Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

J.K.Haalebos.

Jan Kees Haalebos (Hilversum 12 juli 1942 - 6 maart 2001 te Nijmegen) was buitengewoon hoogleraar Provinciaal-Romeinse archeologie (tot 1992) en de opvolger van J.E.Bogaers. Hij heeft ook lange tijd met Bogaers samengewerkt en is door Bogaers in die klassieke traditie opgeleid. Na de plotselinge dood van Haalebos is de leerstoel Provinciaal-Romeinse archeologie nadien nog bezet geweest door prof.dr. Michael Erdrich (tot 2008) en vervolgens opgeheven. Er bestaat dus geen specialisatie meer op dit voor Nijmegen toch belangrijke vakgebied.

Samen met Bogaers publiceerde hij o.m.:
  • Bogaers, J.E. / J.K. Haalebos, 1975: Problemen rond het Kops Plateau, Oudheidkundige Mededelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 56, 127–178.
  • Bogaers, J.E. / J.K. Haalebos, 1986 : Aan de grens van Ulpia Noviomagus. Opgravingen in Nijmegen-West (Bronsgeeststraat, Dijkstraat, 1985), Numaga 33 1986, 1–10.

    Als samenwerker met en opvolger van Bogaers kan niet ontkend worden dat Haalebos door Bogaers "intensief besmet" is geraakt, wat wel blijkt uit zijn publicaties waarin hij de opvattingen van Bogaers bijna kritiekloos volgt. 'Bijna', omdat Haalebos in het artikel "Mosterd na de maaltijd", in het Numaga Jaarboek 2000, eenmaal 'los' van Bogaers, een onverwachte en opvallende kijk geeft op de authenticiteit van Nijmegen, als het Ulpia Noviomagus van keizer Trajanus.

    Met betekking tot Romeins Nijmegen beweren Haalebos en Bogaers een heleboel, maar ze bewijzen niets. Het blijft bij vermoedens, veronderstellingen en aannamen. Het aantal keren dat de woorden 'vermoedelijk', 'waarschijnlijk', 'aannemelijk' enz in hun teksten voorkomen zegt al genoeg. Men heeft geen enkele zekerheid om hun beweringen te bewijzen met feiten.

    Over Romeins Nijmegen kan weinig meer gezegd worden dan wat Albert Delahaye steeds stelde: "Er zijn zeker Romeinen geweest in Nijmegen, maar over de continuďteit van hun aanwezigheid en de naamgeving van de stad valt niets met zekerheid te zeggen."
  • De visie van Albert Delahaye.

    Het moet goed begrepen worden dat Albert Delahaye de aanwezigheid van de Romeinen in Nederland nooit heeft ontkend. Ook in de geschiedenis van Nijmegen niet.
    Maar die aanwezigeheid is nooit van internationale allure geweest, wat ook Van Es (zie daar) altijd gesteld heeft. De smalle strook langs de Rijn was ook geen verdedighingsgrens, maar een bewaakte transportroute, wat ook uit recente studies blijkt. Het derde punt in de visie van Delahaye is dat er geen continuďteit naar de Middeleeuwen bestaat. Maastricht is in Nederland de enige uitzondering.
    Wat ook blijkt is dat de geschiedenis van de Romeinen in Nederland slechts een periode van zo'n 200 jaar beslaat. De oudste vindplaatsen dateren van ca. 50 n.Chr. en het vertrek van de Romeinen uit Nederland is rond 250 n.Chr. De aanwezigheid van enkele legionairs en veteranen daarna mag geen enkele naam hebben. Dat stelde gewoon niets voor.
    De 'kleine commandopost' die er al in 12 v.Chr. gebouwd zou zijn en waarmee de historici de Romeinse bezetting van Nederland graag laten beginnen, is een mythe. Die aanwezigheid is slechts gebaseerd op de vondst van enkele Augustijnse munten, die tot ver in de eerste eeuw nog steeds gebruikt werden. Met zo'n munt bewijs je niets. Ook de aanwezigheid van Drusus of de Varusslag zijn grote mythes. Daar is geen enkel bewijs voor geleverd ooit. Het zijn slechts onjuiste aannames op grond van het feit dat men het Germania van Tacitus als Duitsland ging opvatten.

    Wat weten we nu feitelijk echt?
    De centrale vraag is of Romeins Nijmegen vanouds terecht de naam van Noviomagus of zelfs van Ulpia Noviomagus heeft gedragen. Ook wordt aan Nijmegen de naam Batavorum, Batavodurum en Municipium Batavorum gegeven. Maar is dat ook historisch tekstueel aantoonbaar?

    Maar in de klassieke bronnen staat nergens dat Batavorum identiek is met Noviomagus. Dat is een veronderstelling van historici die alle teksten niet kennen.
    Als je terug zoekt in de geschiedenis van Nijmegen dan blijkt dat dominee Johannes Smetius de eerste is die deze namen uit de Romeinse tijd betrekt op Nijmegen. Dat gebeurt voor het eerst in zijn geschrift "Oppidum Batavorum, seu Noviomagum" uit 1644. Ouder dan de 17e eeuw is de hele traditie dus niet, wat ook Albert Delahaye steeds beweerd heeft.
    Zoek je in het betreffende boek naar feitelijke bewijzen, dan vindt men er geen. Het geheel wordt gekoppeld aan het feit dat het "Eiland van de Bataven" gelegen was tussen de Renus en de Patabus em de Bataven derhalve in de Betuwe verbleven.
    Gemakshalve werd Renus altijd 'vertaald' met de Rijn en de Patabus met de Waal. Toen men echter ontdekte dat Nijmegen daar niet tussen ligt, werd al spoedig de Patabus opgevat als de Maas, een interpretatie die men ook bij Bogaers c.s. terug vindt.

    Dat de klassieke Romeinse Renus de Rijn zou zijn, wordt met veel bewijzen tegengesproken. Zie bij Renus.

    Ook wordt als argument wel eens aangevoerd om van Nijmegen het Noviomagus van de Peutingerkaart te maken, dat het tussen Arenatio (ook Arenacum en Harenatium) en Grinnibus (ook Grinnes) ligt. Arenacum localiseert men dan te Rindern omdat het ten oosten van Nijmegen ligt en Grinnes wordt opgevat als Rossum. En daar ligt Nijmegen tussen, dus is het Noviomagus. Maar dat Arenacum Rinders zou zijn en Grinnibus Rossum zijn aannames, net als zou Nijmegen Noviomagus zijn. Over beide locaties bestaat nog steeds discussie. Met de ene aanname wordt de andere aanname 'bewezen', wat dus geen enkel wetenschappelijk bewijs vormt.
    Arenacum wordt ook als Arnhem opgevat. De Lions-club draagt er nog steeds de naam Arenacum, evenals het Magazine van ondernemend Arnhem. Ook op internet (o.a. in de Encyclopedia Brittannica) komt men nog steeds opvattingen tegen dat Arenacum Arnhem zou zijn. Etymologisch is dat heel aannemelijk, maar waar blijft men dan met Castra Herculis?

    Arenacum, Vada, Grinnes en Batavodurum worden genoemd in de opstand der Bataven. In de opvatting van Albert Delahaye zijn dat Antoing, Vis-en-Artois, Grincourt-les-Pas en Béthune, immers de opstand van de Bataven heeft zich niet voorgedaan in de Betuwe, maar in de Batua in Noord-Frankrijk.

    Mosterd na de Maaltijd.

    Zoals aangegeven verwoordt prof.dr.Jan Kees Haalebos in jaarboek Numaga 2000 met zijn artikel "Mosters na de Maaltijd" dat men in Nijmegen te laat is geweest met het herdenken van zoveel jaar stad. Hij verwoordt dat als volgt: "Als stad (municipium) wordt Nijmegen pas in het begin van de 3de eeuw vermeld onder de naam Municipium Batavorum, hoewel er aanwijzingen zijn dat Nijmegen reeds onder Antoninus Pius (138-161) stad geweest kan zijn. Als dat werkelijk het geval is, lijkt het niet al te gewaagd aan te nemen dat reeds Trajanus de plaats tot municipium heeft verheven".
    In deze twee zinnen staan dus liefst 10 veronderstellingen of aannames. Maar daar blijft het niet bij. Het hele artikel van 31 pagina's bevat vele tientallen voorbeelden van twijfel en aannames en veronderstellingen waarop Haalebos zijn geschiedenis baseert. Hij heeft dat vast ook van Bogaers (zie daar) geleerd, hoewel hij ook hier weer verschilt van mening met Bogaers. Volgens Haalebos ontving Nijmegen behalve de naam Noviomagus ook stadsrechten van Traianus. Daarmee achterhaalde hij de opvatting van Bogaers die onderscheid maakte in markt- en stadsrechten.
    In 'Mosterd na de maaltijd' komt 18x het woord waarschijnlijk(heid) voor, 12x vermoedelijk, 13x schijnt of schijnen, 26x mogelijk, 11x (weinig) verhelderend, 31x lijkt of lijken, 9x kennelijk, 6x (men kan zich) afvragen en 20x aannemelijk, neemt men aan, aan te nemen of aangenomen. Verder komt men in het artikel tegen: kan men zich afvragen (6x), weinig duidelijk (8x), kan men niet bewijzen (4x), mag er aan twijfelen (3x), (be-)twijfelen (4x), de indruk ontstaat (5x), onduidelijk (4x), (bewijzen of gegevens) ontbreken (6x), zou kunnen of zou hebben (38x), moet hebben of moet zijn (25x), (blijft/is) onzeker (5x), kennelijk (9x), het ligt voor de hand (2x) en 4x dit niet te bewijzen valt. Ook woorden als echter (12x), geen (8x), maar (22x), niet (50x), misschien (2x), probleem of problemen (6x), of (125x) en hoewel (6x) geven niet meteen het beeld van een overtuigend verhaal.

    Het komt er op neer dat Nijmegen in 2004 of 2005 haar 1900 jarig bestaan als stad wilde vieren. Dat had volgens het artikel van Haalebos al in 1998 moeten gebeuren, vandaar het 'mosterd na de maaltijd'. Toch besloot Numaga vast te houden aan het oorspronkelijk idee om het 1900 jarig bestaan van de stad te vieren. Ook de pers in casu Peter Deurloo van de Gelderlander omarmde het idee. Deze schreef in de Gelderlander een artikel onder de kop "Wie durft, viert geen 1900 maar 2000 jaar stad". De Nijmeegse stadsarcheoloog Van Enckevoort wilde zelfs nog verder teruggaan. Hij leidde dat af uit het simpele feit dat de befaamde 'godenpeiler' waarop de naam Tiberius (keizer van 14-37 n.Chr.) voorkomt, al in het tweede decennium van onze jaartelling werd opgericht. Het Oppidum Batavorum moet toen al enige betekenis ofwel stedelijke allure hebben gehad. Anders gezegd kon de nederzetting reeds als stad gelden.
    Waarom dan niet meteen het 2000-jarig bestaan gevierd, dat 'klinkt toch veel grootser en feestelijker?', aldus Deurloo.

    Zo komt in Nijmegen geschiedenis tot stand. Simpel, gedurfd en op feestelijk voorstel van een journalist.

    Maar voor dit 2000-jarig bestaan ontbreekt elk feitelijk bewijs. Zelfs de gevonden stukken van de zogenaamde godenpeiler kunnen niet als bewijs dienen, aangezien er slechts mee aangetoond is dat deze als sloopmateriaal versleept is geweest. Waar is immers de rest van die peiler? Waar werd deze oorspronkelijk opgericht? In elk geval niet in Nijmegen waar onder de regering van Tiberius nog geen Romein aanwezig was, laat staan dat het toen al een stad was. Zie daarvoor de artikelen en boeken van Bogaers en Van Es, maar ook Het Bronnenboek van Nijmegen dat de geschiedenis van Nijmegen pas in 50 n.Chr. laat beginnen. Kijk ook in het hoofdstuk over Romeins Nijmegen.

    Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.