Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Prof. Dr. F.W.N. Hugenholtz.

"Ik kan van de theorieŽn van Delahaye niet bewijzen dat hij ongelijk heeft."

"Als zou worden aangetoond dat Delahaye op ťťn onderdeel gelijk heeft, dan wordt zijn hele theorie veel waarschijnlijker."

Deze twee uitspraken van Hugenholtz geven dus feilloos aan dat Delahaye gelijk heeft. Immers Hugenholtz kan geen enkel argument bedenken dat Delahaye ongelijk heeft, wat meteen het ene onderdeel is dat Delahaye gelijk heeft.
Dat Delahaye op slechts ťťn onderdeel gelijk zou hebben, geeft Hugenholtz overigens zelf toe in een interview met Charles Groenhuisen, dat in een bepaald geval met Noviomagus inderdaad Noyon bedoeld wordt. Dat staat dus haaks op zijn eerdere en hardnekkige bewering dat er geen twijfel bestond tussen Nijmegen en Noyon.
Maar Delahaye heeft niet op slechts ťťn onderdeel gelijk, maar op vele honderden.



"Zijn werk lijkt wetenschappelijk nergens op", was een andere uitspraak van Hugenholtz. Inderdaad lijkt het werk van Delahaye nergens anders op. Het is uniek en bestaat nu eens niet uit oeverloze naschrijverijj, maar is rechtstreeks gebaseerd op eigen bronnenonderzoek. Als het dan wetenschappelijk nergens op zou lijken, is het vreemd dat Hugenholtz nooit in staat is gebleken dat eenvoudig aan te tonen.

"Delahaye doet het voorkomen alsof de historici tegen hem samenzweren. Ik spreek met collega's nooit over Delahaye. Er is dus geen sprake van een conspiratie! Zijn werk wordt terecht verwaarloosd."


Hugenholtz tijdens het debat in 1980:
"Als Delahaye gelijk heeft,
is mijn hele boek fout!"

Dat was dus de ware reden van zijn verweer tegen de opvattingen van Delahaye.

In dat debat kwam Hugenholtz plots met het denigrerend bedoelde opmerking over 'het niveau van Delahaye'. De werkelijkheid was dat het niveau van Delahaye voor hem te hoog was en door hem niet meer te volgen was. Het was een uitvlucht aangezien hij niets tegen de opvattingen en visie van Delahaye kon inbrengen. Het niveau van Delahaye liet niet te wensen over, maar juist dat van Hugenholtz als professor mediaevistiek. Zie ook 'Holle Boomstammen' p.212 e.v.
Zijn volgende uitvlucht was dan ook: "Ik kan mijn tijd beter doorbrengen met creatief historisch onderzoek dan mij te vermoeien met de theoriŽn van de heer Delahaye".

Deze professor stelde eens dat je "met de geschiedenis geen proefjes kunt doen". Blijkbaar wel creatief onderzoek!

Hugenholtz heeft altijd felle kritiek geuit op de publicaties van Albert Delahaye, maar zelf nooit enig artikel of boek gepubliceerd over deze materie. Zijn "bewijsvoering" blijft dus onbekend en kan dus ook nooit weerlegd worden.

In de Nieuwe Rotterdamse Courant (NRC.) van 14 juni 1958 noemt Hugenholtz de opvatting van Delahaye "dwaalwegen" en "gevaarlijke onzin" en raad hij Delahaye aan "zijn onmiskenbare intelligentie niet meer zo ernstig te misbruiken".
Albert Delahaye diende hem van repliek en adviseerde Hugenholtz "zijn onmiskenbare intelligentie eens te gaan gebruiken".

Het mag frappant genoemd worden dat Hugenholtz, de grootste bewaker en kampioen van Karolingisch Nijmegen, als co-auteur van Het Bronnenboek van Nijmegen ontbreekt. Hier had Hugenholtz een flammend protest moeten laten horen tegen deze aanfluiting van historisch onderzoek. Tenminste als hij een beetje historicus van niveau zou zijn, wat hij volgens eigen opvatting zeker was. Had Hugenholtz het niet steeds over het "niveau"?
Neen, de werkelijk reden van het ontbreken van Hugenholtz in Het Bronnenboek is dat hij ervan overtuigd geraakt is dat Delahaye gewoon gelijk had. Daar durfde hij zijn vingers niet meer aan te branden.

Over het "niveau" gesproken.
In een artikel over "De Middeleeuwen zijn aan ons overgeleverd" heeft Hugenholtz het over "leuk om daar even mee te spelen". Welk wetenschappelijk niveau spreekt uit zo'n woordgebruik? Je vraagt je dan ook verwonderd af, waarop hij zijn argumenten baseerde om Delahaye verwijten te maken omtrent het wetenschappelijk "niveau". Dat kon hij toch helemaal niet weten. Hij kende al die bronnen niet eens.

Hugenholtz kan wat kennis van het eerste millennium betreft, niet eens in de schaduw staan van Delahaye. Wat heeft Hugenholtz ooit op wetenschappelijk niveau gepresteerd of gepubliceerd? Hij wist gewoon niets van deze materie en baseerde zijn uitspraken op wat hij van anderen hoorde. Dat mag al blijken uit zijn uitspraken als "gevaarlijke onzin" en "we hebben een traditie sinds de Romeinen in handen". Wat er dan precies gevaarlijk was aan zijn opvattingen heeft Delahaye nooit vernomen. Het gevaar zal wel geschuild hebben in de ontmaskering van Hugenholtz c.s. als ondeskundige fabelogen.
En over "een traditie sinds de Romeinen" wist Hugenholtz blijkbaar ook niets af, laat staan over het ontstaan van de traditie die hij zo verheerlijkte. De hoofdmoot daarvan is pas in de 19e en 20e eeuw ontstaan, met name na 1950.
Lees bijvoorbeeld eens wat de historici rond 1900 daarover nog schreven. Daarvan is gewoon niets meer overeind gebleven. Hoezo traditie sinds de Romeinen? Welke traditie dan?

Met deze LINK verwijzen we naar enkele "wetenschappelijke uitspraken" van Hugenholtz.

Frederik Willem Nicolaas Hugenholtz, Frits (1922-1999) is de man die denigrerend sprak over het "niveau" van Delahaye, dat hij te laag vond om met hem in discussie te gaan. De "universitaire" arrogantie ten top. Hugenholtz noemde zichzelf "vakhistoricus", terwijl hij ooit toegaf, alsof het een verdienste betrof, nooit enig onderzoek naar Karolingisch Nijmegen gedaan te hebben. Dat was een zekerheid en die stond voor hem immers niet ter discussie. "Naar een zekerheid doe je toch geen onderzoek?" Ooit was het ook een "zekerheid' dat de aarde plat was. We weten nu wel beter. Ook naar een in het verleden vastgestelde zekerheid dien je onderzoek te doen. Aan elke opvatting blijven twijfelen, is de juiste wetenschappelijke houding.
Had hij dat onderzoek nu maar eens wel gedaan, dan had hij, net als Delahaye, al na een halve dag ontdekt dat de tradities van Nijmegen vals zijn.
Nu moest hij zijn reputatie redden door alles dan maar glashard te blijven ontkennen. Ook dat is niet de juiste houding van een wetenschapper: zonder eigen onderzoek alles maar voetstoots aannemen.

Ook anderen maakten regelmatig opmerkingen over de arrogante houding van Hugenholtz. Cordfunke vermeldt het in zijn boek "Het verleden op de Schop". Cordfunke noemt Hugenholtz' spottende humor die hij in discussies kon aanbrengen wat door hem als een relativerend element gezien moest worden. Zijn ongenoegen verborg hij meestal onder een bagatelliserende spot; ironie gebruikte hij als een vorm van afweer en zelfbescherming, schrijft Cordfunke. Die spottende en bagatelliserende spot heeft ook Albert Delahaye meegemaakt, al zag deze er de humor niet van in. Vanuit Hugenholtz gezien was die houding begrijpelijk: hij moest zijn reputatie redden. Had ik mijn blik maar wat verder over het bronnenmateriaal laten gaan en meer andere bronnen gebruikt dan literaire en historische teksten (...) dan zou mijn opvatting (...) wat anders hebben geluid, sprak Hugenholtz in 1959 al ware woorden. Hieruit is ook weer op te maken dat hij veel van het bronnenmateriaal niet eens kende. Dat heeft ook Albert Delahaye ervaren. Het bronnenmateriaal dat hij op tafel legde, kende Hugenholtz niet eens en ontkende er het bestaat van. Een opvatting die door andere historici zoals Stolte, Poste en Blok meteen werd overgenomen. Hugenholtz kenmerkt zichzelf overigens als 'vagebond in historicis' ofwel iemand die zich niet aan algemeen geldende regels op historisch gebied houdt. Dat blijkt ook wel uit (en ik citeer Cordfunke weer): "Hugenholtz' wetenschappelijke loopbaan was meer op presentatie dan op onderzoek gericht. Zijn wetenschappelijke productie schoot er daardoor bij in, wat hij voor lief nam. Studenten moesten het vooral leuk vinden".
Hugenholtz had in de laatste jaren van zijn leven nog het plan opgevat om van de rijmkroniek van Melis Stoke in een moderne uitgave te maken. Hij heeft dat helaas niet kunnen waarmaken. Jammer, immers dan had hij wellicht gemerkt dat Melis Stoke eind 13e eeuw veel van de opvattingen van Delahaye al noemde en hij de visie van Delahaye al bevestigde.

"Als zou worden aangetoond dat Delahaye op ťťn onderdeel gelijk heeft, dan wordt zijn hele theorie veel waarschijnlijker." aldus een uitspraak van Hugenholtz. En laat nu Hugenholtz zelf dat ene bewijs (en er zijn er natuurlijk meer) aanvoeren, als hij in een interview met Charles Groenhuijsen in de Volkskrant van 6 oktober 1979, zegt: "Er waren meerdere plaatsen die Noviomagus werden genoemd. In een bepaalde tekst kan met die naam dus wel Noyon aangeduid zijn". Eindelijk is het hoge woord eruit en wordt door Hugenholtz toegegeven dat er wel degelijk een verwarring tussen Nijmegen en Noyon kan bestaan, kan hebben bestaan en heeft bestaan. En juist die verwarring is altijd glashard ontkend. Het onderdeel waarop de theorie van Delahaye is gebaseerd, namelijk de verwarring die ontstaan is in de interpretatie van klassieke teksten, wordt hier eindelijk en volmondig toegegeven.
In bovengenoemd gesprek geeft Hugenholtz doorzichtig aan 'dat hij het uit 1965 daterende boek van Delahaye niet grondig heeft bestudeerd'. Hij zou zich dan niet moeten lenen voor een dergelijk gesprek en dan beweren dat het boek van Delahaye 'terecht wordt verwaarloosd'.
Het is wel duidelijk dat dit een weinig wetenschappelijke opstelling is. Het wordt ook steeds duidelijker dat Delahaye een bedreiging voor de gevestigde historische orde was.

Was het niet Hugenholtz zelf, die ooit schreef dat "kennis vergaard uit andere bronnen aboluut noodzakelijk is bij het interpreteren.". Maar wat doet Hugenholtz? Hij vergaart niet eens kennis uit andere bronnen, maar houdt vast aan de eenzijdig ontstane traditie, ook al wordt deze door een andere bron, de archeologie, glashard tegengesproken. Van het paleis van Karel de Grote is in Nijmegen nooit iets gevonden, zelfs geen steen, zelfs geen scherf!

Na deze erkenning had alle weerstand van tafel gemoeten en had men moeten beginnen aan een grondig onderzoek naar waarheid en mythe van de vaderlandse geschiedenis. Dat is helaas achterwege gebleven, omdat de "vakhistorici" zich heel goed realiseerden welke enorme gevolgen dat zou hebben gehad. Want dat het tot stand komen van een 'traditionele' geschiedenis misbruikt is ten bate van politieke doeleinden, is ook bij Hugenholtz bekend. Hij schrijft er immers zelf over. Hem moet de Batavenmythe dus bekend zijn. Een mythe die ontstond in de tijd dat de Nederlanden in oorlog waren met Spanje en er nodig een Hollandse identiteit moest komen. In de 16e eeuw publiceert de Hollandse kanunnik Cornelius Aurelius de Divisiekroniek waarmee hij de "Batavenlegende" creŽert, die de Hollanders een mythische gemeenschappelijke afkomst van de Batavieren uit de Romeinse tijd verschaft.
Het moet bij Hugenholtz ook bekend zijn geweest, dat er juist door de kerk heel wat afgerommeld is met de historische werkelijkheid. Hij noemt het zelf een a-historische ontwikkeling met ver strekkende gevolgen. Te denken valt aan de heiligenkalenders waar terwille van de inkomsten heiligen werden "geÔmporteerd" als zijnde 'eigen' volksheiligen, maar ook zelfs niet bestaande 'heiligen' werden gecreŽerd. Te denken valt ook aan het onstaan van historische mythen, geschreven door kanunniken, dominees en pastoors. Die kenden dan wellicht een beetje 'potjeslatijn', maar hadden beslist geen verstand van historie, laat staan van historische geografie. Voor de geschiedenis van Nijmegen kunnen we denken aan kanunnik Willem van Berchen en de dominees vader en zoon Smetius tot en met de pauselijke kamerheer prof.dr. R.R.Post.

"We hebben een traditie sinds de Romeinen in handen", was steeds de stellige overtuiging van prof. dr.F.W.N. Hugenholtz. Als hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis aan de historische faculteit van de Universiteit van Amsterdam en Utrecht, was Hugenholtz steeds een van de felste tegenstanders van Albert Delahaye. Begrijpelijk: zijn deskundigheid als hoogleraar stond op het spel.
De opvatting van Hugenholtz dat we in Nederland een traditie sinds de Romeinen in handen hebben, gaat uit van de veronderstelling dat:
1. er een continuÔteit in bewoningsgeschiedenis zou hebben bestaan sinds de Romeinse tijd;
2. de veronderstelde geschiedenis sinds de jaren van het ontstaan op Nederland werd toegepast.
Beide veronderstellingen zijn onjuist. De opvattingen van Hugenholtz blijken nergens op gebaseerd te zijn. Hij beroept zich op de traditie met de traditie. In Nederland heeft vanaf de Romeinse tijd geen continuÔteit in bewoning bestaan en de veronderstelde geschiedenis is pas vele eeuwen na het ontstaan (soms pas na 14 eeuwen) voor het eerst op Nederland toegepast. Zie hierna.


"Het kan toch niet zo zijn dat alle historici het fout hebben en dat alleen Delahaye de waarheid heeft?" opperde Hugenholtz in het interview met Charles Groenhuijsen in de Volkskrant van 6 oktober 1979.
Het leek Hugenholtz onmogelijk dat alle historici het collectief fout zouden hebben en dat de visie van Delahaye juist zou zijn.
Ook deze stelling gaat weer voorbij aan het feit dat er geen sprake is van een collectieve fout, hoogstens van collectieve naschrijverij. Bovendien is er al veel eerder en veel vaker getwijfeld aan de juistheid van de traditionele geschiedenis. Over de klassieke teksten van Julius Caesar bijv. over het Eiland der Bataven" is altijd verschil van mening geweest. Zelfs Leupen in "Het Bronnenboek" en Blok in "De Franken in Nederland" spreken regelmatig over enkele tradities hun twijfel uit. Historie bestond lange tijd, en bij sommigen nog steeds, uit klakkeloze naschrijverij van wat enkele fabelschrijvers vanaf de 15e eeuw beweerden. Persoonlijke opvattingen en beweringen werden als absolute waarheid aanvaard en iedereen die ze later tegensprak werd als charletan gekwalificeerd.
Veel historici, waaronder Hugenholtz zelf, hebben blijkbaar nooit enig onderzoek gedaan naar waarheid en mythe van de traditie. Bij het ontstaan van die traditie is belangrijk vast te stellen wie welke bewering het eerst heeft gedaan en op grond van welke argumenten.
Hugenholtz heeft zelf ook nooit iets gepubliceerd over de argumenten van het gelijk van de traditie. Hij wist wel beter, want had hij dit gedaan, dan zou zijn werk zeker op dezelfde wijze als het Bronnenboek, waaraan hij wijzelijk zijn medewerking had geweigerd, door Delahaye zijn weerlegd.

In alle jaren van verschil van mening is het Hugenholtz niet gelukt de visie van Delahaye met wetenschappelijke argumenten te weerleggen. En dit terwijl er steeds geroepen werd, dat er van de studie van Delahaye niets deugde. Waarom zijn dan de argumenten om de visie van Delahaye te weerleggen niet meteen op tafel gelegd?
Zelfs in 1980, toen er liefst 4 professoren het debat met Delahaye aangingen, is dit niet gebeurd.
Hugenholtz is, als we het zo mogen noemen voor een professor, het schoolvoorbeeld van een traditionalist, ofwel iemand die kost wat kost vasthoudt aan de traditie en nooit enig onderzoek heeft gedaan naar het ontstaan van die traditie en de toepassing ervan op Nederland. Hij volgde steeds de opvattingen van enkele middeleeuwse fantasieschrijvers in plaats van de argumenten te bestuderen die het tegendeel beweren. Zijn herhaaldelijke uitspraken (zie ook onderstaande -letterlijke- citaten) zijn tekenend om te ontdekken wat hij onder wetenschap verstond.

De visie van Hugenholtz (Volkskrant, 6 oktober 1979).
"We hebben een traditie vanaf de Romeinen in handen".
Deze opmerking van Hugenholtz gaat uit van de onjuiste veronderstellingen dat de geschiedenis bestaat sinds de tijd dat deze zich heeft voorgedaan en dat er een continuÔteit bestaat in de geschiedenis vanaf de Romeinse tijd.
De continuÔteit in de geschiedenis van ons land is er nooit geweest, zelfs in Nijmegen niet. Dat erkennen behalve veel historici (zie de Citaten over de bewoningsgeschiedenis van Nederland) ook het Bronnenboek van Nijmegen, dat (onbedoeld?) aantoont dat er een gat van 5 eeuwen zit in de bewoningscontinuÔteit van Nijmegen tussen de 3e en 8e eeuw.
Andere studies maken "het gat van Nijmegen" zelfs nog groter en wel van de 2e tot de 11e eeuw, ofwel 9 eeuwen.

Belangrijk bij het vaststellen van de traditie is wanneer voor het eerst hierover geschreven werd.
  • Het staat vast dat de eerste vermelding van St.Willibrord in Nederland pas in de 12e eeuw voorkomt. De vermelding als bisschop van Utrecht is pas voor het eerst in de 13e eeuw gedaan. De vermeende landingsplaats van St.Willibrord te Katwijk is pas voor het eerst in de 17e eeuw gesteld. Tot die tijd gold het Noord-Franse Gravelines als aankomstplaats: voor de abdij van Echternach en voor Franse en Duitse historici is dat nu nog steeds de aankomstplaats. Een enkeling houdt het op Grevelingen in Zeeland, een typisch voorbeeld van "deplacements historiques". Ze erkennen daarmee dat ook zij Katwijk niet accepteren, maar tevens onbewust dat het wel Gravelines moet zijn geweest. Immers de 'Vlaamse' naam voor Gravelines is Grevelingen. Dat het zeeuwse Grevelingen in de 7e eeuw, toen de transgressies op een hoogtepunt waren, niet bestond is een zekerheid. De naam Grevelingen is ook een van vele importnamen waarmee Zeeland vol ligt.
  • Halverwege de 19e eeuw werd voor het eerst vermeld dat Wijk bij Duurstede het Karolingisch Dorestadum zou zijn geweest.
  • Dat Dokkum de plaats zou zijn waar Bonifatius zou zijn vermoord werd ook pas in de 15e eeuw voor het eerste beweerd.
  • Nijmegen kreeg pas in de 12e eeuw door een erg vrije, maar niet minder foutieve latinisatie, de naam "Noviomagus" opgeplakt. De traditie van Karolingisch Nijmegen blijkt te bestaan sinds het eind van de 15e eeuw, toen Willem van Berchen rond 1480 als eerste Nijmegen het Noviomagus van Karel de Grote noemde, met als bronverwijzing een mededeling van Gregorius van Tours, die echter 2 eeuwen eerder leefde en dus Karel de Grote nooit gekend heeft.
  • Dat Nijmegen het Oppidum Batavorum van de Bataven is geweest, werd voor het eerst beweerd in 1645 door Johannes Smetius (dat is ruim 14 eeuwen na de feiten).
  • De toepassing van de Peutingerkaart op Nederland is zelfs nog later ontstaan, namelijk pas in 1887-1888 en dat is ruim 15 eeuwen na de feiten.
  • De traditie dat Nijmegen het Ulpia Noviomagus van keizer Trajanus zou zijn geweest, is zelfs pas in 1959 door een onbewezen bewering van prof.dr.J.E. Bogaers ontstaan. Dat is ruim 18 eeuwen na de feiten.
  • Van een in de Rijn bij Xanten (?) gevonden portretkop heeft men klakkeloos beweerd dat het Trajanus voorstelt. Maar zowel vindplaats als voorstelling is zeer omstreden (zie noot).
  • De toepassing van het Germania van Tacitus op Duitsland is ook pas in de 15e eeuw gebeurd. Hoezo traditie sinds de Romeinen.

    Van een traditie vanaf de Romeinen is dus totaal geen sprake in de Nederlandse of Duitse geschiedenis. Archeologisch wordt dit overal in Nederland bevestigd. Nijmegen bijv. mist ruim 8 (acht) eeuwen geschiedenis. Van enige continuÔteit in de geschiedenis is in Nederland totaal geen sprake, wat door alle historici wordt erkend, zelfs door dr.D.P. Blok in de Franken in Nederland en door dr.P.Leupen in het Bronnenboek van Nijmegen. Zie daarvoor bij Citaten.

    "Die man is wel intelligent, maar ook een fantast", aldus Hugenholtz.
    Een compliment naast een sneer, iets dat vaker gehanteerd werd door historici van professie: iemand met een compliment het graf inprijzen.

    "De theoriŽn van Delahaye zijn allemaal erg gewrongen. Van een aantal zaken die hij naar voren brengt kan ik niet bewijzen dat hij ongelijk heeft, maar het is allemaal wel volmaakt onwaarschijnlijk".
    Ondanks dat Hugenholtz niet kan aantonen dat Delahaye ongelijk heeft, heeft hij dus wel ongelijk. Dat noemt Hugenholtz dus wetenschap. Maar als Hugenholtz niet kan bewijzen dat Delahaye ongelijk heeft, hoe denkt hij dan te kunnen bewijzen dat de traditie wel gelijk heeft? Bovendien heeft Hugenholtz niet begrepen dat juist die samenhang het sterkste punt in de visie van Delahaye is, juist omdat de mythe in samenhang tot stand is gekomen. Noviomagus, de Batua, de Noormannen, het Almere, de Renus, Dorestad, Trajectum enz. hebben ontegenzeggelijk met elkaar te maken. Verdwijnt er ťťn uit Nederland, dan volgt de rest vanzelf, juist vanwege die onderlinge samenhang. Een samenhang die ook Hugenholtz belangrijk scheen te vinden getuige zijn opmerking "Alles wat is overgeleverd blijkt van steeds grotere betekenis te zijn geworden, mits in samenhang bekeken. Door nieuwe vragen, nieuwe interpretaties, samenwerking tussen disciplines ontstaat beetje bij beetje een nieuw beeld van de middeleeuwen". En laat nu net Hugenholtz in de praktijk niet doen, wat hij in theorie zo prima verwoord. Is dat dan het 'niveau' dat hij bedoelde?

    "Met collega's heb ik eigenlijk nooit over het werk van Delahaye gesproken".
    De visie van Delahaye wordt bij voorbaat al verworpen en verzwegen. Verder merkt Hugenholtz op: "Collega's kennen het wel en weten dat het bestaat, maar gaan af op degene die het in vakbladen bespreken". En in vakbladen wordt het natuurlijk niet besproken door wetenschappers, maar door traditionalisten: zij die vasthouden aan het geschrijf uit de 15e tot 17e eeuw. Historische wetenschappers bespreken blijkbaar slechts zaken die niet in tegenspraak zijn met wat zijzelf als vaststaand hebben vastgesteld. Wat daarvan afwijkt wordt dus meteen als onwaar betiteld. Het wordt dan wel eens tijd dat de wetenschappers eens kennis nemen van elkaars opvatting. Zie de hele lijst opmerkingen bij Citaten.
    (Gelukkig voor ons dat de medische wetenschap niet meer handelt naar de denkbeelden van de 15e en 17e eeuw)

    "Het zou best eens allemaal onderzocht kunnen worden."
    Eindelijk een verstandige opmerking van Hugenholtz, echter tot heden (2016) is dat nog steeds niet gebeurd.

    "Wat Delahaye van het gemis aan verering van St.Willibrord zegt, is wel interessant. Als het waar is tenminste en dat kan ik zo niet nagaan".
    Hoe deskundig ben je dan als professor, als je ter plekke met wat parate kennis niet enige historische feiten kunt verfiŽren? Hij kan het zo niet nagaan! Duik dan in de bibliotheek van de Universiteit en zoek het eens op. Hoewel, daar vind je de boeken van Delahaye niet. Dat was immers "verboden" literatuur.

    "Archeologisch is de aanwezigheid van Willibrord in Utrecht niet te bewijzen." Aldus Hugenholtz.
    Kan het nog duidelijker? In Utrecht is geen enkel spoor van bewoning uit de tijd van St.Willibrord gevonden. Wie of wat er dan te bekeren viel, heeft men zich blijkbaar nooit afgevraagd in wetenschappelijke kring.

    "In de geschiedenis hebben we geen bewijzen in de trant van twee-maal-twee-is-vier. Je hebt dus altijd een marge." Dus toch onzekerheid in die sterke traditie? Zijn dit de eerste barsten in het traditionele bastion van zekerheden?
    Maar die bewijzen zijn er wel, zelfs oogetuige verslagen. Blijkbaar heeft Hugenholtz nooit "Vraagstukken in de historische geografie" gelezen, want daarin worden zo'n 1900 teksten genoemd die het tegendeel van zijn stelling aantonen.

    "Er zijn in Dokkum geen heel concrete dingen van Bonifatius teruggevonden."
    "Over de hele periode tussen de zevende en negende eeuw is er vreselijk weinig aan geschriften over. Er zitten grote gaten in de kennis. Dat zal geen mediaevist ontkennen."
    Ook hier spreekt Hugenholtz zijn eigen gelijk tegen en bevestigt hij het gelijk van Delahaye. Maar dat zal hij niet in de gaten gehad hebben, anders had hij het beslist anders verwoord.
    Dat er inderdaad grote gaten in de kennis zitten, vooral bij mediaevisten, zal inderdaad niemand kunnen ontkennen. En dan moet je als goed wetenschapper vooral proberen die kennis zoveel mogelijk te beperken door vooral alle teksten die Delahaye over deze periode verzameld heeft, niet te lezen. Teksten afkomstig uit Franse kronieken, waarmee al meteen duidelijk is, waar deze geplaatst moeten worden. Dit verstaat Hugenholtz blijkbaar onder wetenschap: teksten die in tegenspraak zijn met de traditie vooral verzwijgen. En er zijn genoeg teksten, meer dat "de wetenschap in Nederland" ooit heeft gezien. Echter deze teksten zijn in Nederland onbekend, omdat het ook geen Nederlandse teksten zijn, maar Franse! In "Vraagstukken..." alleen al, staan er ruim 1900! Maar ja, als je die boeken verbiedt in de universiteitsbibliotheek kom je het ook nooit te weten.

    "Ook hier (Dorestad zou Wijk bij Duurstede zijn) kun je het weer niet bewijzen. Maar er is zoveel indirect bewijs."
    Er is in Wijk bij Duurstede niets gevonden uit de periode van Dorstad (zie opgravingsverslag van W.van Es), maar zegt Hugenholtz, "de dingen die je er zou kunnen vinden, zijn er juist door de Noormannen geplunderd".
    Kun je een infantieler argument voorstellen van een professor? De Noormannen hebben zeker bij hun plunderingen alles netjes opgeruimd en meegenomen.

    Eenzelfde redenering volgt Hugenholtz wanneer hij de bewering weerspreekt dat er in Nijmegen nooit een residentie van Karel de Grote heeft gestaan. Delahaye betoogt dat het oude Noviomagus niet Nijmegen maar het Noordfranse Noyon is. In Nijmegen betoogt Delahaye, is nooit iets teruggevonden wat de aanwezigheid van de keizer bewijst. Hugenholtz: "Er is ruimte voor die theorie. Er waren meerdere plaatsen die Noviomagus werden genoemd. In een bepaalde tekst kan met die naam dus wel Noyon aangeduid zijn. Je kunt dus kiezen." Eindelijk wordt dus toegegeven dat er wel degelijk verwarring bestaat tussen Noviomagus is Noyon of Noviomagus is Nijmegen, iets dat altijd ontkend werd en steeds als argument tegen de opvattingen van Delahaye werd gebruikt.

    "En als Delahaye spreekt over de residentie van Karel de Grote, dan moet hij wel bedenken dat vorsten in die tijd steeds rondreisden. En dat verblijf zal niet meer geweest zijn dan een grote houten boerderij. Daar hoef je dus niets van terug te vinden".
    Nog zo'n infantiele opmerking van Hugenholtz die in flagrante tegenspraak is met de schriftelijke bronnen die spreken van een "in pracht en praal opgetrokken paleis", wat in die tijd betekende een paleis in steen, vergelijkbaar met het Karolingisch verblijf in Aken! Hugenholtz maakt met zijn "houten boerderijtje" van Karel de Grote gewoon een Gelderse boer. En Karel was toch wel iets meer dan dat.

    Uit alle gegevens te zamen over Nijmegen, de Engelse missionarissen en Dorestad trekt Delahaye de conclusie dat de historici zich al eeuwenlang vergissen. Al die beweringen tezamen maken het voor Hugenholtz juist ongeloofwaardiger. "Toen Delahaye eenmaal had bedacht dat Nijmegen Noviomagus niet was, is hij consequent gaan doorredeneren. Allerlei teksten heeft hij naar het zuiden verplaatst. Wat hij nu over Trajectum en Dorestad naar voren brengt vind ik zo onwaarschijnlijk dat hij bijna zijn eigen ongelijk bewijst."

    Is dat niet wat een wetenschapper behoort te doen, teksten vergelijken en consequent doorredeneren? En zeker de teksten die in tegenspraak met elkaar lijken? Dat de hele visie ongeloofwaardig is moet een wetenschapper er niet van weerhouden juist onderzoek te doen. Hoe ongeloofwaardiger des te meer dringt de noodzaak tot onderzoek! Het meest ongeloofwaardige uit de Romeinse tijd, dat de Romeinen tot in Noord-Duitsland verschillende volkeren hebben bestreden zonder er ook maar ťťn spoortje achter te laten, heeft men misschien om diezelfde reden ook nooit onderzocht. Het is te ongeloofwaardig voor woorden.

    Blijkbaar heeft Hugenholtz van de hele mystificatie weinig begrepen. Hij zal niet voldoende niveau hebben gehad. Natuurlijk is er een samenhang tussen alle verschillende mythen. De ene mythe heeft bij het ontstaan de andere mythe veroorzaakt, wat weer tot gevolg had dat er nog meer mythen ontstonden. Noviomagus, Trajectum, Dorestad, de Batua, de Renus en het Almere worden in teksten over de invallen van de Noormannen als een samenhangend geheel genoemd, in een beperkt gebied. Valt het doek voor Nijmegen, dan volgen automatisch de Betuwe, Wijk bij Duurstede, de Rijn, de Zuiderzee enz. als vermeende locaties in Nederland.
    Als Hugenholtz dit probleem niet doorziet, mag hij zich dan nog een deskundig wetenschapper van niveau noemen, een professoraat waardig?

    "Wanneer je deze periode van de geschiedenis bestudeert kun je zelden iets bewijzen. We kunnen wel sluitend maken dat in 1600 de Slag bij Nieuwpoort plaats had. Maar met de achtste en negende eeuw bestuderen we zaken die er niet meer zijn. Dan is er nooit een mathematisch bewijs mogelijk. Je kunt er geen proefjes meer mee doen. We kunnen alleen met de bronnen die we hebben de zaak zo goed mogelijk in elkaar passen. Dan mag geen enkele bron er strijdig mee zijn. In dat geval moet je opnieuw beginnen. Het is bij ons een goede gewoonte om met goede tegenbewijzen te komen, maar die zijn er eigenlijk niet."

    En hier spreekt Hugenholtz zichzelf en de traditie dus faliekant tegen. Allereerst is er wel degelijk mathematisch bewijs mogelijk, echter in Nederland wordt dat niet gevonden. Bewijs 1 dat Delahaye gelijk heeft. Met de bronnen die we hebben de zaak zo goed mogelijk in elkaar passen heeft juist het ontstaan van de foutieve traditie veroorzaakt, Bewijs 2 ten gunste van Delahaye. En dan komt het: dan mag er geen enkele bron strijdig mee zijn. En dat is precies wat er wel aan de hand is: er zijn vele bronnen strijdig met de traditie. Bewijs 3 voor Delahaye. In dat geval moet je opnieuw beginnen. Hier spreekt Hugenholtz volkomen waarheid uit, echter dat is in Nederland NOOIT gebeurd. Men heeft de traditie kost wat kost overeind willen houden. Er is geen enkel nieuw onderzoek gedaan om de bronnen opnieuw en onbevooroordeeld te lezen. Bewijs 4 voor het gelijk van Delahaye. De gewoonte om met goed tegenbewijzen te komen is het 5e bewijs van het gelijk van Delahaye, want dat is nooit gebeurd. Veel bronnen die Delahaye aanvoert zijn nooit weersproken. Daarop heeft men nooit gefundeerde kritiek geleverd. De hele zaak werd in zijn geheel en als eenheid belachelijk gemaakt. En dat terwijl dezelfde historici die de visie van Delahaye belachelijk maakten, hem in eigen werk soms gewoon gelijk (moesten) geven. Zie de vele Citaten die dit bevestigen.

    "The dark ages".
    De wetenschap verstaat blijkbaar onder 'the dark ages' dat er niet over zaken gesproken mag worden die het daglicht niet kunnen verdragen. Is geschiedenis niet inherent aan "bestuderen wat er niet meer is"? Maar ook dit is een onwaarheid, die voor Nederland wel opgaat. Want wat men in Nederland juist wil aantonen dat er niet meer is, is er ook werkelijk niet meer. Waarmee aangetoond is dat wat er over beschreven staat, geen betrekking op Nederland heeft, maar op Noord-Frankrijk. En dat is de kern van het hele "mysterie van de Keizer Karelstad" en de andere mythen uit het eerste millennium.

    "Delahaye zegt dat hij tenminste het recht heeft om serieus genomen te worden. Maar als hij nu niet serieus is? Je kunt dat wel willen, maar het is dan een onredelijke eis. Ik ben overigens, zoals Delahaye suggereert, helemaal niet bang voor een confrontatie met hem. De theorie van Delahaye brengt mij niet aan het twijfelen", zegt Hugenholtz fier. "Ik heb een historische traditie in handen vanaf de Romeinen. Die historische traditie geldt voor mij totdat er een serieus bewijs komt, dat er in de dertiende eeuw plotseling een andere opvatting over de geschiedenis is gekomen. Dat is voor mij onwaarschijnlijk dat de historische traditie aangetast wordt. Ik moet er alleen een beetje om lachen. Een speciaal onderzoek is uit wetenschappelijk oogpunt onnodig. Ik zou het overigens wel leuk vinden als het waar was. Het is ook niet zo dat ik me dan in mijn hemd gezet zou voelen. Je zou je ook volstrekt onwetenschappelijk opstellen wanneer je niet in staat zou zijn om oude theorieŽn omver te kegelen. Daar zijn we juist voor".
    Ook hier ziet Hugenholtz het niet juist. In de dertiende eeuw is geen andere opvatting gekomen, maar de eerste Nederlandse opvatting. In een leeg -HOL-land, waar voorheen geen bewoning was en er dus geen traditie bestond, vond die eerste traditie dus gemakkelijk ingang. Deze was namelijk niet in tegenspraak met welke opvattingen dan ook, want opvattingen waren er nog niet. De eerste bewoners hebben de eerste traditie aanvaard, sterker: zelf meegenomen vanuit hun vaderland. En er waren al enkele details in hun overlevering bekend die al enkele generaties een stuk van hun tradities en cultuur bepaalden. Dat is juist het kenmerk van de "deplacements historiques". Maar ook hier zal Hugenholtz als wetenschapper wel nooit van gehoord hebben, van "deplacement historiques". Ook de invallen van de Noormannen hebben bij Hugenholtz blijkbaar niet zo'n impact gehad, als bij de bewoners van toen. De vluchtelingen voor de Noormannen hebben zich elders gevestigd en behalve hun tradities en gebruiken vooral hun plaatsnamen meegenomen. Plaats hiernaast de deportatiepolitiek van Karel de Grote en het na de transgressies in bezit nemen van nieuwe vrijkomende gronden en de oorzaken van de "deplacements historiques" en de erop volgende verwarring zijn bekend.

    "Je vindt de bronnen niet om het tegendeel te bewijzen. Er zijn geen ooggetuigenverslagen die het waterdicht kunnen maken."
    Ook hier zet Hugenholtz zich weer te kijk als wetenschapper. Teksten met ooggetuigenverslagen bestaan wel degelijk. Ze zijn echter niet te vinden in Nederland, maar wel in Franse kronieken, waarmee al meteen duidelijk is waar deze thuis horen. Als er bij de plunderingen van de Noormannen in de kroniek van St.Bertins te St.Omaars gesproken wordt over veel slachtoffers "onder de de onzen", spreekt hieruit het verslag van een tijdgenoot: een ooggetuige verslag. Deze teksten zijn bij Hugenholtz blijkbaar niet bekend. Mag hij zich dan een deskundig mediaevist noemen?

    "Datzelfde geldt voor de theorieŽn van Delahaye. Je kunt vaak niet bewijzen dat hij ongelijk heeft. De middeleeuwse bronnen laten ruimte voor allerlei bedenksels".
    Als je deze denkwijze van Hugenholtz doortrekt, zou de traditionele geschiedenis ook een bedenksel kunnen zijn. Maar die tegenbewijzen zijn er wel degelijk. Dat er geen teksten tussen de 8e en 9e eeuw zouden bestaan is onjuist. Kent Hugenholtz bijvoorbeeld de hele serie teksten over Karel de Grote, de Noormanen en de Engelse missionarissen dan eigenlijk wel? Kan hij zich dan nog een deskundig wetenschapper noemen? En weet hij dan niet dat al deze teksten in FRANSE KRONIEKEN staan? En dat de hierin beschreven geschiedenis door Delahaye niet naar het zuiden verplaatst werd, maar door eerdere historici juist naar het noorden? Alle betreffende teksten staan in de boeken van Albert Delahaye, maar ja als je die niet leest, zelf verbiedt voor je studenten, blijf je onwetend ervan. Op onwetendheid mag een wetenschapper zich niet beroepen en zeker niet opvoeren als bewijs tegen Delahaye!
    De strijdigheid van teksten en interpretatie die Hugenholtz hier noemt wordt bewezen met 'Het Bronnenboek van Nijmegen'. In dat geval moet je opnieuw beginnen concludeert Hugenholtz terecht. En dat is nu precies wat Albert Delahaye heeft gedaan, opnieuw beginnen. Maar dan niet in het jaar 1200, maar met de Romeinen, want met de teksten van Caesar en Tacitus is de eerste kiem gelegd die tot alle misvattingen erna heeft geleid.
    De traditie "sinds de Romeinen" moet dus ook vanaf de Romeinen opnieuw onderzocht worden naar waarheid en mythe, te beginnen met de vermelding van Julius Caesar in 54 v. Chr. van de Renus en het Eiland van de Bataven.

    Feitelijk is de uitspraak van Hugenholtz "dat we een traditie hebben vanaf de Romeinen" wel juist. Alleen gaat het om een verkeerde traditie vanaf de Romeinen. Alles vanaf de Romeinse tijd, zal herzien moeten worden. Dan wordt die "traditie" (een overlevering van een gebruik, verhaal of gewoonte: Van Dale) misschien ooit gewijzigd in De Ware Kijk Op de geschiedenis van ons land. [De meeste van de hierboven geciteerde uitspraken zijn afkomstig uit het interview van Charles Groenhuijsen met professor Hugenholtz in de Volkskrant van 6 oktober 1979.]

    Het is wel opvallend dat Hugenholtz de hierboven beschreven zienswijzen hanteert, terwijl hij in "Gestalten der Geschiedenis" (Den Haag 1960) veel opvattingen van Delahaye bevestigd. Hij schrijft o.m. "Vanaf de 12e eeuw worden veel kronieken opgesmukt met onwaarschijnlijke legenden of verzonnen verhalen, die evenzeer van gedachteloze vlijt als van lichtgelovige argeloosheid getuigen. Er is verregaande lichtgelovigheid, er wordt oppervlakkig geÔnterpreteerd en er heerst alom een grenzeloze naÔviteit. Verregaande lichtgelovigheid en liggelovige argeloosheid zijn zeer wezenlijke kenmerken van wat middeleeuwse geschiedschrijving heet". (p.106) "Bewuste en onbewuste verdraaiing van de werkelijkheid komt voor en doet ons voortdurend op onze hoede zijn" (p.125).
    In het betreffende artikel wijst Hugenholtz er bovendien op dat de Annales Egmundenses vrijwel geheel zijn gekopieerd uit het werk van Sigebert van Gembloux. Zoal zij voor ons liggen stammen de Annales Egmundenses uit de late 12e en vroege 13e eeuw. Ook noemt hij St.Amandus de apostel van de Vlamingen en plaatst hij Hincmar, aartsbisschop van Reimt toch ook in het West-Frankische Rijk.
    En dit was nu precies waar Delahaye steeds op wees en tot heel andere conclusies kwam. Maar daarvoor werd hij door Hugenholtz c.s. weggehoond.

  • Met deze LINK verwijzen we naar enkele "wetenschappelijke uitspraken" van Hugenholtz.