Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

De goederenlijst uit 870 n.Chr.

In 870 keert bisschop Hunger in Trajectum terug en stelde toen een lijst van voormalige bezittingen van het bisdom en klooster van St.Willibrord op. Het bisdom werd "Vetus Trajectum" (is het oude/vroegere Trajectum) genoemd en zetelde enige tijd in Daventria (is Desvres), Thilia (is Tilques) en Dorestadum (is Audruicq).

In de Goederenlijst van de St.Maartenskerk te Utrecht uit 870, opgenomen in het het Cartularium van Egmond, komen 262 plaatsnamen voor, de meeste puur romaans, die sowieso al niet in Nederland gelegen kunnen hebben. Het zijn 262 namen van plaatsen, die rond Utrecht moeten hebben gelegen tussen 690 en 870, een periode waarin in het laagland van Nederland het bestaan van niet één plaats archeologisch ooit bewezen is.
Van die 262 plaatsen zijn in Nederland slechts enkele aangetoond op grond van klankovereenkomst in de plaatsnaam. Er is ook geen enkele parallelle tekst die deze aannamen bevestigen.

Het ging bij deze goederen vaak om kleine stukken bos- of landgebied, bedoeld om hout te sprokkelen of om varkens te hoeden. Het is dan ook onvoorstelbaar dat deze goederen in de traditonele opvattingen verspreid lagen over heel Nederland en verder, terwijl ze in Frans-Vlaanderen in een beperkt gebied rondom Tournehem zijn terug te vinden. Zie het kaartje hieronder.
Er bestaan veel misverstanden rondom de zogenoemde 'Goederenlijst' uit het jaar 870.
Van de 262 genoemde plaatsen zijn er in Nederland slechts enkele 'gevonden'.
In Frans-Vlaanderen liggen ze allemaal. Hoe kan het dat die 262 plaatsen dáár wel liggen?


De visie van Albert Delahaye over de Goederenlijst van de St.Maartenskerk te Utrecht.
In de goederenlijst van de St.Maartenskerk komen 262 plaatsnamen voor, de meeste puur romaans, die sowieso al niet in Nederland gelegen kunnen hebben. Het zijn 262 namen van plaatsen, die rond Utrecht moeten hebben gelegen tussen 690 en 870 als men deze lijst voor Utrecht wil hanteren. Het is precies een periode waarin in het laagland van Nederland het bestaan van niet één plaats archeologisch ooit bewezen is.
Met 69 van de 262 namen uit deze goederenlijst probeert Blok c.s. aan te tonen dat het hier over Nederland zou gaan. Hij slaat om te beginnen dus al 193 namen over, terwijl hij bij 12 van die 69 zelf al een vraagteken plaatst. Blok "verspreidt" deze namen vanaf Zuid-Holland tot Texel, dat Tecelia zou zijn. Over een aantal van die 69 plaatsen zijn al de bekende discussies gevoerd (ook op deze website) zoals over Dorestad, Trajectum, de Rijn en de Lek. Zie bij "Enkele voorbeelden van geografische missers bij Blok". Van geen enkele plaats is ooit archeologisch aangetoond dat die al bestond rond 700. Dat geeft niet alleen dr.W.A.Van Es onverbloemd toe (zie bij Citaten), maar ook de traditionele opvattingen in Nederland die de geschiedenis steevast laten beginnen met de oorkonde uit 777. Zie o.a. Het Bronnenboek van Nijmegen.
Laten we het maar eens onverbloemd en cru zeggen, zodat het goed tot eenieder goed doordringt : de Nederlandse mediëvisten staan te fantaseren over St. Willibrord in Utrecht terwijl alle kerken, goederen en rechten van diens bisdom in Frans Vlaanderen lagen. Het schandalige van dit alles is dat zij het sinds 1965 weten, en dat zij welbewust en kwaadaardig voortgaan het Nederlands publiek te misleiden, simpelweg omdat zij hun blunders niet willen toegeven. Zij weten dat het Cartularium van Egmond 262 namen van plaatsen bevat, die nooit in Nederland gevonden zijn en derhalve daar niet hebben bestaan. Zij weten dat het Cartularium van Egmond (via Gent) uit Noord-Frankrijk kwam. Zij weten dat Traiectum en Dorestadum hierin tussen 260 Frans-Vlaamse plaatsen staan, en derhalve Utrecht en Wijk bij Duurstede niet kunnen zijn geweest. Zij kennen het bestaan van 262 bewijzen, dat het bisdom van St. Willibrord geheel iets anders was en in een geheel andere streek lag dan het bisdom Utrecht. Zij weten ook dat de onbevoegden, die zich met deze kwestie bemoeiden, dit verpletterend namen-materiaal niet kennen, doch zij lieten hen hun onbevoegde gang gaan, omdat elke bestrijding van Albert Delahaye, rijp of groen of volslagen onbenullig, hun liegen telkens verder toedekte. Maar het beste weten zij dat het gewone publiek geen notie heeft van de 262 Frans-Vlaamse plaatsen in de dokumentatie over St. Willibrord, zodat zij ook hun gang konden gaan. Op hun titels en professoraten worden zij immers eerder geloofd dan een 'buitenstaander'.

Onder de locaties van Blok zijn vele plaatsen te nomen die in de 8e eeuw niet bestaan hebben. Deze ontstonden aantoonbaar pas na de ontginningen, die in de 11e eeuw begonnen waarbij deze streken gecultiveerd werden en in bezit genomen zijn. Hoe kunnen er dan in de 8e eeuw voordat het gebied ontgonnen was, al plaatsen bestaan hebben? Als de medievisten dat nu eens zouden willen uitleggen. Denk hierbij aan: Bunninchem (Bunnik), Feedna (Vechten), Lonoralaca (Loenersloot), UUerden (Woerden), Alfna (Alfen), Suetan (Zwieten), Leithon (Leiderdorp), Holtsele (Honselaarsdijk), Masmuthon (Maasland), Osgeresgest (Oegstgeest), Amuthon (Muiden), Husidina (Huisduinen), Pathem (Petten), Haragum (Hargen), Scoronlo (Schoorl), Bergum (Bergen), Uranlo (Vroonen), Uteromeri (Uitmeer), Aluitlo (De Elft-Wieringen), Strude (Stroe-Wieringen), Beuerhem (Beverwijk), Medemolaca (Medemblik), Fresionouuic (Vreeswijk) en Texle (Tessel).
Tot heden wachten we tevergeefs op een bewijs van het bestaan van deze plaatsen in laag-Nederland in de 8e eeuw.

In de goederenlijst van Trajectum uit 870 komen we o.a. de volgende namen tegen (zie afbeelding hiernaast):
Holanwegh in Hollingues, gehucht op 3 km n-w van Trajectum. Holtlant wat Houtkerque op 12 km n-o van Cassel of Houthem (B.) op 3 km. z-o van Ieper is. Holtsele - Holzheim, is Assinghem, voorheen Holsinghem, een leengoed onder Houlle en Eperlecques op 6 km oost van Tournehem. Voor lezers van de werken van Albert Delahaye geen onbekende namen, waarmee behalve met een betekenis ook duidelijk een vingerwijzing wordt gegeven naar de streek waar de naam Holland voorkomt en vandaan komt. Lag hier dan het Hol(t)land uit de Ananalen van Egmond? Het Hol als in Holingham (Huolingaham) heeft zelfs betrekking op een "terrain d'inondation".

Opvallend is dat veel namen die te maken hebben met "onze" strijd tegen het water een Franse equivalent kennen. Wat te denken van woorden eindigend op -digue of -becque. Het is verrassend hoeveel namen in de streek van Frans-Vlaanderen zo "Hollands" klinken. Opvallend of verrassend? Feitelijk allerminst als je de ontwikkeling van de taal bestudeerd. De taal, het Diets, uit de streek van Frans-Vlaanderen vormde immers de basis van het Nederlands. Zie verder bij Diets.
Deze zo Nederlands klinkende woorden worden o.a. genoemd in de Annales de Saint Bertin, geschreven tussen 830 en 882, en kwamen in die streek dus al vele eeuwen eerder voor, dan in Nederland. Te denken valt aan "La Meere" (meer = zee) voor de zeebaai ten noorden van St.Omer, de plaats van het voormalige Almere (L'Aa meere), de "Nord-, Ost- en Westwede" (wede = weide = nat weiland, denk aan het Widoc uit de oorkonde van 777, maar ook aan ons woord waden; volgens Van Dale -en De Vries- stamt wei van het oudnederfrankische "weitha" af), "Clairmarais" (-moeras, -maras, -mares; maar ook modder, ook mere en Meere), waterganc (watergang), de vele namen eindigend op -becque (beek - zoals de Holle Becque t.w.v.Cassel) en -dyck (of -digue), de "Waterportes Audemaroises" (waterpoort) genoemd in een akte uit 960, de "Schardauwe Gracht" (gracht) bij Looberghe en de "Gracht cité" genoemd in een akte uit 1140. In 850 is er in de omgeving van Coulogne sprake van het cultiveren van grasland dat "vrij kwam uit het water" en waarop men de schapen liet grazen. In 1100 is hier al sprake van de tiende belasting op alle grond "die op de zee gewonnen werd door toedoen van de mens". Een duidelijke indicatie van de eerste inpolderingen en droogmakerijen, nog voordat die in Nederland begonnen zijn.

Er zijn in deze streek van het oude Meere (van La Plaine Flamande of de Plaine Flandrienne Marecageuse) ook andere namen die erg "Hollands" klinken, zoals de "Kettelstroem"en "Nardstroem" (-stroem = stroom) in het stroomgebied van de Aa, de "Niewena" (de nieuwe Aa), "Niuverledam" (de nieuwe dam), de Zedic (zeedijk tussen "le banc de Calais" en "le banc des Pierrettes") en de "overdrach van de Wattendam" (-dam), de Kilwal (-wal) en woorden als "waels" (visrijk water), "waert" monding van een stroom, zoals de Stakelwaert (-waard, denk aan ons woord -waard als in Bommelerwaard e.d.), en "vaert" (een rivier), allemaal voorkomend in geschriften van vóór en rond 1100, toen de eerste indijkingen in Nederland nog moesten beginnen. Een "overdraghe" was een soort rond werktuig (een ton?) waarmee men in het water kon, om er turf te steken.

Vergeet vooral niet dat de streek Frans-Vlaanderen tot 1713 tot de Verenigde Nederlanden behoorde en men er 'Nederlands' sprak. Momenteel spreken nog steeds meerdere oude inwoners er nog steeds een aan het Vlaams gerelateerd 'Nederlands'. Ook veel plaatsnamen in dit gebied zijn 'nederlandse' namen zoals Steenvoorde (waar de Beeldenstorm begon), Hazebroek, Hondschote enz.

De plaatsnamen uit de oorkonden van het bisdom Traiectum - Tournehem.
De dokumentatie van het bisdom van St. Willibrord staat praktisch geheel in een codex, het befaamde Cartularium van Egmond, dat in de 12e eeuw in de abdij van Egmond uit de lucht kwam vallen. Van tevoren is het in Nederland niet bekend geweest, wat dan ook duidelijk maakt waarom voor de 12e eeuw in Nederland met geen woord is gerept over Willibrord en diens bisdom. Al weten we niet precies hoe deze codex in Egmond terecht is gekomen, dan kan aan de hand van andere gegevens toch een redelijke veronderstelling worden gedaan. De abdij van Egmond is in de 12e eeuw gesticht, en niet omstreeks 950 wat ten onrechte is aangenomen. Zij werd bevolkt met een abt en monniken uit Gent. Het Vita S. Adelberti (MGS, XV, p. 699; AS, juni VII, p. 82 - 95) verhaalt dat bisschop Andreas van Utrecht (Andries van Kuik, 1128- 1139) en Petronelle gravin van Holland aan de abt van Gent verzochten om monniken af te staan voor een klooster te Egmond. Deze zond Walter, proost van de Gentse nederzetting te Lens! (16 km noord-oost van Atrecht), die door de bisschop tot abt werd gewijd. Op 7 oktober 1143 is de nieuwe abdijkerk van Egmond door bisschop Hartbert van Utrecht ingewijd. Nergens staat geschreven dat abt Walter het Cartularium in zijn bagage heeft meegebracht, doch een lijn is al duidelijk.
De tweede is, dat het opduiken van de codex in Nederland haarfijn samenvalt met de stichting van een Gents klooster te Egmond. In Egmond was ook een Evangeliarium aanwezig (thans Kon. Bibl.) dat volgens een legendarisch verhaal tegen het einde van de 10e eeuw door Dirk I van H olland aan de abdij van Egmond zou zijn geschonken, dieevenwel nog niet bestond, zodat het verhaal niet waar kan zijn. De herkomst van deze codex is duidelijker, omdat hij een afbeelding bevat der abdijkerk van St. Riquier bij Abbeville, waardoor vast staat d a t de codex daar geschreven is. Overigens blijft het niet bij die ene afbeelding. De codex is geheel uit de school van St. Riquier (zie: Grote Winkler Prins, 1968, deel VII, kol. 320).
En dan komt het allermerkwaardigste. Al had de abdij van Egmond de dokumentatie van het bisdom van St. Willibrord in huis, toch heeft zij met geen woord gezegd of zelfs maar laten verstaan dat die dokumentatie op Friesland en Utrecht betrekking had. In de Annalen van Egmond, die in de 12e eeuw beginnen - weer datzelfde keerpunt! - maar later met allerlei toevoegingen werden aangevuld, staat geen woord over Willibrord of het oude bisdom Traiectum. De ellende begon pas, toen Utrecht in de 13e eeuw een afschrift van het Cartularium van Egmond in bezit kreeg, dit aanvulde met een paar levensgrote vervalsingen, juist bestemd om de band te leggen tussen het bisdom van Willibrord en Utrecht, en het geheel presenteerde als de ware en authentieke dokumentatie van Utrecht. Alle historici zijn erin gevlogen; Opperman had het half door.

En toen Albert Delahaye deze rekonstruktie gaf, was de verbijstering zo groot dat zijn stelling als “onmogelijk” werd verworpen. Ten onrechte, want de valse akten, die gefabriekt werden om de link tussen Willibrord en Utrecht te leggen, zijn op een kilometer afstand als vals te onderkennen, reeds vanwege het simpele feit dat de meest cruciale vervalsingen niet in het Cartularium van Egmond staan.
De plaatsnamen in de goederenlijst zijn alle afkomstig uit het Cartularium van Egmond. Dit bevat een serie oorkonden, waarin schenkingen over goederen en rechten staan. Het gros van de plaatsnamen staat in de lijst van ca. 870. Bisschop Hunger van Tournehem was in 857 voor de Noormannen gevlucht. Hij keerde na verloop van tijd in zijn bisdom terug en zette zich aan het werk om weer orde op zaken te stellen. Daartoe riep hij groepen mensen op om te getuigen wat het bisdom in bezit had gehad. Het relaas van zijn onderzoek heeft een lange opsomming van plaatsen opgeleverd. De namen uit zijn lijst en uit de oorkonden zijn verzameld. Ze liggen allemaal in Frans Vlaanderen.
Het zijn 262 plaatsnamen, de meeste puur romaans, die sowieso al niet in Nederland gelegen kunnen hebben. Het zijn 262 namen van plaatsen, die rond Utrecht moeten hebben gelegen tussen 690 en 870, een periode waarin in het laagland van Nederland niet eens het bestaan van een plaats archeologisch bewezen is. Het Cartularium van Egmond bevat 262 namen van plaatsen bevat, die nooit in Nederland gevonden zijn en derhalve daar niet hebben bestaan. Het Traiectum en Dorestadum staan tussen 260 frans-vlaamse plaatsen en derhalve Utrecht en Wijk bij Duurstede niet kunnen zijn geweest. Het zijn 262 bewijzen, dat het bisdom van St.Willibrord geheel iets anders was, en in een geheel andere streek lag dan het bisdom Utrecht. Vandaar is te verklaren waarom zo angstvallig vermeden werd een diskussie over St.Willibrord of diens bisdom te beginnen want dan, en dat wisten de historici ook, gaat het deksel van het Cartularium van Egmond af. Zij wisten ook, dat dit toch eens zou komen. Daarom moest ik op alle mogelijke onfrisse manieren belachelijk en monddood worden gemaakt. Laten ze niet afliegen dat zij dit allemaal weten, want als zij dit foefje willen proberen, is er maar een alternatief: dan zouden ze onbenullen in bronnen-onderzoek zijn. Maar dat zijn zij niet. Het Cartularium van Egmond, de bron bij uitstek over het bisdom van Willibrord, kennen zij als hun broekzak. Er blijft dus maar een konklusie over: zij hebben wetenschappelijke fraude gepleegd, en of ze nu met hun tienen of twintigen zijn, als integere historici hebben ze afgedaan, omdat zij met één naam uit een bron staan te roepen en er 261 uit diezelfde bron als niet ter zake dienend overslaan. Bovendien zijn zij schaamteloos door het publiek de onwaarheid op de mouw te spelden dat Albert Delahaye dingen overslaat, terwijl zij dat zelf zo’n tweeduizend maal doen!

St. Willibrord was aartsbisschop van de Friezen. Deze namenlijst toont aan waar in zijn tijd de Friezen woonden, namelijk in Frans Vlaanderen, wat Tacitus en de andere klassieke schrijvers al 20 eeuwen geleden duidelijk hadden gezegd. We begrijpen nu ook, dat alle veldslagen van de Friezen in Frans V laanderen plaats vonden, wat trouwens logisch is daar Pepijn en Karel Martel hen in hun eigen streek aanvielen. Het is pure waanzin is geweest te veronderstellen dat de hollandse Friezen zich keer op keer in Frans Vlaanderen gingen opstellen om diens aanval af te wachten.

Het is derhalve afgelopen met de fabel, dat de Friezen zich al in de romeinse periode in het nederlandse Friesland bevonden. Even onverbiddelijk volgt daaruit, dat na het opruimen van de kern der historische mythen van Nederland de grote schoonmaak moet beginnen met alles wat daarvan werd afgeleid. Het is duidelijk dat dit zowel de romeinse periode als de vroege middeleeuwen betreft.

Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.