Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Transgressies: we wonen in een waterrijk landje!

. "Tussen de 4e en 10e eeuw was Nederland onbewoonbaar" (G.D.v.d.Heide)

"Tot ver in de 11e eeuw was het hele gebied tussen de duinstreek en het rivierkleigebied een uitgestrekt veenmoeras. Eerst wanneer sinds het begin van de 13e eeuw dit gebied door dijken van het buitenwater is afgesloten, kan de ingebruikneming van deze veenstreek een aanvang nemen."(Bron: Dr.H.J.Keuning).
Tot de 13e eeuw was dit gebied ongeschikt voor bewoning. Pas met de ontginningen kwam de bewoning op gang. De plaatsing van St.Willibrord en andere predikers in deze streek is dan ook een volslagen mythe. Ze zijn er nooit geweest. Wat viel er te bekeren als er geen bewoning was?

En zonder bewoning bestonden er zeker geen honderden plaatsen die in Frankrijk bekend waren en in Franse Kronieken voorkomen.


Het rode gebied is 'inaccessible' ofwel ontoegankelijk (Bron: Archaeol Anthropol SciDOI 10.1007/s12520-016-0431)


Wat is het gevolg "Als de dijken breken?" Klik op deze link.


Tegenwoordig worden de Duinkerke transgressies door enkele historici ter discussie gesteld. Ze begrijpen maar al te goed dat met het aanvaarden van de transgressies, de traditionele geschiedenis onmogelijk is geweest. Argumenten voor hun ontkenning geven ze niet. Soms erkennen ze de transgressies op zich wel, die zijn niet te ontkennen, maar willen ze wel van die naam af. De opvatting dat driekwart van Nederland tijdens de laat-Romeinse tijd onder water zou hebben gestaan, vinden zij achterhaald. Op grond waarvan zij dat vinden wordt vaak verzwegen. Enkele archeologisch vondsten zijn daarvoor geen enkel bewijs, wat zij wel menen. Relicten kunnen bijv. ook over boord zijn gevallen of stammen uit een periode dat het water zich even terugtrok en hoger gelegen delen tijdelijk vrij kwamen te liggen.
Daar tegenover staan de opvattingen van anderen die de transgressies en de daarop volgende ontvolking duidelijk accepteren en ook kunnen aantonen. De groei van veen is een van de gevolgend van deze langdurige overstromingen. En veen hebben we maar al te veel in Nederland. (H.J.Pierik, R.J.vanLanen en E.Stouthamer - Sea ingression dynamics and occupation patterns in the Dutch coastal area during the first millennium AD-2014).

Degene die moeite hebben met de transgressies vinden hier meer informatie over overstromingen in hoog Nederland.

Het bestaan van terpen (in Friesland), wierden (Groningen), werven (Noord-Holland), woerden (midden Nederland) en hillen (Zeeland), in hoogte varierend tussen 2 en 9 meter, bevestigen de transgressies onweerlegbaar. (Klik op de afbeelding voor een vergroting).

In de klassieke bronnen zijn over die transgressies ook teksten te vinden, zoals in de Annales Bertiniani, HdF, VI, p. 201.
In het jaar 839 is sprake van overstromingen in de omgeving van St.Omaars: ... bijna in geheel Frisia viel tegen de normale gang van zaken in deze watergebieden langs de zee zo’n grote overstroming voor, dat de dijken, die men daar duinen noemt, bijna geheel met de grond gelijk werden gemaakt. (Ook in de Prudentii Trecensis annales, MGS, I, p. 433.). Zie je wel, roepen de Nederlandse historici uit, dat Frisia Friesland was, want daar zijn inderdaad geen duinen; die zijn toen weggespoeld! Dan kan men alleen opmerken, dat er blijkbaar méér is weggespoeld. Waarom zouden Franse kronieken overstromingen in Friesland vermelden, terwijl in Friesland daarvan geen enkele tekste bestaat? Ook weggespoeld?


Zeker is dat de transgressies zich niet beperkt hebben tot alleen de omgeving van Noord-Frankrijk (Duinkerke), maar ook zijn vastgesteld in Engeland, Noord-Duitsland en Denemarken. Men wil de term Duinkerke-transgressie liever vervangen door die van 'kustinbraakmodel'. Het gaat daarbij met name om de ouderdom van de transgressiefasen die op verschillende plaatsen niet tegelijk voorkwamen. Men stapt dus niet af van de overstromingen op zich, maar meer van de idee dat die zich overal gelijktijdig zouden hebben voorgedaan. Maar zolang water van hoog naar laag stroomt, geven ook die nieuwe opvattingen geen uitsluitsel over de voorkomende problemen. Bovendien zijn de nieuwe dateringen gedaan met de C14-methode en zoals iedereen weet kleven daar nogal wat bezwaren aan, zeker in zout water.

Klik hier voor een overzichtskaart van de transgressies uit berichten ROB 1976..

De transgressies zijn geen "uitvinding" van Delahaye. Ze staan wetenschappelijk vast.
Toch worden de transgressie door historici nog steeds ontkend, aangezien de geschiedenis die zij er traditioneel plaatsen, zich er niet kan hebben voorgedaan.

De geschiedenis van Nederland begint na de 10e eeuw (op die in de steentijd en een korte Romeinse bezetting na). Tot in de 13 eeuw was het grootste deel van Nederland onbewoonbaar. Zie de gearceerde gebieden op het kaartje hieronder (klik op het kaartje voor een vergroting).



Verschillende studies hebben reeds gewezen op die ontginningen en de opmerkelijke migraties vanuit het zuiden naar het noorden. Welke studie men er ook op naslaat, steeds komt tot dezelfde conclusie: Zonder dijken en duinen zou bijna tweederde van Nederland overstromen, dus onbewoonbaar zijn. Dat is nu zo, maar was vroeger niet anders. De Romeinen zijn niet voor niets uit Nederland vertrokken. Hier viel niet te wonen.


Zo zou Nederland voor een groot gedeelte overstromen als er geen waterkeringen zouden zijn (het blauwe gedeelte). Klik op het kaartje hiernaast voor een vergroting.

De archeologie bevestigt het bestaan van transgressies. Romeinse relikten worden ver onder het niveau van het huidige maaiveld gevonden. Ook het bestaan en de noodzaak van terpen in Friesland en Groningen bevestigen de langdurige overstromingen. Waarom zouden de mensen toen op heuvels zijn gaan wonen als er nooit overstromingen zouden zijn geweest?

Zie ook deel 2 over de Transgressies.

Zie ook de gevolgen van de transgressies bij Nederland immigratieland.

De indeling van Zagwijn & Van Staalduinen wordt tegenwoordig meer verlaten. Men hanteert niet langer de idee dat de mariene afzettingen ontstaan zouden zijn door min of meer synchrone transgressies en regressies. Nieuwe inzichten hebben geleid tot de nieuwe lithostratigrafische indeling van de Holocene afzettingen. Gedacht wordt ook meer dat de veenvorming niet het gevolg is van perimariene condities, maar veroorzaakt werd door de morfologie van de Rijn-Maas delta. H.J.A. Berendsen is van mening dat er wel een relatie bestaat tussen de opslibbingssnelheid van het mariene en perimariene gebied, maar dat synchroniciteit niet bestaat.
In 'De Vorming van het land'-hoofdstuk 9 p.246-247 schrijft Berendsen het volgende: "De rivierstanden fluctueren door het optreden van eb en vloed. Onder invloed van de Holocene zeespiegelstijging is de zone, waar de invloed van de zee merkbaar was, steeds verder naar het oosten opgeschoven. In de huidige situatie komt de getijwerking dus in principe het verst landinwaarts voor. Het getij heeft invloed op rivierstanden, omdat bij hoge vloedstanden het rivierwater wordt opgestuwd. Nieuwe inzichten hebben uiteindelijk mede geleid tot de nieuwe lithostratigrafische indeling van de Holocene afzettingen, die geheel is losgekoppeld van de genese en de ouderdom, en waarin meer mogelijkheden worden geboden om regionale stratigrafische verschillen tot uiting te laten komen. Het idee van synchrone 'transgressies' en van synchroniteit tussen de sedimentatie in het mariene en het perimariene gebied is thans verlaten".

De ontginningen bevestigen de transgressies.

Er blijft dus nog steeds sprake van Holocene zeespiegelstijgingen en blijven de transgressies 'overeind' staan, al is de traditionele indeling van de genese en de ouderdom verlaten. De zeespiegelstijgingen worden door Berendsen niet ontkend, al hanteert hij wel een andere indeling.
Toch blijft de datering die Delahaye hanteert niet te ontkennen. De bodem van Nederland geeft het bewijs, waar het Romeins onder een soms dikke laag zeeklei wordt gevonden. Deze mariene overstromingen kunnen pas na de 3e eeuw hebben plaatsgevonden, toen de Romeinen rond 260 n.Chr. ons land verlaten hadden.

Het voornaamste uit het betoog van Delahaye blijft dan ook overeind staan, namelijk dat laag Nederland tussen de 3e en 10e eeuw grotendeel een drassig moeras was en dus onbewoonbaar. De bewoonbaarheid keerde in gelijke mate terug met de voortgang van de grootschalige ontginningen. Deze worden algemeen vanaf de 10e eeuw gedateerd, dus na het jaar 1000.
De geschiedenis die men altijd in laag en midden Nederland geplaatst heeft, kan zich er dus niet hebben voorgedaan. Waar geen bewoning was valt niets te bekeren (St.Willibrord en andere predikers) of te plunderen (de Noormannen). Beiden zijn ook nooit in Nederland geweest.

De wateroverlast heeft tot in de 20e eeuw geduurd en zou zonder de Deltawerken nog steeds van invloed zijn.


Klik op de afbeelding voor een vergroting.


Niet alleen laag-Nederland is onderhevig aan het gevaar van overstromingen, ook hoog-Nederland heeft stelselmatig wateroverlast. Zonder waterhuishouding zou Nederland weer terugkeren tot het moeras- en waddengebied dat het voor de ontginningen was.

De "Hollandse Waterlinie" is een bevestiging hoe gemakkelijk het is om half Nederland onder water te zetten. Het openen van een aantal sluizen is daarvoor voldoende. Het land stroomt vanzelf vol aangezien het lager ligt dan het omringende water.

In de 7e en 8e eeuw zal de waterhuishouding niet beter geweest zijn dan tegenwoordig.
Ook hiermee krijgt Albert Delahaye weer gelijk.

In de Friese bodem is niets terug te vinden is van een groot volk. Dat die bodem grotendeels uit jonge zeeklei bestaat verklaart natuurlijk veel, maar archeologen zien hun subsidie liever niet in het (zee)water vallen. Zo geeft de heer Egge Knol in zijn omvangrijke proefschrift over De noordnederlandse kustlanden in de Vroege Middeleeuwen ons het volgende advies: "Het spreken over Dunkerque II, lIla en Illb transgressies kan worden afgeraden". Daar heeft hij misschien wel gelijk in, want in discussies over de opvattingen van Albert Delahaye werken die transgressies alleen maar vertroebelend. Men gaat namelijk denken dat ze voor Delahayes werk van doorslaggevend belang zijn. Ze worden daarin echter alleen maar gebruikt om bepaalde verschijnselen te verklaren, zoals bijvoorbeeld de grote veranderingen die Noord-Franse rivieren, speciaal de "Renus", na de Romeinse Tijd hebben ondergaan.
In de werkelijke geschiedenis van Nederland spelen de mariene transgressies natuurlijk een grote rol. Ze bevestigen nog eens dat de Noormannen ons land nooit aangedaan kunnen hebben, want de klassieke grenzen van de Noormannentijd (± 800 - ± 1000) vallen precies samen met die van Duinkerke IIIa. Ze maken ook aannemelijk dat de Romeinen in de 3e eeuw door het water werden verjaagd, en dat de huidige bewoning van laag Nederland pas in de 10e eeuw begonnen kan zijn. Er hebben vóór die tijd dan ook geen Friezen, Franken en Saksen in ons land gewoond en het spreken over "Angelasaksische" bodemvondsten in Nederland is dan ook pure onzin.
De visie van Albert Delahaye.


Vergelijkt men beide afbeeldingen (links het overstroombaar deel van Nederland en rechts het voorkomen van grafheuvels) dan wordt hiermee de Duinkerke 1 transgressie (van vóór onze jaartelling) haarfijn en onweerlegbaar aangetoond. En als Duinkerke 1 een feit is dan geldt dat ook voor Duinkerke 2 en 3. Zie de tijdbalk.

Tussen de 3e en de 10e eeuw was laag Nederland wegens langdurige overstromingen onbewoonbaar. De traditionele geschiedenis vanaf de Romeinse tijd heeft zich er nooit voorgedaan. St.Willibrord, St.Bonifatius en andere predikers, Karel de Grote, de Noormannen, Friezen, Franken en Saksen zijn allen op grond van verkeerde veronderstellingen in dit overstroomde gebied geplaatst, met alle foutieve consequenties vandien.
De veengebieden en turfwinning, de ontginningen en dijkenbouw en de oude, de nieuwe Hollandse waterlinie en de Grebbelinie bewijzen het gelijk van Delahaye met betrekking tot de opkomst en bewoonbaarheid van Holland en Utrecht. De vermeende geschiedenis van Holland en Utrecht kan zich hier eenvoudig niet hebben voorgedaan wegens de onbewoonbaarheid van dit moeras- en waddengebied, waar de eerste dijken pas in de elfde eeuw werden aangelegd.
Net zoals de eerste graven van Holland (vanuit Vlaanderen) pas in de 10e eeuw kwamen, kwam ook de eerste bisschop van Utrecht pas in de 10e eeuw in Utrecht terecht. Was deze bisschop er al veel eerder geweest, zoals de traditie verondersteld, dan had de bekende strijd om grondbezit tussen de bisschop van Utrecht en de graven van Holland zich nooit voorgedaan. Die strijd geeft juist helder aan dat de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht gelijktijdig in dit nieuwe vrijkomende gebied aankwamen, dat middels ontginningen hun bezit werd.

Ook nu zou Nederland voor het grootste gedeelte overstromen als er geen waterkeringen zouden zijn. (Klik op het kaartje hiernaast voor een vergroting.)

De bewijzen.
In de Romeinse periode was de waterstand lager. De kustlijn lag verder naar het westen. De Brittenburg, een Romeins bouwwerk aan de kust, ligt momenteel ver in zee. De Zuiderzee viel bijna droog, werd een waterplas en had geen open verbinding naar de Waddenzee. De uitstroomopening lag toen bij Egmond (Eg=Ei). De Zuiderzee kon dan ook niet het Almere geweest zijn, die in de Romeinse tijd immers in open verbinding stond met de zee! Bovendien geven ook Nederlandse historici aan (o.a. A.W. Byvanck: zie aldaar) dat de Zuiderzee pas ontstaan is na de Romeinse periode.
Dat de waterstand lager lag blijkt ook uit de Romeinse vondsten diep onder het maaiveld. Na de Romeinse tijd zijn overblijfselen van de Romeinen in west-Nederland verdwenen onder een dikke laag afzettingsedimenten (rivier- en zeeklei).

Degene die moeite hebben met de transgressies of deze voor onwaar bestempelen raad ik aan het boek Van Landijs tot Polderland van Gerrit van der Heide eens te lezen. Hierin is klip en klaar beschreven dat (het grootste deel van) Nederland tussen eind 3e en de 10e eeuw onbewoonbaar was vanwege langdurige overstromingen.
Ook in andere boeken en artikelen is sprake van overstromingen aan de Belgische kust en veranderende rivierlopen in Nederland. Zie onder meer 'Archeologie in de Lage Landen' van J.Hendriks.
Bij twijfel over transgressies zou men ook eens de opeenvolgende overstromingsrampen zoals de Elisabethsvloed, de overstroming in 1916 of de Watersnoodramp uit 1953 en de gevolgen daarvan moeten bestuderen. Ondanks de aanwezigheid van duinen en dijken overstroomde in 1953 een groot deel van zuidwestelijk Nederland. Er waren meer dan 1800 slachtoffers te betreuren, afgezien van dierlijk en materieel verlies.
Verhoging van de (zee- en rivier-)dijken blijkt nog steeds (2015) noodzakelijk.

Men zou ook gewoon eens een atlas kunnen pakken en de geografie van Nederland eens moeten bekijken. Het aantal broek-namen (zie daar) over Nederland is schier ontelbaar. Zelfs in hoog-Nederland getuigen de broeknamen van de onbewoonbaarheid van het gebied vóór de ontginningen. Van de kop van Overijssel tot ver in de Achterhoek (zelfs nog over de Duitse grens) getuigen namen daarvan. Van 's Heerenhoek tot Breedenbroek verwijzen tientallen broek-namen naar de moerassige en dus onbewoonbare bodem, zoals: Deppenbroek, Emsbroek, Spilbroek, Larense broek, Erve Brooks, Broekland, Bornerbroek, Deldense Broek, Blankenbergse Broek, Hambroek, Spilbroek, Heekenbroek, Velswijker Broek, Meerenbroek, Breedenbroek, Zwilbroek, Ruurlosebroek, Holterbroek, Markelosebroek, Deldenerbroek, Spilbroek, Hooge Broek, Broekhuizen, Nijbroek, Broekheurne, Het Broek (2x), Anholtse Broek, Zwanebroek, Noorderbroek, Stroombroek enz. (broek=moeras).
De veen-namen zijn eveneens legio in oost-Nederland van Hoogeveen in Drente (en nog verder naar het noorden tot de veenkoloniën in Groningen) en naar het zuiden tot Wolfersveen in de Achterhoek zoals: Diepenveen, Veengoot, Meddose Veen, Korenburger Veen, Zwarte Veen, Wooldse Veen, Vennebulten, Rouveen, Ruitenveen, Goor, Galgengoor enz. Maar ook elders in 'hoog'Nederland zijn er veen-namen in overvloed: Hoogeveen, Heerenveen, Anerveen, Bonnerveen, Veendam, Buinerveen, Daarlerveen, Klazienaveen, Bargerveen, Weiteveen enz. duiden allemaal de onbewoonbaarheid van een weids gebied aan.
Al deze namen getuigen van een natte en drassige omgeving die bewoning pas mogelijk maakte nadat het land was drooggelegd. Pas na de ontginningen van het veen- en moerasgebied kwam de bewoning op gang en werden namen gegeven aan de nieuw verworven gebieden door de nieuwe bewoners die immigranten waren. Die ontginningen werden georganiseerd door de lokale machthebbers en begonnen zeker niet voor het jaar 1000, wat een geschiedenis daarvoor onwerkelijk maakt.

Het is wel duidelijk: voordat de ontginningen begonnen was Nederland een groot moerasgebied en ongeschikt voor bewoning. (Zie afbeelding hiernaast.) De Romeinen die hier kwamen konden zich slechts handhaven op een smalle strook op de oeverwallen langs de Rijn, wat door de archeologie bevestigd wordt. Toen in 260 n.Chr. de Duinkerke 3 transgressie begon, moesten de Romeinen ook dat gebied prijsgeven en vertrokken uit ons land. Dat er omvangrijke groepen Franken, Saksen en Friezen in Nederland gewoond zouden hebben is dan ook een volslagen mythe. Van hun nederzettingen is ook nooit iets essentieels teruggevonden. Een enkel graf, enkele gebruiksvoorwerpen of een enkele munt bewijzen niets. Zonder schriftelijke bronnen (want die zijn er niet.) heeft Nederland tussen de 3e en 10e eeuw geen geschreven of beschreven geschiedenis gehad.

Ook het gebruik van horst-namen getuigt eveeens van een overstromingsgebied. Horst-namen verwijzen naar een verhoogde droge plaats waar bewoning mogelijk is in tegenstelling tot het omliggende drassige land. Zo'n naam heeft alleen maar zin als het omliggende gebied geen "horst"(hoog en droog) is, maar het tegengestelde daarvan, dus laag en nat.
Te denken valt aan Bronkhorst, Katerhorst, Boekhorst, Nettelhorst, Velhorst, Veldhorst, De Horst, Schaghorst, allen in de Achterhoek gelegen. Verder Staphorst, IJhorst, Schiphorst, Lankhorst, Havixhorst, Hoge Linthorst, Elsinghorst, Broihorst, Hoonhorst, Aalshorst, Stokhort, Ravenshorst, Elsinghorst enz.
Overigens zijn horst-namen niet ouder dan de 12e eeuw. De oudste horst-naam in Nederland was die van Horst bij Rhenen waar de Utrechtse bisschop in 1166 zijn kasteel bouwde en voor het eerste de naam Horst gebruikte.

In de periode tussen het jaar 1000 en 1300 zijn veel Mottekastelen gebouwd. (Voor een afbeelding zie bij Zutphen). Deze werden op door de mens kunstmatig aangelegde heuvels gebouwd. Ze dienden net als de terpen in Friesland om de mens tegen overstromingen en rovers te beschermen. Op de afbeelding de motte van Bijvanck, zoals die ooit bestaan heeft in het Montferland (tussen Didam en Beek) in een verder onbewoond gebied. De namen van de plaatsen Didam en Beek wijzen eveneens op het natte gebied.


Het boek DE KUST van Rottum tot Calais is een aanvulling hierop en geeft hetzelfde beeld. De schrijvers Doeke Eisma en Toon Fey tonen aan dat de duinen pas ontstaan zijn na het jaar 1000. Het ontstaan van onze kust en de geschiedenis tot in de Middeleeuwen toont aan dat de traditionele geschiedenis zich vanwege de overstromingen zich hier niet kan hebben voorgedaan.

De Duinvorming wordt vrij algemeen op de 2e helft van de 9e eeuw gesteld, waarbij aangetekend dat de radio-koolstofmethode tot latere dateringen is gekomen: na de 10e eeuw (Jelgersma). Dat betekent dan ook dat als er geen duinen waren een groot gebied dagelijks overstroomde en dan ook onbewoonbaar was. (Bron: Ir.J.G.G.Jelles). De Duinkerke Transgressies en meerdere Franse en Vlaamse studies tonen hetzelfde aan. Klik op het kaartje voor een vergroting.
De "Guide des Trésors Perdus en France ", van Francois Fayard kent de Duinkerkse transgressie als een traditie. "La tradition d'un immense raz de marée au VIe siecle est manitenant admise comme un fait certain. De nombreuse agglomérations y furent définitivement rayées de la carte".Bron: F.Fayard, p.44.
Vertaling: "Geweldige overstromingen van de zee in de 6e eeuw, zijn momenteel als een zekerheid vastgesteld. Veel plaatsen zijn toen definitief van de kaart verdwenen".

Op de Mont-Watten stond een klooster, dat nu nog als ruëne bestaat. In een ondergrondse gang die van de Mont-Watten naar Cassel leidt, schijnt een schat te zitten. Fayard noemt ook Eperlecques, en de boerderijen van Monnecove (monnik-hof , of monnik-hoeve), met veel "tumulus" of "mottes". Zo een met de hand opgeworpen heuveltje was een "motte féodale" , bestemd voor de burcht of het huis van de heer, of misschien gewoon een vluchtheuvel om bij overstromingen droog te zitten.

Het Duinkerkse transgressiemodel ter discussie?
Er zijn momenteel enkele studies verschenen die het Duinkerkse transgressiemodel ter discussie stellen. Te denken valt aan studies van Vos en Van Heeringen, van Dekker, van De Mulder en Bosch, van Baeteman en van H.Berendsen (zie hiernaast). Deze studies geven doorgaans geen antwoord op de vragen omtrent de plaats van de Brittenburg ver in zee, de vindplaats van Romeins in laag Nederland onder een laag klei of het feit waarom Romeinse wegen in Frans- en Belgisch Vlaanderen tot ver onder het maaiveld liggen en schijnbaar doorlopen in zee.
Dat het niveau van de zee in de Romeinse tijd lager was dan daarna, de regressieperiode tussen Duinkerke I en II, is hiervoor de enige aannemelijke verklaring.

Ook het bestaan van terpen (in Friesland), wierden (Groningen), werven (Noord-Holland), woerden (midden Nederland) en hillen (Zeeland) bevestigen de transgressies onweerlegbaar. Zie de afbeelding bovenaan deze pagina. De hier genoemde studies geven daar geen antwoord op. Het komt er in feite opneer dat slechts de naam ter discussie staat. De transgressies hebben zich niet beperkt tot alleen de omgeving van Noord-Frankrijk, maar zijn ook vastgesteld in Engeland, Noord-Duitsland en Denemarken. Ook de hoogte van de overstromingen stellen enkele studies ter discussie. Maar overstromingen tot wel 7 meter diep moeten niet uitgesloten worden. Het laagste punt van Nederland toont dat wel aan. De prins Alexaderpolder ligt op 7.10m beneden NAP., Nieuwerkerk aan de IJssel op 6,94 meter, Waddinxveen op 7,10 meter en Crooswijk zelfs op 7,20 meter beneden NAP. Bij een geringe overstroming dus zonder dat de zeespiegel stijgt, is het daar dus al meer dan 7 meter diep.

Het komt erop neer dat deze onderzoekers de problemen rondom de transgressies niet willen of durven te erkennen. Hebben zij laten beïnvloeden door de traditionalisten? Immers bij het accepteren van de transgressies vervalt de hele aangenomen geschiedenis in het eerste millennium. Pas met de ontginningen, die begonnen na de 10e eeuw, kwam de bewoning in laag Nederland weer op gang. Het is dan ook een utopie te veronderstellen dat St.Willibrord, St.Bonifatius, de Noormannen en de Friezen en Franken in Nederland verbleven als het land overstroomd was.
Dat er in de transgressie periode tussen 300 en 900 verschillende perioden zijn te onderscheiden, heeft ook Albert Delahaye nooit ontkend. Het was zeker geen enkele en langdurige overstroming. In zijn vele publicaties over West-Brabant komt dat regelmatig ter sprake. Maar dat de geschiedenis van ook dit gebied verder teruggaat dan de 12e eeuw is een nooit bewezen veronderstelling die gebaseerd is geweest op mededelingen van vroegere kritiekloze schrijvers. Zij pasten oude teksten toe op plaatsen waarvan zij meenden dat deze daar thuis hoorden. Een bewijs of motivering werd nooit gegeven. En deze kritiekloze fabelogie wordt door zelfs bestudeerde historici nog steeds als volle waarheid beschouwd. Zij borduren verder op foute opvattingen en graven zich in hun zelf gegraven valkuilen en loopgraven in. Degene die aan die oudste opvattingen twijfelt en er een andere zienswijze op na houden worden vanuit die loopgraven fel bestreden.
In 'Archeologie in de praktijk (1985) worden de transgressiefasen niet ter discussie gesteld. "De verschillende mariene lagen uit de diverse regio's zijn gedateerd en worden aangeduid als Calais 1 t/m 4 en Duinkerke 0 t/m 3. Over de oorzaak van de cyclische afwisseling van transgressie- en regressiefasen bestaat geen zekerheid. De afwisseling lkan verklaard worden door mechanismen van buiten het kustgebied, zoals kleine fluctuaties in de stijging van de zeespiegel en wisselingen in de frequentie van stormvloeden. Tegenwoordig denkt men ook aan mechanismen binnen de regio zelf, zoals het ontstaan van een zeegat en het dischtslibben van een estuarium." De hier genoemde mariene kleilagen zijn geologisch vastgesteld en zijn niet anders te verklaren dan door grootschalige overstromingen van de zee.



Transgressies, ofwel langdurige overstromingen, hebben in de periode 200 v.Chr-1200 n.Chr. gezorgd voor grote veranderingen van het landschap langs de kusten van de Noordzee en Atlantische Oceaan.
Uit beschrijvingen van het landschap bij klassieke schrijvers, de cartografie en de archeologie blijken deze langdurige overstromingen zonneklaar.
Het Romeins in laag Nederland, maar ook in laag België en Frankrijk, wordt steeds teruggevonden onder een dikke laag (soms wel 6 meter dik) afzettingssediment (vaak zeeklei)! De Brittenburg (Romeins) ligt -voor de kust van Zuid-Holland- ver in zee!

Foto rechts: Les Marais, die op veel plaatsen langs de kust van Noord-west Frankrijk nog steeds voorkomen. Aan de hand van deze foto kun je je een juiste voorstelling maken van het "Eiland der Bataven" aan de horizon. In Nederland oogt de Betuwe vanaf de overkant van de Waal (die toen niet eens bestond: zie bij Waal, die in de Romeinse tijd veel smaller was, allerminst als een eiland!


Les Marais


Klik op de foto voor een vergroting.

Marais zijn moerasgebieden langs de kusten van Frankrijk. Sommigen staan permanent onder water, anderen overstromen 2x per dag bij vloed. Weer anderen staan "droog", maar zouden bij het verwijderen van waterstaatkundige werken of een stijging van de zeespiegel meteen weer overstromen. Langs de kanaalkust kan het hoogteverschil van de zeespiegel tussen eb en vloed ook in deze tijd wel 8 à 10 meter bedragen.
Ook in het verleden waren deze Marais voor kortere of langere tijd overstroomd. In de periode van de z.g. "Duinkerkse Transgressies" (zie de voetnoot: Duinkerke) stonden de Marais ten zuiden van Calais en Duinkerken onder water. In dit gebied lag het bij de klassieke schrijvers genoemde Flevum ofwel het Almere.

Het drooggevallen Fle kreeg de naam Fle-landria en werd de naamgever van Flandria-Vlaanderen.

Talrijke en langdurige overstromingen hebben de loop van rivieren en het landschap langs de kusten veranderd. Er is wel eens opgeworden van de Albis nooit de Franse Aa geweest kon zijn. De Albis, hèt grote opstakel voor het Romeinse leger, past niet op zo'n onnozel Frans riviertje. Echter, ten tijde van een transgressie steeg het niveau van de rivieren natuurlijk mee. Op het kaartje hieronder wordt de Plaine Flamande Maritime (ook wel Plaine Flandrienne genoemd) aangegeven, de juiste plaats van het vroegere Almere of Flevum.

Ten zuiden van het Almere (zie het kaartje bij de Akte van 777) lag het Eiland van de Bataven, ten noord-oosten ervan Frisia (=Vlaanderen) en dáár woonden de Friezen.

Table des marées.
Uit de table des Maréés van Boulogne-sur-Mer blijkt het verschil tussen eb en vloed ruim 8 meter te kunnen zijn. Zonder waterstaatkundige werken zou ook nu nog de kust daar tot ver landinwaarts dagelijks twee keer overstromen, waarbij gedeelten nooit droog zullen vallen (net als in Nederland het geval zou zijn).
Dat wordt zeer toepasselijk uitgebeeld in Boulogne-sur-Mer zoals op deze foto te zien is. Rechts de dijk en in het midden het standbeeld van een Egyptisch schip ter ere van de egyptoloog Auguste Mariette op hoge pijlers geplaatst. Tot die hoogte zou het water bij vloed kunnen komen.
(Bron: CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=611993).

Flevum of Almere

Fle-vum - het Fle - Fle-itium - Fle-(th)ite - Flelandria - Flandria - Vlaanderen.

Deze etymologie van Flevum tot Vlaanderen geeft duidelijk aan waar het Romeinse Flevum gelegen heeft. Het was niet de Zuiderzee in Nederland, die pas na 1250 ontstond (zie Berendsen, 1, 265), maar een zeebaai aan de kust van het Kanaal: La Plaine Flandrienne. Het franse «Fleuve›› (grote rivier, stroom) is een rechtstreekse afleiding van Flevum en is etymologisch verwand aan 'vloed'. Een 'Fleuve' is in Franse begrippen een rivier die uitstroomt in de zee of oceaan. Dit in tegenstelling met een 'rivière' die uitstroomt in een (andere) rivier. Een 'Fleuve' is een rivier waar de getijdewerking van eb en vloed merkbaar is.


La Plaine Flamande Maritime (ook wel Plaine Flandrienne genoemd) geeft de plaats van het vroegere Almere of Flevum aan.
Klik op de foto voor een virtuele impressie!

Fle-vum - het Fle - Fle-itium - Fle-(th)ite - Flelandria - Flandria - Vlaanderen.

Het verkeerd begrijpen van de geschreven bronnen heeft voor de nodige verwarring gezorgd en doet dat tegenwoordig nog. Als tijdens de Duinkerkse transgressies de kustgebieden van Vlaanderen onder water staan en de zee tot Brugge (+6 m) reikt, blijven de lagere gebieden in Nederland natuurlijk niet droog. Met soms erg suggestieve kaarten (zie de voetnoot) wil men ondanks dit gegeven de veronderstelde geschiedenis in Nederland handhaven, wat natuurlijk een onmogelijkheid is.

Zie afbeelding: de hoogtekaart van Nederland!

Na de tweede Duinkerkse transgressie trok de zee zich in de 8ste eeuw terug. We noemen dit de Karolingische regressie. De Aa-golf werd een wijd vertakte delta. Door indijking en inpoldering kreeg de mens controle over de waterhuishouding. Zo veroverde hij land op zee en kwam er een nieuwe kustlijn. Door inpoldering van het schorregebied ontstond de Vlaamse kustvlakte, 'la Plaine Flamande Maritime'. Havens als Brugge, Diksmuide, Winoksbergen (Bergues) en Sint-Omaars (Saint-Omer) lagen daardoor verder van de zee. Om dit probleem op te lossen verving men de oude havens door voorhavens zoals Damme, Nieuwpoort, Duinkerken en Grevelingen.

Graaf Diederik van de Elzas stichtte in 1160 Grevelingen, oorspronkelijk Nieuwpoort genaamd, als voorhaven van Sint-Omaars. De stad was voor de inwoners van Sint-Omaars een vrijhandelszone. Burgers van Sint-Omaars waren vrij van tolrechten.

Op de kaart van Nederland hiernaast zijn de gebieden aangegeven die bij het ontbreken van dijken e.d. en een lichte stijging van het zeeniveau zouden overstromen. Ook de oevers van Rijn, Maas en Schelde zouden uiteraard veel verder overstromen dan op het kaartje is aangegeven. En de overstromingen stoppen uiteraard niet bij de landsgrens.
Tijdens de Duinkerke transgressies (200-900) lagen Utrecht, Wijk bij Duurstede, Dokkum en nog meer plaatsen in Nederland onder water. De vraag waar St.Willibrord of een van zijn opvolgers gemissioneerd zouden moeten hebben, blijft de gemoederen bezighouden.


Klik hier voor de volgende bladzijde.

Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.