De Nederlandse "Limes" en de Peutingerkaart.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.
De "Limes Germanicus" en de Peutingerkaart.

Romeins Nederland kent twee onoverkomelijke problemen:

1. geen enkele historisch deskundige heeft ooit een sluitend en compleet verhaal gegeven over de zogenaamde bovenste weg van de Peutingerkaart. Over elke locatie heersen meerdere opvattingen. Alle opvattingen zijn onbewezen aannames, niet bevestigd door de archeologie. (Zie bij archeologie)

2. van de onderste weg in de Patavia zoals die op de Peutingerkaart staat, is nog geen meter gevonden. Van geen enkele plaats aan die onderste weg is ooit een aanvaardbare locatie gegeven.


"Romeins Nederland was allerminst van internationale allure" aldus W.A.van Es. Het belang van Romeins Nederland wordt schromelijk overdreven.

Ook in het nieuwste onderzoek van B.S. van der Meulen (The Late Roman limes revisited, dec.2017) worden deze problemen bevestigd. Op veel plaatsen waar men traditioneel een locatie van de Peutingerkaart meende te vinden, wordt dit door de archeologie allerminst bevestigd.

De 'forten' langs de Rijn zijn in verschillende opzichten afwijkend van het Romeinse standaardmodel. Ze waren vrij klein, de binnenruimte was niet in drieŽn, maar in tweeŽn gedeeld en er ontbraken vaak een of meerdere van de gebruikelijke vier toegangspoorten. Geen twee van Nederlandse forten waren aan elkaar gelijk. Bron: Onder onze voeten.
Daaruit blijkt al dat deze zogenaamde Romeinse forten niet gebouwd zijn als grensverdediging maar om de transporten over de Rijn te bewaken.

De Nederlandse grensforten was ook niet de Romeinse "Limes Germanicus". Deze werd aangelegd aan het eind van de 4e eeuw, ter verdediging van GalliŽ tegen binnendringende Germaanse stammen. Op dat tijdstip (375 n.Chr.) waren de Romeinen al meer dan een eeuw uit Nederland verdwenen. Van een verdediging in een prijsgegeven gebied was in Nederland totaal geen sprake. De "Limes Germanicus" lag ook niet in Nederland, maar op de taalgrens in Noord-Frankrijk en BelgiŽ. De hoofdstad van Germania Inferior was Boulogne-sur-Mer (Bononia) en niet Nijmegen of Voorburg.

The Rhine and Danube for instance were never highly defensive frontiers, but rather fortified, controlled supply routes. Bronnen: Whittaker 1994, 158; see for detailed regional studies Van Dinter 2013; Sommer 2009; Langeveld et al. 2010

Ook in het Geschiedenis Magazine van april 2015 wordt een meer realistisch beeld gegeven van de Nederlandse 'Limes'. Het was geen hermetisch gesloten 'ijzeren gordijn', maar een poreuze grens. De Nederlandse grens bevond zich bijna overal in een wetland, een vochtige of moerassige zone met waterlopen en beken, vaak onderhevig aan eb en vloed en soms overstroomd. Tussen de forten bouwde men goede wegen, waarnaast ze wachttorens optrokken. Hoeveel is onbekend. Toch was het verdedigingssysteem niet volmaakt.
Commentaar: Als onbekend is hoeveel wachttorens er waren en waar die stonden, dient men dit niet als een vaststaand feit te vermelden. Het heeft geen invallen van Germaanse stammen voorkomen, want die Germanen leefden al binnen het Romeinse Rijk.
Het beeld dat tot heden bestond van die grens moet dan ook drastisch worden bijgesteld. De 'verdedigingslinie' liep door een veen- en moerasgebied. Nederland was toen nauwelijks bewoond. Wat viel er te verdedigen en tegen wie? Deze limes verdween rond 260 n.Chr. Ook hier krijgt Albert Delahye weer gelijk, zij het vele jaren te laat.


De Limes Germanicus lag in Noord-Frankrijk aan de Renus. De Renus was de Schelde.
Er is geen enkel bewijs of ooit geleverd, dat de plaatsen in Nederland waar meer of minder Romeinse overblijfselen zijn gevonden, overeenkomen met de plaatsen die op de Peutingerkaart worden genoemd.
In Nederland wordt met de Peutingerkaart bewezen, wat juist zonder die kaart bewezen moet worden.

Klik hier voor een compact overzicht.

De grootste deskundigen op het gebied van Romeins Nederland weerleggen de tradities. Dr.A.W.Byvanck, Dr.W.A. van Es en Tilmann Bechert geven van geen enkele plaats een bewijs dat deze de Romeinse naam gedragen zou hebben, zoals die op de Peutingerkaart staat. Voor een kort overzicht van hun bevindingen, klik hier! Voor een uitgebreide toelichting, lees hiernaast verder.

De foutieve manier van interpreteren van de Peutingerkaart laat zich het best kenmerken met het volgende citaat: "Sinds men de Peutingerkaart kent trachten archeologen aan de hand van dit document de ligging van de daarop vermelde plaatsen te localiseren. Fletio is met zekerheid te Vechten gelocaliseerd. Uitgangspunt van de verdere beschouwing is dat de locaties van Fletio (Vechten) en Noviomagus (Nijmegen) vast liggen" Bron: J.Bervaes.
Men wil in Nederland dus met de Peutingerkaart bewijzen, wat er op de Peutingerkaart staat. Dat is het kenmerk van de Nederlandse intertretatie: een deductie uit een deductie. Maar de locaties van Fectio (dat niet eens op die kaart staat) en Noviomagus liggen allerminst vast.

Voor de gebruikte bronnen zie onderaan deze bladzijde.

Zonder enig bewijs te leveren is men er klakkeloos van uitgegaan dat het Noviomagi op de Peutingerkaart Nijmegen was. Die fabel is in 1480 verzonnen door Willem van Berchen, een kanunnik van de St.Stephanuskerk in Nijmegen, die een beetje 'potjeslatijn' kende. Zijn vertaling van de gedenksteen van Frederik Barbarossa uit 1155 wordt algemeen als foutief beoordeeld, ook in Nijmegen. Zie de tweede alinea in het hoofdstuk over Nijmegen.
Vergelijk hiermee met wat de 'geleerden' van de tekst op het 'Romeinse schrijfplankje van Tolsum' gemaakt hebben. Lang meende men dat het om koopcontract om een koe ging (hoe typisch Nederlands). Nu blijkt het om een schuldverklaring van een slaaf te gaan. Ook onjuist lijkt mij, aangezien een slaaf geen rechten had en dus ook geen schulden of tegoeden kon claimen, laat staan dat men dat op schrift zou stellen. Kon een slaaf dan lezen? Zo schrijft men in Nederland geschiedenis!

Honderden bewijzen spreken de traditionele geschiedenis van Nederland in het eerste Millennium radikaal tegen, te beginnen met "Germania" van Tacitus.



Publius Cornelius Tacitus.

Het is niet de vraag of er Romeinen geweest zijn in Nederland en er versterkingen hebben gebouwd, maar de vraag is "Welke namen hebben deze plaatsen gedragen?"


Van Romeins Utrecht is bij opgravingen onweerlegbaar vastgesteld dat het de naam Albiobola gedragen heeft. Daarmee wordt de hele Nederlandse traditie in ťťn klap van tafel geveegd, inclusief het Trajectum van St.Willibrord en het Noviomagus van Karel de Grote.





Liffol-le-Grand Frankrijk.

De ligging en het belang van de vindplaatsen van Romeins in Nederland komen niet overeen met de Peutingerkaart en de gegevens in andere bronnen, zoals het itinerarium Antonini en de gegevens van Ptolemeus.


Germania van Tacitus.


"Germania" van Tacitus gaat niet over Duitsland, maar over Noord-Frankrijk!


Het grote misverstand is de identificatie van de rivier de Renus geweest!
De Renus was een rivier in GalliŽ!
Meer informatie zie het hoofdstuk over Renus.



Grand-Frankrijk.



Grand-Frankrijk.


Dr. A.W. Byvanck (zie opgave literatuur onder aan de bladzijde) wordt nog steeds beschouwd als dè autoriteit op het gebied van Romeins Nederland. Hij is een veel nageschreven en weinig bekritiseerde auteur, ook al spreekt hij vaak zelf zijn twijfel uit. Wat bij Byvanck "vermoedelijk", "waarschijnlijk" of "niet onaannemelijk" is, wordt bij zijn 'naschrijvers' zonder verdere aanwijzingen of bewijzen, plots een zekerheid, ofwel een traditie. Zo schrijft men in Nederland geschiedenis.






Archeologie is interpreteren.
"De Nederlandse archeologie is zich steeds meer bewust van de kracht en zwakheden van de theoretische modellen die aan haar interpretaties ten grondslag liggen". Bron: J.H.F. Bloemers.

De studies van Albert Delahaye tonen onmiskenbaar aan dat bij veel archeologische interpretaties grove fouten zijn gemaakt.
De archeologie heeft heel wat steken laten vallen. Klik hier voor een overzicht!






De "Limes Germanicus" lag op de taalgrens in Noord-Frankrijk en BelgiŽ.




Veel mythen in de traditionele geschiedenis zijn voortgekomen uit een foutieve interpretatie van archeologische vondsten. Voor een overzicht van foutieve archeologische interpretaties, klik hier!







De beschrijving van Romeinse vindplaatsen in Duitsland is nog niet voltooid.

Nieuw archeologisch onderzoek toont het gelijk van Albert Delahaye aan en zet de traditie op haar kop! De Rijn was geen verdedigingsgrens tegen invallen van Germaanse volkeren, maar een bewaakte transportroute! Zie ARCHEObrief.

Het gelijk van Delahaye wordt ook aangetoond door prof.Hugo Thoen:


Gentse professor in de Romeinse archeologie bevestigt het gelijk van Albert Delahaye.
Prof. Hugo Thoen: "Ik zoek al vijftig jaar naar bewijzen van Caesars aanwezigheid in BelgiŽ, maar heb nooit iets gevonden."
Alles in de Romeinse geschiedenis van Nederland en BelgiŽ wat van de foutieve veronderstelling is afgeleid dat Caesar tot in onze streken is geweest, zal herschreven moeten worden.

Deze visie van prof.Thoen wordt ook bevestigd door andere historici. Dr.W.A. van Es erkent dit in zijn boek "De Romeinen in Nederland" en J.H.F. Bloemers in "Voeten in de Aarde" vermeldt hetzelfde. Van Es schrijft op p. 25: "De schriftelijke overlevering biedt dan ook geen doorslaggevende argumenten om de Romeinse tijd in ons land met de periode van Caesar te laten beginnen. Archeologische aanwijzingen daarvoor zijn er al evenmin". Op p. 27 staat: "Niets wijst erop dat Caesar tot aan de Oude Rijn is doorgedrongen" Bij Bloemers lezen we op p. 50: "Rond 50 v.Chr. vertonen de Romeinen zich voor het eerst in onze streken als Caesar door onze zuidelijke gebieden trekt. Archeologische resten daarvan zŪjn tot op heden echter nog niet aangetroffen".
Ook J.A. Trimpe Burger merkt op dat "vroeg-Romeinse vondsten uit de tijd van Caesar zijn in ons land niet aangetroffen". In Zeeland dateert de vroegste vondst van Romeinse herkomst uit ca. 70 na Chr. (Trimpe Burger, o.c. p.45).
En W.A. van Es, J.H.F. Bloemers en J.A. Trimpe Burger zijn niet de minste op hun vakgebied. Over de basis van alle historische mythen spreken ook zij dus meer dan alleen hun twijfel uit. Erger, met deze uitspraak bevestigen zij de visie van Albert Delahaye op onmiskenbare wijze.

Waarmee de veronderstelling van Caesars aanwezigheid ondubbelzinnig wordt weerlegd. Immers Caesar trok niet in zijn eentje rond, maar met een gezelschap van verscheidene legioenen en zo'n legioen bestond uit 5000 tot 7000 man! De materiŽle aanwezigheid van zo'n leger cijfer je niet zomaar weg. Caesar beschrijft hoe zijn militairen kampementen maakten door grachten te graven en palissades op te richten. Er is niets van teruggevonden in BelgiŽ, evenmin als in Nederland!

En als Caesar verdwijnt uit Nederland en uit BelgiŽ, dan verdwijnen ook het "Insula Batavorum" en de "Renus", die Caesar uit eigen waarneming beschrijft, uit het Nederlandse landschap. Als daarna de vanzelfsprekende consequenties worden doorgetrokken, is het probleem van de mythen in ťťn slag opgelost. Immers de basisfout in alle erna volgende mythen is de verkeerde locatie van de rivier de Renus geweest. De Renus was niet de Nederlands/Duitse Rijn, maar de Schelde! De Rijn heette bij de klassieke schrijvers Obrinca.

Veel mythen in de traditionele geschiedenis zijn voortgekomen uit een foutieve interpretatie van archeologische vondsten. Voor een overzicht van foutieve archeologische interpretaties, klik hier!

Er is tussen ongeveer 50 en 250 na Chr. een Romeinse grens geweest langs de Rijn in Nederland. Dat wordt door Albert Delahaye ook allerminst ontkent. Maar deze Romeinse grens in Nederland was niet dè "Limes Germanicus", waarvan men algemeen aanneemt dat die op de Peutingerkaart staat afgebeeld. Deze grens was geen verdedigingsgrens, maar een bewaakte transportroute.
Er zijn veel argumenten te geven dat de plaatsen op de Peutingerkaart in de Patavia genoemd geen betrekking kunnen hebben op Nederland. De belangrijkste argumenten zijn:
  1. De Peutingerkaart, een wegenkaart van het Romeinse Rijk, stamt van nŠ 375 na Chr. immers Constantinopel dat gesticht is in dat jaar, wordt vermeldt als ťťn van de 3 hoofdsteden van het Romeinse Rijk, naast Rome en AntiochiŽ. De Romeinen hadden Nederland toen al minstens een eeuw verlaten. Het is absurd te veronderstellen dat een prijsgegeven gebied nog op een Romeinse wegenkaart zou hebben gestaan, temeer dat dan een deel dat de Romeinen nog wel in bezit hadden in Noord-Frankrijk, er niet op zou staan.
  2. De term "Limes Germanicus" stamt uit de 3e eeuw, toen vanaf 275 extra versterkingen werden aangelegd langs de grens van het Romeinse Rijk. Met deze Limes Germanicus kan nooit de Nederlandse Rijngrens bedoeld zijn, immers de Romeinen hadden Nederland tussen de jaren 250 en 260 al definitief verlaten wegens de opkomende transgressies (langdurige overstromingen). Het is uitgesloten dat de Romeinen nog extra versterkingen zouden hebben aangelegd in een prijsgegeven gebied.
  3. De Limes Germanicus was de grens van het Romeinse rijk, de naam zegt het al, tussen GermaniŽ en GalliŽ en kwam nagenoeg overeen met de huidige taalgrens in BelgiŽ. Plaatsing van deze Limes in het midden van Nederland, is even absurd als de taalgrens er te willen plaatsen. Bovendien is het onvoorstelbaar dat de Romeinen een grens tegen invallen van de Germanen zouden aanleggen met de Germanen in de rug. Immers de Germanen woonden ook in het gebied van het huidige BelgiŽ, zoals de Franken in de omgeving van Doornik.
  4. De noordgrens van het Romeinse rijk, die de Romeinen in het westen de ,,limes Germanicus" noemden - de grens of linie tegen de Germanen - legt men in het midden van Nederland. Dat dit fout is, wordt al op slag aangetoond door het feit, dat de Friezen dan buiten het Rijk vallen, terwijl het een feit is dat de Friezen al in 12 vóór Chr. door Drusus overwonnen en ingelijfd waren. Het is de grootste ongerijmdheid in de archeologie van Nederland deze "limes Germanicus" in het midden van Nederland te leggen en er voortdurend mee te schermen alsof dit het klapstuk van Romeins Nederland zou zijn. Vooral de leken op historisch gebied worden totaal overdonderd door hetgeen de "geleerden" erover (na-)schrijven. Leest men echter kritisch wat Byvank, Van Es of Bechert zelf schrijven, dan blijkt die hele Romeinse traditie in Nederland zeer broos te zijn. Analiseert men hun "bewijzen", dan blijken dat steevast "vermoedens", "veronderstellingen" en "aannames" te zijn. Er is geen enkele hard bewijs gevonden voor de toepassing van de Peutingerkaart op Nederland.
    Er is nooit ťťn enkel bewijs geleverd dat de plaatsen in Nederland waar Romeins gevonden is, overeenkomen met de plaatsen die op de Peutingerkaart worden genoemd. Integendeel, te vaak kloppen de gegevens juist niet met de Nederlandse situatie. Waar bijv. "de bergwouden" (Tacitus, Annales XIII, 54) in het land van de Friezen liggen, blijft een onoplosbaar probleem zolang men de Friezen langs de kust van west en noord Nederland blijft plaatsen, waar het land volkomen vlak is (Le plat pays). Plaats men de Friezen op hun werkelijke woonplaats in Noord-west Frankrijk dan is dit probleem in ťťn slag opgelost.

    Tacitus schrijft nadrukkelijk, dat de Bataven woonden op de grens tussen GalliŽ en GermaniŽ, "zodat zij door de schrijvers beurtelings GalliŽrs of Germanen worden genoemd". Had men dit juist opgevat en het op de taalgrens gesitueerd, wat de Peutingerkaart en Ptolemeus even duidelijk als Tacitus aantonen, dan waren de Nederlandse mythen in ťťn slag opgelost.

  5. Er is door de Nederlandse historici nooit een aannemelijke verklaring gegeven, waarom een Limes tegen invallen van Germaanse stammen langs de Nederlandse Rijn nodig geweest zou zijn. Er viel in Nederland immers geen enkele inval vanuit het noorden te vrezen. Ten noorden van de Romeinse plaatsen in Zuid-Holland en Utrecht bestond Nederland uit ťťn groot veenmoerassen en waddengebied (zie Van Es, o.c. p.19 en het kaartje hiernaast. Klik op het kaartje voor een vergroting). De in Noord-Holland, Friesland en Groningen vermeende Friezen hadden met de Romeinen in 12 v. en 47 na Chr. verdragen gesloten, waardoor elke dreiging geŽlimineerd was (Byvanck, o.c.p.199 en 206-219). Ten noorden van de Rijn in Gelderland, was het ťťn groot leeg gebied, waar zelfs geen enkele bevolking aanwezig was. "Opvallend is ook dat tot nu toe niemand ooit een stamnaam met de Veluwe of de Utrechtse Heuvelrug verbonden heeft", schrijft Van Es (o.c.p.31). "In het oosten van Nederland woonde geen enkele stam waarvan wij de naam weten, schrijft Byvanck (o.c.p.218), ofwel die voor de Romeinen een dreiging geweest zouden kunnen zijn, want dan had men de naam wel geweten. Bechert (o.c.p.15) vermeldt dat de rechter Rijnoever tot wel 3 km. onbewoond was.
    Alle Germaanse stammen waarmee de Romeinen voortdurend in conflict waren, worden door de traditionele historici ten oosten van de Rijn in Duitsland geplaatst. En juist in het Duitse deel van de Rijn, met name tegenover de Lippe en de Ruhr, was de grens maar matig bezet met slechts drie castella, te weten Alt-Kalkar, Xanten en Moers-Asberg. Over de Rijngrens tussen Alt-Kalkar en Moersbergen, een afstand van 128 km (volgens opgave van de Peutingerkaart; in werkelijkheid slechts 47 km., waarmee meteen aangetoond is dat de Peutingerkaart hier niet past) lagen slechts deze drie castella. Over de hele Nedergermaanse grens vanaf Katwijk tot Remagen, een afstand van 350 km, bestond de grensbewaking aanvankelijk uit 6 legioenen, aan het eind van de eerste eeuw uit slechts 2 legioenen (is 12800 man), een aantal dat daarna constant bleef (Bechert, o.c.p.20-21; op p.23 noemt Bechert een aantal van 21.000 aan het begin van de 3e eeuw). De Romeinen vreesden blijkbaar geen invallen van allerlei Germaanse stammen aan de grens langs de Rijn, want met 21.000 man over 350 km. houd je geen volksverhuizingen tegen. Bovendien is het vreemd dat juist nŠ de Opstand der Bataven het aantal legioenen aan de Rijngrens werd verminderd. Opvallend is verder dat er in Nederland ten zuiden van de rivieren weinig tot niets was dat tegen die vermeende aanvallen beschermd had moeten worden. De Romeinse overblijfselen in Zuid-Nederland zijn sporadisch en bestaan vaak uit niet meer dan de resten van ťťn enkele boerderij (villa). We zijn hier even sec van de Nederlandse traditie uitgegaan, waarbij de onlogica meteen al voor zich spreekt.
    Any evidence that the entire western frontier was overrun is not to be found in the archaeological record. It has even been argued that there was no barbarian desire to even conquer the Roman Empire, but only to raid on a local scale.
    In recent years, another line of thinking about the Late Roman empire has moved away from the threats of ďbarbarianĒ invasions, and focussed more on the cultural changes in the frontier zones that resulted from the collapse of the empire and the foundation of the Frankish kingdoms.

    (Bron: The Late Roman limes revisited. The changing function of the Roman army in the Dutch river/coastal area (AD 260-406/7) by B.S. van der Meulen (UvA 10723188/VU 2555022) RMA thesis UvA/VU (30 ECTS) Supervisor: prof. dr. N.G.A.M. Roymans (VU) Second reader: dr. S. Heeren (VU) Version 2 (18-06-2017).

  6. Op de Peutingerkaart staan ten noorden van de Renus en ten noorden van de Batavia de volgende volkeren vermeld: Chauci, Chamavi (qui est Franci - die Franken zijn), Cherusci, Angrivarii en Suevi. De traditionele geschiedenis plaatst deze volkeren steevast in Duitsland dus ten oosten van de Renus en ten oosten van de Betuwe.
    Ofwel men dient de foutieve plaatsing van deze volkeren en van de Batavia te erkennen, ofwel men dient de west-oriŽntatie te erkennen, die de traditionele geschiedenis met handhaving van deze volkeren in Duitsland dus gewoon bevestigt!
  7. De traditionel bewering in Nederland dat het een oude kaart is, die in principe alleen de wegen bevat en best een streek van 260 bij 400 km kan overslaan omdat daar geen wegen waren, is onhoudbaar. In het overgeslagen gebied bestonden meer Romeinse wegen dan in Nederland. In de Belgische Ardennen, Henegouwen, Belgisch Brabant, Vlaanderen, het gedeelte van Noord-Frankrijk dat er in de Nederlandse traditie niet op zou staan, zelfs in Nederlands Brabant en Zeeland lagen Romeinse wegen. In dit gebied lagen meerdere plaatsen, die evenmin op de Peutingerkaart staan. Deze wegen en plaatsen staan niet op de Peutingerkaart, omdat deze gebieden niet meer tot het Romeinse rijk hoorden op het moment dat de kaart werd gemaakt. Dan staat midden Nederland er zeker ook niet meer op. Bij een juiste determinatie staan de 2 wegen en de daarbij behorende plaatsen in Noord-Frankrijk er echter wel op, de "Nederlandse" niet, wat geografisch gezien volkomen juist zou zijn.
Wat is er waar van de Nederlandse interpretatie?
We geven aan de hand van de lijst hieronder bij elke plaats een verwijzing (LINK) naar een nieuwe bladzijde waarop U de traditionele visie naast die van Albert Delahaye kunt vinden. In de boeken van Delahaye vindt U eventueel een uitgebreidere toelichting. Onderaan deze bladzijde geven we verdere argumenten die de traditionele visie radikaal tegenspreken en zelfs weerleggen. Verder vindt U er een bronverwijzing waarvan gebruik is gemaakt bij de vaststelling van de "Nederlandse" traditie. Voor vragen kunt U zich altijd wenden tot G.B.M. Delahaye.


Deze bladzijden zijn in opbouw. Nog niet elke LINK is voltooid.


De nummers hieronder corresponderen met die op de kaart hierboven.

Romeinse naam
Traditionele plaats
1 Castellum Flevum Velsen? Velserbroek? of ťťn van de andere 12 locaties?
2 Lugdunum Leiden, Katwijk of de Brittenburg
3 Praetorium Agrippinae Valkenburg
4 ??? Valkenburg-Marktveld
5 Matilone Leiden-Roomburg
6 Albanianis Alphen aan den Rijn
7 Nigrum Pullum Zwammerdam
8 ??? Bodegraven
9 Lauri Woerden
10 ??? Vleuten-De Meern
11 Traiectum Utrecht
12 Fletione ?? Fectio Vechten
13 Levefanum Wijk bij Duurstede - Rijswijk of Arnhem
14 Mannaricium Maurik
15 Carvone Kesteren of Herwen
16 ??? Randwijk
17 ??? Driel
18 Castra Herculis Daar bestaan liefst 24 locaties van in Nederland!
19 ??? Elst
20 Batavodurum / Noviomagus Nijmegen
21 ??? Loowaard
22 Carvium Herwen-De Bijland
23 . Nijmegen-Hunerberg
24 Ceuclum= Cevelum Cuijk
25 Arenacum/Arenatium Rindern of Kleve-Qualburg
- Quadriburgium Qualburg of toch niet?
26 Burginatium Alt-Kalkar
27 Colonia Ulpia Traiana Xanten
28 Castra Vetera Xanten-Birten
29 Calo ???
30 Asciburgium Moers-Asberg
31 ??? Werthausen
32 Gelduba Krefeld-Gellep
33 Novaesium Neuss
34 ??? Reckberg
35 Burungum ???
36 Durnomagus Dormagen
37 Colonia Claudia Ara Agrippinensium Köln
38 Divitia Köln-Deutz
- ??? Köln-Alteburg
39 Bonna Bonn
40 Rigomagus Remagen
- Ad fines Vinxtbach
41 Iuliacum Jülich
42 Coriovallum Heerlen
43 Traiectum ad Mosam Maastricht
44 Atuatuca Tungrorum Tongeren
45 Feresnes Stokkem?
46 Catualium Heel
47 Blariaco Blerick
48 ??? Lottum
49 Grinnes Rossum
- ??? Empel
50 Foro Adriani Arentsburg te Voorburg
51 Helinio??? Oostvoorne
52 ??? Goedereede-Oude Wereld
53 Ganuenta Colijnsplaat
54 ??? Walcheren-De Roompot
55 ??? Aardenburg
56 ??? Maldegem
57 Fossa Corbulonis Kanaal van Corbulo
58 Fossa Drusiana Kanaal van Drusus
59 Ad Duodecimum ??

Niet in de lijst hierboven opgenomen "Romeinse" archeologische locaties.
De Romeinse naam van al deze locaties is in elk geval onbekend. Deze locaties waaronder enkele van groter belang, zijn ook niet te plaatsen in het traditionele Romeinse landschap van Nederland. Deze hele lijst is tevens een bevestiging dat de Peutingerkaart niet over Nederland gaat, immers deze plaatsen zijn daarop niet te vinden.
?? ????? Nehalennia.
?? ????? Ermelo, Romeins Marskamp.
?? ????? Rijswijk, inheemse Romeinse nederzetting.
?? ????? Laat-Romeinse nederzettingen: Rhenen. Ewijk, Kessel, Asperden, Monheim, Rheinbrohl, Engers.
?? ????? Een grafsteen te Dodewaard.
?? ????? Vondsten te Zaltbommel.
?? ????? Een wachtpost te Heumensoord.
?? ????? Grafheuvels te Boxmeer, Baexem en Grevenbicht.
?? ????? De Romeinse weg bij Swalmen.
?? ????? Een zandstenen reliŽf te Sint-OdiliŽnberg.
?? ????? Romeinse villa te Kaalheide.
?? ????? Romeins Maastricht.
?? ????? Romeins Zuid-Limburg.
?? ????? Romeinse mijlpaal en Romeinse weg te Rimburg.
?? ????? Romeinse overblijfselen in BelgiŽ: Ath, Velzeke, Elewijt, Liberichies, Oudenburg.
?? ????? Kneblinghausen, Holsterhausen, Oberaden, Anreppen.
?? ????? Rijsbergen (N-B).
?? ????? Westerschouwen, Domburg, Brugge, Marquise, Deurne.
?? ????? Lottum, Brühl-Villenhaus, Hüchelhoven, Hulsberg, Oreye-Bergilers, Braives, Taviers, Cortil-Noirmont, Liberchies, Morlanwelz, Givry, Bermerain, Courtrai, Echternach, Bavay, Famars, Cassel.
?? ????? Andernach, Bitburg, Arlon, Jünkerath, Zulpich, Aachen, Jülich,

De Romeinse traditie in Nederland is gebaseerd op foutieve veronderstellingen.

Het is niet de vraag of er Romeinen geweest zijn in Nederland en er allerlei versterkingen en forten hebben gebouwd, maar welke naam deze plaatsen gedragen hebben. Komen de Nederlandse vindplaatsen van Romeins overeen met de plaatsen op de Peutingerkaart? Of droegen deze versterkingen andere namen? En hoe komt de Nederlandse traditie overeen met andere bronnen?

Het belangrijkste uitgangspunt van de Nederlandse traditie is gebaseerd geweest op de verkeerde determinatie van de rivier de Renus. De R(h)enus werd traditioneel opgevat als de Nederlands/Duitse Rijn, waarlangs veel Romeinse overblijfselen zijn gevonden. De plaats Noviomagi van de Peutingerkaart werd sinds 1887 opgevat als Nijmegen. Immers in Nijmegen, dat volgens Willem van Berchen het Noviomagus van Karel de Grote zou zijn geweest, is ook veel Romeins gevonden. Men heeft ongenuanceerd en zonder enig bewijs deze drie veronderstellingen aan elkaar gekoppeld. Zo is de hele mythe rondom Romeins en Karolingisch Nederland en de overige daarmee samenhangende historie ťťn grote kluwen van geografische mythen geworden. Het draadje voor draadje ontrafelen van die kluwen is de grote verdienste van Albert Delahaye geworden.

Die Romeinse vindplaatsen worden door Albert Delahaye allerminst ontkent, wel de naam die erop geplakt is. Was de Renus wel de Nederlands/Duitse Rijn?
Julius Caesar noemt ca.50 vóór Chr. in zijn "De Bello Gallico" enkele volkeren die langs de Renus woonden en die hij overwonnen heeft, zoals de Cimbri. De Renus was een rivier die Julius Caesar met eigen ogen aanschouwd heeft. Tegenwoordig neemt niemand meer aan, archeologisch onderzoek heeft dat ook onweerlegbaar aangetoond, dat Julius Caesar in Nederland is geweest. Door Nederlandse historici (o.a. Byvanck en Van Es) wordt onderkend dat Julius Caesar met de Renus nooit de Nederlandse Rijn bedoeld kan hebben. Onlangs heeft Belgisch onderzoek aangetoond, dat Caesar zelfs niet eens in BelgiŽ is geweest. De Cimbri worden in de traditionele historie in het hoge noorden van Duitsland en werden zelfs in Denemarken geplaatst. Julius Caesar, noch enige Romein na hem, is zo hoog in Duitsland geweest, laat staan in Denemarken.
Zie bij Bevestiging, hoofdstuk 1: De Romeinen in Nederland. De vraag welke rivier Caesar bedoelde met Renus is dus zeer gerechtigd en cruciaal. Dat kan vooral aangetoond worden met mededelingen van andere klassieke schrijvers. Zie daarvoor bij Renus of (Renus).

Bekijkt men de vindplaatsen van Romeins in Nederland, BelgiŽ en Duitsland (langs de Rijn), dan kan slechts de conclusie zijn dat deze in het geheel niet overeen komen met de gegevens op de Peutingerkaart. Breidt men deze gegevens uit met die van het Itinerarium Antonini en de gegevens van Ptolemeus en Tacitus, dan krijgt men een viervoudige bevestiging van de onjuistheid van de Nederlandse determinaties.

De plaatsen die op de Peutingerkaart genoemd worden, waren belangrijke steden in het Romeinse Rijk aan het eind van de 4e eeuw. Behalve van militair belang, waren de genoemde plaatsen ook belangrijk vanwege de burgerlijke bewoning (het waren steden), als bestuurscentrum (waar in de Middeleeuwen ook andere bestuurseenheden zoals bisdommen en graafschappen e.d. uit ontstonden) en als handelsplaats gelegen aan belangrijke wegen. Het is met veel argumenten en zelfs bewijzen aan te tonen dat op de wegenkaart van het Romeinse Rijk uit de 4e eeuw geen enkel stuk grondgebied van Nederland meer staat afgebeeld. De opsomming hieronder is verre van compleet. In de boeken van Albert Delahaye zijn er vele meer te vinden.

Het grote misverstand is begonnen met de verkeerde interpretatie van de geschreven bronnen, met name van de "Commentarii de bello Gallico" van Julius Caesar en "Germania" van Tacitus. Leg je beide werken naast elkaar en vergelijk je deze met de traditionele geschiedenis, dan blijkt er erg veel in het tradionele plaatje totaal niet te kloppen. Op heel veel punten zijn de interpretaties van de historici, verblind als zij waren door het woordje Renus, totaal verkeerd gelocaliseerd. Dat blijkt niet alleen uit de studie van Albert Delahaye, maar ook uit de vele eigen interpretaties van de verscheidene historici. Op veel punten spreken zij elkaars mening en interpretaties tegen. van de "sterke traditie" blijft niet veel meer over. Een voorbeeld. Van Es (o.c.p.23) stelt dat de Morini met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet op Nederlands grondgebied woonden, de Menapii daarentegen zonder twijfel wel. Hij plaatst de Morini langs de kust van Vlaanderen, de Menapii in Zeeland en het westen van Noord-Brabant, even verder in zijn boek plaats hij deze rond Antwerpen (Van Es, o.c. p30). Van Es is het dus allerminst met zichzelf eens. Byvanck plaats beide volkeren in Nederland, de Morini in Zeeland en Zuid-Holland, de Menapii in het rivierengebied langs Maas en in Noord-Branbant. Echter op p.53 schrijft hij dat de Morini en Menapii op een afstand van 500 tot 600 km van de Veneti woonden. De Veneti waren de bewoners van Vannes in Bretagne. Cassel de hoofdstad van de Menapii (Castellum Menapiorum) ligt op 674 km van Vannes, Therouanne, de hoofdstad van de Morini, op 605 km. Beide afstanden zijn dus feitelijk al te groot, dus deze volkeren zouden eerder verder naar het zuiden hebben gewoond, dan naar het noorden in Brabant of Zeeland, dat ruim 850 km. van Vannes ligt. Ook Byvanck is het dus ook niet met zichzelf eens. Beide volkeren worden door de verkeerde locatie van de in het verslag van Caesar genoemde rivier de Renus, naar het noorden geschoven. Maak je van de Renus de Schelde, dan komt het verhaal van Caesar en dat van Tacitus wel overeen met de locaties.

Zie bij Dr. A.W. Byvanck en Dr. W.A. van Es

Argumenten en bewijzen die de traditionele Nederlandse opvatting weerspreken.

  1. Het is natuurlijk verre van wetenschappelijk de Peutingerkaart als een enkelvoudige bron te hanteren. De gegevens van de Peutingerkaart dienen gelegd te worden naast de andere klassieke bronnen, zoals het Itinerarium Antonini, de Geograaf van Ravenna en de gegevens van Tacitus, Plinius, Mela, Virgilius, Lucanus, Strabo, Julius Caesar, Ptolemeus en anderen. De samenhang tussen al deze bronnen is het sterkste punt in de visie van Albert Delahaye. Voeg je daar de gegevens van de middeleeuwse schrijvers aan toe, dan wordt het plaatje zo compleet, dat geen enkele twijfel blijft bestaan over de juistheid van de visie van Albert Delahaye. Juist door het misverstaan van de klassieke schrijvers is de mythevorming begonnen.
  2. Een voorbeeld naar aanleiding van de eerste opmerking. Volgens Strabo (Geographica, IV, 6, 11) liep de weg van Lyon naar de monden van de Renus over Beauvais en Amiens! Een andere route naar de Renus liep (vanuit ItaliŽ) door een bergpas van de Jura naar het land van de Lingones (Langres). Kan het nog duidelijker worden uitgedrukt dat die monden van de Renus dus in Noord-west Frankrijk lagen?
  3. Het is natuurlijk de grootste zotternij aller tijden dat Caesar, die aantoonbaar nooit boven de lijn Boulogne-Trier is geweest, zijn basis voor de aanval op Engeland, in de Nederlandse Betuwe zou hebben gelegd in plaats van op de plek "waar je de overkant kunt zien" en welke plaats momenteel nog de naam draagt "Camp de Cťsar". Aanvaarding van dit ene argument kegelt de hele Nederlandse traditie omver. Vandaar dat historici zich zo stug blijven vastbijten in de ontkenning. Immers zij doorzien levensgroot alle consequenties. Plaats je de Batua in Noord-west Frankrijk, dan is de Betuwe niet "Het Eiland van de Bataven", dan is de Rijn niet de Renus en dan gaat de hele Peutingerkaart naar Noord-Frankrijk, inclusief het Trajectum van St.Willibrord en het Noviomagus van Karel de Grote, en dan is het hele probleem van de mythen opgelost.
  4. Volgens de Nederlandse traditie zou de bovenste strook op de Peutingerkaart de Betuwe zijn. Naast de Betuwe ligt onmiskenbaar Noord-Frankrijk. Een overslag van ruim 300 km. treft men nergens anders aan op de Peutingerkaart, derhalve ook hier niet.
  5. Die overslag is niet aan te nemen, omdat belangrijke vindplaatsen van Romeins in BelgiŽ en Nederland, zoals Oudenburg of Maastricht, niet op de kaart staan. Bovendien missen we het noorden van Frankrijk op deze kaart, dat bij nadere beschouwing het "Nederlandse deel" blijkt te zijn.
  6. De hele Peutingerkaart is een sterk vertekende afbeelding van het Romeinse Rijk. De kaart is 34 cm hoog en bijna 7 meter lang en kon opgerold meegenomen worden op reis. Slechts de Betuwe zou het enige niet vertekende deel van de kaart zijn, immers het heeft in verhouding de juiste afmetingen op de kaart.
  7. Tegenover de mond(en) van de Renus ligt Kent in Engeland, precies zoals de schriftelijke bronnen dat vermelden. Het is uitgesloten dat hier de Rijn, die uitstroomde bij Katwijk, bedoeld zou kunnen zijn.
  8. De z.g. Limes Germanicus, de grens van het Romeinse rijk tussen, de naam zegt het al, de Germanen en GalliŽ lag nagenoeg op de plaats van de huidige taalgrens. Na het midden van de 3e eeuw verschijnen talloze berichten over versterkingen en uitbreiding van deze "Limes". De Romeinen waren toen reeds uit Nederland vertrokken. Plaatsing van deze versterkingen en deze Limes in het midden van Nederland is even absurd als de taalgrens er te willen plaatsen.
  9. Boven de Renus woonden Germaanse stammen, zoals de Chamavi (qui est Franci=die Franken zijn), de Aplivarii, de Cherustini en de Haelu. Deze stammen hebben nooit in Nederland ten noorden van de Rijn gewoond, maar woonden in Noord-Frankrijk.
  10. Het op de kaart genoemde Noviomagi wordt algemeen voor Nijmegen gehouden. Dat zou de enorme en absoluut onaanvaardbare consequentie inhouden dat Noyon, de koninklijke stad, een van de Civitates van het Romeinse Rijk, aan een knooppunt van minstens 7 wegen, gelegen aan de koningsweg van Rome naar Engeland, tussen Milaan en Boulogne, tussen Reims en Amiens, dan niet op de kaart zou staan.
  11. Belangrijke en zekere vindplaatsen van Romeins in Nederland, zoals Maastricht, Elst en Utrecht ontbreken op de kaart. Onbeduidende vindplaatsen als Cuijk, Rossum, Blerick, Heel en Smeermaas zouden er wel op staan!
  12. Maastricht, waar toch heel wat Romeins gevonden is, staat niet op de Peutingerkaart. De Romeinse weg tussen Atuaca en Cortovallio passeert Maastricht zonder het te noemen, terwijl Maastricht een belangrijkere Romeinse plaats was dan Tongeren of Heerlen. Daarom mag getwijfeld worden aan de locaties Tongeren voor Atuaca en Heerlen voor Cortovallio. Beide determinaties kunnen dan ook als foutief beschouwd worden: zie de uitgave "Peutingerkaart en Itinerarium Antonini van Frans Vlaanderen" van Albert Delahaye.
  13. Evenmin staat Elst, waar toch een (dubbele) Romeinse "tempel" is gevonden, waaruit op te maken is dat Elst een belangrijke Romeinse plaats is geweest, op de Peutingerkaart.
  14. In Romeins Nederland zijn slechts drie opgravingsobjecten (Utrecht, Vechten en Nijmegen) gevonden die men de titel van stad zou kunnen geven en geen 17 zoals de kaart wel dwingend illustreert.
  15. Nergens is bij opgravingen langs de Rijn een naam gevonden van de onderhavige plaats, behalve in Utrecht en Vechten. De gegeven namen van de verschillende opgravingslocaties heeft men afgeleid van de Peutingerkaart. Men heeft met de Peutingerkaart bewezen wat juist bewezen had moeten worden zonder die kaart.
  16. Utrecht droeg met zekerheid de naam Albiobola en niet de naam Trajectum. In tegenstelling tot hetgeen Van Es beweerde in "De Romeinen in Nederland", was er wel degelijk een echte colonia in Nederland. Utrecht droeg immers de naam "Colonia Albiobola Batavorum", een naam die eveneens in de Utrechtse bodem is teruggevonden. (Zie C.W. Vollgraff, Romeinse inscripties uit Utrecht, 1929). Dit gegeven zal men echter tevergeefs bij andere historici of archeologen zoeken, daar het de totale Nederlandse traditie omver kegelt, immers in het Romeinse Trajectum stichtte St.Willibrord zijn bisdom. Het is onaannemelijk dat Utrecht, dat na Nijmegen -gezien de archeologische vondsten- de belangrijkste Romeinse plaats is geweest in Nederland, niet op de Peutingerkaart staat. Dus is de Peutingerkaart niet van Nederland.
  17. Het is uitgesloten dat die Bataven in Utrecht dat buiten de Betuwe ligt een Colonia gesticht zouden hebben, als de Betuwe hun woongebied zou zijn geweest. Het is eveneens uitgesloten dat de Bataven in Nijmegen, dat ook buiten de Betuwe ligt, een Colonia gesticht zouden hebben als de Betuwe hun woongebied zou zijn geweest.
  18. De Peutingerkaart stamt uit het eind van de 4e eeuw, toen de Romeinen Nederland reeds meer dan een eeuw verlaten hadden. Het is uitgesloten dat er op een Romeinse wegenkaart nog een stuk prijsgegeven gebied zou hebben staan. De originele kaart is in elk geval getekend na het jaar 328, want de kaart noemt Constantinopel, dat in dat jaar gesticht werd.
  19. Boven het gedeelte waar Nijmegen zou liggen staat het opschrift "Francia" en daartoe heeft Nijmegen of welk deel van Nederland dan ook, nooit gehoord. Het gebruik van het woord Francia geeft overigens ook aan dat de kaart van eind 4e eeuw / begin 5e eeuw is. Ook de historici die Francia niet als opschrift maar als landstreek beschouwen, komen er niet verder mee. Ook al zou het een landstreek zijn, dan nog kan het niet op Nederland slaan, immers de Franken zaten in de 4e eeuw wat de Nederlandse traditie betreft tot ver ten zuiden van de Renus.
  20. Nijmegen ligt op de kaart aan de verkeerde kant van de Phatabus, wat volgens de Nederlandse traditie de Waal zou zijn. Daarom maken enkele historici van de Patabus ook de Maas, wat overigens geheel foutief is.
  21. Van de 17 plaatsen op de Peutingerkaart in Patavia afgebeeld, ligt er in de Nederlandse determinatie slechts ťťn in de Betuwe. Vandaar dat men dan Zuid-Holland en het land van tussen Maas en Waal gemakshalve ook maar tot de Betuwe rekent. Als je de Betuwe maar breed genoeg maakt, reikt het zelfs tot in Francia! Maar dan woonden de Caninefaten ook in Patavia, wat niet uit teksten af te leiden is.
  22. De "Brittenburg", een Romeinse vesting die momenteel in zee ligt, staat evenmin op de Peutingerkaart. Nu men van Lugdunum de Brittenbrg maakt natuurlijk weer wel, maar dan houdt men Katwijk en Leiden "over".
  23. De totale afstand van de twee Romeinse wegen in ons land is veel te groot. De weg Lugdunum - Noviomagus meet 74 mijlen ofwel 165 km, De afstand hemelsbreed van de kust naar Nijmegen is 110 km. Had de weg inderdaad dŠŠr gelopen, dan had men heel wat afwijkingen van de rechte lijn moeten maken. Een bewijs dat de weg niet in Nederland past, want men heeft deze weg in Nederland altijd nagenoeg recht langs de Oude Rijn gerecontrueerd.
  24. De onderste weg past met 88 mijlen ofwel 196 km evenmin tussen de kust en Nijmegen. De weg is liefst 76 km te lang, teveel zelfs voor de "omweg" via Voorburg en Rossum.
  25. Hetzelfde geldt voor de 2 wegen van Noviomagus naar Agripina, in de Nederlandse traditie Nijmegen en Keulen. De bovenste weg, waar ťťn afstand tussen 2 plaatsen zelfs ontbreekt, geeft de kaart een totaal van 206 km. De onderste weg geeft een totaal van 252 km. terwijl de afstand Nijmegen Keulen ca. 150 km bedraagt. En dat terwijl de Peutingerkaart eerder de neiging heeft te weinig dan te veel kilometers te geven. Het is wel duidelijk dat beide wegen daar niet gelopen hebben.
  26. Colonia Trajana en Veteribus worden in de Nederlandse traditie beiden als Xanten opgevat, terwijl er een afstand van 40 mijlen ofwel ruim 80 km. tussen ligt. Zo raak je de overtollige kilometers (zie vorige opmerking) wel snel en makkelijk kwijt. Echter dit heet geen wetenschap, maar gesjoemel.
  27. J.H.F.Bloemers e.a. slaat in het boek "Verleden Land", Archeologische Opgravingen in Nederland (1981) de onderste weg "gemakshalve" over. Dat overslaan was en is wel vaker de algemene werkwijze van de Nederlandse historici en archeologen. De feiten die de traditie tegenspreken niet noemen en voor het publiek verborgen houden, is al langer het grootste probleem bij het vaststellen van de juiste geschiedenis van ons land.
  28. Van de onderste weg wordt overigens geen enkele determinatie gegeven die voor stad zou kunnen doorgaan en die bevestigd wordt door de archeologie. Men heeft in historisch Nederland dus altijd geschermd met een "halve" Peutingerkaart.
  29. Tot verbijstering van velen heeft men ook nooit een Romeinse weg aangetroffen waar die volgens de kaart wel gelopen zouden moeten hebben. Vanuit Nijmegen zouden minstens 4 wegen gelopen moeten hebben. Ze zijn nooit gevonden. Het korte stukje Romeinse weg dat in Leidsche Rijn is gevonden, weerlegt dit evenmin. Immers tussen de Romeinse plaatsen die in Nederland gelegen hebben en gevonden zijn, zal ook zeker een weg gelegen hebben. Echter dit was geen weg van de Peutingerkaart.
  30. Ook van de 2 wegen die gelopen zouden hebben tussen Nijmegen en Keulen, heeft men geen meter teruggevonden, niet in Nederland, evenmin in Duitsland.
  31. Etymologisch is er geen verband aantoonbaar tussen de verschillende Romeinse en tegenwoordige namen van Katwijk, De Woerd, Roomburg, Alphen, Zwammerdam, Woerden, Vechten, Wijk bij Duurstede, Kesteren, Meinerswijk en Arentsburg.
  32. De vignetten in het zogenaamde Nederlandse gedeelte op de Peutingerkaart vinden geen bevestiging in de gevonden archeologische relicten. Bij Nijmegen zou dat nog te verdedigen zijn, bij Lugdunum (Katwijk?) en Praetorium Agrippina (Valkenburg) is dat niet aannemelijk te maken. Praetorium Agrippina staat als grote badplaats aangeduid. Daarvan is bij Valkenburg geen enkele sprake geweest. Er is geen bron, en zeker geen warme bron, te bekennen. Er is ook nimmer een badgebouw, of resten daarvan, gevonden.
  33. De onvindbare plaatsen Flenio, Tablis, Caspingio, Grinnibus en Ad Duodecimum zijn evenveel bewijzen tegen de Nederlandse opvatting.
  34. Evenmin is het bestaan van de Romeinse plaatsen in de 4e eeuw aangetoond. Sterker, het staat archeologisch vast (zie Van Es, De Romeinen in Nederland blz. 52, 80, 82, 100, 116, 121, 125, 127, 131, 228, 232, 243, 257 ) dat deze plaatsen niet meer bestonden na 270. Plaatsen die niet meer bestaan, zullen ook niet op een wegenkaart gestaan hebben.
  35. De determinatie van Maurik als het antieke Manaricium, dat overigens niet op de Peutingerkaart staat, is "bewezen" met een "aangespoelde" bronzen emmer die uit de Rijn is opgebaggerd. Verder is er niets Romeins gevonden. Deze determinatie illustreert het niveau van de Nederlandse archeologie: aangespoeld!
  36. Indien de weg van Maurik over Kesteren naar Xanten liep, dan rijst de vraag waarom aan deze weg, die in het Itinerarium Antonini genoemd wordt, dan Nijmegen, dat toch een belangrijke plaats was, ontbreekt. Ergo liep de weg van Mannaricium naar Vetera niet door Nederland of Duitsland.
  37. De opgravingen te Velsen (I en II) passen ook niet binnen de aangenomen geschiedenis in Nederland van de Peutingerkaart.
  38. Evenmin past Castellum Flevum, de tempelcomplexen te Domburg en Colijnsplaat, de Romeinse versterking bij Aardenburg, de Romeinse tempels te Elst of het marskamp bij Ermelo op de Nederlandse interpretatie van de Peutingerkaart.
  39. Over de volkeren die op de Peutingerkaart ten noorden van de rivier de Renus worden genoemd (Chamavi, Cherustini, Aplivarii en Haelu(sii)), heeft men in Nederland altijd wazig gedaan. Enkele van deze volkeren heeft men in Noord- en Midden-Duitsland geplaatst, echter zonder deze determinatie toe te lichten. Meestal werden deze volkeren verzwegen. Deze volkeren waren respectievelijk de bewoners van Camphin, Chťrisy, Haplincourt en Halluin of Hellusii (bij Lens).
  40. Het blijft ook opvallend dat de verschillende historici en archeologen steeds eigen determinaties hebben van plaatsen die op de Peutingerkaart worden genoemd. Van Castra Herculis bestaan zelfs 24 verschillende locaties in Nederland, allen "bewezen" met "doorslaggevende" argumenten. De Belgische "traditie" komt ook niet overeen met de Nederlandse. Zo wordt Feresne (aan de weg van Noviomagus naar Agripina) in Nederland opgevat als Smeermaas (dat in BelgiŽ ligt), terwijl de Belgische traditie er Dilsen van maakt.
  41. Alle wegen op de Peutingerkaart lopen van oost naar west. Dat leek ook mooi te passen met de 2 wegen in de Patavia en de Nederlandse Betuwe. In werkelijkheid liepen wegen natuurlijk ook van noord naar zuid. Dat is aan te tonen allereerst met de logica (nergens ter wereld lopen immers alle wegen in een land van oost naar west) en met zekere determinaties zoals de weg van Bavay (Bacaco) naar Reims (Durocorturo), die op de Peutingerkaart van west naar oost loopt, maar in werkelijkheid van noord naar zuid. Er zijn meerdere voorbeelden te geven. Ook de wegen in de Patavia hebben in werkelijkheid natuurlijk niet alleen van oost naar west gelopen.
  42. Kort na het jaar 250 na Chr. zijn de Romeinen abrupt en spoorloos uit Nederland verdwenen, welk einde van de Romeinse occupatie afdoende door de archeologie wordt bevestigd. Geheel aanvaardbaar is, dat bijvoorbeeld te Nijmegen en te Xanten af en toe nog een Romeinse post heeft gelegen; in het laagland van Nederland echter was de Romeinse bezetting definitief ten einde. Daarna blijven bij de klassieke schrijvers de berichten doorgaan over de Bataven, de Frisones, de Vahalis en de Renus. Niet dat deze namen een enkele keer per toeval worden genoemd, maar in die zin dat de bemoeiÔenis van de Romeinen met de Bataven en de Frisones op gelijke manier als voordien blijkt voort te gaan, zonder dat ook maar de geringste opmerking wordt gemaakt dat zich iets zou hebben voorgedaan. In Nederland had zich inderdaad iets voorgedaan, namelijk de inname van het land door een grote overstroming, die er met op- en neergangen zou gaan voortduren tot in de 10e eeuw. Het heeft de Romeinen zó weinig geraakt (in het gehele rijk was dit niet van belang) dat ze er niet eens een bericht over gegeven hebben. Er zijn bewijzen genoeg dat de Bataven, de Frisiones, de Renus en de Vahalis vóór de 3e eeuw niet in Nederland geplaatst kunnen worden; het volhouden van die mythen tussen de 3e en de 10e eeuw is geen vergissing doch een volkomen ontkennen van de heldere feiten van de archeologie, stratigrafie en het meest elementaire bronnenonderzoek.

    Bekijk onderstaande kaart van de "Verspreiding van Romeinse Villa's in BelgiŽ" . Het blijkt dat van de ruim 300 villa's er slechts een 30 boven de taalgrens liggen. Dat is nog geen 10%. Het gebied boven de taalgrens in BelgiŽ sluit feilloos aan bij de situatie in Nederland waarin slechts een 25-tal villa's teruggevonden zijn. De taalgrens (op de kaart de lijn -l-l-l-l- ) bevestigt het gelijk van Albert Delahaye op een onmiskenbare en niet te weerleggen wijze.



    Kaart uit "De Romeinsche villa's in BelgiŽ", Dr. R. de Maeyer, Antwerpen, 's Gravenhage 1937.
    Klik op de kaart voor een vergroting.

Voor de gegevens van de Nederlandse traditie op deze bladzijden is gebruikt gemaakt van de volgende bronnen. Waar de bronnen elkaar tegenspreken is dat vermeld.
De onderstreepte titels zijn als de belangrijkste bronnen gehanteerd. Bij de laatstgenoemde publicatie wordt ook verwezen naar de website www.limes.nl. Iedereen die moeite heeft met de visie van Albert Delahaye raad ik aan deze website eens te bezoeken en de informatie kritisch te lezen. Bij belangrijke plaatsen die op de Peutingerkaart staan, is de determinatie trefzeker omschreven met "alles is weggespoeld". De plaats heeft volgens de informatie dus wel bestaan, maar er is niets van teruggevonden, want alles is weggespoeld. Op grond waarvan men dan weet dat die plaats bestaan heeft en hoe men ooit tot die bepaalde determinatie gekomen is, wordt maar niet vermeld.

Op de website www.limes.nl wordt de Limes als volgt geintroduceerd: "De Nederlandse Limes, ooit onderdeel van de noordgrens van het Romeinse Rijk, is nu het grootste archeologische monument van Nederland. Onzichtbaar, sluimerend in het landschap, deels verwoest of weggespoeld in de drassige Hollandse bodem".

Ook in andere publicaties is het verhelderend wat men wel, maar vooral wat men niet noemt.
R.H.J.Klok noemt van de plaatsen langs de "Limes", de bovenste weg op de Peutingerkaart, slechts Katwijk, Valkenburg, Zwammerdam, Utrecht en Nijmegen. Van de onderste weg noemt hij alleen Voorburg. De overige 11 (elf.) plaatsen van de Peutingerkaart slaat hij gemakshalve maar over. Bloemers (e.a.) noemt van de plaatsen langs de "Limes", de bovenste weg op de Peutingerkaart slechts Valkenburg, Zwammerdam, Nijmegen, Van de onderste weg noemt hij alleen Rijswijk (Z.H.), De overige 13 (dertien.) plaatsen slaat hij over.

Dit "overslaan" is wel meer de gebruikelijke werkwijze van historisch en archeologisch Nederland. Zo overtuigend is de Nederlandse determinatie dus niet.
Terug naar boven.