.Land. Dit geeft tevens aan dat het verhaal van Einhard na 1099 (einde eerste Kruistocht) aangepast is of wellicht toen pas geschreven is.

  • Charlemagne zou van Kalief Haroen het protectoraat over het H.Land en de heilige plaatsen gekregen hebben. Van een bescherming van het H.Land is voor het eerst pas sprake na 866 en teksten over bescherming van pelgrims zijn pas verschenen in de 10de en 11de eeuw. Ook dit geeft aan dat de Vita van Einhard later bewerkt is met diverse toevoegingen, slechts om de grootsheid en de Christelijke moraal van Charlemagne te onderstrepen.

  • Dat is met name te constateren uit de overschrijffout van de naam Harun (koning van PerziŽ), waar de kopiÔst Aaron van gemaakt heeft. De naam Harun zei hem blijkbaar niets, de naam Aaron kende deze kopiÔst wel: uit de Bijbel.

  • Het verhaal over Roeland en de slag bij Roncevalles komt voor in een sage die in de tijd van Einhard nog niet bestond en dus nadien pas in zijn tekst verwerkt kan zijn. Zo bestond de 'goedendag'als wapen nog niet in 778. Ridder Roeland hanteerde het zwaard, geen knots. J.de Prince heeft aangetoond dat de mark van Roeland die voorkomt in het Roelandslied, 'Hruodlandus britannici limitus praefectus', zich bevond aan de kust van Frans-Vlaanderen. De genoemde plaats Wissant geeft dat al aan. Roeland was een 'zee-graaf'. De plaats Seinz was ook niet Xanten, maar Sens in Frankrijk.

  • De door Einhard genoemde Wilten (ook Vilten of Waletabi genoemd) als een stam aan de Oostzee is eveneens niet juist. Zo ver oostelijk is Charlemagne nooit geweest. De Vilten waren een stam van de Slavi die weer een onderdeel van de Saksen waren. Het waren de Vilten in noorden van Frankrijk waar hun hoofdstad Viltaburg (=Trajectum ofwel Tournehem) was. Uit deze mededeling bij Einhard is duidelijk op te maken dat zijn 'Vita' aangepast is in de tijd dat de 'deplacements historiques' al in volle omvang waren toegeslagen.
    Overigens maakt traditioneel Nederland van dit Viltaburg de stad Utrecht. Maar ook die ligt niet aan de Oostzee, waarmee de mythe van het Trajectum van St.Willibrord te Utrecht nog eens wordt onderstreept.

    Bijbelse symboliek en beeldspraak in de Vita Karoli Magni.
    In de Vita Karoli Magni worden een aantal keren opvallende zaken genoemd, die geheel overeenkomen met gebeurtenissen zoals die in de Bijbel beschreven zijn. Einhard heeft met deze Bijbelse symboliek zeker een bedoeling gehad. Wilde hij hiermee de grootsheid van Charlemagne benadrukken, die de grootsheid van Christus benaderde? Dat hij in zijn beschrijving de gebeurtenissen soms net iets anders weergeeft zal slechts te maken hebben met het feit geen heiligschennis te willen plegen ten aanzien van Jezus Christus en de Bijbel. De overeenkomsten en de symboliek zijn echter frappant te noemen.

  • De meest opvallende gebeurtenissen zijn de tarlijke voortekenen bij de dood van Charlemagne. Die waren behalve de talrijke zons- en maansverduisteringen ook het instorten van de zuilengalerij tussen kerk en paleis te Aken (al gebeurde dat feitelijk pas enkele jaren later in 817). Op het derde uur van de dag stierf Charlemagne.
    In het lijdensverhaal van Christus op Goede Vrijdag worden ook juist deze aspecten genoemd. Christus sterft op het derde uur van de middag, er is eveneens sprake van een zonsverduistering en een aardbeving waarbij het voorhangsel van de tempel in Jeruzalem in tweeŽn scheurde en instortte.

  • Ook in de aardbeving die zich volgens Einhard in het paleis te Aken voordeed, kan men de relatie met de kruisdood van Christus zien, waarbij de aarde beefde, de rotsen spleten en de doden opstonden. De hier bedoelde aardbeving heeft zich wellicht inderdaad voorgedaan in Aken maar wordt in 803 gedateerd, terwijl de laatste Saksische oorlog die genoemd wordt (zie volgende opmerking) in 804 plaats vond. Ook hier wordt de symbolische betekenis van een natuurverschijnsel aangewend voor geen andere verklaring dan om de grootsheid van Charlemagne te onderstrepen.

  • Een ander Bijbels tafereel deed zich voor tijdens de laatste veldtocht tegen de Saksen. Een felle lichtstraal doorkliefde de heldere hemel en Charlemagne stortte met zijn paard op de grond. Ditzelfde tafereel zien we bij de bekering van Saulus, die zich daarna Paulus noemde en in naam van Christus ging prediken. Die 'bekering' zien we ook bij Charlemagne, al noemt Einhard het niet als zodanig. Deze veldtocht was wel de laatste tegen de Saksen. Heeft Charlemagne zich hier bekeerd? Einhard vermeldt wel dat iedereen zich verwonderd afvroeg wat dit voorteken betekende. Hij zag er dus een voorteken in en gaf er een symbolische betekenis aan. Dat Charlemagne deze voortekenen 'schijnbaar' onberoerd lieten, zoals Einhard ons meedeelt, daarmee wilde hij uiteraard slechts de grootsheid van Charlemagne benadrukken. Immers een groots vorst toont geen twijfel, geen angst en zeker geen onzekerheid.

  • In de Vita is sprake van zeven dagen zwarte vlekken op de zon. En Charlemagne stierf zeven dagen nadat hij ziek werd. Het getal zeven komt in de Bijbel en de kerk erg veel voor. De symbolische betekenis, de verwijzing naar de volmaaktheid, is wel duidelijk. Te denken valt aan de zeven dagen in de scheppingsverhaal, de zeven erfzonden, de zeven werken van Barmhartigheid (al worden er in de Bijbel maar zes genoemd), de zeven sacramenten en in de oudheid kende men ook de zeven vrije kunsten, zeven planeten en zeven wereldwonderen. (Voor de hedendaagse lezer: toen meende men dat de zwarte vlekken een teken van dreigende duisternis waren, maar ze ontstaan juist door intensieve uitbarstingen van de zon.)

  • Charlemagne deelde zijn rijk in 21 delen in met 21 hoofdsteden, die hij allen veel rijkdom schonk. In werkelijkheid waren er 22 hoofdsteden (Narbonne wordt door Einhard overgeslagen) en 21 delen in zijn rijk. De keuze voor het aantal 21 is eveneens Bijbels georiŽnteerd: 21 is 3 keer 7. Zowel 3 (de drie-eenheid) als 7 (zie de vorige opmerking) zijn heilige getallen, volmaakte getallen.

    Zet men deze 21 hoofdsteden op een rij, dan blijkt daaruit meteen de omvang van het rijk van Charlemagne. Het zijn de steden Rome, Ravenna, Milaan, Cividale del Friuli (Forum Julii), Grado (Gradus) in ItaliŽ, Keulen (Colonia), Mainz (Mogontiacus), Salzburg (Juvavum), Trier (Treveri) in Duitsland, Sens, Besançon, Lyon, Rouen, Reims, Arles, Vienne, Moutiers, Embrun, Bordeaux, Tours en Bourges in Frankrijk. Uit deze opsomming blijkt al dat BelgiŽ, Nederland en Noord-Duitsland tot de Elbe niet tot het rijk van Charlemagne hoorde. Aken en Nijmegen missen we ook in dit rijtje, evenals Noyon dat, gelegen tussen Reims en Rouen, geen hoofdstad geweest zal zijn. Overigens blijft de vraag gerechtvaardigd of de 'vertalingen' van alle plaatsen wel juist is of later aan de tekst zijn toegevoegd. Voor Colonia, Mogontiacus, Treveri en Juvavum bestaan ook 'Franse' alternatieven, t.w. Cologne bij Calais, Mainvillers bij Metz, Terdeghem en Vionville (woonplaats van de Jovanii).

    Als we eenmaal hebben vastgesteld dat de tekst van Einhard vele onjuistheden en nog meer symboliek bevat, moeten we ons om de letterlijk tekst feitelijk niet meer druk maken. Wat beeldspraak is en wat feiten zijn, is niet altijd duidelijk te onderscheiden. Een aantal zaken is zeker later aan de teksten toegevoegd, zodat het in de tijd van de aanpassing inderdaad ook klopte. De hele 'deplacements historiques' gaat juist over de veelheid van gedoubleerde plaatsnamen die ook op de nieuwe plaats vaak wonderwel in het landschap pasten. Alleen aan plaatsnamen die op meerdere plaatsen voorkomen kan men dus geen bewijs ontlenen.

    Brengt men de geschiedenis van Charlemagne terug tot de ware proporties, dan worden de historisch geografische vraagstukken meteen opgelost. De voorstelling van het Rijk van Charlemagne van de PyreneeŽn tot de Elbe is een van de grootste mythen die uit deze verwarring is voortgekomen. Ook de onmogelijk grote missiegebieden van St.Willibrord en St.Bonifatius worden bij een ware kijk tot hun juist proporties teruggebracht, namelijk tot een beperkt gebied in het noordwesten van Frankrijk.

    Welke conclusie kunnen we nu trekken?

    De tekst van de 'Vita Karoli Magni' is niet ongeschonden overgeleverd, maar op meerdere plaatsen aangepast en met allerlei zaken aangevuld. Het is dus een falsum, een met latere gegevens aangepaste kopie. De hierboven vermelde zinsnede over 'Noviomagus, de Vahalem en het Insula Batavorum' is zeker later aan de tekst van Einhard toegevoegd. Immers de archeologie heeft onweerlegbaar aangetoond dat in Nijmegen geen Karolingisch paleis heeft gestaan, ja zelfs dat Nijmegen in de tijd van Charlemagne niet eens bestond. En daar veranderen enkele vaag gedateerde graven niets aan.
    En Ingelheim? De oudste archeologische vondsten op de plaats waar het paleis gestaan heeft zijn enkele scherven van Pingdorf-aardewerk. Dit wordt gedateerd nŠ 900, maar kan dus ook uit de 12e eeuw zijn. En dan zijn we precies bij Frederik Barbarossa. Toevallig of niet, maar op beide plaatsen heeft Frederik Barbarossa in latere tijd een palts gebouwd. Niet herbouwd of hersteld zoals altijd beweerd werd, maar gebouwd, wat hij in Nijmegen ook zelf aangaf op de gedenksteen.
    Ook Aken past in dit beeld. Zie daarvoor Aken.

    Dat over de 'Vita Karoli Magni' door historici gesproken wordt als een betrouwbare feitenbron, geeft dan ook te denken. Dat de beroepshistorici dit werk te serieus nemen maakt het lastig het werk kritisch te beschouwen. Maar het blijft onvermijdelijk en noodzakelijk dit wel te doen.

    De 'Vita Karoli Magni' bevat enkele onverklaarbare fouten. Die zijn echter wel te verklaren als men ervan uitgaat dat de tekst meerdere keren overgeschreven is, waarbij kopiisten de voor hen onbegrijpelijke tekst hebben vervangen door hen wel bekende zaken.

    De enige conclusie moet dan ook zijn dat de tekst die in Nijmegen als doorslaggevend bewijs voor de aanwezigheid van Charlemagne wordt gehanteerd, een falsum is.