Terug naar de overzichtslijst Naar het overzicht in het kort.

Fletione = Vechten Fléchin

Flétione is onvindbaar in Nederland.

Met een altaarsteen uit Doornik wordt "bewezen" dat Vechten in de Romeinse tijd Fectio heette. En omdat Fectio niet op de Peutingerkaart staat, want daar staat Fletione, zou de Peutingerkaart dus fout zijn.
Door de Peutingerkaart fout te verklaren wordt bewezen dat Fectio dus Vechten was en dus wel op de Peutingerkaart staat.




"In 1869 is bij Vechten een altaar gevonden, gewijd aan de (Belgische) godin Viradecdis. De inscriptie vermeldt dat het altaar is opgericht door Tongerse schippers (zie opmerking 1) die in Fectione verbleven. Hierdoor weten we de naam van het fort. Op de kaart van Peutinger staat de naam Fletione, maar die geldt sindsdien als een verschrijving van Fectione", aldus Bechert (o.c. p.81 - zie opmerking 2).


Klik op de afbeelding voor een vergroting.


De archeologen vonden ook een stenen kop van de Egyptische god Serapis (zie opmerking 5).
Een opmerkelijke vondst uit 1996 was een complete bronzen steelpan.


Duidelijke sporen van bebouwing zijn tot op heden amper aangetroffen.(Bron: Archeologisch Kroniek provincie Utrecht 1996-1997)

De visie van Albert Delahaye.
Fectio komt niet voor op de Peutingerkaart, want daar staat Fletione. Beide plaatsen, Fectio en Fletione, zijn in Noord-Frankrijk te vinden. Fectio is Féchain bij Maubeuge, Flétione is Fléchin op 9 km zuid-oost van Terwaan. De Geograaf van Ravenna plaatst ze in Patavia in Gallia Belgica Alobrites, bij het land van de Fresones. Daarna noemt hij Mattelione (is Le Mat) dat ook in Patavia lag, waardoor hij een bewijs temeer aandraagt dat de Patavia in Noord-Frankrijk lag.
Het is natuurlijk een onvoorstelbaar en niet te aanvaarden gegoochel met plaatsnamen, om met de naam Fectio het probleem van Fletione te omzeilen. Vechten heeft nooit Fletione (noch Fectio) geheten, een volgend bewijs dat de Peutingerkaart niet over Nederland gaat.
Fectio wordt door geen enkele klassieke bron als castellum genoemd. Toch heeft men het er in de Duits-/Nederlandse traditie wel van gemaakt.

De Nederlandse traditie.
De Nederlandse plaats Vechten heette in de Romeinse tijd Fectio (Van Es o.c. p.67, 100 en Bechert o.c. p.25, 81-83) waar een (oever-)castella gevonden is en een basis voor de vloot was aangelegd. Van het eigenlijke castellumterrein zijn slechts delen onderzocht.
In 16 n.Chr. zou Germanicus bij Vechten een grote legermacht bijeen gebracht hebben. De stichtingsdatum van het eerste castellum te Vechten is omstreden. Tot voor kort werd de in gebruik neming steeds in de periode van Drusus, in 12 v.Chr, gedateerd. De aanlegplaats zou echter op grond van de aardewerkvondsten niet uit de tijd van Drusus zijn, maar uit die van Germanicus (16 n.Chr.). Wel zou Drusus de vaarweg naar het noorden verbeterd hebben door kanalisatiewerkzaamheden aan de Vecht: de Drusus-gracht, die ook Germanicus gebruikte. De muntvondsten leveren in dit verband geen duidelijke bijdrage. Zij zijn gebruikt om de stichting van Vechten door Drusus aannemelijk te maken - zelfs een nog iets vroegere datering zou niet uitgesloten zijn -, maar zij laten ook een wat latere aanvang, kort na het begin van de jaartelling, toe. De aardewerkvondsten wijzen eerder in de laatste richting. Zij zijn weliswaar nog niet volledig bewerkt, maar suggereren een begindatum omstreeks 4 of 5 n. Chr., ten tijde van de expedities van Tiberius onder Augustus. Het laatste woord is dus nog niet gesproken, maar voorlopig is ons de zekerheid ontnomen dat de eerste militaire bouwactiviteiten in Vechten aan Drusus toegeschreven kunnen worden, aldus Van Es.

Duidelijke sporen van bebouwing zijn tot op heden (1998) amper aangetroffen. Dit deel van de vicus is omstreeks 40 n.Chr in gebruik genomen. Kort daarna moet het terrein door regelmatige overstromingen ongeschikt zijn geworden voor bewoning; pas tegen het eind van de Flavische tijd (68-96 n.Chr.) lijkt het weer begaanbaar te zijn geweest. Of deze zone vervolgens tot het vertrek van de Romeinen na het midden van de 3e eeuw continu in gebruik is geweest, is nog onduidelijk.(Bron: Archeologisch Kroniek provincie Utrecht 1996-1997)

Aan de mogelijke loop van de Rijn en Vecht door en om de stad Utrecht zijn reeds enige soms onderling geheel afwijkende veronderstellingen gemaakt. Het Romeinse castellum zou dan ook aan de Vecht en niet aan de Rijn gelegen hebben. Het castellum Fectio lag dus niet aan de Vecht en het castellum Traiectum niet aan de Rijn. (Bron: Jaarboek Oud-Utrecht 1971 en 1975). Het is dan ook nog steeds niet bekend waar in Utrecht die 'trajectum - oversteekplaats' lag.

Bechert.
De vondst van een altaar, gewijd aan de godin Viradecdis door schippers uit Tungri (zie opmerking 1) leidde in 1869 tot de conclusie dat de locatie gekoppeld kon worden aan de naam Fletione op de Peutingerkaart. Die geldt sindsdien als een verschrijving (zie opmerking 2).
Fectío werd in het eerste decennium van de 1ste eeuw gesticht, waarschijnlijk rond 4-5 na Chr. ren tijde van de expedities van Tiberius onder Augustus. De oudste versterking, met houten gebouwen, een wal van aarde en hout en een spitsgracht, werd gebouwd op een strategische locatie langs de Kromme Rijn, waarschijnlijk bij de afsplitsing van de Utrechtse Vecht. Vanaf Fectio kon men via het Flevomeer en het Oer-IJ westwaarts de Noordzee bereiken. Via deze route was het mogelijk om het vlootstation bij Velsen te bereiken. Het gevonden schip te Vechten heeft men waarschijnlijk net als in Zwammerdam opzettelijk laten zinken om de kade te verstevigen (zie opmerking 3).
Waarschijnlijk diende het oudste fort als bevoorradingspunt voor de oprukkende troepenmacht en mogelijk als één van de uitvalsbases voor de verovering van het vrije Germanië. De veronderstelling dat Vechten in deze en latere perioden dienst deed als vlootstation is met de vondst van een schip en de graffito van een Romeins legerschip op een scherf terra sigillata niet bewezen. In 47 verloor Fectio zijn offensieve functie en werd het fort opgenomen in de verdedigingslinie langs de rijksgrens. Een dikke brandlaag geeft aan dat ook dit fort in vlammen opging tijdens de opstand van 69-70 (zie opmerking 4).
In de tweede helft van de 2de eeuw wordt het bestaande fort van aarde en hout grondig herbouwd. De muren en hoofdgebouwen worden nu in steen opgetrokken. Waarschijnlijk ontwikkelde zich vooral aan de oostzijde van het castellum een omvangrijke vicus, die in de loop van de tijd uitgroeide tot een belangrijk handelscentrum. De ligging van Vechten aan een riviersplitsing was niet alleen strategisch, maar ook verkeerstechnisch zeer gunstig. In 1989 werd circa 1 km ten oosten van het castellum een deel van de vicus opgegraven. Daarbij werd een kalkstenen altaar gevonden, door Antonius Priscus gewijd aan de godin Fortuna. Verondersteld wordt dat de vicus deels aan een rivierarm lag, die de oostelijke begrenzing van het vicusareaal vormde. Dit areaal is, wanneer deze veronderstelling juist is, zeer uitgebreid geweest. Zelfs met een geringe breedte besloeg de vicus toch nog zo'n kleine 10 ha. In 1991 werd langs dit water een dubbele rij palen opgegraven. Het lijkt er dus op dat de rivier hier althans gedeeltelijk begeleid werd door een wal van aarde en hout. Ook aan de westzijde van het fort zijn tijdens een onderzoek in1981-82 sporen, waaronder waterputten, uit de Romeinse tijd gevonden. In een vroegere (Romeinse?) periode schijnt dit gebied in gebruik te zijn geweest als akkerland. Waarschijnlijk heeft de aanleg van het 19de-eeuwse fort, waarbij veel Romeinse vondsten gedaan zijn, een flink deel van de vicus en mogelijk van één of meer grafvelden vernield. In 1994 werd ten zuiden van de Marsdijk een urn met crematieresten gevonden. Tezamen met vondsten uit de vorige eeuw vormt de urn een aanwijzing voor de aanwezigheid van een waarschijnlijk bij de vicus behorend grafveld. In de tweede helft van de 3de eeuw gingen ook het castellum en de vicus in Vechten ten onder. Meestal wordt als einddatum 270 aangehouden. Het is echter onduidelijk of zij toen beide geheel zijn verwoest. Tijdens opgravingen in 1970 werd aan de noordkant van het castellum een brandlaag aangetroffen die alle sporen afdekte. Kennelijk zijn delen van Fectio door brand (zie opmerking 4) verwoest. (Bechert, o.c. p.81-83).

Opmerking 1: Tungri, wat er dus letterlijk staat, is niet niet Tongeren, maar is de bevolking van Doornik (Tournai).
Opmerking 2: Dus de Peutingerkaart is fout en de gevonden altaarsteen onbetwist goed, ook al zou die altaarsteen van elders, b.v. uit Egypte (!?) gekomen kunnen zijn. De steen is in elk geval import, aangezien dit materiaal nergens in Nederland voorkomt. De vraag is dus of de steen met of zonder tekst is ingevoerd!
Opmerking 3: Geen slimme jongens die Romeinen! Want als je ziet hoe ze aquaducten en Colossea bouwden geloof je het verhaal over het willekeurig afzinken van schepen toch niet. Waarschijnlijker is te veronderstellen dat de schepen bij de opkomende transgressies zijn achtergelaten en vanzelf zijn vergaan. De schepen worden immers in willekeurige formatie teruggevonden en zijn verre van bewust afgezonken.
Opmerking 4: In Nederland wordt elke aangetroffen brandlaag graag gebruikt om de traditionele geschiedenis te bevestigen. Of dat nu de opstand van de Bataven in 69-70 n.Chr. is geweest of de plunderingen van de Noormannen. Brand was ook vroeger, met de vele houtbouw, de grootste "vijand" van de mens. In de Romeinse tijd zal dat niet anders geweest zijn met al die houten castella en spontane bosbranden b.v. door blikseminslag. Het is natuurlijk te gemakkelijk te veronderstellen dat elke brandlaag de opstand van de Bataven ter plaatse bevestigd.
Opmerking 5: Vechten werd door deze vondst natuurlijk niet plots een Egyptische stad, wat door de archeologie met andere vondsten vaak wel zo geïnterpreteerd werd, zoals die ene Dorestad-munt die van Wijk bij Duurstede zomaar Dorestad maakte! Zou er misschien niet gewoon een Egyptenaar dienend in het Romeinse leger in Vechten geweest kunnen zijn?

Opvallende opvattingen van andere historici.

J.H.J. Joosten voert aan dat Fletione niet Vechten was, maar Vleuten. Hij laat zich leiden door enkele nieuwe aannames, o.a. de kronkelfactor van wegen. Dit om de afstanden van de Peutingerkaart nog enigszins passend te maken. Hij gaat daarbij voorbij aan het feit dat de Romeinen kaarsrechte wegen aanlegden en zeker geen kronkelige paadjes. Bovendien komt ook Joosten er met de kronkelafstanden dan nog niet uit. Daarom laat hij de weg niet in de genoemde plaats, maar op nabij gelegen kruispunten van wegen beginnen. Met deze 2 onbewezen en dus onjuiste uitgangspunten, komt Joosten in zijn reconstructie op enkele kilometers na in Vleuten terecht. Dat Vleuten in de 4e eeuw, de tijd van de Peutingerkaart, bestond, wil hij aantonen met enkele ter plaatse gevonde 4e eeuwse munten en 4e en 5e eeuwse scherven.
Op deze manier is natuurlijk alles te "bewijzen".