Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het gelijk van Albert Delahaye.
Tegen de stroom ingaan is de enige manier om bij de bron te komen.

De kusten van west Europa werden in het recente verleden overspoeld door omvangrijke en langdurige overstromingen, transgressies genoemd, gevolgd door perioden van zeespiegeldaling, regressies genoemd. Zie bij Transgressies.

Opvallend blijft dat degene die de visie van Albert Delahaye als 'onzin' kwalificeren nooit met aannemelijke bewijzen komen die zijn ongelijk aantonen. Het blijft zoals vanaf het begin van de discussie uit de jaren 50 van de vorige eeuw: men roept veel, maar bewijst niets. Als je dan vraagt waarop hun mening gebaseerd is, blijft het angstvallig stil. Men blijkt ook geen bewijzen te hebben die de traditionele opvatting bevestigen. Zij kunnen slechts de fabelogen uit de 16e een 17e eeuw als 'bewijs' opvoeren en bevestigen daarmee meteen het gelijk van Albert Delahaye. Blijkbaar hebben ze ook dat niet begrepen.

Degene die de visie van Delahaye afwijzen, wijzen daarmee ook de opvattingen van veel historici en archeologen af, die in eigen publicaties ook twijfel hebben uitgesproken over de traditionele opvattingen. En dat zij er velen: zie bij
Twijfel, Citaten en Ongelooflijk.

Ook de tegenwoordige historici die ten aanzien van de traditionele geschiedenis met afwijkende opvattingen komen, geven Delahaye gelijk. Maar zolang zij van de traditionele geschiedenis blijven uitgaan moeten zij als eerste bewijzen dat Nijmegen in de Romeinse en Karolingische tijd Noviomagus heette. Zolang dit bewijs niet geleverd is, kan men over de rest maar beter zwijgen.


Als de dijken breken. Niet alleen een moderne dramaserie, maar ook een historisch drama.

Als de dijken breken komt meer dan de helft van Nederland en Vlaanderen onder water te staan.
Er zijn nog steeds historici die de transgressies die zich in het eerste millenium voordeden, ontkennen, slechts om hun eigen ongelijk over de geschiedenis te verbloemen. Onbegrijpelijk dat ze daar ook nog mee wegkomen. Overstroomd Nederland was gewoon een feit.

De mythen worden in stand gehouden door amateurs die slechts de mythen kennen en niet de historische feiten. De gevestigde historici laten hen begaan met hun fabels en houden zich tegen beter weten in stil en zwijgen in alle talen. Toegeven van hun ongelijk is nu eenmaal geen wetenschappelijke eigenschap.

En waarom zou Albert Delahaye dan wel gelijk hebben, vragen kritici zich af? Dat kan heel kort en bondig worden samengevat: omdat de Kanaaltunnel tussen Dover en Calais ligt en niet tussen Dover en Katwijk! Daar 'waar de oversteek het kortst is' stak Julius Caesar over naar Engeland (en niet vanuit de Betuwe), daar kwam St.Willibrord aan op het vasteland (en niet in Katwijk) en daar kwam St.Bonifatius aan te Dorestad (en niet in Wijk bij Duurstede).

Het gelijk van Albert Delahaye is aangetoond met het onweerlegbare en volledig bewezen en doorslaggevende bewijs dat het Noviomagus van Karel de Grote niet Nijmegen was, maar Noyon.
Nu dit fundament van de vaderlandse geschiedenis in het eerste millennium onjuist blijkt te zijn, is de twijfel aan de rest van die geschiedenis die hieraan onlosmakelijk verbonden zeer terecht. De hele geschiedenis in het eerste millennium zal moeten worden herzien.

"Geschiedenis is de versie uit het verleden waarover men besloten heeft het eens te zijn", is te lang het uitgangspunt van de historische wetenschap geweest. Nu de feiten andere taal spreken zal de geschiedenis herschreven moeten worden, ook al is niet iedereen het erover eens.

Overigens is men ook in het verleden het nooit volledig eens geweest over de geschiedenis. De vele tegenstellingen en discussie bewijzen dat. Zie daarvoor de vele voorbeelden in het hoofdstuk 'Citaten'.

Het gelijk van Delahaye kan ook aangetoond worden met het weerwoord van zijn opponenten. De uitvluchten die men verzint om de tradities te handhaven tonen dat onomstotelijk aan. Men heeft geen tastbare bewijzen voor hun gelijk. Als zij niet gelijk hebben, dan heeft Albert Delahaye gelijk. Het aantonen van een hoog mythe-gehalte in de Nederlandse geschiedenis, is ook zeker de verdienste van Delahaye geweest. En dat een hoog mythe-gehalte bestaat, tonen de historici overigens zelf ook steeds aan, doordat zij het over veel zaken niet eens zijn met elkaar. Het doorbreken van de historische eigengereidheid is ook zeker zijn verdienste geweest.




Het feit dat de boeken van Albert Delahaye zelfs in het derde millennium nog steeds verzwegen worden, bevestigt de onwetenschappelijke houding van de historische wereld en vormt een gelijk van Delahaye. Waar men het niet mee eens is, of wat niet weerlegd kan worden, wordt verzwegen. Dit negeren bespaart de historici de moeite om in te hoeven gaan op de feiten en argumenten die hun ongelijk aantonen en waarmee het overtuigend van Delahaye dubbel bevestigd wordt.

Zelfs in de meest recente historische studies kom je de naam van Delahaye niet tegen in de literatuuropgave. Het getuigt van de beperktheid van deze studies en de beperkte waarde ervan. Ze zijn niet gebaseerd op alle historische gegevens, maar op een deel daarvan. Als je bevindingen van Albert Delahaye (ongelezen?) terzijde schuift getuigt het van weinig wetenschappelijk inzicht en werk. Het is juist de bedoeling van wetenschap de bevindingen die jouw argumentatie tegenspreken, op een wetenschappelijke wijze te weerleggen. Niet door ze slecht te ontkennen of af te doen als 'onzin', maar ze met argumenten te weerleggen. En dat laatste is ten aanzien van de opvattingen van Delahaye nooit gebeurd. Daarmee wordt zijn gelijk eveneens aangetoond: "de geleerde heren schuiven mijn werk terzijde, zonder van de inhoud kennis genomen te hebben".

"Ad fontes", terug naar de bronnen is het volgende gelijk van Delahaye. Ga uit van de oorspronkelijke tekst en niet van wat historici ervan gemaakt hebben. Geef ook de gehele tekst en vooral de context en niet slechts die ene zin die jouw opvatting zou bewijzen, zoals in Het Bronnenboek van Nijmegen gedaan is (zie daar).

Iedereen die zich maar iets meer in de geschiedenis verdiept dan wat hij of zij nog van de lagere school weet, is overtuigd van het gelijk van Albert Delahaye.
Steeds meer historici en archeologen komen zelf met nieuwe publicaties die de traditionele opvattingen weerleggen. Langzaam komt men tot de overtuiging dat de traditonele geschiedenis van Nederland zich nooit kan hebben voorgedaan op de plaatsen die men er voor in gedachte had. Het onbewoonbaar zijn van grote delen van Nederland in het eerste millennium sluit die geschiedenis gewoonweg uit.

Zelfs gerenommeerde historici geven Delahaye gelijk. Zie de opsomming bij Citaten en hun eigen bevindingen in het hoofdstuk over de wetenschap.

Waarom steken de oude mythen dan steeds weer de kop op?

"Omdat een mythe sneller wordt ingevoerd, dan opgeruimd" wat het volgende gelijk van Delahaye is.

"Wetenschap is geen invuloefening, maar een avontuur dat noopt tot het inslaan van onbekende paden."
(Bron: J.H.F.Bloemers, p.99). Die 'obekende paden' worden vaak angstvallig vermeden omdat de traditionalisten liefst geen wijzigingen accepteren. Elke wijziging stelt immers hun deskundigheid ter discussie. En discussie ontwijken de traditionalisten liever.

De 'dooddoener' dat de opvattingen van Delahaye niet passen in het algemeen aanvaarde beeld van onze geschiedenis, staat hier dus haaks op. Er zijn teveel argumenten om dat algemeen aanvaarde beeld van onze geschiedenis eens ter discussie te stellen. De boeken van Delahaye, maar ook van anderen, staan er vol mee. Zie onder meer bij Citaten op deze website.

"Ook zijn alle geleerden het met elkaar eens, dan wil dat nog niet zeggen dat ze gelijk hebben".

Opmerking van een docent geschiedenis: "Geschiedenis is het vak dat de meeste leugens bevat".

Iemand die een aantal van die leugens aan de kaak stelt, wordt vervolgens uitgemaakt voor 'charletan' en 'fantast'. Niet hij die de leugens aantoont is een fantast, maar hij die ze in stand wil houden.

In de 13e en met name in de 14e eeuw is er door de Roomse Kerk een omvangrijke handel in relieken en heiligenlevens ontstaan. Op de historische juistheid van al deze kerkelijke producten en opvattingen ten gunste van de inkomsten valt nogal wat af te dingen.
Toch blijven tegenwoordige historici in deze mooie praatjes geloven en doorzien zij niet de hierachter liggende oplichting van goedgelovige katholieken.

Johannes Hus (1369-1415) stelde niet voor niets de wijdverbreide simonie (koop van kerkelijke ambten), de corruptie en de handel in aflaten en relieken binnen de Kerk aan de orde. Zijn scherpe woorden kostte hem uiteindelijk zijn leven. Hij eindigde op de brandstapel .
Na hem zijn er velen geweest die dezelfde mening waren toegedaan, zoals Desiderius Erasmus, Maarten Luther en Johannes Calvijn. Zij stelden elk op eigen wijze de grote misstanden en de handel in aflaten en relieken aan de kaak.

Veel nooit bestaande heiligen, valse relieken en talloze wonderverhalen zijn omwille van de opbrengsten van goedgelovige pelgrims in omloop gebracht. Ook relieken van St.Willibrord en St.Bonifatius die in de loop der jaren zijn "uitgedeeld" zijn aantoonbaar vals.
Wie daarin blijft geloven, is wel erg goedgelovig en zal ook wel blijven geloven in alle mooie verhalen in de historische geografie van Nederland, waarbij St.Willibrord en St.Bonifatius een onmogelijk missiegebied hadden dat reikte van Noord-Nederland tot in Luxemburg (Willibrord) of zelfs Zuid-Duitsland (Bonifatius).



Blijkbaar lezen de historici elkaars werk ook niet. Anders zouden zij heel anders oordelen over het werk van Delahaye. Zij weten blijkbaar niet dat zelfs behoudende historici als Bogaers, Post, Stolte, Leupen, Hugenholtz, Van Es, Blok, Gysseling e.a. het vaak niet eens zijn met elkaars. En Leupen is helemaal het toppunt van marchanderen met geschiedenis. Blijkbaar kent hij zijn eigen werk niet eens. Lees een wat hij schrijft over Philips van Leyden (zijn stokpaardje en promotie) en wat anderen daarvan vinden. Zie bij Leupen.
De geschiedenis in het eerste Millennium vanaf de Romeinse tijd staat nog steeds ter discussie. Over veel zaken is men het onderling totaal oneens.

Wie meent dat de Nederlandse geschiedenis bestaat uit eenduidige en vaststaande feiten, kent de geschiedenis niet.
In zijn boek 'Vlaanderen in het eerste millennium' geeft de Vlaamse auteur en historicus JoŽl Vandemaele Albert Delahaye op alle punten gelijk. Twijfel je aan de visie van Delahaye? Lees dan dit boek en je komt vanzelf tot 'de ware kijk' op de geschiedenis van de Nederlanden in het eerste millennium!

Het eerste en meteen het grootste gelijk van Albert Delahaye is dat er met de traditionele vaderlandse geschiedenis heel wat mis is en er een grote verwarring bestaat en altijd bestaan heeft. Er is heel wat onzin geschreven over de oudste geschiedenis van veel plaatsen in Nederland. De hele 'vaderlandse' geschiedenis vanaf Julius Caesar zal opnieuw bestudeerd moeten worden.

De verdienste en betekenis van Albert Delahaye is dat hij de macht van die beroeps historici, ondanks alle tegenwerking, heeft doorbroken. Sindsdien zijn er meerdere 'in consensus aanvaarde zekerheden' aan het wankelen gebracht en herzien, ook door andere onderzoekers. Zie bij de wetenschap.

Gelijk heeft Albert Delahaye zeker met de deplacements historiques waardoor Nederlandse plaatsen een geschiedenis kregen die niet van hier was. Deze historische verplaatsingen waren het gevolg van de deportaties van de Saksen door Karel de Grote naar Noord-Duitsland, de vlucht voor de Noormannen naar het oosten en de immigratie naar Nederland ten behoeve van de ontginningen. Al deze volksverplaatsingen gingen van zuid naar noord. Deze verplaatse bevolking nam zijn geschiedenis vanuit de oude streek mee naar het nieuwe woongebied, wat voor de huidige verwarring heeft gezorgd.

Nu aangetoond is dat er altijd verwarring heeft bestaan tussen Noviomagus-Nijmegen en Noviomagus-Noyon, een verwarring die aanvankelijk glashard ontkend werd, zullen alle teksten met vermelding van Noviomagus, Trajectum, Dorestad e.d. opnieuw bestudeerd en ingedeeld moeten worden naar waarheid of mythe voor Nederland. Dan zullen heel wat teksten die men altijd voor Nederland claimde terug naar Frankrijk verhuizen, waar overigens veel teksten altijd al gehanteerd werden voor haar geschiedenis.

Het volgende gelijk is dat het bestrijden van de vooringenomenheid en verbolgenheid van de professionele historici het grootste probleem is bij het oplossen van de verwarring. Het eigen belang en de reputatie van historici en archeologen gaat blijkbaar boven de historische waarheid.

De Nederlandse traditionele opvattingen van de geschiedenis in het eerste millennium zijn onhoudbaar. Er zijn te veel zaken die onjuist zijn, wat ook al aangetoond wordt doordat de historici zelf verschillende opvattingen en interpretaties hanteren. Zie bij twijfel en verschil van inzicht en citaten.

Juist de historici en archeologen die hem zo fel bekritiseerden tonen met hun eigen opvattingen en uitspraken al aan dat er van een eenduidige geschiedenis nooit sprake is geweest. Op veel punten bestreden en bestrijden zij elkaar. Daarmee geven ze Delahaye gewoon gelijk, al (h)erkennen zij dat niet.
Uit alles blijkt dat er geen eenduidige en algemeen aanvaarde geschiedenis van Nederland bestaat of ooit bestaan heeft. Voor de Romeinse plaats Castra Herculis (zie daar) kent men liefst 24 verschillende locaties in Nederland. Allemaal "bewezen". Dan zijn er toch minstens 23 onjuist! Wellicht is die 24e ook fout en is het toch de plaats Arleux in Frankrijk.
Er is altijd twijfel en verschil van inzicht geweest over veel historische vraagstukken. Wie dit ontkent, kent de feiten niet en dient zich van elke kritiek op de bevindingen van Delahaye te onthouden.

De historische wereld was lange tijd een gesloten bolwerk, verdedigd met titels en professoraten. Nieuwe inzichten werden niet geaccepteerd door de 'gevestigde orde', ook al spreken de nieuwe bewijzen voor zich. Zo bleven en blijven de oude fabes en mythe voortbestaan. Het is zeker de verdienste van Albert Delahaye dit bolwerk te slechten, ook al werd hij aanvankelijk weggehoond en belachelijk gemaakt.
Langzaam begint in historisch Nederland het besef door te dringen dat de traditionele opvattingen onjuist zijn. Steeds meer serieuse historici komen in hun publicaties met andere zienswijzen die daarmee het gelijk van Albert Delahaye onderschrijven. Soms hebben ze daarmee niet eens door dat ze het gelijk van Delahaye bevestigen.
Zo komt Annemarieke Willemsen in haar nieuwe boek over de "Gouden Middeleeuwen" tot enkele opvallende bevindingen die het gelijk van Albert Delahaye onweerlegbaar aantonen. Haar opvattingen over Nederland in de Merovingische tijd lijken wellicht opzienbarend, maar bevestigen slechts de onmogelijkheid van de traditionele opvattingen, wat Delahaye altijd al beweerd heeft.

Willemsen toont op archeologische gronden aan dat:
  • de traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland archeologisch niet te bewijzen is (o.a. p.12 en 138); Daarmee zet ze een dikke streep door alle verhalen en publicaties die traditioneel op deze indeling van Friezen, Franken en Saksen zijn gebaseerd. Ook op grond van schriftelijke bronnen is deze indeling en opvatting nooit bewezen. Veel boeken kunnen bij het oud papier, zoals het boek 'Romeinen, Friezen en Franken in het hart van Nederland' van W.A.van Es.
  • de grote volksverhuizingen zich nooit hebben voorgedaan (p.8 en 192). Hetzelfde werd al enkele decennia eerder als mythe naar het rijk der fabelen verwezen. In 'Archeologie in de praktijk' (Van Dishoek, 1985) stelt K.J.Steehouwer: "Sinds twee decennia wordt deze volksverhuizingshypothese echter niet algemeen meer geaccepteerd. Men gaat er nu vanuit dat de veranderingen in materiŽle cultuur in essentie werd veroorzaakt door een verandering in techniek of mode. De bevolking veranderde daarbij niet of nauwelijks van samenstelling".
  • met veel (alle?) Middeleeuwse relieken van heiligen is veel gerommeld. Ze komen qua datering niet overeen met de legendes;
  • Maastricht wordt als enige stad met een continuÔteit genoemd (p.140). Opvallend is dat zij Nijmegen NIET noemt als oudste stad;
  • "Wat in ieder geval niet klopt: het wijd verspreide beeld dat heel Nederland "heidens was, dat er dan missionarissen komen en dat heel Nederland christelijk wordt". "Ook niet juist is het idee dat iedereen christen was behalve de 'opstandige Friezen". (letterlijke citaten p.139);
  • Opvallend is hoofdstuk 8 (v.a. p.129) over 'Regio, volk, koninkrijk'. Daarin worden enkele uitspraken gedaan die Albert Delahaye volkomen gelijk geven. Enkele citaten zijn: "in een groot gedeelte van het lage land kon niet worden gewoond"; "de bevolkingsafname na de Romeinse tijd" (wordt door Willemse bevestigd); "dit waren op het water gerichte samenlevingen" (dus vissers en geen landbouwers, waarvoor geen tienden geheven werden, ook in Wijk bij Duurstede?); "de relatie tussen de diverse vroegmiddeleeuwse grafvelden en nederzettingen is echter nog altijd moeilijk vast te stellen".

    Het grootste gelijk heeft Albert Delahaye inmiddels gekregen door aan te tonen dat er wel degelijk sprake is van twijfel en verwarring in de traditionele geschiedenis van Nederland. Deze twijfel en verwarring werd aanvankelijk door de 'gevestigde historici'*) ontkend en fel tegengesproken. Zelfs prof.dr.F.W.N.Hugenholtz (zie daar) moest uiteindelijk erkennen dat er wel degelijk sprake was van twijfel en verwarring ten aanzien van Noviomagus. Eerder had hij nog gesteld over het paleis van Karel de Grote in Nijmegen 'dat hoeven we toch niet te bewijzen?' Het was blijkbaar ook nooit bewezen, maar altijd maar op onjuiste veronderstellingen aangenomen.

    Het volgende gelijk is dat historici nu eens zelf aan het nadenken zijn gegaan en met hun -eveneens van de traditie afwijkende- opvattingen voor de dag durven te komen. Ze laten zich niet langer meer 'afblaffen' door de 'gevestigde historici' die hun kennis slechts baseren op de naschrijverij. Wat anders is geschiedenis studeren dan herhalen wat al eens geschreven is? Het tijdperk van de klakkeloze naschrijverij moet gaan verdwijnen. De Studiekring Eerste Millennium (SEM) voortgekomen uit de Stichting Albert Delahaye, is daarvan een direct gevolg. Ook daar houdt men niet langer vast aan veel traditionele opvattingen.

    Het derde gelijk van Delahaye is dat zijn bevindingen ook door de 'gevestigde historici' worden erkend, al geven zij dat niet volmondig toe en doorzien ze blijkbaar de consequenties van hun bevindingen niet. De voorbeelden daarvan staan hieronder.

    Op het eerste en belangrijkste uitgangspunt van zijn studie, namelijk dat de Karolingische traditie in Nijmegen vals is, heeft Albert Delahaye al volledig gelijk gekregen. Er is geen zinnig historicus meer die nog beweert dat Karel de Grote een palts of paleis in Nijmegen had.
    De kapel op Het Valkhof werd altijd gepresenteerd als de Karolingische kapel. Het opschrift bij deze kapel is sinds kort veranderd. Er staat nu te lezen: "Het oudste nog bewaard gebleven Burchtonderdeel is de Sint-Nicolaaskapel, meestal foutief Karolingische kapel genoemd. Deze is omstreeks 1000 naar het voorbeeld van Karel de Grote's hofkapel te Aken gebouwd.". Deze laatste zin bevat meteen weer een nieuwe mythe, ofwel een onbewezen opvatting. Vergelijk zelf eens beide gebouwen. Hoezo 'naar voorbeeld' gebouwd?

    In 1954 beweerde men nog bij hoog en laag dat dit een Karolingische kapel was. Op basis van zijn eerste artikel in 1954: "Heeft de burcht van Karel de Grote op het Valkhof of in het Rijkswoud gestaan" (De Gelderlander, 29 juli 1954) en de vele artikelen die daarop volgde, is Albert Delahaye verketterd en in de ban gedaan. In Nijmegen werd het leven hem zo zuur gemaakt op het gemeentearchief, dat hij moest vertrekken. Koolstof onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat deze kapel van nŠ het jaar 1000 is. Het jaar 1085 dat Albert Delahaye altijd hanteerde op grond van de geschreven bronnen, zal wel het juiste zijn. Immers daarvoor was St.Nicolaas, de patroonheilige van deze eerste parochiekerk van Nijmegen, nog onbekend.

    *) Onder 'gevestigde historici' worden degenen verstaan die geschiedenis hebben gestudeerd aan een universiteit en daarin werkzaam zijn. Zij zijn geschoold in de 'algemeen aanvaarde standpunten' van de vaderlandse geschiedenis. Vaak blijken zij niet eens op de hoogte van afwijkende standpunten en van Albert Delahaye hebben ze ook te vaak al helemaal niet gehoord, laat staan zijn opvattingen bestudeerd. Zij baseren hun 'mening' dus op halve waarheden.

    Archeologisch en historisch onderzoek toont aan:
    1. Er is nooit een sluitend en overtuigend bewijs geleverd waardoor alle opvattingen van Albert Delahaye in ťťn pennestreek van tafel kunnen, sterker....
    2. ....uit vele honderden citaten (dat zijn er nu al meer dan 400: zie daar) tonen aan dat de traditionele opvattingen niet langer houdbaar blijven. Ze tonen onweerlegbaar steeds het gelijk van Delahaye aan.
    3. Het stadskernonderzoek in Nederland en het erbij geconstateerde continuÔteitsprobleem sluiten ten enen male uit dat er tussen de 7e en 9e eeuw in Nederland diverse predikers hebben rondgelopen. (Bronnen: Westerheem 1985 en Ontspoorde Historie). De hier bedoelde predikers zijn naast St.Willibrord en St.Bonifatius, ook St.Ludger, St.Lebuinus, St.Gregorius, St.Albricus, St.Willehad, St.Thiatardus, St.Rixfridus, St.Hermacarius, St.Alfricus, St.Hegihardus, St.Hungerus, St.Odilbaldus en St.Radbodus die allemaal in dezelfde streek missioneerden en net als de eerst genoemden ook onder de Friezen missioneerden.
    4. Enkele opvallende herzieningen in de geschiedenis van het eerste millennium halen de opvattingen van J.E.Bogaers en B.H.Stolte onderuit. En juist deze twee 'historici' waren de felste tegenstanders van Albert Delahaye.
    5. J.E.Bogaers en B.H.Stolte reageerden als eersten fel op de bevindingen van Delahaye. En juist van hen wordt hun ongelijk tegenwoordig steeds nadrukkelijker aangetoond. B.H.Stolte (zie daar) wordt in Het Bronnenboek van Nijmegen niet eens meer genoemd of geciteerd. Zijn opvattingen zijn achterhaald, wat men ook in Nijmegen erkent. En J.E.Bogaers (zie daar) heeft al eerder geschreven en dus (h)erkend dat Romeins Nijmegen slechts uit vraagtekens bestaat.
    6. Behalve Bogaers en Stolte waren ook andere historici het steeds oneens met elkaar op zeer cruciale punten. Het is dan ook onbegrijpelijk dat ze zo tegen Albert Delahaye ageerden, die slechts hun onderling ongelijk aantoonde.
    7. Ook Maurits Gysseling (zie daar) een van de felste opponenten van Albert Delahaye geeft hem menig keer gelijk. Ook al noemt hij alle toponymen van Delahaye fout, maar de Schelde is wat hem betreft toch ook de Renus, waarmee hij een van de belangrijkste opvattingen van Delahaye onderschrijft.
    8. "In feite is het niet absoluut zeker dat de plaatsen waaraan een Romeinse naam gegeven is, ook werkelijk zo heetten". (Bron: Onder onze voeten). Eindelijk begint in historisch Nederland het besef door te dringen dat er sprake is van een ruim aantal misvattingen.
    9. De Rijn was geen verdedigingsgrens maar een bewaakte transportroute. Zie verder bij Archeobrief, maart 2008. Deze opvatting wordt inmiddels ook gedeeld door Westerheem en de Vereniging Oud Utrecht.
    10. Recent onderzoek toont aan dat de Waal en de IJssel in de Romeinse tijd nog niet bestonden. Hoezo was de Waal de Patabus van de Peutingerkaart en de IJssel de "oostelijke" mond van de Renus? Tussen Rijn en IJssel lag dus ook niet de gracht van Drusus. Zie verder bij H.Berendsen en De Gelderse IJssel.
    11. Julius Caesar is nooit in BelgiŽ geweest (en dan al helemaal niet in Nederland). Zie verder bij prof.H.Thoen.
    12. In de tijd van de Franken, Friezen en Saksen was Nederland ťťn groot moeras- en waddengebied. Zie verder bij Transgressies, bij Nederland is een immigratieland, bij Amersfoort en bij Zutphen waar de problematiek van overstroomd Nederland aan de orde komt.
    13. In de tijd van St.Willibrord was er geen bewoning in Utrecht. Zie verder bij Citaten.
    14. Het opgravingsverslag van Wijnaldum toont aan dat de meesten van de 955 Friese terpen van na het jaar 1000 zijn en dat er van een 'koningsterp' in het geheel geen sprake is. Ook hier krijgt Albert Delahaye weer gelijk daar hij altijd beweerde dat het machtige volk van de Friezen die vele eeuwen tegen de Romeinen en Franken vochten, nooit op die paar terpen in Friesland gewoond konden hebben.
    15. De aankomstplaats van St.Willibrord op het vasteland was niet Katwijk, maar de Frans-Vlaamse plaats Gravelines.
    16. De oudste St.Willibrorduskerken in Nederland stammen uit de 12de eeuw en niet uit de 8ste eeuw. Prof.dr. A.J.A. Bijsterveld.
    17. "Fries edelman" blijkt een Kroatische krijgsheer. Zie verder bij De Friezen.
    18. De kruisvorm op de Fibula van 'Dorestad' (bedoeld wordt Wijk bij Duurstede) is zeker niet Christelijk bedoeld. Ook hier krijgt Albert Delahaye dus weer gelijk. Het geeft eerder de vier elementen of windrichtingen aan. Voornamelijk werden deze sieraden door vrouwen gedragen. (Bron: drs. M.Pieters). Zie hierover ook het artikel "De broche van Dorestad opnieuw bekeken".
    19. De Noormannenschat van Winsum is zo vals als wat! Zie verder bij De schat van Winsum.
    20. De Noormannen hebben nooit in Nederland geplunderd. Volgens de tentoonstelling over de Vikingen in het Drents Museum was het een vreedzaam handelsvolk. Dat wordt ook gesteld door Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede. Daarmee wordt dus erkend dat alle teksten over plunderende Noormannen geen betrekking hebben op Nederland.
    21. Ook Wijk bij Duurstede is nooit geplunderd door de Noormannen (dus lag daar ook niet het vermaarde Dorestad). Zie verder bij Wijk bij Duurstede
    22. Het graf van Karel de Grote is niet gevonden in Aken. Zie verder bij Karel de Grote en Aken.
    23. De "Karolingische" kapel op het Valkhof in Nijmegen stamt uit de 11e eeuw (en er is nooit een steen gevonden van het beroemde paleis van Karel de Grote). Zie verder bij Karel de Grote en Nijmegen.
    24. "Das Erfundene Mittelalter" van Heribert Illig is een onweerlegbaar bewijs van het gelijk van Delahaye. Zie verder bij Der Phantoomzeit.

    Heeft Albert Delahaye dan toch gelijk?

    De kern van de zaak:
    1. De verwarring tussen Noviomagus/Nijmegen en Noviomagus/Noyon die altijd ontkend werd is nu ondubbelzinnig vastgesteld.

    2. Nu die verwarring door Albert Delahaye onweerlegbaar is aangetoond en wel erkend moet worden door de geleerde heren historici (o.a. Hugenholtz en Leupen), dienen alle teksten over Noviomagus opnieuw en onbevooroordeeld gelezen te worden en geselecteerd naar waarheid en mythe.

    3. Dan zal de hele geschiedenis uit het eerste millennium opnieuw vastgesteld moeten worden, omdat deze geschiedenis uitging van de onjuiste opvatting dat Nijmegen het klassieke Noviomagus was.

    4. Dat nu, heeft Albert Delahaye reeds gedaan, waarvan hij uitvoerig verslag doet in al zijn boeken en dan wint Noyon het op alle punten.


    Vanaf de Romeinse tijd heeft men het verkeerde uitgangspunt gehanteerd. Romeins Noviomagus was niet Nijmegen, maar Noyon.
    Romeins Utrecht (dat overigens Albiobola heette) was ook niet het Trajectum van St.Willibrord, die dan ook geen bisschop van Utrecht was. Dat laatste wordt ook erkend door Charlotte Broer, historica uit Utrecht. Zie bij Charlotte Broer.

    Verleden van Nederland.
    In 2008 verschenen het boek "Verleden van Nederland" door Geert Mak, de professoren Piet de Rooy en Jan Bank, journalist Gijsbert van Es en Neerlandicus/historicus Renť van Stipriaan, en de gelijknamige TV.-serie (gepresenteerd door Charles Groenhuijsen). Hierin worden enkele zekerheden in de traditionele geschiedenis van ons land los gelaten. Hoewel in het boek en in de TV.programma's het slechts terloopse opmerkingen lijken, hebben deze nieuwe opvattingen grote consequenties. Ze vragen zeker om een nadere uitleg van de schrijvers van het boek en de programmamakers van de TV-serie.

    Waar gaat het om?
    Op blz.47 in het boek en in de TV.uitzending wordt meegedeeld dat de "Bataven onze voorouders vrijwel zeker niet zijn". Daarmee wordt de traditie die tot dan toe gold, losgelaten en wordt de geschiedenis op zijn kop gezet. Als de Bataven niet onze voorouders waren, wie zijn het dan wel? Waar hebben de Bataven dan gewoond en waar zijn zij gebleven? De uiteindelijke consequentie van deze opmerking is dat de Bataven dan niet in de Betuwe gewoond hebben, waarmee een "zekerheid" in de traditionele opvattingen in de geschiedenis van ons land wordt losgelaten.

    Navraag bij de betreffende programma-makers leverde echter geen verhelderende antwoorden op. "Wij volgen de traditie", "wij hebben daar geen mening over", waren enkele standaard antwoorden die we**) mochten ontvangen. De traditie volgen? Maar dat doen ze juist niet. Geen mening? Waarom beweer je dit afwijkende standpunt dan zo stellig?
    **) "We" is de redactie van deze website!

    Desgevraagd gaf Geert Mak het nietszeggende antwoord dat hij in zijn boek en in de T.V.serie de traditionele opvattingen volgt. Dat hij dat nu juist niet doet, werd door Geert Mak niet begrepen. We wachten nog steeds op verdere en inhoudelijke antwoorden en de argumentatie hiervan.

  • Wat weten we nu feitelijk echt?
    Alles wat wij van "onze geschiedenis" in het eerste millennium menen te weten, staat in buitenlandse, voornamelijk Franse, kronieken. Was het wel "onze geschiedenis" die deze Franse kroniekschrijvers beschreven? En zouden zij dan de geschiedenis in hun eigen land onbeschreven hebben gelaten? Of was het toch hun eigen geschiedenis die men beschreef?

    Steeds meer krijgt Albert Delahaye gelijk in zijn visie, dat de Karolingische traditie van Noviomagus=Nijmegen vals is en de historische geografie in het eerste millennium berust op vele misverstane teksten. Steeds meer krijgt Albert Delahaye gelijk dat de aangenomen geschiedenis van ons land in het eerste millennium niet in Nederland thuishoort. Steeds meer ontstaat ook eindelijk de discussie over "Waar heeft deze geschiedenis zich dan wel voorgedaan?".

    Vanaf de Romeinse schrijvers tot de eerste Hollandse schrijvers zijn de buitenlandse teksten verkeerd begrepen en op Nederland van toepassing geacht. Niet alleen wordt het gelijk van Delahaye keer op keer bevestigd door het ontbreken van archeologische vondsten, ook steeds meer historici (zie bij "Citaten") erkennen het gelijk van Albert Delahaye in eigen werk, al geven zij dat niet altijd volmondig toe.

    Geen zinnig historicus praat meer over Karolingisch Nijmegen. Op deze eerste en voornaamste stelling heeft Albert Delahaye volledig zijn gelijk gehaald. Het Noviomagus waar Karel de Grote geboren en gekroond is en waar hij een nieuw en groots paleis liet bouwen, was Noyon en niet Nijmegen. Nijmegen kreeg pas in de 12e eeuw, door een erg vrije, maar niet minder foutieve latinisatie, de naam "Noviomagus".

    En wanneer de Karolingische residentie Noviomagus niet in Nijmegen lag, dan kan de Peutingerkaart voor Nederland opgerold worden, daar de Romeinse traditie volledig geŽnt was op Karolingische Noviomagus. Het tweede gelijk van Delahaye.

    Wie goed nadenkt over:
    1. de plaats van de taalgrens in BelgiŽ en waarom juist daar?
    2. de plaats "waar je de overkant kunt zien",
    3. de Romeinse archeologische vondsten in Nederland, die teruggevonden worden onder een dikke laag zeeklei,
    4. de namen Ooster- en Westerschelde in plaats van Noorder- en Zuiderschelde,
    5. het feit dat alle steden in Nederland pas ontstonden nŠ de 10e eeuw en
    6. het ontbreken van enige eigen Nederlandse literatuur vůůr de 12e eeuw,
    ziet ZES onweerlegbare bewijzen van het gelijk van Albert Delahaye.


    Dat de algemeen aanvaarde geschiedenis zich nooit in Nederland kan hebben voorgedaan is momenteel wel duidelijk. Over "waar dan wel? " ontstaan nu eindelijk de benodigde discussies.


    Het zwijgen in de historische wetenschap is altijd veelzeggend geweest.

    Vooral geen discussie!
    Het grootste gelijk van Albert Delahaye is geweest, dat de professionele historici zijn visie steeds hebben afgewezen, zonder in te gaan op zijn argumenten. Zij hebben het verzoek tot een open discussie steeds afgeslagen, want "over zekerheden hoeft toch niet gediscussieerd te worden". Bij die afwijzingen is Albert Delahaye ook persoonlijk bejegend en belachelijk gemaakt (een dilettant, een gek, een charletan, klinkklare kletspraat, baarlijke nonsens, een fantast) met ongemeen felle en soms zelfs verre van beschaafde reacties. Alsof Delahaye uit was op "rancune" of persoonlijk belang. Neen, hij was op zoek naar de pure historische waarheid en wilde de historie zuiveren van de false mythen. De meest fervente tegenstanders verwiepen hem ook steeds zonder iets van hem gelezen te hebben. Ze gaan er nog vaak prat op ook, dat ze deze houding hebben aangenomen en nog vertonen. De traditie is toch zo sterk! "Aan de fabelschrijvers uit de 15e tot 18e eeuw valt toch niet te twijfelen?" menen zij. Zie bij Ongelooflijk.
    "Dit verklaart echter niet de felheid - want dat is het - waarmede hij zonder argumentatie wordt afgewezen", aldus Carel Bloemen in De Nieuwe Limburger.

    Dat de boeken van Albert Delahaye (zelfs anno 2015) in literatuurlijsten verzwegen worden, bevestigt de onwetenschappelijke houding van de historische wetenschap. Waar men het niet mee eens is, of wat niet weerlegd kan worden, wordt verzwegen. Dit negeren bespaart de diverse auteurs de moeite om in te hoeven gaan op argumenten die de traditionele geschiedenis, die zij doorgaans volgen, weerleggen.



    De Stedeatlas van Gorissen.
    Het gelijk van Delahaye wordt ook aangetoond door andere historici, die of de traditie of elkaars opvattingen tegen spreken, zelfs door felle tegenstanders zoals P.Leupen. Zo wordt de "Stedeatlas van Nijmegen" van F.Gorissen op het belangrijkst uitgangspunten door P.Leupen tegen gesproken. Gorissen ging in zijn "Stedeatlas" uit van de aanwezigheid van een Karolingisch residentie in Nijmegen. Iets waarvan Delahaye in 1958 al heeft geschreven dat dat uitgangspunt nooit is bewezen, dus fout is. Leupen weerspreekt de aanwezigheid van een "burgus" als domeincentrum (Spiegel Historiael, dec.1980) en spreekt hiermee de plaats van de oudste nederzetting van Gorissen tegen. "Nergens in de bronnen wordt een burgus te Nijmegen genoemd", erkent Leupen, "en dat is een groot probleem". Blijkbaar begint Leupen te begrijpen hoe bronnen geraadpleegd dienen te worden. In datzelfde artikel erkent Leupen overigens dat er in de continuÔteit van Nijmegen "nog altijd een tijdvak van meer dan drie eeuwen niet in te vullen blijkt". Let op het "meer dan", waarmee niet genoeg is gezegd. In het "gat van Nijmegen" zullen het er acht worden. Verder erkent Leupen dat Nijmegen nooit vrije Rijksstad in het Duitse Rijk is geweest (p.691), iets wat Delahaye al sinds 1965 beweerde. Krijgt hij hier eindelijk gelijk van Leupen?
    Opvallend is ook dat er bij Leupen toch aarzeling begint te ontstaan omtrent het Karolingische karakter van de Keizer Karelstad, als hij schrijft: "Als Nijmegen evenals Ingelheim een koningshof bezeten heeft - wat toch wel aangenomen moet worden - dan moet de oudste parochiekerk ook zo'n Fiskalkirche geweest zijn." En dat was het niet, een Fiskalkirche, die oudste parochiekerk! (Bij een "Fiskalkirche" -vergelijk: viscus- was de pastoor behalve klerk van officiŽle akten, ook ontvanger van de tol of andere belastingen, in naam van de wereldlijke machtshebbers.) Ook dit gemis, wat onbestaanbaar is bij een Karolingische residentie, heeft Albert Delahaye in 1958 al aangegeven. In Nijmegen en verre omgeving is geen spoor gevonden van een wereldlijk of kerkelijk centrum te Nijmegen in de 8e en 9e eeuw en lang daarvoor of erna.

    De Karolingische palts vertoont ook bij Leupen scheuren, als hij spreekt van "wat toch wel aangenomen moet worden". Aangenomen? Door wie moet dat aangenomen worden? Toch niet door Leupen, want die twijfelt daarover toch niet? Moet het aangenomen worden door de lezers van Spiegel Historiael? Of door de Nederlandse historici? Werd dat dan nog niet overal aangenomen? Blijkbaar brokkelt de Karolingische palts in Nijmegen langzaam maar gestaag af.

    In het betreffende artikel krijgt Albert Delahaye zes keer gelijk, en dat nog wel van Leupen. En dan hebben we het nog niet over de andere kleinere "onvolkomenheden" in dat artikel, want het wemelt er van opvallende verschillen met de traditie en zelfs met zijn eigen Bronnenboek (zie daar).



    Wat wij niet van St.Willibrord weten.
    Wat wij niet van St.Willibrord weten, schrijft prof.dr. P.P.V. van Moorsel in het Benedictijns Tijdschrift, 1990/1. "Het probleem kent twee kanten, enerzijds zijn de bronnen erg schaars, anderzijds is er in de loop der tijden een beeld van Willibrord gevormd waarvan - zacht gezegd- niet duidelijk is of het historisch wel klopt. Om met het laatste voort te gaan: niet alleen kennen vele ouderen onder ons Willibrord nog als Benedictijn, maar bovendien staat hij hier bekend als eerste aartsbisschop van Utrecht. De door Alcuin in proza geschreven biografie van Willibrord kent hem deze titel al in het opschrift toe. Terecht wordt deze aanduiding echter in recente studies als onhistorisch van de hand gewezen. Willibrord was aartsbisschop van de Friezen - en daar houdt het, juridisch gesproken, mee op. Utrecht was hem door Pepijn als residentie aangewezen. Maar dat is een andere zaak. Begrijpelijk zijn zulke 'epitheta' overigens wel. Ze zijn het logisch gevolg van een terug-projecteren naar het verleden van meer recente historische ontwikkelingen en feiten. Voor mij is Schenk van Toutenburg (1588) de eerste (echte) aartsbisschop van Utrecht".
    Tot zover dit letterlijk citaat.

    Hoe Albert Delahaye ook hier weer op drie punten gelijk krijgt: 1. of het in de loop der tijd geschetste beeld van St.Willibrord historisch wel klopt; 2. het terugprojecteren van meer recente historische ontwikkelingen naar het verleden toe, hèt probleem van de dťplacements historiques; en 3. de eerste (echte) aartsbisschop van Utrecht was dus niet St.Willibrord.



    De verwarring tussen Noyon en Nijmegen.
    Het allereerste gelijk is behaald door de erkenning dat er wel degelijk altijd verwarring heeft bestaan over Noviomagus: was het Nijmegen of Noyon? Deze verwarring werd aanvankelijk door Hugenholtz, Post en Stolte weggehoond en belachelijk gemaakt, zodat niemand daarna de visie van Albert Delahaye nog serieus nam.
    Maar in een interview met Charles Groenhuijsen van de Volkskrant moest prof.dr.F.W.N.Hugenholtz openlijk toegeven "dat er inderdaad teksten zijn over Noviomagus waar de interpretatie Noyon onontkoombaar is." Het lukte Groenhuijsen uiteindelijk dit hoge woord 'eruit te trekken'. Vooral geen discussies met die "gek" stelde de 'heren' historici! Maar de eerste overwinning in het debat was behaald: de verwarring tussen Noyon en Nijmegen werd erkend, zei het met veel tegenzin. En nog wel door Prof.Dr.Hugenholtz, de altijd meest kwalijk agerende tegenstander van Albert Delahaye. Voor Hugenholtz was deze erkenning echter geen reden de overige teksten over Noviomagus ook eens kritisch te gaan lezen, want daar had hij, naar hij later ook moest erkennen, zelf nog nooit onderzoek naar gedaan. Waarom zou je ook, de traditie was immers toch zo sterk?
    Ook in het Bronnenboek van Leupen wordt deze verwarring tussen Noyon en Nijmegen nu openlijk erkend. Op veel andere punten erkent het Bronnenboek het gelijk van Delahaye even onmiskenbaar. Zie bij Bronnenboek.

    Er is dus eindelijk en gelukkig een kentering aan de gang. Tegenwoordige historici willen eerst de boeken van Albert Delahaye wel eens lezen, voordat zij er een mening over geven. Dat is het volgende gelijk van Delahaye: zijn werken werden steeds ongelezen verworpen en belachelijk gemaakt. De discussies werden vooral vermeden. Blijkbaar voorzagen de historici alle consequenties reeds! Immers als je geschiedenis heb gestudeerd, ben je op de hoogte van de vele vragen uit het verleden die in de geschiedenis van ons land altijd hebben bestaan en steeds onbeantwoord zijn gebleven. Alle vraagstukken die zich voordeden zijn ook geen "uitvinding" van Delahaye. Hij was wel de eerste die op zoek ging naar de antwoorden en daaruit wel alle consequenties trok!

    Het Eiland der Bataven.
    Het is niet langer houdbaar gebleken, dat het Eiland der Bataven door Julius Caesar genoemd in zijn "De Bello Gallico" overeenkomt met de Betuwe. Mede het totale gemis aan archeologische vondsten stelt Albert Delahaye volledig in zijn gelijk, dat de woonplaats der Bataven niet de Betuwe was, maar in Noord-Frankrijk gelegen heeft. Ook andere historici en archeologen (zie bij "Citaten") geven dat inmiddels volmondig toe. Julius Caesar is nooit hoger geweest dan de taalgrens, die nog steeds op dezelfde plaats ligt. De later vermelde geografica bij Tacitus en Einhard, die dezelfde landstreek in gelijke bewoordingen omschrijven, horen onmiskenbaar ook bij dezelfde Franse landstreek thuis. Juist omdat de vermeende aanwezigheid van de Bataven in de Betuwe, zo sterk geŽnt was op de teksten van Julius Caesar en schijnbaar een bevestiging vonden in die van Tacitus en Einhard. Deze mythe moet als afgedaan beschouwd worden, evenals de aanwezigheid van Drusus in onze streken. Immers zijn aanwezigheid wordt slechts herleid uit de teksten van Julius Caesar. De consequenties die dit heeft zijn in de boeken van Albert Delahaye duidelijk te vinden. De veronderstelling dat Drusus in 12 vóór Chr, de Friezen in het noorden van Neerland al onderworpen zou hebben, voordat er ťťn Romein in Nederland is geweest, is te zot voor woorden. Deze deductie uit een verkeerde deductie moet naar het rijke land der fabelen verwezen worden. Ook het idee dat de Romeinse Renus overeen zou komen met de Nederlandse en Duitse Rijn, zal losgelaten moeten worden. Vele bibliotheken aan boeken, en niet alleen in Nederland, dienen herschreven te worden.

    De rivier de Renus.
    Renus, Rhin, is een keltische naam, die waterloop of stroom betekent. Het heeft dezelfde betekenis als het woord "Rin" (= beek), een naam die in Boulogne en NormandiŽ meermalen voorkomt. Andere voorbeelden van deze naam met eenzelfde betekenis, naast de Reno in ItaliŽ, zijn in Frankrijk: Reins of Rhins en Renaison (departement Loire), Rinsonnet (bij Roanne), Le Rhťnot en de Rhoin of Rains en Reins (Cote d'Or), Renon (Sarthe), Renne (Haut-Marne), Reigne (Haut-SaŰne), en de lacs de Rino (Corsica). De Cours-du-Rhoin (Cote-d'Or: Rains en Reins XIIIe eeuw)) wordt in direct verband gebracht met Renus. (Bron: A.Dauzat)


    Volgens de opvatting van Albert Delahaye is de Renus niet de Duitse en Nederlandse Rijn, maar een complex van rivieren in Noord-Frankrijk. Het woord Renus moet ook meer gezien worden als de soortnaam van een grensrivier, dan als een eigennaam van ťťn bepaalde rivier. Meerdere rivieren in Noord-Frankrijk en Vlaanderen, die in de Romeinse tijd nog lang niet allemaal al juist in kaart waren gebracht, vielen onder het begrip Renus.
    Volgens Nederlandse historici is dit gegeven door Delahaye onjuist en enkel bedacht om zijn visie te onderbouwen. Bij hen is Renus altijd de Nederlandse/Duitse Rijn. Echter ook andere historici, zoals Byvanck en Van Es, vertalen het woord Renus in teksten met andere rivieren, zoals Maas of Waal, omdat de vertaling met Rijn niet klopt met de inhoud van de rest van de tekst.
    Zelfs M.Gysseling, de toponymist uit Vlaanderen, erkent dat "Renus" en "Schelde" van hetzelfde grondwoord afkomstig zijn. Zie bij citaten.

    Karolingisch Nijmegen.
    Op de eerste en voornaamste stelling, namelijk dat Karolingisch Nijmegen ťťn grote fabel is, heeft Albert Delahaye momenteel volledig zijn gelijk gehaald. Geen zinnig historicus praat nog over Karolingisch Nijmegen. Het is echter wel misplaatste collegialiteit, dat professoren en vakhistorici, overtuigd van de onwaarheid van de oude Karolingische fabel te Nijmegen, enige fanatiekelingen onder hen hun gang laten gaan en zij niet opkomen tegen deze misplaatste fabelschrijvers.
    In de gemeentelijke informatiebrochures van Nijmegen, kom je Karel de Grote niet meer tegen, anders dan in de in 1954 (is dit toeval na de eerste publicties van Albert Delahaye over de waarheid van karolingisch Nijmegen?) in het leven geroepen Karel de Grote-prijs. Een prijs voor een kunstwerk dat de stad Nijmegen tot onderwerp heeft of erdoor is geÔnspireerd, dan wel voor het gehele artistieke oeuvre van een kunstenaar of kunstenaarsgroep die behoort tot de culturele sfeer van Nijmegen. Wellicht dat Albert Termote, de ontwerper van het standbeeld op het Keizer Karelplein, nog eens voor deze prijs genomineerd kan worden. Het is immers een zeer toepasselijk beeld van een ruiter, die met zijn grimmige gelaatsuitdrukking aangeeft in de verkeerde plaats te staan. Het beeld is komische en past in het grote raamwerk van nationale mythen en illusies. Er staan meerdere van dergelijke beelden in Nederland die geplaatst zijn door niet ter zake deskundigen om een fabel in stand te kunnen houden.

    Nijmegen 2000 jaar oud?
    In de inleiding van het Bronnenboek van Leupen staat: "Welke andere plaats in Nederland wordt meer dan 70 maal genoemd in de periode 777 - 1000?" Blijkbaar ging bij Leupen bij deze vraag die hij zo zelf stelde, niet eens een lampje branden. Bestond er in Nederland werkelijk maar ťťn stad? Dan krijgt men wel een hikbui als in "Het Valkhof van Nijmegen" enkele malen vermeld wordt dat de stad in deze periode niet heeft bestaan. Dat de kroniekschrijvers zich vergist zouden hebben, zeg maar liever de indiceerders van de Monumenta Germanica, soit! Maar dat de keizerlijke en koninklijke kanselarijen oorkonden zouden uitgeven in een niet bestaande stad, dàt is toch iets teveel gevraagd. Alle oorkonden ondertekend met "Actum Noviomago" (en andere variaties) behoren dus toe aan een wèl bestaande stad: Noyon. Leupen kent de eigen publikaties van Nijmegen blijkbaar nog niet eens en kan zich dus geen recht aanmatigen uitspraken te doen over Noyon!

    De oudste stad Nijmegen.
    De auteurs van het Bronnenboek (Leupen, Thissen) verkondigden met veel branie als "hun" ontdekking, dat de oudste stad beneden aan de Waal gelegen had, wat Albert Delahaye reeds in 1954 gepubliceerd had (zie De Gelderlander van 31 juli, 3 en 10 augustus 1954), wat toen als "onzin" werd bestempeld. Ook hier krijgt Albert Delahaye uit geheel onverwachte hoek weer gelijk! Het Bronnenboek van Leupen loopt niet alleen enkele decennia achter, maar trekt bovendien als historische slak een slijmerig spoor van plagiaat.

    Numaga's embleem gecorrigeerd.(P.Leupen, Numaga XXX 1983, blz. 23)
    "Niet alleen ons tijdschrift onderging een gedaanteverandering, ook het welbekende embleem van onze vereniging werd - zij het minder opvallend - gewijzigd. Het oudst bekende zegel van de stad Nijmegen, bevestigd aan een charter uit 1265, werd in een weergave van Jan van Vucht Tijssen vanaf de heroprichting in 1954 het kenteken van de vereniging Numaga. Maar het randschrift, luidend, SIGILLUM BURGERIENSIUM DE NUMEGEN (zegel der burgers van Nijmegen) bleek slechts gedeeltelijk juist te zijn. Op de foutieve weergave wees voorzitter Leupen in een ledenvergadering.
    De juiste lezing is SIGILLUM BURGERIENSIUM DE NUMEGEN. Een historische vereniging is het aan haar stand verplicht deze correctie door inlassing van drie letters (-ERI-) te aanvaarden, zodat vanaf heden het embleem zich historisch verantwoord op tijdschrift, briefpapier en enveloppen presenteert."

    Albert Delahaye heeft eerder gewezen op dat eerste stadszegel, om aan te geven dat in 1265 de latinisatie Noviomagus voor Nijmegen nog niet bestond. Zie De Ware Kijk Op, deel 1, blz. 384, waar we lezen: "Oudste zegel en wapen van Nijmegen. Het opschrift luidt: Sigillum burgeriensium de Numegen - zegel der burgers van Nijmegen. Opvallend is dat in deze latijnse zin Numegen staat, wat bewijst dat de latinisatie Noviomagus in Nijmegen in 1265 nog niet bestond."
    Opvallend dat Delahaye ook hier weer gelijk krijgt en dan nog wel van Leupen, zij het wel erg onopvallend. Onopvallend fouten erkennen is de laatste jaren vaker voorgekomen bij correcties van de geschiedenis van ons land. Nu de rest van de mythen nog, immers "een historische vereniging is het aan haar stand verplicht" correcties te aanvaarden, zoals "Numaga" dat zelf schrijft!

    De naam van de kapel op het Valkhof!
    De St.Nicolaaskapel op het Valkhof toont onweerlegbaar aan dat de geschiedenis van Nijmegen (na de Romeinse periode) weer begint rond 1100. Deze kapel wordt nu, ook in de officiŽle informatie van de gemeente, St.Nicolaas-kapel genoemd en niet langer meer foutief "heidense kapel" of "karolingische kapel". De naamgeving van "heidense kapel" was gebaseerd op de verkeerde veronderstelling dat de kapel door de Romeinen gebouwd zou zijn, die door de Middeleeuwers immers als heidenen werden beschouwd. Dat meende men toen omdat in de muur van de kapel een steen was ingemetseld met een Romeinse inscriptie, lange tijd aanleiding tot de mythevorming. Mythen die in Nijmegen nog steeds -zij het nu nog gedeeltelijk- het uitgangspunt zijn van vele veronderstellingen in de aangenomen geschiedenis. De naamgeving van "heidense kapel" geeft meteen de stand van de historische wetenschap aan in de tijd dat de Nijmeegse tradities ontstonden.
    Het feit dat deze kapel de oudste parochiekerk van Nijmegen was, werd in 1965 nog ten stelligste ontkend en fel bestreden. Het bevestigt tevens dat men ook in Nijmegen de fabel van Karolingisch Nijmegen nog steeds niet heeft losgelaten. Aanvaarding van de naam St.Nicolaaskapel voor deze oudste parochiekerk van Nijmegen betekent immers het volledig toegeven van de valsheid van de Karolingische traditie, juist omdat deze mythe het sterkst op deze kapel was vastgepind! Het is het volgende gelijk van Delahaye!

    De Heidense Kapel op het Valkhof.
    Dat de Karolingische nu Ottoonse kapel eerder Heidense kapel genoemd werd, wordt door enkele historici steeds ontkend. Zij doorzien dus de consequenties van die naamswijziging. Deze afbeelding toont hun ongelijk aan. Zij blijken dus slecht op de hoogte te zijn van de geschiedenis van Nijmegen. Hoe ver reikt hun verdere kennis om de opvattingen van Delahaye ongefundeerd af te wijzen?

    De archeologie in Nijmegen.
    Prof.Dr.J.E.Bogaers, archeoloog uit Nijmegen, heeft eens eerlijk bekend, dat, hoewel men aanvankelijk om "de voorspelling van Delahaye flink gelachen heeft", ze toch de bittere conclusie moesten trekken dat in de bodem van Nijmegen NIETS gevonden is uit de Karolingische periode, noch lang daarvoor, noch lang daarna. Dat had Albert Delahaye in 1965 al voorspeld. Na de Romeinse periode kent de archeologie van Nijmegen een "gat" van 8 eeuwen.

    De archeologie in Nederland!
    De archeologie in Nederland bevestigt onmiskenbaar ook het gelijk van Albert Delahaye door een volledig ontbreken in (laag) Nederland van archeologische vondsten tussen de Romeinse periode en de 10e eeuw. Op alle plaatsen die daarvoor in aanmerking kwamen is men driftig op zoek gegaan naar Merovingische en Karolingische overblijfselen. Tot heden heeft men NIETS gevonden van enige importantie, in Nijmegen niet, in Utrecht niet, in Wijk bij Duurstede niet, in Dokkum niet. Het ontbreken van enig archeologisch relikt toont aan, dat er in al die streken van bewoning nauwelijks sprake is geweest. Op plaatsen waar de machtige volkeren der Friezen, Franken of Saksen gewoond zouden moeten hebben, is daarvan NIETS teruggevonden.
    De vondst van veel Romeinse relikten bewijst dat er na de Romeinse periode langdurige overstromingen hebben plaatsgevonden. De Romeinse overblijfselen worden in laag Nederland steevast onder een (dikke) laag zeeklei gevonden. Of het nu gaat om de schepen van Zwammerdam of die van Leidsche Rijn, de resten van een Castellum zoals fort Valkenburg of een nederzetting te Rijswijk.

    De afwezigheid van de naam van Keizer Karel de Grote.
    In Nijmegen weet men echt wel dat Karel de Grote er geen paleis heeft gehad. De eertijdse twijfel is omgeslagen in hedendaagse bevestiging. Ook op de Universiteit weet men dat. Twee simpele feiten geven dat aan. Allereerst ontbrak lange tijd op het standbeeld van de grimmig kijkende ruiter op het Keizer Karelplein de naam van de afgebeelde persoon. Slecht met gevaar voor eigen leven vanwege het rondrazende verkeer op dit verkeersplein, waar elke oversteekplaats naar het parkje ontbreekt, is dit beeld te bezichtigen. Blijkbaar wenst Nijmegen geen bezoekers bij dit standbeeld, dat er sinds 1962 staat, 4 jaar na het verschijnen van het boek "Het mysterie van de keizer Karelstad" van A.Delahaye. Heeft men met gevaar voor eigen leven eenmaal het parkje midden op deze rotonde bereikt, dan moest men maar raden wie die ruiter was. Blijkbaar durfde men er in Nijmegen niet voor uit te komen dat deze ruiter Karel de Grote moet voorstellen en dat hij eigenlijk op Het Valkhof had moeten staan. Maar dat vond men blijkbaar toch een te grote provocatie. Met zijn grimmige gelaatsuitdrukking geeft de ruiter in elk geval beeldend aan, dat hij in de verkeerde plaats staat. Het beeld is komische en past in het grote raamwerk van nationale mythen en illusies. Er staan meerdere van dergelijke beelden in Nederland die geplaatst zijn door niet ter zake deskundigen om een fabel in stand te kunnen houden.
    Het tweede frappante voorbeeld is de naamgeving van de Katholieke Universiteit. Gesticht in 1923 onder de titel "Keizer Karel-Universiteit", liet men dit predikaat vallen om het te vervangen door Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN). Daarbij werd de motivering gegeven dat dit gebeurde om nadruk te leggen op het katholieke karakter van de universiteit. Men wist blijkbaar toch wel dat de naam Keizer-Karel ongepast was.

    Over de KEIZER KAREL UNIVERSITEIT schrijft Albert Delahaye in De Ware Kijk Op (p.235) het volgende:
    "De Alma Mater van Nijmegen is zelf ook niet een van de eerlijkste. De KU, Katholieke Universiteit is in 1923 gesticht onder detitel "Keizer Karel-Universiteit". Dit predikaat heeft zij enkele jaren geleden laten vallen om het te vervangen door KU. Daarbij werd de motivering gegeven dat dit gebeurde om nadruk te leggen op het katholieke karakter van de universiteit, een enorme drogreden en een enorme wimpel voor de ogen van de leken, daar eenieder weet dat het sindsdien alleen maar bergaf is gegaan met dat katholieke karakter. De ware reden voor het veranderen van de naam is, dat bij velen in de eigen universitaire kring van Nijmegen de twijfel aan karolingisch Nijmegen al diep was doorgedrongen. Men wilde het risiko niet lopen die titel nog op de voorgevel te hebben wanneer het debakel zou losbarsten, dat men toch zag aankomen, en dat eenieder zich dan vrolijk zou maken. Daarom liet men de naamplaat bijtijds verdwijnen in de hoop dat zij vergeten zou worden, overeenkomstig het bekende recept van het Bronnenboek voor het uitwissen van sporen. In de eerste jaren van de kwestie werden mijn bedenkingen over Noviomagus opgevat als een aanval op de universiteit. Wie dit niet kan aannemen of wil ontkennen, moet er de artikelen van R.Post maar eens op naslaan, vooral zijn dagblad-artikelen waarin hij geheel Nijmegen te wapen riep. Het gebeurde overigens ten onrechte, daar een historicus zich niet druk behoeft te maken over 20e eeuwse naamgevingen, wat ik dan ook niet heb gedaan, net zo min als een haar op mijn hoofd eraan heeft gedacht om het straatnaam bord "Keizer Karel-Plein" uit de grond te trekken. Het dient juist in der eeuwigheid te blijven staan tot vermaak van de toeristen. Het getuigde van een onnozel historisch inzicht, dat die naamgevingen als argument en "bewijs" werden aangevoerd. Nu getuigt het van misleiding, dat de vlag aan de voorgevel werd binnengehaald en de goegemeente een andere dan de juiste verklaring kreeg voorgeschoteld."

    De Katholieke Universiteit van Nijmegen heeft sinds 1 september 2004 de naam Radboud-Universiteit (zonder 'Sint', om het katholieke karakter toch weg te moffelen) aangenomen. Daarbij wordt een beroep gedaan op een heel andere bisschop dan de fictieve van Nijmegen uit het Bronnenboek, namelijk de laatste bisschop van Trajectum=Tournehem in Frans-Vlaanderen, die, in zijn functie van beschermheilige van de specifiek katholieke wetenschapsbeoefening, het historische geknoei van de universiteit mag toedekken met zijn bisschoppelijke mantel. Aan de voorzitter van het College van Bestuur, Roelof de Wijkerslooth, werd discreet de volgende vraag gesteld: «Hoogleraren gaven in een enquête de voorkeur aan Keizer Karel als naamgever boven Radboud. Waarom is daar niet voor gekozen?››
    Hij antwoordde, de eigenlijke kwestie omzeilend: «Dat idee grijpt terug op de eerste rector van de universiteit, Jos. Schrijnen. Heel lang is die naam in beeld gebleven als alternatief, maar ik zie er niks in. Het probleem van de eenheid is er niet mee opgelost, want het UMC [het Universitair Medisch Centrum van de St.-Radboudstichting] heeft helemaal niks met Keizer Karel.››. Het is een volgende drogreden.
    De universiteit van Nijmegen slaagt er nog altijd niet in om de vroeg-middeleeuwse geschiedenis van de stad uit handen te nemen van enkele theologen. Sinds 1982 zijn die niet in staat geweest om te antwoorden, maar ondertussen gaan binnenshuis de zwartmakerijen door.
    Zo verklaarde de Nijmeegse gemeentelijke CDA-fractie-voorzitter dr. Ad Lansink op zaterdag 27 november 2004 vanaf de preekgestoelte van de Stevenskerk te Nijmegen heel academisch:«Ik zou bijna een lans gaan breken voor Albert Delahaye, de gefrustreerde oud-gemeentearchivaris, die zijn scheldpartijen baseerde op zijn passie voor de historische waarheid, die hij overigens nooit gevonden heeft. Schrijven en schelden: een actueel thema, voor betweters, maar ook voor biografen.›› . Overigens meneer Lansink, die scheldpartijen kwamen van zijn tegenstanders. Bovendien heeft Delahaye de historische waarheid allang gevonden, niet in Nijmegen maar in Noyon.
    Wie al veertig jaar betweterig met de mond vol tanden staat en alleen maar kan schelden en pluimstrijken Ė argumenten ho maar ! Ė heeft natuurlijk allang de hoop opgegeven nog te kunnen bijten. Vandaar dat het vraagstuk door de bijna lansbrekende Lansink liever wordt omgedraaid met een psychologiserende benadering. De Universiteit van Nijmegen heeft de naam die het volop verdient ondertussen geheel zťlf uitgekozen; die van een afgedankte intrigant en nep-heilige uit Frans-Vlaanderen.

    In een televisieprogramma van 3 juni 2005 ("Twee vandaag") ter gelegenheid van het bezoek van koningin Beatrix aan de stad die beweert al tweeduizend jaar zonder onderbreking te bestaan kon stadsarcheoloog J. Thyssen van Nijmegen wťl een erepijler van keizer Tiberius uit 16 na Chr. laten zien, maar niets uit de vroege middeleeuwen.

    Blijkbaar heeft historisch Nijmegen er ook nooit over gedacht de naam Keizer Karel-universiteit te handhaven, slinks verwijzend naar die andere keizer Karel (de V) die er ooit wel verbleef (maar wie weet dat?). Zo goedgelovig is men blijkbaar niet op die Katholieke Universiteit.
    Overigens is de nieuwe naam Radboud Universiteit die men sinds 2004 voert, een volgende historische "blunder". Verwijzend naar een bisschop van Utrecht (899-917), blijkt het die van Tournehem (Fr.) te zijn. Of is deze naam misschien een listig verborgen verwijzing naar de ware locatie van Noviomagus?

    De west-oriŽntatie.
    Reni Orientalis Ostrium en Reni Occidentalis Ostium worden door alle historici vertaald met noordelijke en zuidelijke monding van de Renus, terwijl er letterlijk staat oostelijke en westelijke monding. Afgezien of de juiste Renus bedoeld wordt, moeten zelfs tegenstanders van de visie van Albert Delahaye hem ook hier weer gelijk geven: het is een onmiskenbare bevestiging van de West-OriŽntatie. Onze eigen Ooster- en Westerschelde, die feitelijk Noorder- en Zuiderschelde zouden moeten heten, en de Noordzee en Zuiderzee (naamgeving vanuit Holland), bevestigen deze West-OriŽntatie net zo onmiskenbaar.

    Utrecht als bisschopszetel van St.Willibrord.
    Geen enkele serieus historicus durft tegenwoordig nog de stelling te verdedigen dat St.Willibrord ooit bisschop van de Friezen in Utrecht is geweest. Er is archeologisch geen enkele spoor van de kerstening van Utrecht en verre omgeving te vinden, tot Dokkum aan toe. Utrecht heeft als locatie van het Trajectum van St.Willibrord echt afgedaan. Het was Albert Delahaye die als eerste deze stelling verkondigde en aanvankelijk op een weinig wetenschappelijke manier werd uitgelachen en weggehoond. De lachers van toen staan nu met het schaamrood op de kaken bedremmeld toe te zien dat ze ongelijk hadden. Toegeven van hun ongelijk is blijkbaar erg moeilijk, dus wordt hun ongelijk angstvallig verzwegen.
    Het standbeeld van St.Willibrord dat in 1942 in Utrecht werd opgericht, moet er overigens wel blijven staan als symbool van de legende. Als er maar de juiste tekst bij wordt vermeld. Het beeld is komische en past in het grote raamwerk van nationale mythen en illusies. Er staan meerdere van dergelijke beelden in Nederland die geplaatst zijn door niet ter zake deskundigen om een fabel in stand te kunnen houden.

    De invallen van de Noormannen
    Op een prachtige expositie in Parijs over de Vikingen merkt Willem van der Post (Algemeen Dagblad van 19 mei 1992) verrast op, dat er NIETS uit ons land te zien is. "Nederland is de grote afwezige op deze tentoonstelling. Bruiklenen uit Nederlandse Musea zijn er niet te vinden. Ons land staat ook niet aangegeven op de vondstenkaart in de fraaie catalogus." "Waar is bijvoorbeeld de Schat van Winsum, waar het Fries museum jaren geleden mee pronkte? Die zilveren en benen voorwerpen zijn nergens te bekennen. Een telefoontje naar Leeuwarden leert waarom. Conservator Mensonides: "Die schat bleek namelijk zo vals als wat!" Blijkbaar hebben de Vikingen in ons land niets achtergelaten.
    Prof. dr. W. van Es van de R.O.B. in Amersfoort bevestigt dat. "Eigenaardig hè? Er valt niet aan te twijfelen dat de Vikingen in ons land zijn geweest", zegt hij. "Uit kronieken weten we b.v. dat ze Nijmegen (1) en Dorestad hebben platgebrand. Maar we hebben geen archeologische voorwerpen gevonden die op hun aanwezigheid hier duiden". "Bij opgravingen in Dorestad (Wijk bij Duurstede) hebben we alleen een brandlaag en 2 zilveren armbanden gevonden. Ik durf er echter mijn hand niet voor in het vuur te steken dat die uit ScandinaviŽ komen". "Waarschijnlijk", aldus Van Es, "zijn de Vikingen in ons land kort, destructief bezig geweest en hebben ze alleen spullen meegenomen en niets gebracht!"
    Bestaat er een onnozele uitvlucht, als je weet dat de Noormannen tussen 809 en 925 keer op keer Trajectum, Noviomagus en Dorestadum aangevallen hebben en een lange rij andere (overigens allemaal Franse en Vlaamse) steden, waar de sporen van berovingen wel gevonden zijn.
    (1) Uiteraard staat er in die Franse kronieken niet Nijmegen, maar Noviomagus. Het zo omgaan met plaatsnamen is weinig zorgvuldig en erg suggestief.


    Maar ook op het gebied van:
    staat het gelijk volledig aan de kant van Delahaye. Wie het hiermee niet eens is moet dat dan maar eens duidelijk aantonen met schriftelijke bronnen en niet met onnozele uitvluchten. Zelfs het Bronnenboek van Nijmegen, waar toch de meest deskundige historici aan gewerkt hebben, is daarin niet geslaagd.

    Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.