Terug naar de lijst Naar het overzicht in het kort.

Cevelum = Cuijk Chevilly

Voor Cevelum heeft men in Nederland 3 locaties: Gennep, Sevenum of Cuijk.
De meeste historici houden het nu op Cuijk, omdat daar Romeinse resten zijn aangetroffen.

Om de naamkundige continuïteit te 'bewijzen' werd het Cevelum op de Peutingerkaart 'gelezen' als Ceuclum.
Echter, de naam van Cuijk is niet afgeleid van Ceuclum, maar van Kuuk. Zie artikel van Hans Borghmans, elders op deze pagina.

Wat staat er op de Peutingerkaart?
Het Romeinse Cuijk heeft volgens prof.J.E.Bogaers zeer waarschijnlijk in werkelijkheid Ceudiacum geheten, wat een emendatie was van B.H.Stolte, die het in Ceudiaco 'verbeterde' (Brabantia, VI, 1957 en in: Mededelingen van de Vereniging voor Naamkunde 39, 1963, 95).
Het hanteren van de naam Ceudiacum is een volgend bewijs dat de Peutingerkaart niet over Nederland gaat.

Volgens Gysseling moet men lezen: Ceucium!
Volgens M.Schönfeld heeft Cuijk in de Romeinse tijd Cudiacum geheten.

Hoe dat etymologisch in elkaar steekt geeft geen van de hierboven genoemde 'historici' echter aan. Daar moet men dan maar naar blijven raden. Wat zeker is dat de eerste -C- als een -S- uitgesproken diende te worden. Je spreekt het dus uit als [Se-ju-klum]. Waar blijf je dan met de etymologie van Kuik? Of moeten we de plaats voortaan Suik noemen?
En hoe de -e-u- klank een -ui- klank is geworden, wordt ook nergens toegelicht.

Er is in Cuijk of verre omgeving overigens geen enkel bewijs gevonden voor de determinatie met Ceuclum of beter gelezen: Cevelum.


Is de derde letter van deze naam een u of een v? En is die 4e letter een c of een e?
Als hierboven Ceuclum gelezen wordt, dan staat hieronder Nouiomagi en geen Noviomagi.

en dan staat hieronder Caruone en geen Carvone.


En dat er CEVELUM gelezen moet worden bewijst De Kroniek van Nymegen, waar op p.25 staat: "Waarheen leidden de 4 hoofdwegen die in Noviomagus samenkwamen? De tweede naar Maastricht over Mook, waar hij de Maas passeerde, over Cuyk (Cevelum)".

Opvallend blijft dat vooral de oudere historici het bij Cevelum blijven houden. Zie Dr.H.J.Keuning (p. 32 in 'De Historisch-Geografische landschappen van Nederland').
Keuning noemt dan wel Cuyck? maar plaatst er wel een ? bij, waaruit blijkt dat hij het met die determinatie niet eens is.
Ook A.J.van der Aa schrijft in zijn Geografisch Woordenboek (1841) CEVELUM. 'Sommigen willen haar in het tegenwoordige Gennep wedervinden, anderen meenen dat zij gelegen heeft waar men thans Cuyk aantreft, naam en ligging pleiten echter voor het dorp Sevenum', schrijft hij in het derde deel op p.64.

De brugpalen uit de 4e eeuw die er gevonden zijn geven geen bevestiging van de Nederlandse limes, die immers uit de 3e eeuw stamt. In de 4e eeuw waren alle Romeinse plaatsen ten westen van Nijmegen door de Romeinen verlaten en van de kaart verdwenen.

Opvallend is dat historicus Kreijns, die doorgaans niet de traditionele routes volgt van de bovenste wegen op de Peutingerkaart, het hier toch over CEVELUM heeft, ook al is dat bij hem traditioneel Cuyk (met -y- in plaats van -ij-!). Wat de lezing van de klassieke naam betreft, krijgt Albert Delahaye van hem dus al gelijk.

Opvallend is bovendien dat Cuijk enkele sportverenigingen en bedrijven heeft die de naam Cevelum dragen. Zou het toch zo zijn dat de gewone bevolking de geschiedenis beter kent, dan de professionele historici?
Ook de Gemeente Cuijk zelf heeft het over Cevelum en op de website van de "Historische Cartografie" lees je ook Cevelum. Waarom heeft Bogaers het dan over Ceuclum? De beste man spreekt zichzelf tegen met Ceudiacum.
De visie van Albert Delahaye.
De naam Cevelum op de Peutingerkaart heeft men in Nederland altijd graag gelezen als Ceuclum om er vooral maar Cuijk van te kunnen maken. Een etymologisch gruwel om van een Romaanse naam een Germaanse te willen maken. Er liggen minstens 10 eeuwen zonder historische continuïteit tussen het Romeinse en het middeleeuwse Cuijk, zodat van enig etymologisch verband geen enkele sprake kan zijn.
Op de Peutingerkaart staat evenwel heel duidelijk Cevelum wat de Franse plaats Chevilly is. Deze verklaring van de schrijfwijze wordt over de hele kaart bevestigt. Twee voorbeelden: vlak naast Cevelum staat de plaats Nouiomagi waar Noviomagi gelezen wordt en Caruone waar gewoon Carvone staat.
Elke beginnend gymnasiast weet immers dat in het Latijn de schrijfletter -V- en -U- naast en door elkaar gebruikt werden. Kijk maar eens op opschriften op graf- en gedenkstenen en Romeinse monumenten, waar duidelijk een -V- staat waar het een -U- betreft. Een rechtlijnige -V- beitelt nu eenmaal makkelijker dan de bocht in de -U-.


Het is opvallend dat de historici in de 19e eeuw ook steeds CEVELUM schrijven en geen CEUCLUM, zoals dr.Conradus Leemans. Zie ook hieronder A.J.van der Aa. Zij bevestigen de visie van Albert Delahaye. Pas nadat men Cevelum is gaan opvatten als Cuijk, maakte men er Ceuclum van. Zo werkt historische geografie in Nederland. Als de plaatsnaam niet overeenkomt met de gewenste plaats, wordt deze 'gewoon' aangepast. Hetzelfde zien we bij Flenio, waarbij men zonder blikken of blozen Fectio maakt. Dat paste immers beter bij Vechten!
Ook andere onderzoekers van de Peutingerkaart schrijven Cevelum, zoals J.Kreijns in 'Het Traiectum van Antonini en de Peutingerkaart'.
De naam Mose tussen Noviomagi en Ceuelum heeft men altijd opgevat als de rivier de Maas. Maar het tweemaal genoemde Mose duidt niet een rivier aan maar de plaatsen Mézières-sur-Oise en Mouzay.

De Nederlandse traditie.
Het op de Peutingerkaart genoemde CEUELUM heeft men in Nederland altijd opgevat al Cuijk (Van Es, o.c. p. 110, 116-117, 122-123, 158), hoewel de op de kaart gegeven afstand (3 mijl=7 km) de helft te kort is. In werkelijkheid is de afstand tussen Nijmegen en Cuijk ruim het dubbele: 15 km. Die afwijking heeft men steeds als een "schrijffout" gezien (Bechert, o.c.p.72), immers de huidig bekende kaart is een kopie. Misschien stond er oorspronkelijk wel VII in plaats van III. (zie opmerking 1). Bechert stelt dan ook dat de identificatie "Ceuclum" met Cuijk onbetwist is en de afstand zal dus een schrijffout zijn. (Opmerking 2).
De discussie over de schrijfwijzen van Cevelum (zie hiernaast) heeft in het verleden bizarre vormen aangenomen. Aanvankelijk las iedereen hier Cevelum. Zie o.a. Het aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa. Hieruit blijkt dat men in 1841 nog gewoon Cevelum las. Er waren toen door historici 3 locaties aangewezen: Gennep, Cuyk en Sevenum. Naam en ligging pleitten toen voor Sevenum.
Halverwege de 20e eeuw kwam een enkele historicus met de opvatting dat er Ceuclum gelezen moest worden, aangezien dat etymologisch beter op Cuyk aansloot. Die opvatting leek bevestigd te worden met de archeologische vondsten.
Het castellum te Cuijk werd aangelegd in de tijd van Claudius (41-54 n.Chr.), waar bij een belangrijke oversteekplaats in de Maas een stenen brug werd gebouwd; de heipalen daarvan dateren uit circa 339. Het schijnt dat rond die tijd in alle nog bestaande militaire nederzettingen langs de limes nog op aanzienlijke schaal bouwactiveiten plaatsvonden. (Bechert o.c.p.26,27,72). Zie opmerking 3.

Het castellum dat onder Claudius is gebouwd, kan tot het einde van de 1ste eeuw bestaan kan hebben. Blijkbaar vond men deze plaats van zo'n strategisch belang tijdens de uitbouw en herstel van de limes, dat hier een compleet castellum is aangelegd.
Over de bezetting is niets met zekerheid bekend en in de 2de eeuw werd het terrein overbouwd met onder meer een tempelcomplex dat tot de vicus behoord moet hebben. Toch zal er bij dit belangrijke knooppunt in deze periode ten minste één statio gelegen hebben. Een dakpanstempel van de exercitus Germanicus inferior is de enige aanwijzing daarvoor en het is best mogelijk dat de statio iets ten noorden van Cuijk lag, bij het gehucht Karwijk.
Met één dakpanstempel wil men blijkbaar twee eeuwen geschiedenis "bewijzen".

Waarschijnlijk is hier in de 2de-3de eeuw een oversteekplaats in de Maas geweest. In de 4de eeuw lag die oversteek, in de vorm van een stenen brug, bij Cuijk. Het bestaan daarvan was bekend, maar een grootschalige onderwater-opgraving in 1992-1993 heeft voor het eerst een goed beeld opgeleverd. In de 4de eeuw naar het schijnt onder Constantijn de Grote, werd in Cuijk opnieuw een fort gebouwd. De stenen brug, waarvan alleen losse stenen en eikehouten heipalen zijn teruggevonden, is echter uit later tijd. Dendrochronologische dateringen hebben een bouwdatum rond 339 aangetoond. Zie opmerking 4. De brug bestond uit ten minste acht pijlers van 17 x7 m, op onderlinge afstanden van 19,2 m. De totale lengte met bruggehoofden was minstens 150 m. Het stroomdal van de ongekanaliseerde Maas uit de Romeinse tijd is zo breed, dat de totale oversteek wel 350 m lang geweest kan ziin. In een tweede fase, gedateerd onder Valentinianus I, werd het fort voorzien van een stenen muur met uitspringende ronde torens. Het verband met de grootschalige bouwactiviteiten van deze keizer rond 369 (Ammianus Marcellinus XXVIII, 2,1), is bevestig door de datering van brugpalen die bij grootscheepse herstelwerkzaamheden zijn geplaatst in de winter van 368-voorjaar 369. In het laatste decennium van de 4de eeuw werd nogmaals groot onderhoud aan de brug verricht. Zowel brug als fortificatie hebben zeker tot in de vroege 5de eeuw gefunctioneerd.
In directe relatie tot Cuijk staat de in 1964 en 1965 opgegraven burgus van Asperden aan het riviertie de Niers dat bij Gennep, op 4,5 km ren zuiden van Cuijk, uitmondt in de Maas. Deze versterking is gebouwd onder Valentinianus I en functioneerde tot in de 5de eeuw. Ze bestond uit een centrale toren van 15,6 x 15,6 m, omgeven door een muurvan 40 x 40 m met uitspringende, ronde torentjes en daarbuiten een dubbele spitsgracht.

Cuijk (volgens de Tabula Peutingeriana: Ceuclum) heeft zeer waarschijnlijk in werkelijkheid Ceudiacum geheten. (Bron: J.E.Bogaers)
Cevelum -want dat staat er- op de Peutingerkaart is dus niet de Nederlandse plaats Cuijk, maar het Noord-Franse Chevilly. Het Romeinse Cuijk droeg immers de naam Ceudiacum.

Volgens de bekende Tabula Peutingeriana heeft Cuijk in de Romeinse tijd Ceuclum geheten (wellicht te lezen als Cudiacum [M. Schönfeld], Ceudiaco, -cum [B. H. Stolte] of Ceucium [M. Gysseling]; zie B. H. Stolte in: Mededelingen van de Vereniging voor Naamkunde 39, 1963, 95); de nederzetting Ceuclum was gelegen aan de grote weg van Atua(tu)ca naar Noviomagi (Nijmegen?), dicht bij de plaats van een overgang over de Maas, op een afstand van 22 leugae of Gallische mijlen (1 leuga = 2.222 km) van Blariaco (Blerick) en van 3 (lees 6) leugae van Noviomagi. De afstand Cuijk Nijmegen komt niet overeen met die op de Peutingerkaart. Het ziet er naar uit dat het opgravingsterrein bij het begin van de Romeinse occupatie niet bewoond was. In de door Romeinse vondsten gekenmerkte grondsporen en -lagen komen slechts sporadisch "inheemse" scherven voor. Het begin van de bewoning in de Romeinse tijd moet naar het schijnt gedateerd worden omstreeks het midden van de 1ste eeuw na Chr. tijdens de regering van keizer Claudius (41-54). Wel is een gering aantal voor-Claudische munten uit Cuijk bekend, maar onder de vondsten bevindt zich geen Arretijnse terra sigillata of ander typisch Augusteïsch of (vroeg-) Tiberisch materiaal.
De vondst van enkele palen in de Maas bij Cuijk leidt bij Bogaers tot de volgende ontboezeming! Deze palen kunnen o.a. op grond van het niveauverschil, bezwaarlijk overblijfselen zijn van de laat-Romeinse wal. De kans bestaat dat ze behoord hebben tot een constructie van een Romeinse brug, maar het is ook heel goed mogelijk dat ze uit veel later tijd dateren en deel hebben uitgemaakt van een beschoeiing! (Bron: J.E.Bogaers)
Je vraagt je dan wel af waarop de opvattingen van Bogaers, die hijzelf weer ter discussie stelt, op gebaseerd zijn geweest. Je vraagt je dan ook af waarom Bogaers zo veel weerstand tegen de opvattingen van Albert Delahaye had. Of doorzag hij alle consequenties en verzweeg hij deze daarom? Of stond er een reputatie op het spel?

Cuijk, Cuyk, Ceuclum, Cevelum, Civicum, Kudik????
Wie de moeite neemt om met een vergrootglas op een goede foto-copie van de befaamde Peutinger kaart te zoeken zal vinden dat Cuijk geschreven kan zijn als CEUDICUM. Dat is een verlatijnse naam van KUDIK. KUDIK betekent gewoon: plaats waar het vee samengedreven kon worden op een 'diek', bijvoorbeeld bij hoog water van de Maas. Er ligt nog een plaatsje Kudik (ook aan een riviertje) net over de grens voorbij Hommersum. De uitleg van Cuijk via 'keukja', CEUCLUM (soms zelfs CEVELUM) snijdt geen hout.
Om misverstanden te voorkomen, hier nog een aanvulling op de naam CUIJK.
Om de juiste naam voor CUIJK terug te kunnen vinden, moet je natuurlijk niet zijn bij de huidige spelling en uitspraak. De oude dialectuitspraak van CUIJK was KUUK. Dat is de samentrekking van KUDIK. Zo'n samentrekking komt in het Nederlands van alle eeuwen voor en is heel normaal. KU is hier niet: koe, maar een verzamelnaam voor: vee. Men beweert wel eens dat in de dialecten van de Maasvallei een Keltisch substraatwerking aanwezig was. Misschien ook in sommige plaatsnamen. Daarom heb ik gezocht naar de klank 'koe' in de huidige Keltische talen. Komt niet voor, wel 'koo' en 'kei'. Bij het opstellen van de Wet op de Gemeentenamen in de vorige eeuw werden dialectnamen als 'primitief' ervaren en dus fout. Het wooord KUUK werd overgecorrigeerd en 'verbeterd' tot CUYK. Pas recentelijk werd het weer 'verbeterd' tot CUIJK.
Overcorrectie is ook een bekend taalverschijnsel. In het Cuijkse dialect, dat inmiddels is uitgestorven, werd de klank 'uu' soms overgecorrigeerd tot 'ui'. Zo kon men tot in de jaren vijftig vernemen dat de kinderen in Cuijk hun Eerste Heilige Commuinie deden. Dat is geen fantasie, want ondergetekende heeft dat zelf nog kunnen horen.
Hans Borghmans, Cuijknet.nl

Ceuclum of Cevelum?

De eerste vraag ten aanzien van de naam op de Peutingerkaart die men gebruikt voor Cuijk is: "Wat staat er op deze kaart?".
De meeste historici houden het op Ceuclum en wel omdat dat etymologisch beter aansluit bij Cuijk. Maar de amateur-historici en degene die echt kunnen lezen, houden het toch op Cevelum. Zie de uitleg van het waarom hiernaast.

Feit is dat sportverenigingen, de gemeente en een plaatselijke bierbrouwerij het ook op Cevelum houden (zie afbeelding hieronder). Blijkbaar lezen amateurs beter dan profs.
De tweede vraag is vervolgens: "Gaat het hier over een Nederlandse plaats?". Die vraag is hierboven door Albert Delahaye voldoende beantwoord. Het gaat om het Franse Chevilly, etymologisch gelijk aan Cevelum.


De tafeltennisvereniging in Cuijk heet:


Opmerking 1: Als historici slechts met beweringen over "schrijffouten" hun gelijk kunnen aantonen, staan ze dus zwak. De Peutingerkaart mag dan wel eens aantoonbare fouten bevatten, maar daarover bestaat geen discussie. Als die discussie wel bestaat kan een afwijkende mening nooit bewezen worden met een schrijffout. Dan wil men iets bewijzen zonder dat er enig bewijs voor is.
Opmerking 2: Als je de mening van historici die aan de traditionele visie twijfelen terzijde legt, is elke determinatie "onbetwist". Dat is nogal makkelijk. Zelfs Bogaers is het niet "onbetwist" eens met Bechert en de traditie, Cuijk heette wellicht Ceudiacum, stelt hij! (Zie opmerking 5).
Opmerking 3: Ook al is er Romeins gevonden in Cuijk, dan wil dat nog niet zeggen dat de plaats Cevelum heette. Daarvan is geen enkel bewijs gevonden. Welke nederzettingen hier bedoeld worden, is onduidelijk en in tegenspraak met de andere bewering dat alle castella langs de Rijn in Nederland rond 250-270 definitief verlaten zijn.
Opmerking 4: Met dendrologisch onderzoek kan aangetoond worden in welk jaar een boom gekapt is, niet wanneer het hout gebruikt is. Daar kunnen vele eeuwen tussen zitten, zeker bij hergebruikt materiaal, wat de mens nooit vreemd is geweest. Vergelijk het met de waterputten van Wijk bij Duurstede, waarbij door Van Es een vergelijkbare verkeerde conclusie werd getrokken. Wijntonnen met hout uit de 8e eeuw, gebruikt als beschoeiing van een waterput, dateert die put niet in de 8e eeuw! Wijntonnen worden immers eerst voor opslag en vervoer van wijn gebruikt, voordat ze afgeschreven in de grond verdwijnen als beschoeiing van een put.

In Museum Ceuclum in Cuijk wordt veel aandacht besteed aan de Romeinse periode. Vanaf circa 50 tot 400 na Christus stond hier het Castellum Ceuclum, gelegen aan de heerbaan Tongeren-Maastricht-Nijmegen. Aanvankelijk was het een uit hout en aarde opgetrokken vesting, die later in steen werd herbouwd.
Oud-Cuijkenaar, Prof. Dr. J.E. Bogaers, verrichtte in de 60-er jaren uitgebreid archeologisch onderzoek en reconstrueerde de verschillende periodes waarin het castellum bestond. Er zijn resten van muren, grachten en twee tempels aangetoond. In 1992-1993 hebben duikers de resten van een Romeinse brug geborgen.

Opmerking 5: Probeerde prof.dr.D.P.Blok zijn eigen dorp Nederhorst den Berg ook niet eens wat geschiedenis toe te schuiven met de Romaanse naam Attingahem? "Als je zo wat oude namen aan het uitdelen bent, kun je je eigen dorp natuurlijk niet overslaan", moet ook Bogaers gedacht hebben!