Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het Graafschap Holland.

Het oude graafschap Holland is een grote mythe.
Nergens zijn er in Nederland schriftelijke of archeologische bewijzen die verder teruggaan dan de 12e eeuw.

Volgens de traditionele opvattingen zou het graafschap Holland in 862 zijn ontstaan. Floris II is echter de eerste graaf die in 1101 als graaf van Holland [Florentius comes de Hollant] wordt vermeld.

Het klassieke Hollant lag evenals het klassieke Fresia in Noord-Frankrijk.


De visie van Albert Delahaye.
Het graafschap Holland is een grote mythe.
In de literatuur is het omstreden of de oorsprong van de Hollandse graven in Friesland, West-Friesland of in Kennemerland gezocht moet worden. Daar zijn geen schriftelijke, maar ook geen archeologische bewijzen voor. Het is wel duidelijk dat de "Hollandse" graven vanuit het zuiden kwamen en wel vanuit het noorden van Frankrijk en via Gent in Holland kwamen. Ze brachten uit die streek zelfs de naam Hollant mee. Zie bij de naam Holland.
Het oudste archiefstuk dat Nederland bezit over de graven van Holland stamt uit 1204 en bevindt zich in het Rijksarchief te ’s-Gravenhage. Alle eerdere documentatie over Fresia en de graven van "Holland" werd aanvankelijk door Friesland opgeëist, wat al eerder leidde tot kritisch onderzoek naar de geschiedschrijving zelf. Die geschiedschrijving past niet op Friesland, maar net zo min op West-Friesland, Kennemerland of op Holland. Wat toen onder Fresia begrepen moet worden lag in Frans- en Belgisch Vlaanderen: het klassieke Fresia. En daar blijkt die geschiedenis wonderwel te passen.
Ook alle relaties van de Hollandse graven met de plunderingen van de Noormannen vonden daar plaats en niet in Nederland. Van plunderingen door de Noormannen is in Nederland archeologisch immers nooit iets aangetoond.
De Hollandse geschiedenis begint pas in de elfde eeuw, en dan nog alleen op de Zuid-Hollandse eilanden. Er is duidelijk geen continuïteit met een eerdere bewoning.


Wat weten we nu feitelijk echt?
In de traditionele opvatting beginnen de graven van Holland in Friesland, of in West-Friesland, of in Kennemerland, al naar gelang wie er schrijft, waarbij ze hun macht geleidelijk naar het zuiden uitbreiden. In werkelijkheid verloopt de historische beweging in precies omgekeerde richting : ze beginnen in de negende eeuw in het gebied ten westen van Béthune en rond Terwaan (Frans Thérouanne), ongeveer het gebied ten noorden van het huidige Artesië (Frans Artois), waar ze als graven van Fresia enig leengoed hebben. Vanaf 940 zijn ze in Gent te vinden temidden van dynastieke intriges. Rond 1018, na het pleit in Gent te hebben verloren, bevinden ze zich met wisselend succes in het Merwede-gebied. In 1063 zouden ze geprobeerd hebben om in Egmond voet aan de grond te krijgen, voortdurend heftig betwist door de bisschop van Utrecht die beweerde datzelfde gebied van de Duitse keizer in leen te hebben terwijl de Hollandse graven zich beriepen op rechten die ze van de Franse koning zouden hebben ontvangen. Pas in het jaar van het uitsterven van het ‘Hollandse Huis’ (1299) wordt West-Friesland ‘bedwongen’, De oversteek naar Friesland wordt pas in 1314 bekroond met het vestigen van enige heerlijke macht.
Volgen we de traditionalistische geschiedenis dan kunnen we ons er over verbazen dat de graven van Holland voortdurend bezig zijn hun eigen graafschap te veroveren of in leen te krijgen, waarbij ze telkens weer in slagen rechten kwijt te spelen vooraleer ze die hadden verworven.

Hoe is het mogelijk dat de geschiedenis zo verkeerd is begrepen ? Bij de duiding van de bronnen van de abdij van Egmond uit de twaalfde en dertiende eeuw stond het idee voorop dat de ‘Hollandse graven’ altijd in Holland waren geweest, ook al zijn er geen andere documenten van vóór de twaalfde eeuw die hun aanwezigheid aldaar bevestigen en ook al komen alle andere documenten die hun bestaan bevestigen uit Gent of van nog verder weg. Waren de geschiedschrijvers begonnen met de oorkonden in plaats van met de rijmelarij van Melis Stoke, en hadden ze die van de oudste af aan behandeld, dan waren ze tot een geheel andere conclusie gekomen.
Maar de geschiedschrijving begint in de vijftiende eeuw niet met feiten of het verzamelen daarvan; veel belangrijker zijn de moraallessen en het stellen van dynastieke pretenties waarvoor geschiedenis de stof biedt. Het zijn hofschrijvers als Melis Stoke en Jacob van Maerlant die de vroegste geschiedschrijving beheersen. Het gaat meer om het verhaal en de aanmatigingen dan om de feiten. Het zijn vervolgens overwegend onafhankelijke bibliofielen en kritische boekhandelaars die oorspronkelijke bronnen belangrijker gaan vinden dan latere beweringen en die bewijsplaatsen beginnen te eisen voor beweringen.

Het is aan het begin van de veertiende eeuw, nog voor de humanistische geschiedschrijving begint, dat de voorvaderlijke geschiedenis van de graven van Holland van het gebied ten noorden van Artesië naar de grens tussen Kennemerland en West-Friesland wordt overgebracht. In de oudste Egmondse bronnen worden tal van plaatsen genoemd die in Holland niet zijn aan te wijzen terwijl de Hollandse plaatsnamen die worden genoemd latere invoegingen zijn. Waar de traditie vandaan komt staat letterlijk in de Egmondse bronnen : «in loco qui Hallem nuncupatur›› (de plaats die Hallem wordt genoemd), dat is het huidige Hallines, enkele kilometers ten zuidwesten van St.-Omaars (Frans St.-Omer), waar zich het St.-Bertijnsklooster bevond.

Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.