Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

St.Ludger / St.Liudger (742-809).


De geschiedenis van St.Ludger die men in Nederland hanteert is doorspekt met goedgelovigheid. Dat is ten aanzien van een heilige en kerstening wel aanvaardbaar, maar ware geschiedenis moet gebaseerd zijn op feiten, niet op geloof.
En de feiten weerspreken de algemeen aanvaarde opvattingen ten aanzien van het verblijf van St.Ludger in Nederland. Hij past in hetzelfde rijtje als andere predikers zoals Willibrord, Bonifatius, Plechelmus, Lebuinus, Ansfridus, Amandus, Adelbert en Anscharius. Ook zij horen van oorsprong niet in Nederland thuis, maar zijn importheiligen.


St.Ludger wordt altijd afgebeeld met enkele ganzen aan zijn voeten, soms één onder zijn arm. St.Ludger zou eens ganzen vermanend hebben toegesproken, waarna deze hun overlast gevend gesnater staakten. Deze legende plaatst hem meteen in de juiste streek: Picardië. Het wonder daargelaten, is deze anecdote een aanwijzing dat het om Noordwest-Frankrijk gaat, waar de ganzenteelt nog steeds een belangrijk middel van bestaan is, dit in tegenstelling tot de omgeving van Utrecht.

Deventer is het ultieme voorbeeld van een plaats die ten gevolge van een reeks misverstanden een valse geschiedenis opgeplakt heeft gekregen.
Zo is de geschiedenis van St.Lebuinus, die een volledige doublure van St.Lieven in Vlaanderen en St.Liévin in Frankrijk, in Deventer terecht gekomen en met hem de legende van St.Ludger. In de oudste levensbeschrijvingen van St.Lebuinus komt de plaats Deventer niet voor. Dit geschiedde pas veel later, toen men de originele Isla-streek uit de bronnen, ten zuiden van St.Omaars, als de Nederlandse IJsselstreek was gaan opvatten.
Opvallend is overigens dat de abdij van Echternach die in de 11e en 12e eeuw verschillende kerken in Holland en Brabant ging claimen, nooit enige pretenties heeft gesteld ten aanzien van Deventer, Tiel of Wijk bij Duurstede. Terwijl dit toch belangrijke plaatsen waren, volgens de traditionele opvattingen als Daventria, Thylia en Dorestad opgevat.

Op de lijst van kerkelijke feestdagen in het bisdom Utrecht in 1346 waar het feest van Lebuinus vermeld wordt (op 12 november) komt het feest van St.Ludger niet eens voor.
Er bestond in 1346 in Utrecht dus geen devotie tot St.Ludger. Dat is pas daarna ingevoerd.

Het kan ook te maken hebben met het feit dat St.Ludger gezien werd als een heilige van het bisdom Münster en daarom niet op de lijst van Utrecht stond. Dat Ludger in het bisdom Utrecht geboren zou zijn en een gevierde heilige zou zijn, wordt hiermee tevens weerlegd.

Overigens ontbreekt ook Sint Walburgis op deze lijst. Ook dit is een bewijs dat de devotie tot Sint Walburgis pas na 1346 is ingevoerd.

St.Ludger zou veel kerken gesticht hebben in Oost-Gelderland, met name in de Achterhoek zoals in Zelhem (zie daar). Het is dan toch vreemd dat er geen enkele kerk vanouds naar deze heilige vernoemd is. Zo hecht is het geloof in deze heilige blijkbaar nooit geweest. Pas in 1965 kreeg de tweede parochiekerk in Lichtenvoorde het patronaatschap van St.Ludger. De eerste parochiekerk (uit 1912) droeg het patronaatschap van St.Bonifatius, waarbij vermeld wordt dat hij er overigens nooit gepredikt heeft, zelfs nooit geweest is, wat uitermate opmerkelijk is. De St.Ludgerkerk in Lichtenvoorde is in 1999 alweer gesloten en heeft maar net 34 jaar bestaan. De parochie in Lichtenvoorde en omgeving draagt nog wel de naam van St.Ludger. Maar een St.Ludgerkerk vindt men er niet meer.

Ook de oudste kerk in Zelhem, die zelfs door hem gesticht zou zijn, droeg niet de naam van St.Ludger, maar van de bisschop van Maastricht, St.Lambertus.
Sinds de reformatie is het een protestantse kerk, waarbij de naam van de katholieke bisschop en heilige toch is gehandhaafd. Deze contradictie zien we meer bij protestantse kerken die voordien katholieke kerken waren.
Blijft de vraag of de rest van de mythe in het kielzog van St.Lambertus ook vanuit het zuiden kwam?


Het blijft een wonderlijke zaak dat in de tijd van toenemende ontkerkelijking het geloof in deze predikers zo standvastig blijft, zelfs in toenemende mate wordt opgehemeld. Het 'wonder' zal vooral ingegeven zijn door de commercie en de plaatselijke VVV's. Het blijft echter een mythe.

Het geloof in de mythe wordt versterkt door allerlei brochures, boekjes en prullaria die op diverse punten te koop zijn. In de betreffende boekjes wordt het wonderbaarlijk leven van St.Ludger geschetst. De nadruk op de vele wonderen maken het niet meteen geloofwaardiger. Helaas worden de klassieke plaatsnamen zoals deze in de latijnse teksten voorkomen niet genoemd, maar worden alleen de Nederlandse plaatsnamen vermeld. Het maakt de inhoud voor de onwetende 'gelovige' zodanig overtuigend dat er van enige twijfel geen sprake meer is. De historische waarheid is echter anders. Die leest U hier.

Overigens is er met de verering van St.Ludger langs de IJssel niks mis. Het waren immers de Saksische voorouders die door St.Ludger bekeerd zijn. Met de deportatie van de Saksen naar Oost-Nederland en Duitsland ging Ludger met hen mee en stichtte het klooster en de kerk van Werden. Zo gezien houdt men de voorouderlijke traditie in ere met alle aandacht voor St.Ludger. Alleen moet men beseffen dat de oorsprong van de prediking van St.Ludger in Frans-Vlaanderen aan de Kanaalkust lag.
De visie van Albert Delahaye.
St.Ludger (Liudger) is net zo min een Nederlandse heilige als St.Willibrord of St.Bonifatius.
Ludger werd geboren in Suabsna, wat Zouafques is in Frans-Vlaanderen. De opvatting dat het hier om Zwesen, Zuilen of Oud-Zuilen zou gaan, is een nooit feitelijk bewezen opvatting van een verdwaasde fabelschrijver. In de tijd van St.Ludger (742-809) bestonden Zwesen, Zuilen of Oud-Zuilen niet eens. Het lag onder water. Dat staat archeologisch volkomen vast. St.Ludger werd bisschop in de omgeving van Atrecht (=Arras). En dat ligt toch echt niet in Nederland. Zijn broer Hildgrinus, eveneens afkomstig uit Frans Vlaanderen, was bisschop van Châlons-sur-Marne, wat weer een aanwijzing is over welke streek het gaat. Zijn verblijf onder de Saksen vond plaats in Frankrijk langs de Kanaalkust, waar de Litus Saxonicum lag. De Saksen zijn pas na 793 door Karel de Grote naar Noord-Duitsland gedeporteerd, waarmee de traditie van St.Ludger ook in Duitsland en Oost-Nederland terecht kwam. Aannemelijk is dat Ludger met de gedeporteerde Saksen mee reisde en zo in de omgeving van Werden terecht kwam. Daarbij is de naam van Werethina of Wethina die men ook meenam en doubleerde, verduitst tot Werden, net zoals dat gebeurde met de naam Epternacum tot Echternach. Het verblijf van Ludger in Utrecht en omgeving is net zo legendarisch als dat van St.Willibrord. Zowel tekstueel als archeologisch is daarvan ook nooit iets aangetoond. Twee voorbeelden mogen dat verduidelijken.


Uit een oorkonde uit ca.804 waarin 14 plaatsnamen worden genoemd, proberen de Nederlandse historici met één plaatsnaam (Helewyrd zou Helwerd zijn) te bewijzen dat het hier over Nederland zou gaan. De overige 13 plaatsen slaat men gemakshalve maar over. Een andere tekst zegt "Een andere keer was de zalige Ludger bij de zee op de plaats die Werdina heet". Wie van dit Werdina het Duitse Werden wil maken, moet toch echt eens een atlas aanschaffen. Werdina was de plaats Werthina (spreek uit Fertina), wat nu Fréthun aan de Kanaalkust is, precies daar waar de Litus Saxonicum lag. Het was dus niet Saksen in Duitsland.

Het aantal overslagen is overigens tekenend voor de geschiedenis van ons land in het eerste millennium. Het is nog steeds niet te verklaren dat Nederlandse historici, die zomaar locaties uit hun mouw schudden alsof het niets is, er toch niet in slagen de overige 99% van de plaatsen uit de oude kronieken in Nederland te localiseren en deze maar overslaan, ook alsof het niets is. Alle overgeslagen namen tonen elke keer aan, dat men in de verkeerde streek aan het zoeken is. In Noord-Frankrijk liggen ze allemaal.


Wat weten we nu feitelijk echt?
Om de feitelijke geschiedenis van St.Ludger te achterhalen is men aangewezen op de oude bronnen. Die teksten afkomstig uit Franse kronieken wijzen het juiste missiegebied aan. Dat was niet Nederland, maar Frans-Vlaanderen. De devotie tot St.Ludger is, begrijpelijk, met de bewoners meegekomen toen zij immigreerden naar de Nederlandse ontginningsgebieden. Deze deplacements historiques hebben de oudere historici niet onderkend. Daardoor zijn ook de verschillende misverstanden ontstaan.

Voor deze en andere teksten verwijzen we naar de boeken van Albert Delahaye. Enkele teksten uit "Ontspoorde Historie" (o.hist) vindt U hieronder. Deze teksten plaatsen ook andere historische personen en gebeurtenissen naar de juist streek: Frans-Vlaanderen.

Tekst 157 /o.hist.
Wirsingas, de grootvader van Ludger: 670-730

In de dagen van Radboud, koning van de Fresones, leefde een edel man Wirsingus genaamd die, ofschoon hij het geloof in de Drievuldigheid niet kende, een hulp van de armen en een verdediger van de verdrukten was... Hij verdedigde tegenover de koning en zijn vorsten de waarheid. Hij maakte grote wreedheden van de koning bekend, die daarop bevel gaf hem in het geheim te doden. Hierop vluchtte Wirsingus, die gewaarschuwd was, naar Grimoldus, een vorst van de Franken. Deze ontving hem welwillend. Hij verbleef verder in het rijk van de Franken en ontving het Doopsel... Na de dood van koning Radboud... gaf Karel Martel aan Wirsingus een leengoed in het gebied van de Fresones en zond hem naar zijn vaderland terug om daar de zaak van het geloof te versterken. Hij nam zijn erfgoederen weer in bezit en woonde in een plaats die Suabsna genoemd wordt, bij Traiectum, waar hij een hulp werd van de heilige Willibrord.
Bron: Vita S.Ludgeri, Acta Sanctorum, maart III, p. 641.

Nota: Grimoald was een zoon van Pepijn II. -- Suabsna is Zouafques op loopafstand van Trajectum (is Tournehem). Zowel de overduidelijke etymologie van de woonplaats alsook de korte afstand ervan tot Tournehem stellen deze localisatie buiten twijfel. De plaats is in Nederland nooit gevonden, want ook zonder transgressie kan de Romaanse naam alhier nooit gelegen hebben. Blok (De Franken in Nederland, p.45) moet dit als naamkundige weten. Waarom probeert hij dan ons nu wijs te maken dat het Zwesen (= Oud Zuilen?) is, te meer daar de vroeger gangbare misgreep van Zuilen eenieder nog heugt.


Tekst 158 /o.hist.
Studie van Ludger te Tournehem en Audruicq: 760-775

Bij de Doop ontving hij de naam van Ludger. Hij vroeg zijn ouders, dat zij hem aan een man Gods zouden aanbevelen om onderwezen te worden. Zij bevalen hem bij de eerbiedwaardige Gregorius aan, leerling en opvolger van Bonifatius. In het klooster van Traiectum (is Tournehem) wijdde hij zich aan de studie van het geestelijk leven. Deze Gregorius was niet tot bisschop gewijd, maar bleef priester. In deze plaats was ook Alcuinus leraar, dezelfde die ten tijde van Karel de Grote in Tours en in Francia magister zou worden. Ludger bracht vele nachten door in de kerk van de Salvator (en van Martinus) welke Willibrord had gebouwd.
Bron: Vita S.Ludgeri, Acta Sanctorum, maart III, p. 643.

Nota; Wat de bisschopswijding van Gregorius betreft, verdient Ludger (die als 12-jarige knaap het gebeuren meemaakte) beslist méér gezag dan de schrijver van zijn Vita. Vanuit Suabsna (is Zouafques) kon Ludger in amper 10 minuten gaans de kerk van Tournehem bereiken voor zijn nachtelijke gebedsstonden.


Tekst 159 /o.hist.
Ludger zendeling in de Ostrevant bij Atrecht; ca. 776

Toen Albricus in Colonia (Coulogne) de waardigheid van bisschop ontvangen had, heeft hij Ludger tot priester gewijd en hem aangesteld tot prediker van de Kerk in de pagus Ostracha (Ostrevant bij Atrecht=Arras) op de plaats van Bonifatius' marteldood.
Bron; Vita S.Ludgeri, Acta Sanctorum, maart III, p. 644.

Nota: Een afwijkende inlichting, gegeven door de schrijver van het Vita Ludgeri, zegt dat Albricus pas na Gregorius' dood tot bisschop zou zijn gewijd, terwijl hij volgens Ludger voordien als wijbisschop de helper van Gregorius was. Ostrevant was het vroegere Austrebanti en het latere Karolingische Austrasië.


Tekst 160 /o.hist.
Ludger sticht een klooster te Weretha (is Fréthun); 783-793

Toen de man Gods Ludger bijna zeven jaren in die streek gearbeid had, kwam de verdorven en heidense Widukind, vorst van de Saksen, in opstand, die de Fresones (in Vlaanderen) van het geloof afbracht, kerken verbrandde en de dienaren Gods verdreef. Tot aan de rivier van het Flevum (is het Almere) deed hij de Fresones het geloof verlaten en weer zoals voorheen aan de afgoden offeren. Ten tijde van deze woeling overleed bisschop Albricus. Door noodzaak gedwongen verliet Ludger de streek. Met twee gezellen begaf hij zich naar Rome en vandaar naar het klooster van Benedictus te Benevento, waar hij de regel van Benedictus leerde. Hij had immers het plan om op zijn erfgoed een klooster van monniken te stichten, wat nadien (ca.793) ook is geschied op de plaats Werethina (is Fréthun op 4 km zuidwest van Calais).
Bron; Vita S.Ludgeri, Acta Sanctorum, maart III, p. 644.

Deze tekst laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Het door Ludger gestichte klooster lag te Suabsna (is Zouafques) op het erfgoed van zijn grootvader Wirsingas. Zie ook tekst Tekst 157 hierboven.

Tekst 161 /o.hist.
Ludger wordt bisschop in de omgeving van Atrecht: ca.804

Na twee jaren en zes maanden keerde Ludger (van Rome) in zijn vaderland terug. Zijn roem kwam ter kennis van Karel de Grote, die hem als prediker bij het volk van de Fresones aanstelde in vijf gouwen, waarvan de namen zijn: Hugmerthi, Hunusga, Fivelga, Emisga, Federitga en een eiland, Bant genaamd. Hij probeerde ook verderaf het geloof te verkondigen. Op raad van de keizer trok hij naar een zeker eiland in het grensgebied van de Fresones (Vlaanderen) en de Dani (Normandie), Fosete of Fositesland genaamd... hij doopte er in een bron waar Willibrord voorheen ook gedoopt had... Koning Karel de Grote stelde de man Gods Ludger aan (als bisschop) in het westelijk (lees: zuidelijk: zie west-oriëntatie) deel van Saxonia, voornamelijk de Sudergo (zuid van Atrecht) op de plaats die Mimigernaford heet, waar hij een klooster bouwde... Koning Karel de Grote gaf hem tevens in de pagus Bracbante in de plaats Lotusa het klooster van St.Petrus om het met al zijn toebehoren, zijn kerken en dorpen te besturen.
Bron: Vita 5.Ludgeri, Acta Sanctorum, maart III, p. 645.

Nota: De tekst zit vol geografische aanduidingen, waarvan alle localisaties door Blok (De Franken in Nederland) foutief zijn. - Hugmerthi, elders Hugumarchi genoemd, is Valhuon op 7 km noord van St.Pol-sur-Ternoise, voorheen bekend als Vallis Hugonis of Urbs Hugonis. -Hunusga is Hinges op 5 km noord van Béthune. - Fivelga is Fiefs op 23 km west van Béthune. - Emisga is Les Amusoires op 10 km noord van Béthune. - Federitga is Vaudricourt op 4 km zuid-west van Béthune. - Bant (= broekland) is als plaatsnaam niet aan te wijzen; het wordt een eiland genoemd en was misschien onderdeel van Ostrachia, ook Osterban geheten, waaruit Ostrevant is ontstaan. - Het Fositesland is hetzelfde waar Willibrord verbleef, en is Le Fossé op 39 km noord van Rouaan. -De Sudergo lag ten zuid-westen van Atrecht. - Mimigernaford is een verdraaiing achteraf van de toenmalige naam voor Mingoval op 17 km oost van St.Pol-sur-Ternoise (zie de volgende alinea). - Het klooster van Lotusa bevond zich te Leuze op 16 km oost van Doornik. Ludger kreeg het bij zijn aanstelling tot bisschop, niet om daar als abt te fungeren, doch om daaruit de nodige inkomsten te verwerven waartoe zijn missiebisdom ontoereikend was. Opmerking verdient het feit, dat Ludger vrij dicht bij de zetel van Tournehem werd aangesteld, zij het ook in overwegend Saksisch gebied. Deze handelwijze was onderdeel van Karel de Grote's voornemen tot christianisering van de Saksen en verbergt nauwelijks dat hij zich distantieerde van de zetel van Tournehem, gelegen in de noordwest-hoek van Frankrijk, waar de Vilti, de Slavi en de Saksen hem onophoudelijk hadden uitgedaagd. Mimigernaford is (evenals de waarschijnlijk oudere variant Mimigardvurdensis) een maakwoord en betekent 'Pseudo-Werden'. Het ontstond toen, 40 jaar na Ludgers dood, diens Werethina-abdij voor de Noormannen was uitgeweken naar Westfalen. En de nieuwe naam was een 'antidoubluremiddel', eerlijk verwijzend naar het Franse origineel, doch die door latere generaties niet meer werd begrepen en daarom tot een tekstverdraaiing kon leiden. Het verdraaien namelijk van een in de oorkonden der eerste abdij aangetroffen plaatsnaam (thans Mingoval), met daarbij de toevoeging: "waar Ludger een klooster bouwde". Deze 12e-13e-eeuwse verdraaiing en toevoeging maakt de verwarring nagenoeg onontwarbaar. Men moet er zelfs maar naar raden, of de Vitakopiïst echt niet meer wist dat dit maaktoponiem op de verhuisde abdij sloeg (en hij dus doelde op nog een abdij van Ludger), dan wel wilde documenteren dat Ludger de abdij Werden in Duitsland gegrondvest zou hebben. Als bij deze aanrijdingen tussen de eerste, tweede of zelfs derde abdij, waarvan de verschillende namen dan ook nog dooreen gebruikt worden, het de lezer gaat tollen (zoals met name bij het verslag van Ludgers dood en begrafenis: tekst 164), dan hoeft hij zich niet te schamen.
In elk geval zal hij uit dit voorbeeld, waarbij de ontwikkelingen zich nog vrijwel aan de oppervlakte afspeelden, kunnen concluderen hoezeer tijdens en na de hele Noordwesteuropese volksverschuivingsperiode (9e t/m 11e eeuw) in het algemeen de kabels der historische continuiteit moeten zijn beschadigd of zelfs radicaal gekapt.

Tekst 162 /o.hist.
Andere plaatsen in het leven van Ludger: 804-809

[In enige bijvoegsels op het Leven van Ludger worden verschillende plaatsen genoemd die binnen diens woon- en werkstreek lagen. Verhalen van recentere oorsprong, meestal over voorgevallen wonderen tijdens en na zijn leven, zijn buiten beschouwing gelaten]. Toen hij om te prediken naar Fresia(Vlaanderen) ging, kwam hij bij een bepaalde plaats Helewyrd... een andere maal te Werfhem... een andere maal te Wiicswird... Een andere keer, toen de zalige Ludger bij de zee was, op een plaats die Werethina heet... De heilige kwam bij een van zijn kerken in de plaats Billurbeki... en op de plaats Hleri bij de rivier de Lade... en in de pagus de Nordgo... en op de plaats Werina... in de plaats Asnaloh... bij de Ripuani... in de pagus Sudergo op de plaats Alna... bij de bewoners die Hassi worden genoemd.
Bron: Vita S.Ludgeri, Acta Sanctorum, maart III, p. 654.

Nota: De 14 namen zijn in Nederland niet te vinden, laat staan daar aan te treffen in een onderlinge situatie die enigszins bij de context past. Het eenzame lachertje Helwerd van Blok (De Franken in Nederland, p. 122) waar Ludger een blinde zanger ontmoette, toont alleen aan dat ook Blok slechtziende is als hij de 13 andere namen overslaat, die we hier laten volgen. - Helewyrd is Helfaut op 5 km zuid van St.-Omaars. - Werfhem is Wavrans-sur-l'Aa op 11 km zuid-west van St. -Omaars. - Wiicswird is Wisques op 5 km zuid-west van St.-Omaars. -De plaats Werethina, die bij de zee lag en dus het Duitse Werden niet kan zijn, is Fréthun op 4 km zuid-west van Calais. - Billurbeki is Bellebrune op 11 km Oost van Boulogne. De naam heeft men wat aangepast omdat op 21 km west van Münster een Billerbeck ligt. - Hleri is Lières op 16 km west van Béthune. -Lade, een algemene naam voor rivier, duidt hier de Guarbecque aan. - De Nordgo ligt ten noorden van Atrecht. - Werina was Wéringhem, een thans verdwenen plaats bij Boulogne. - Asnaloh is Acheville op 13 km noord-oost van Atrecht. -De Ripuarii zaten bij Ribécourt-la-Tour, 11 km zuid-west van Kamerjk. -De Sudergo lag ten zuiden en westelijk van Atrecht. - Alna is Elnes op 11 km zuid-west van St.-Omaars. - Hassi is Achiet op 18 km zuid van Atrecht.
Laten we het maar heel helder zeggen: op één in het verhaal volslagen onplaatsbare naam (die van een gehucht bij het Groningse dorpje Rottum) Ludger te verheffen tot apostel van oostelijk Groningen en daarbij met de andere namen doen als waren ze er niet: dat is geen handige 'verdwijntruc' doch gewoonweg boerenbedrog.

Tekst 163 /o.hist.
Werdina bij de zee en de Monden van de Renus: ca.804

Een andere keer was de zalige Ludger bij de zee, op de plaats die Werdina heet, aan de Monden van de Renus.
Bron: Vita S.Ludgeri, MGS, IT, p. 412.

Nota: Deze tekst bepaalt de plaats van Werdina (Fréthun) nog beter, namelijk bij de zee en aan de Monden van de Renus (is de Schelde); de beide elementen zijn op de juiste plaats aanwezig, en in het Duitse Werden beslist niet.


Tekst 164 /o.hist.
Dood en begrafenis van Ludger: 809

…op de plaats Billurbeki, waar hij ziek van lichaam zijn laatste Mis vierde; in de daarop volgende nacht gaf hij zijn ziel aan God terug... Zijn leerlingen wisten dat hij bij zijn leven had verklaard, begraven te willen worden te Werthina, waar hij op zijn eigen erfgoed een klooster had gesticht ter ere van de Salvator, de H.Moeder Gods en Petrus, de prins der Apostelen, en hij tevens een kerk had gebouwd. Maar het volk verzette zich heftig hiertegen en na overleg besloot men hem (toch?) te begraven in zijn abdij Mimigernaford, waar men hem onbegraven in de kerk van de H.Maria legde. Dit bleef zo totdat de eerbiedwaardige bisschop Hildgrinus van Chalons-sur-Marne en broer van Ludger, alsmede Karel de Grote, besloten dat hij begraven zou worden aan de oostelijke kant buiten de kerk (van het klooster Werethina), zoals hij zelf had bepaald; hij had immers nooit toegestaan dat een lijk binnen een door hem geconsacreerde kerk begraven werd... Tussen zijn dood en deze begrafenis waren dertig dagen verlopen.
Bron: Vita S.Ludgen, Acta Sanctorum, maart III, p. 647, 653.

Nota: In werkelijkheid sterft Ludger in Bellebrune, 21 km ten zuiden van de abdij Werethina (Fréthun), zodat er tussen zijn monniken en anderzijds de gelovigen van de kerk te Bellebrune onenigheid ontstond over de plaats van begrafenis. Zeer begrijpelijk, omdat het in die dagen de gewoonte was een overledene te begraven op de dag en plaats zelf van zijn overlijden. Ondanks de tegengestelde wens van de overledene verzetten de gelovigen van Bellebrune zich tegen een inbreuk op deze gewoonte. De tekst van het Vita hinkt echter op twee gedachten. Men laat Ludger sterven in Billurbeki (Billerbeek, op 21 km west van Münster). Met de daarna vermelde wens van Ludger om in Werethina te worden begraven, zit men echter bij Calais. Tenslotte vindt de begrafenis plaats in Mimigernaford, waarmee het Duitse klooster Werden of ook het bisdom Münster werd aangeduid die beide in 809 nog niet bestonden. Wat dan toch weer in overeenstemming met Ludgers wens zou zijn. Zoekt u het maar uit!
De bedoeling van het verhaal (dat veel later werd geschreven en dan ook leidt tot een wonderdadige bilocatie of zelfs trilocatie van de abdij Werethina/alias Werden/alias Mimigernaford) is niettemin duidelijk te onderkennen: het wil doen geloven dat Ludger in het Münsterse begraven werd en er de bisschopszetel gesticht zou hebben. De termijn van 30 dagen tussen dood en begrafenis vindt geen afdoende verklaring in de twist om het lijk, maar zou natuurlijk wel begrijpelijk worden indien men de dode eerst over heel de 400 km afstand van Bellebrune bij Boulogne naar Werden bij Essen (D.) had moeten overbrengen; of -omgekeerd- van Billerbeek bij Münster naar Werethina(Fréthun) bij Calais. Het staat buiten kijf dat de monniken met hulp van bisschop Hildgrinus en Karel de Grote aan het langste eind hebben getrokken en dat Ludger bij zijn klooster in Fréthun begraven is. Wel kan aangenomen worden dat het corpus omstreeks 850 naar Westfalen is meegenomen toen de communauteit van Werethina (Fréthun) voor de Noormannen moest vluchten.

Zie ook Werethina!

Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.