Terug naar de lijst Naar het overzicht in het kort.

Praetorium Agrippinae = Valkenburg Elinghen

Praetoriom Agrappinae is waarschijnlijk Valkenburg bij Leiden, niet Arentsburg bij Voorburg.
(Bron: Katholieke Encyclopedie, 1954, deel 20, kolom 415.)


Praetorium Agrippinae was een belangrijke Romeinse badplaats (zie het vignet op de Peutingerkaart, zie afbeelding hierboven) en was tevens een grote vesting- en garnizoensplaats en bestuurscentrum, waarvan bij alle opgravingen in Valkenburg nooit iets is gebleken.

Aanwijzingen voor bewoning in de 4de eeuw zijn in de hele vicuszone niet gevonden.
De identificatie van Valkenburg-De Woerd met het complex Praetorium Agrippinae bezit nog een sterk hypothetisch karakter. (Van Es, o.c.p.82).

Dat Praetorium Agrippinae op Valkenburg slaat, kan haast niet missen (Van Es, o.c.p.80).

Het berichtje is een schot in de roos voor de opvatting van Delahaye. De noordgrens is zeker betwist of liever gezegd het is duidelijk dat die noordgrens enkele honderden kilometers zuidelijker ligt dan de archeologen en historici ons willen doen geloven. Dat van het jonge "kanonnenvoer" niets is teruggevonden is duidelijk. Dat kanonnenvlees zat aan de echte Limes Germanicus en die lag waar nu de taalgrens in België ligt.
Conclusie: 'Tabula rasa' met de limes in Nederland, ofwel begin maar opnieuw met alles te onderzoeken en vast te stellen.
De visie van Albert Delahaye.
In de visie van Albert Delahaye is Praeterium Agrippinae de Franse plaats Elinghen, op 7 km. van Leulinghen (Lugdunum) wat overeen komt met de gegevens van de Peutingerkaart.


De Nederlandse traditie.
Het castellum Valkenburg is in 15 campagnes sinds 1941 grotendeels opgegraven en behoort tot een van de meest onderzochte castella van Europa. Het dateert van vermoedelijk 40 n.Chr. en heeft bestaan uit 6 of 7 perioden. De laatste periode dateert van omstreeks 178 na Chr en had een omvang van 120 bij 140 meter, ofwel de oppervlakte van een flinke boerderij. Van een stad is helemaal geen enkele sprake.
Praetorium Agrippinae van de Peutingerkaart was een belangrijk Romeinse badplaats (zie het vignet op de kaart en de afbeelding hiernaast) en was tevens een grote vesting-, garnizoensplaats en bestuurscentrum, waarvan bij alle opgravingen in Valkenburg nooit iets is gebleken.
Van Es (o.c., p. 80, 82, 116) presenteert aarzelend De Woerd als kandidaat, doch eerlijk erkent hij dat deze determinatie archeologisch uiterst zwak staat. "Maar het kan toch wel waar zijn", besluit hij, wat nogal laconiek en weinig overtuigend klinkt uit de mond van de (voormalig) directeur van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodenonderzoek (R.O.B.).

Vroeger werd aangenomen dat met het binnenvallen van de Franken in de tweede helft van de 3de eeuw een deel van de castella aan de Nedergermaanse limes, vooral die ten westen van Nijmegen, verwoest en opgeheven werden. Intussen kijkt men daar iets genuanceerder tegen aan. Van invallende Germaanse stammen is in Nederland nooit iets aangetoond. Dat was ook niet mogelijk want ten noorden van de Rijngrens woonden (volgens de -foutieve- traditie) de Friezen langs de kust en verder was Nederland onbewoond.

Er is door de Nederlandse historici nooit een aannemelijke verklaring gegeven, waarom een Limes tegen invallen van Germaanse stammen langs de Nederlandse Rijn nodig geweest zou zijn. Er viel in Nederland immers geen enkele inval vanuit het noorden te vrezen. Ten noorden van de Romeinse plaatsen in Zuid-Holland en Utrecht bestond Nederland uit één groot veenmoerassen en waddengebied (zie Van Es, o.c. p.19 en het kaartje hiernaast. Klik op het kaartje voor een vergroting). De in Noord-Holland, Friesland en Groningen vermeende Friezen hadden met de Romeinen in 12 v. en 47 na Chr. verdragen gesloten, waardoor elke dreiging geëlimineerd was (Byvanck, o.c.p.199 en 206-219). Ten noorden van de Rijn in Gelderland, was het één groot leeg gebied, waar zelfs geen enkele bevolking aanwezig was. "Opvallend is ook dat tot nu toe niemand ooit een stamnaam met de Veluwe of de Utrechtse Heuvelrug verbonden heeft", schrijft Van Es (o.c.p.31). "In het oosten van Nederland woonde geen enkele stam waarvan wij de naam weten, schrijft Byvanck (o.c.p.218). Immers had er een stam gewoond die voor de Romeinen een dreiging geweest zou kunnen zijn, dan had men de naam wel geweten. Bechert (o.c.p.15) vermeldt dat de rechter Rijnoever tot wel 3 km. onbewoond was.
Alle Germaanse stammen waarmee de Romeinen voortdurend in conflict waren, worden door de traditionele historici ten oosten van de Rijn in Duitsland geplaatst. En juist in het Duitse deel van de Rijn, met name tegenover de Lippe en de Ruhr, was de grens maar matig bezet met slechts drie castella, te weten Xanten, Alt-Kalkar en Moers-Asberg. Over de Rijngrens tussen Alt-Kalkar en Moersbergen, een afstand van 128 km (volgens opgave van de Peutingerkaart; in werkelijkheid slechts 47 km., waarmee meteen aangetoond is dat de Peutingerkaart hier niet past) lagen slechts deze drie castella. Over de hele Nedergermaanse grens vanaf Katwijk tot Remagen, een afstand van 350 km, bestond de grensbewaking aanvankelijk uit 6 legioenen, aan het eind van de eerste eeuw uit slechts 2 legioenen (is 12800 man), een aantal dat daarna constant bleef (Bechert, o.c.p.20-21; op p.23 noemt Bechert een aantal van 21.000 aan het begin van de 3e eeuw). De Romeinen vreesden blijkbaar geen invallen van allerlei Germaanse stammen aan de grens langs de Rijn, want met 21.000 man over 350 km. houd je geen volksverhuizingen tegen. Bovendien is het vreemd dat juist ná de Opstand der Bataven het aantal legioenen aan de Rijngrens werd verminderd. Opvallend is verder dat er in Nederland ten zuiden van de rivieren weinig tot niets was dat tegen die vermeende aanvallen beschermd had moeten worden. De Romeinse overblijfselen in Zuid-Nederland zijn sporadisch en bestaan vaak uit niet meer dan de resten van één enkele boerderij (villa). We zijn hier even sec van de Nederlandse traditie uitgegaan, waarbij de onlogica meteen al voor zich spreekt.

De forten aan de Beneden-Rijn, tussen de afsplitsing van de Waal en de kust, zijn op zijn laatst ten tijde van het opheffen van het Gallische rijk (274) en de komst van de Franken rond 275 verlaten. Ook zijn er (volgens enkele historici) ook bewijzen dat minstens een deel van deze militaire kampen zoals bijvoorbeeld Meinerswijk (bij Arnhem), Utrecht en Valkenburg in de 4de eeuw opnieuw in gebruik genomen zijn. (Bechert o.c. p.26/27).

De oorzaak voor het verlaten van dit deel van de Rijnoever moet niet gezocht worden in het binnenvallen van de Franken, maar in de toenemende wateroverlast. Aanwijzingen voor bewoning in de 4de eeuw zijn in de hele vicuszone niet gevonden. (Bechert o.c. p. 95, waarbij Bechert zijn eerdere conclusie -zie vorige alinea- dus tegenspreekt)

Dr.L.P. Louwe Kooijmans noemt op p.72 niet Valkenburg, maar "bij Katwijk" als de locatie van Praetorium Agrippinae. Hoe hij tot die locatie komt wordt niet vermeld.
Overigens "vertaalt" hij Patabus met Maas, terwijl men er in Nederland doorgaans de Waal voor aanziet.
Uit bovenstaande determinaties mag blijken dat de Nederlandse interpretaties allerminst "een traditie sinds de Romeinen" zijn, zoals prof. Hugenholtz eens meende te moeten uitroepen!

De vondst van een grafveld in Valkenburg werd in 1985 breed uitgemeten in de pers. Er werd één familiegraf (vader, moeder, kind) gevonden. Daarmee werd meteen verondersteld dat het 1. om Romeinen ging en dat 2. soldaten wel degelijk ook trouwde, ook al was dat in het Romeinse leger niet toegestaan. Op grond van bijgiften dateerde men dit graf op de 4e eeuw. Met hetzelfde graf wil men tevens bewijzen dat daarmee ook 3. het bestaan van een nederzetting is aangetoond en 4. dat Valkenburg in de 4e eeuw nog bestond. Dit was vooral bijzonder omdat tot nu toe algemeen werd aangenomen dat de Romeinse nederzettingen langs de Rijn allen in de derde eeuw werden ontruimd.
Om op grond van één graf vier (zie de nummering hierboven) zulke verregaande conclusies te trekken is de archeologie eigen. Men wil kost wat kost bewijzen wat in de traditie wordt beweerd. Mar dat ene graf komt niet overeen met de belangrijke badplaats die Praetorium Agrippinae gezien de Peutingerkaart was. Dat ene graf doet meer denken aan "die ene zwaluw....".