Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Epternacum= Echternach Eperlecques.

De corpus van St.Willibrord in Echternach is aantoonbaar vals en stamt uit de 12e of zelfs pas uit de 15e eeuw.

Het klooster van Epternacum lag "buiten de muren" van Trajectum. Dat veronderstelt een nabijgelegen klooster.
De opvatting dat het hier om Utrecht en Echternach zou gaan is een complete farce.

De afstand tussen Tournehem (=Trajectum) en Eperlecques (=Epternacum) in Frans-Vlaanderen is slechts enkele kilometers.


Afbeelding van St.Willibrord uit het Gouden Boek van Echternach.

Het klooster van Echternach is pas in 973 gesticht. Dat is bijna twee-en-een halve eeuw na St.Willibrord en sluit volledig uit dat het om het oude klooster van St.Willibrord zou gaan.

Het klooster in Echternach had een voorganger in Berg, toegewijd aan St.Petrus. Dit klooster werd genoemd in 858, toen het aan bisschop Hunger van Trajectum werd toegewezen door Lotharius II. ((Tekst 78 en 94 in: Ontspoorde Historie). In Echternach heeft men valse relieken die helemaal niet van St.Willibrord zijn, zelfs niet kunnen zijn.

Degene die anders beweert moet maar eens met bewijzen van zijn gelijk komen.
De bewijzen van het grote ongelijk vind je hiernaast.

Er bestaan van St.Willibrord 36 oorspronkelijke (klassieke) levensbeschrijvingen (vitae) afkomstig uit Frankrijk (de oudste), Belgi, Luxemburg of Duitsland. Geen enkele is afkomstig uit Nederland. De eerste Hollandse schrijver die over St.Willibrord schrijft, was Melis Stoke tussen 1289 en 1305.

Wat zijn naam, bevolking, streeknaam, plaatsnamen en zelfs riviernamen betreft, zijn het nederlandse Friesland, Groningen en West-Friesland in Noord-Holland de vrucht van een migratie uit Frans Vlaanderen. De opvattingen over de goederen van de abdij van Echternach in de Friese landen zijn ontstaan door een aantal misverstanden in de 16e eeuw. Zie daarover de Friese goederen van Echternach.

Hetzelfde probleem doet zich ook voor ten aanzien van de kerken en goederen van St.Willibrord in Noord-Brabant.


Graftombe van St.Willibrord in Echternach.
De visie van Albert Delahaye.
Lees alles over "Het Dievenboekje van Echternach" in De Ware Kijk Op, deel 2 (tekst 657 en hoofdstuk 9.3.3) en je begrijpt hoe de noodlijdende abdij van Echternach aan zijn bezittingen kwam. Lees meer over het dievenboekje van Echternach en de voetnoot.

Echternach heeft in Nederland alleen vermeende bezittingen geclaimd in Holland en Noord-Brabant. Opvallend en veelzeggend NOOIT in Utrecht of Friesland.
Opmerkelijk blijft ook dat de abdij van Echternach nooit vanouds bezittingen in Luxemburg heeft gehad. Wat heb je aan lapjes grond of een bosperceel op honderden kilometers om schapen of varkens te hoeden? De abdij had slecht bezittingen op honderden kilometers van de abdij, zoals in Brabant, Holland, Zeeland en het land van Kleef.

In de 12e eeuw en geen moment eerder, probeerde de abdij 25 kerken in Holland te claimen, wat faliekant mislukte. Als troost ontving de abdij transgressie-gronden in Zeeland. Zo kwam niet alleen Utrecht in 1157 voor het eerst in aanraking met St.Willibrord, maar werd ook Grevelingen plots de aankomstplaats van St.Willibrord in Europa. Doordenken op deze stelling was er niet bij. Aangezien St.Willibrord in de monden van de Renus aankwam, wordt hiermee bevestigd dat de Schelde de Renus was, wat een opmerkelijk juiste constatering is.


Een recent (2015) ontdekte afbeelding van de oudste St.Willibrordkerk op de Raamberg in Klein-Zundert (18e eeuw).


Vr 1156 had nog niemand in Nederland ooit van St.Willibrord gehoord. De eerste St.Willibrorduskerk werd in 1157 gesticht in Klein-Zundert door de abdij van Tongerlo. In Utrecht ontstond pas in 1300 de eerste bewustwording over St.Willibrord. Toen werden ook de eerste relieken van St.Willibrord gevraagd en gekregen vanuit Echternach.

De fabels van Echternach!
In Echternach is men er heilig van overtuigd dat daar St.Willibrord is begraven en het authentieke corpus van de heilige zich daar bevindt. Rechts een afbeelding van het Grafmonument waarin zich de overblijfselen van St.Willibrord zouden bevinden.
De geschiedenis over de relieken van St.Willibrord maakt ook aan deze fabel een abrupt einde.

Uit de 'Vita S.Willibrordi' van Theofridus van Echternach blijkt dat men het corpus van Willibrord kwijt is. Men weet niet waar de heilige begraven is. In 1031, bijna 300 jaar na zijn overlijden, vindt men door een wonder het corpus terug in de 3e sarcofaag die men opende. Het zijden pallium blijkt nog helemaal ongeschonden en uit de sarcofaag stijgt een welriekende geur op. Het corpus blijkt nog geheel gaaf en abt Humbertus nam met de grootste vrees een rib uit het lichaam. Dan volgt nog een wonderlijke genezing van een monnik van totale verlamming.

Het feit van de wonderen (ongeschonden, welriekend, genezing) en dat men niet eens wist waar Willibrord begraven was (pas in de 3e sarcofaag) zijn evenveel bewijzen dat het hier niet om het corpus van St.Willibrord gegaan kan hebben.

In de jaren die volgen worden veel relieken aan verschillende kerken geschonken.
In 1301 vraagt en krijgt Utrecht vanuit Echternach de eerste relieken van de heilige, omdat, zo staat het in de oorkonde, "men er nog geen heeft".
Waarom zijn niet eerder relieken gevraagd? Zeker als men wist dat 'Echternach' (zie noot) in 952 relieken schonk aan Trier, in 980 aan Regensburg, in 987 aan Luxemburg, in 1031 weer aan Trier, in 1156 aan Maria-Laach en Himmerode. N 1031 schonk de abdij relieken aan verschillende kerken: 1047 aan Prum; 1051 aan Brunswijk; 1091 aan Hirssow; 1098 aan Prm; 1156 aan Himmerode; 1170 weer aan Trier; in 1301 voor het eerst aan Utrecht en in 1315 nogmaals aan Trier.

De betreffende relieken zijn allemaal beschreven en bevatten naast kledingstukken ook beenderen van de heilige.
Het is duidelijk dat de Willibrord verering in Nederland dus pas na 1301 nieuw is ontstaan.
Uit technisch onderzoek blijkt dat het deel van de sandaal van de heilige waarover men in Utrecht beschikt, niet uit de 8ste maar uit de 12de eeuw stamt. En dan kan deze sandaal onmogelijk van St.Willibrord zijn geweest.Deze relieken zijn dus vals.

Noot: Uit dit feit blijkt dat deze tekst pas opgesteld kan zijn toen het klooster van Echternach bestond en dat is na 973. Tevoren waren de monniken gevestigd in een klooster in Berg.

Na het jaar 1315 blijft een tijdje stil rondom de relieken van St.Willibrord. In de 15e eeuw is er sprake van twijfel (ook in Echternach) omtrent de authenticiteit van het corpus van St.Willibrord. Men weet ook niet precies meer waar hij begraven is.
En dan WONDER boven WONDER, vinden de monniken van Echternach in 1498 "het complete en ongeschonden lichaam van de heilige terug", zoals dat letterlijk in de "Grundherrschaft Echternachs" vermeld is. Er is maar n conclusie: de relieken die nu in Echternach voor St.Willibrord worden gehouden zijn vals. Het "terugvinden" van het lichaam van de heilige in 1031 toont dat al glashelder aan.
In 1537 en niet eerder, wordt in Echternach een altaar opgericht "op de plaats waar Clemens Willibrord overleed". En dit altaar is nu de plaats van zijn verering.

Het staat volkomen vast dat St.Willibrord niet in Echternach overleden is. Men heeft immers altijd gesteld dat zijn lichaam na het overlijden naar Echternach werd overgebracht. Daarvoor voerde men de z.g. "translatio" aan die op 10 november in de kalender van St.Willibrord staat genoteerd. De aantekening van de translatio is duidelijk niet in 739 aangebracht, maar een veel latere toevoeging.
Wat er nadien met zijn lijk en relieken gebeurd is, geeft alle reden om die als niet-authentiek te beschouwen.
De twijfel die W. Visser al in 1933 opgeroepen heeft, blijkt zeer gegrond.

Zie voor meer informatie Eperlecques.

De sprongprocessie van Echternach.
De Kerk heeft in de loop der eeuwen een tweeslachtige houding aangenomen ten opzichte van de religieuze dans. Enerzijds wordt in de psalmen meerdere malen opgeroepen tot de dans als uitdrukking van vreugde. Aan de andere kant werden religieuze dansen in conciliebesluiten verboden, omdat ze stammen van heidense religieuze dansen en tot mistoestanden leidden.
Voor Echternach kan niet bewezen worden dat de springprocessie stamt uit een voortzetting van heidense gebruiken, die door het christendom zijn overgenomen. In Echternach kan over het ontstaan van die springprocessie helemaal niets bewezen worden.
Al spoedig na de dood van Willibrord in 739 zouden hele stromen pelgrims naar Echternach gekomen zijn, naar het graf van de heilige. Tenminste dat is de traditie. Maar pas in de 11e eeuw zouden daarvoor de eerste schriftelijke aanwijzingen zijn. De sequentie van de monnik Berno von Prüm die van 1008 tot 1048 abt was op de Reichenau bevat de oudste vermelding van 'een driesprong'. Deze sequentie, ter ere van de heilige Willibrord, vermeldt de belangrijke dag waarop de lof van Christus gevierd werd met een grote driesprong. Deze sequentie zou dan duiden op een bepaalde springprocessie, op een bepaalde dag in Echternach. De springprocessie van Prüm kan er niet mee bedoeld zijn, omdat deze pas in de 13e eeuw is ontstaan. Daarmee wordt echter ook bewezen (stelt men) dat de springprocessie ter ere van Willibrord plaats vindt.

Ziet U de kronkelgedachte in deze traditionele opvatting? De tekst uit Prüm kan niet slaan op die plaats zelf, dus is Echternach bedoeld. Berno von Prm (von Reichenau) noemt echter nergens Echternach. Dat blijkt een toegevoegde interpretatie in de tekst te zijn. De plaats Echternach als klooster van St.Willibrord wordt pas in 973 voor het eerste vermeld wordt. Ook is onduidelijk wat met 'driesprong' precies wordt bedoeld. Met de driesprong wordt in de katholieke kerk algemeen de drievuldigheid van Vader, Zoon en H.Geest uitgebeeld en op veel religieuze voorwerpen ook afgebeeld, maar ook geloof, hoop en liefde is zo'n driesprong.
Daarnaast hebben de werken en kloosterregels van Augustinus (354-430) die bekend staan als de Trinitate (= Over de Drie-eenheid) een diepgaande invloed uitgeoefend op het christelijke denken en op de menselijke geschiedenis. De Trinitate zijn de Spiritu et littera (= Over de Geest en de letter), De catechizandis rudibus (= Over het goede (geloofs)onderricht of de goede catechese) en De Doctrina christiana (= Over de christelijke Leer).
Berno van Prüm (ook van Reichenau - omstreeks 978 - Reichenau, 7 juni 1048) was een geestelijke en muziektheoreticus uit de 11e eeuw. De abdij gold op dat moment als het middelpunt van het benedictijnse kloosterwezen in het koninkrijk en van de 11e-eeuwse liturgische en muzikale hervormingen in de Duitse Kerk. In de abdij ontstond de hervorming van de Gregoriaanse muziek met een indeling in acht verschillende modi.
Hier krijgt de religieuze dans en muziek een andere betekenis. Zou muziektheoreticus Berno de driesprong in het kloosterleven (gebed en werk -het ora et labora- en eucharistie) bedoeld hebben (hij was een Benedictijn) en helemaal niet een springprocessie in Echternach?

Door de epidemien en ziekten van de 11e tot de 14e eeuw voelden de mensen zich genoopt, om van heide en verre naar St. Willibrord op bedevaart te gaan en zich door de springprocessie op bijzondere wijze aan hem toe te vertrouwen. In die tijd waren er verschillende manieren van "springen" door de zo genoemde "dansende heiligen". De "dansende heiligen" zijn pelgrims die in een noodsituatie een gelofte hebben afgelegd of zich onder de bijzondere bescherming van de heilige hebben gesteld. Van Echternach zijn drie soorten springprocessies bekend, die echter niet alle op dezelfde dag aan bod kwamen.

Zet dit verhaal naast dat van de relieken (zie hierboven) en daarmee is wel duidelijk dat de oudste vereringen van St.Willibrord niet verder terug gaan dan 1047, dus halverwege de 11e eeuw. Dat is dus ruim 3 eeuwen na zijn overlijden.

Ondanks onderbrekingen en verboden is de processie tot op heden blijven bestaan. Het is een geliefd clich dat men verschillende passen naar voren springt en dan weer naar achteren. Het wordt graag door politici en journalisten gebruikt. Het kan ontstaan zijn, doordat de processie stagneerde, vroeger, toen ze nog niet zo goed georganiseerd was als nu. De pelgrims moesten dan een pas op de plaats maken of zelfs terugwijken, waardoor de indruk ontstond, dat er systematisch achteruit gesprongen werd. Deze foutief beschreven wijze van springen werd steeds weer overgenomen, maar dit werd, ook al gedurende de 19e eeuw, door ooggetuigen weerlegd. Weliswaar waren er altijd weer groepen, die zich verplicht voelden om vast te houden aan deze vermeende traditie en voor- en achteruit sprongen. Sinds 1947 wordt er alleen naar voren gesprongen, een pas zijwaarts naar links en dan een pas zijwaarts naar rechts.

Wat moeten we ons nu van Nederland voorstellen?
In de tijd van St.Willibord was Nederland n groot moeras- en waddengebied en bestond Utrecht niet. Dat is archeologisch wel vastgesteld. zie daarvoor Utrecht.
Dat St.Willibrord hier gepredikt zou hebben is een fabel en nergens door bewezen dan door een aantal mythen uit het tweede millennium. De St.Willibrordtraditie in Utrecht is niet ouder dan de 14e eeuw. Zie voor meer informatie hierover St.Willibrord en Utrecht.


Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.