Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Nep in Nijmegen.

Archeologische vondsten in Nijmegen blijken nep!

Hoe Albert Delahaye, pijnlijk voor Nijmegen, gelijk krijgt.

De in steigers opgetrokken en met doek bekleedde DONJON die op het Valkhof stond, staat symbolisch voor de geschiedenis van Nijmegen. Het oogt imponerend, maar is gewoon hol. Ook de geschiedenis van Nijmegen vanaf de Romeinse tijd leek indrukwekkend, maar was zo hol als de "Holle Boomstammen" van de Bataven.

De geschiedenis van Nijmegen, dat zich graag uitroept tot oudste stad van Nederland, bevat wel meer nep. We noemen enkele voorbeelden.

Nijmegen 2000 jaar stad.
De plaatselijke VVV. probeert, zonder al te veel last te hebben van enig historisch besef, in 2005 het 2000-jarig bestaan van de stad overeind te houden.

Dat Nijmegen de oudste stad is in ons land, vinden ze alleen in Nijmegen. Nijmegen bestond niet eens tussen de 3e en de 11e eeuw en mist dus 8 eeuwen geschiedenis. Nijmegen 2000 jaar? Nep dus!



Volkskrant, 27 juni 2014.


Het nieuwe logo van Nijmegen.

Het is ook ALTIJD wat met NIJMEGEN.
De ontwerper van het nieuwe logo ALTIJD NIJMEGEN heeft met zijn ontwerp laten zien kennis van zaken te hebben. Aangezien het logo door de gemeenteraad is aanvaard, stemt ook de gemeente Nijmegen hiermee is.
In het logo staat links een Romeinse legionair (3e eeuw) afgebeeld en rechts de St.Nicolaaskapel op het Valkhof (11e eeuw). Daartussen zit (op wat nietszeggende moderne tierlantijntjes, een zanger (Frank Boeijen?) en een wandelaar (Vierdaagse?) na een groot gat van wel 8 eeuwen. Dat gat heeft men wel met de Waalbrug proberen te overbruggen, wat helaas niet gelukt is. Vandaar dat de Waalbrug scheef is weggezakt als in een moeras van intriges en mythen. Het bekende gat van Nijmegen, dat ook in Het Bronnenboek van Nijmegen te vinden is (zie daar), wordt hiermee niet alleen erkend, maar ook duidelijk afgebeeld in het nieuwe logo.
Hoe Albert Delahaye zelfs in dit nieuwe logo in het gelijk wordt gesteld. Opvallend in dit logo is dat Karel de Grote niet te zien is. Wordt daarmee erkend dat hij niet in de geschiedenis van Nijmegen thuis hoort? Het wordt tijd dat men dan ook de rest van de geschiedenis van Nijmegen aanpast aan wat in dit nieuwe logo zo overtuigend afgebeeld wordt.



Enkele feiten uit de geschiedenis van Nijmegen:
In 1230 kreeg Nijmegen voor het eerst stadsrechten. In 1930 werd het 700-jarig bestaan van de stad gevierd. Historisch gezien volkomen juist!
In 1955 vierde men in Nijmegen plots het 1800-jarig bestaan van de stad.
In juli 1955 werd dat nog verrassender veranderd in het 1850-jarig bestaan van de stad.
Hieruit blijkt overduidelijk dat heel veel van die "sterke traditie in Nijmegen", zoals Hugenholtz dat ooit noemde, pas sinds 1955 bestaat.
In 2005 vierde men in Nijmegen het 2000-jarig bestaan van de stad. Een feest uitgevonden door de plaatselijke VVV.
Feitelijk vierde men alvast het feestje van 2017 omdat in het jaar 17 n.Chr. Oppidum Batavorum (in Nijmegen is dat Nijmegen) de hoofdplaats van het bestuursgebied van de Bataven geworden zou zijn.
Dat de Bataven in Noord-Frankrijk woonden doet er in Nijmegen blijkbaar verder weinig toe. In de Betuwe woonden ze in elk geval niet. De archeologische opgravingen bij de aanleg van de Betuwe-route laten daarover geen enkel misverstand bestaan.

Nijmegen noemt zich graag de oudste stad van Nederland en beroept zich dan op het marktrecht dat van keizer Trajanus gekregen zou zijn bij het vertrek van de Romeinen ter compensatie van verlies aan omzet. Maar dat vertrek was in 104 of 105 n.Chr. dus sinds dat jaar was Nijmegen dan een stad. (Als het al waar zou zijn: zie hieronder bij Ulpia Noviomagus en bij Nijmegen de oudste stad van Nederland?).
Dat zou dus betekenen dat Nijmegen nog helemaal geen 2000 jaar bestaat, maar pas zo'n 1910 jaar. Rekenen is overigens in Nijmegen (ooit artikel-12-gemeente) nooit een sterke kant geweest.

Maar, Nijmegen heeft tussen 250 en 1230 absoluut geen stedelijke continuďteit gehad. Overigens was Nijmegen in de Romeinse tijd geen stad, maar een legerplaats, strategisch geplaatst op de heuvels die op de rivier uitkeken. Tussen tenminste 400 en 1050 was in Nijmegen in het geheel geen sprake van een nederzetting. Die is archeologisch ook nooit aangetoond, zelfs niet met enkele (6?) graven.
Nijmegen kan zich dus pas sinds 1230 een stad noemen en is dus net zo oud als veel andere steden in Nederland.
Hoe men in Nijmegen in 2005 aan een 2000-jarig bestaan van de stad komt, moet men overigens nog aantonen met historische feiten en niet met een foldertje van de plaatselijke VVV: nep dus!

Museum Het Valkhof.
Museum Het Valkhof heeft een grote collectie Romeins aardewerk en andere Romeinse vondsten. Een niet onaanzienlijk deel is afkomstig uit Museum G.M.Kam. Deze Rotterdamse handelaar begon rond 1900 met het verzamelen en aankopen van Romeinse vondsten in Nijmegen. Echter, Kam verzamelde aanvankelijk zonder enig systeem. Van veel vondsten staat dan ook niet vast wat de vondstomstandigheden waren. Ze werden door de arbeiders verzilverd en, om een hogere opbrengst te krijgen, werd er soms een te rooskleurig verhaal bij verzonnen. Kam schrok er ook niet voor terug voorwerpen van met graafwerk belaste arbeiders aan te kopen achter de rug van F.M.L.Leydekkers. Deze pater Leydekkers liet opgravingen uitvoeren op het terrein van het St.Canisiuscollege en noteerde als eerste ook welke vondsten bij elkaar in één graf werden gevonden. Bij gebrek aan een opgravingsverslag staat van een niet onaanzienlijk deel van de vondsten van Kam niet eens vast waar deze gevonden zijn. Deze vondsten staan nu wel te boek als "Nijmeegse vondsten", nep dus. In 1922 werd de gehele collectie van Kam geschonken aan de stichting Rijksmuseum G.M.Kam te Nijmegen, dat in 1987 werd overgedragen aan de provincie Gelderland en verder ging als het Povinciaal Museum Kam. In 1999 ging dit museum met het Gemeentemuseum van St.Jan samen verder als Museum Het Valkhof, waar met de collectie van Kam nu goede sier wordt gemaakt, maar waarvan een groot deel historiografische nep is.

In Museum "Het Valkhof" in Nijmegen wordt een bronzen portretkop tentoongesteld, waarvan gesteld wordt dat het keizer Trajanus moet voorstellen (Zie afbeelding). Deze portretkop is helemaal niet in Nijmegen gevonden, maar in Xanten. De portretkop stelt mogelijk keizer Trajanus voor. Ofwel, men zet de argeloze museumbezoeker twee keer op het verkeerde been, doordat met de aanwezigheid van deze uit Xanten afkomstige portretkop in dit museum een bevestiging van de aanwezigheid van Trajanus in Nijmegen wordt geďnsinueerd. Zowel vindplaats als voorstelling van deze protretkop zijn zeer omstreden. In Nijmegen probeert men wel met meer niet ter plaatse gevonden relikten haar geschiedenis te bewijzen, zoals met een altaarsteen uit Pfünz. En als deze Trajanuskop nu eens een gewoon toneelmasker is, zoals er zoveel zijn gevonden in het voormalige Romeinse Rijk? Dan steunt de Nijmeegse interpretatie helemaal nergens op. Immers toneel was een alom voorkomende bezigheid van de Romeinen, die noch aan plaats noch aan tijd gebonden was. Nep dus.

De godenpijler.
In Nijmegen zijn twee delen van een zogenaamde godenpijler gevonden (zie afbeelding links). Deze pijler roept vragen op zoals 'welke goden hierop staan?', maar belangrijker: "Waar is de rest van de pijler?" Deze pijler is in elk geval afkomstig van elders, aangezien de steensoort waar deze van gemaakt is in Nederland niet bekend is. De inscriptie TIBR CSAR wordt opgevat als TIBERIUS CAESAR ofwel Keizer Tiberius die regeerde van 14 tot 37 na Chr. Met deze pijler meent men in Nijmegen te kunnen bewijzen dat de plaats in het jaar 17 al bestond, wat slechts een aanname is. Immers de pijler kwam van elders en kan vele decennia na de regering van Tiberius pas in Nijmegen terecht zijn gekomen als overtollig bouwmateriaal. de pijler is immers verre van compleet, dus heeft zeker niet in Nijmegen opgesteld gestaan. Er valt dus niet mee te bewijzen wat men zo graag wenst. Nep dus.

De Bisschop van Nijmegen.
De "bisschop van Nijmegen" is een tekenend voorbeeld van misplaatste geschiedenis. Van de in verschillende teksten genoemde stad Noviomagus, genoemd in verband met het resideren van verschillende bisschoppen, maakte men zonder enig bewijs klakkeloos Nijmegen. Het blijkt echter om de stad Noyon in Noord-Frankrijk te gaan, ook Noviomagus geheten. In Nijmegen heeft immers nooit een bisschopszetel bestaan. De bisschoppen Transmarus, Immo en Harduines zijn bisschoppen van Noyon, niet van Nijmegen: nep dus!

Claudius Civilis in Nijmegen.
Achter de Sint Nicolaaskapel op het Valkhof stond op een hekje een beruchte tekst van Constantijn Huygens. In het Latijn was te lezen dat Claudius Civilis hier knarsetandend de Romeinse legioenen heeft zien naderen. Een erg romantisch beeld, maar er klopt weinig van. Het is niet het enige misverstand dat over de Bataven bestaat. De tekst was in 2007 verwijderd, maar is nu weer in alle foutieve omvang te bekijken. Blijkbaar is het historisch besef in Nijmegen afgenomen, aangezien men nog steeds niet inziet dat wat hier geschreven staat helemaal fout is!
De tekst van Huygens ging al op meerdere punten mank. Allereerst heette de Batavenleider niet Claudius, maar Julius. Op de tweede plaats is het niet slim - zelfs heel onverstandig - om op die plek naar de Romeinen uit te kijken. Ze kwamen niet uit het noorden, maar uit het zuiden, vanuit hun eigen legerkamp. Julius Civilis trok zich na de opstand terug op zijn Bataveneiland, ofwel stak toen plots de Waal over naar zijn eigen eiland, de Betuwe. Blijkbaar, tenminste volgens de Nijmeegse wetenschappers, stond Julius op Romeins terrein de Romeinen op te wachten, die vanuit hun kamp dat vlak naast zijn Oppidum Batavorum lag op het Kops Plateau, toch binnen enkele minuten ter plaatse geweest moeten zijn. En of Julius geknarsetand heeft, is ook nog maar de vraag: de Romeinse klassieke schrijvers hebben dit feit nergens genoteerd. Het is ontsproten aan de fantasie van Huygens, zoals wel meer in de geschiedenis van Nijmegen ontsproten is aan de fantasie van enkele fabelschrijvers zoals Willem van Berchen en Johannes Smetius (die gewoon Jantje Smit heette).
Julius Civilis leidde de Bataafse Opstand tegen de Romeinen in het jaar 69. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus spreekt in zijn boek Historiën over de nadagen van deze opstand. Toen Julius Civilis 'het niet aandurfde het Oppidum Batavorum met de wapenen te verdedigen, sleepte hij al wat roerend was als buit mee, stak de rest in brand en trok zich terug op het (Bataven)eiland. Van het door Holwerda 'opgegraven' Oppidum Batavorum is inmiddels aangetoond dat hij zich schromelijk heeft vergist. Nep dus! Zie ook de volgende opmerking.

Het Oppidum Batavorum.
In 1914 meende archeoloog Holwerda op de Kopse Hof (dus vlak naast het Romeinse legerkamp) het Oppidum Batavorum gevonden te hebben. Archeoloog Willems verklaarde in 1989: "We hebben op dit ogenblik zo'n 9000 m2 van 'Holwerda's Oppidum Batavorum' opgegraven, maar zoals eigenlijk wel te verwachten was: we hebben het niet gevonden. Als er hier al Bataven zijn geweest, dan hoorden die bij een Romeins legeronderdeel!" Nijmegen als Oppidum Batavorum is dus eveneens nep!

Ulpia Noviomagus.
Het tijdelijke Romeinse legerkamp in Nijmegen heeft nooit de naam Noviomagus gedragen. Dat is maar aangenomen, maar op geen enkele manier ooit bewezen. Keizer Trajanus (keizer tussen 98 en 117 n.Chr.) zou Nijmegen zijn naam 'Ulpia' hebben gegeven. Daarvan heeft men in Nijmegen meteen maar stadsrechten gemaakt. Afgezien van het feit dat Trajanus nooit in Nijmegen geweest is (zijn standbeeld staat er dus ten onrechte), werd met het hier genoemde Noviomagus de stad Neumagen in Duitsland bedoeld. Ook deze gegevens, naam en standbeeld, kunnen toegevoegd worden aan het lijstje "nep". De in Nijmegen tentoongestelde portretkop van Trajanus is zeer omstreden. Zowel vindplaats als voorstelling zijn onbekend. Dat het Trajanus zou zijn is een wens van een gedachte. Er bestaat geen enkel aanvaardbaar argument voor deze opvatting. Slechts met de portretkop van Trajanus wordt bewezen dat Trajanus in Nijmegen was, terwijl die portretkop niet in Nijmegen is gevonden en het niet is vastgesteld dat het wel Trajanus is. Zo redeneerde men wel vaker in de Nijmeegse en Nederlandse geschiedenis.

In Museum Het Valkhof te Nijmegen prijkt een steen met het opschrift: (Genio castro(rum T Fl(avius) Rom(a)nus Ulpia Noviomagi Bataus dec(urio) Al(ae) I Flaviae praepositus (Aan de genius van de legerplaats wijdt Titus Flavius Romanus, afkomstig uit Ulpia Noviomagus, een Bataaf, ritmeester van de Ala I Flavia, chef van.. . (dit altaar). Deze steen wordt min of meer als de geboorte-steen van Nijmegen beschouwd. Hij suggereert dat Nijmegen zich mag beroepen op een band met keizer Trajanus, wiens familienaam bij wijze van bijzondere gunst aan die van de stad is toegevoegd.
Voor de volledigheid moet opgemerkt worden, dat deze steen niet in Nijmegen is gevonden, doch een afgietsel is van een in Pfünz (Beieren) gevonden inscriptie; hij bevat niet de minste aanwijzing, waar de plaats Ulpia Noviomagus gelegen was. Zijn vindplaats te Pfünz zegt hieromtrent ook niets. De steen houdt derhalve niet het minste bewijs in voor de authentieke naam van Romeins Nijmegen, daar nimmer bewezen is dat de naam Noviomagus voor Romeins Nijmegen mag gelden.
De namen Ulpia en Flavius hebben vermoedelijk betrekking op keizer Trajanus. Indien dat juist is, heeft de naam Ulpia Noviomagus betrekking op Neumagen bij Trier, aangezien Trajanus veldheer was in Germania Superior en niet in Nijmegen. Slechts op grond van het verkeerd interpreteren van de naam Noviomagus is Trajanus abusievelijk in Nijmegen terecht gekomen. Gezien de beschrijvingen van zijn veldtochten is hij zelf nooit zo noordelijk geweest, dus ook nooit in Nijmegen.

De Romeinse ring van Noviom.
In 1993 duikt bij een opgraving in Nijmegen plotseling een ring op waarop een onduidelijke inscriptie te lezen is, maar wel het woord Noviom herkend wordt. Met deze ring probeert men nu te bwijzen dat Nijmegen in de Romeinse tijd inderdaad Noviom(agus) geheten heeft, wat tot dan toe alrijd wel aangenomen was, maar nooit bewezen. De ring kan het beste gekwalificeerd worden als nep, aangezien er heel wat op aan te merken is. Zie het artikel bij publicaties.

Het gat van Nijmegen.
Het "gat van Nijmegen" is in historische kring een algemeen bekend en erkend archeologisch feit. In de Nijmeegse geschiedenis ontbreken ruim 8 eeuwen. Na de Romeinse periode, die voor Nijmegen eindigde rond 250 na Chr., komt pas in de 11e eeuw aantoonbaar weer wat bewoning op gang. Zelfs het "Bronnenboek van Nijmegen", uitgegeven door de eigen Universiteit, vertoont ondanks enkele grove blunders, zo wie zo al een gat van 5 eeuwen. Tussen 250 en 770 wordt er in dat Bronnenboek niets vermeld. Van continuďteit in bewoning vanaf de Romeinse tijd tot heden is totaal geen sprake geweest. Nijmegen 2000 jaar stad is dus eveneens nep.
Geen zinnig historicus praat meer over Karolingisch Nijmegen. De eerste en voornaamste stelling van Albert Delahaye is bewaarheid geworden. Tot die tijd was de Karolingische traditie in Nijmegen gewoon NEP.

De meestervervalsers: GééN Frankisch graf in Nijmegen.
Flessenhals met recent ingekrast Christusteken gevonden bij opgravingen Mariënburgkapel
NIJMEGEN - Er is waarschijnlijk niet alleen bij opgravingen 'gerommeld' met christogrammen op Romeins materiaal. Ook zijn er nu grote twijfels bij de echtheid van een schedel uit de zesde eeuw met stukjes barnsteen op de oogkassen.
In maart 2002 toonde de gemeente Nijmegen vol trots een folder met op de voorkant een opmerkelijke schedel uit een Frankisch graf uit de vijfde eeuw. Op de oogkassen lagen stukjes barnsteen. Een opmerkelijke vondst, werd destijds geconcludeerd.
Maar de Leidse archeoloog Dé Steures, de man die ook de discussie over de echtheid van de christogrammen aanzwengelde, heeft grote twijfels bij de waarde van de schedelvondst. Hij stelt dat het onmogelijk is dat de barnsteentjes in de vijfde eeuw op de oogleden van de dode zijn gelegd. Dan hadden ze later nooit teruggevonden kunnen worden op de oogkassen. De steentjes zouden bij het vergaan van het zachte weefsel juist weggezonken moeten zijn. Dan waren ze achterin de schedel terechtgekomen.
Hij is ervan overtuigd dat deze 'vondst' een grap is van een vrijwilliger bij de opgraving. Stadsarcheoloog Harrie van Enckevort sluit dat laatste ook niet meer uit. Hij legt uit dat stukjes barnsteen vaker zijn aangetroffen in wat rijkere graven in het centrum en ook in Nijmegen-West. Maar barnsteen op de oogleden, dat was destijds nieuw voor de archeologen. Ze hadden er ook geen goede verklaring voor. Dé Steures snapt echter niet waarom niet direct na zulke vondsten in de opgraving foto's gemaakt zijn. "Hier is een vrijwilliger bezig geweest die de opgravingsleiding later een handje wilde helpen." Voor de afdeling stadsarcheologie is deze tweede 'vervalsing' een bittere tegenvaller. Het heeft er toe geleid dat er scherper opgelet wordt. "Als we gekke dingen tegenkomen, kijken we er zeker beter naar." Voor Van Enckevort was het een gekke week. Overal op tv met beelden over vervalsingen en tegelijk start in Het Valkhof een unieke expositie over 25 jaar graven naar de Romeinen. "Machtig mooi materiaal wordt er getoond. En alles is werkelijk echt en authentiek, en ook getoetst", verzekert hij nog maar eens.
Bron: 11 december 2005, De Gelderlander

Nep in de 17e eeuw.
Dr.A.W.Byvanck schrijft in zijn boek "Nederland in den Romeinschen Tijd" op p.362: "Reeds in de 17e eeuw is er in Nijmegen handel gedreven in Romeinse oudheden en zijn er voor die handel enige monumenten gefrabriceerd. Behalve Smetius zijn ook anderen de dupe geworden van vervalsers".
En deze vervalsingen zijn nog steeds in omloop. Het blijft dus oppassen met Nijmeegs antiek. De kans dat er nep tussen zit is levensgroot!

Stadsarcheologen Nijmegen gefopt
"List en Bedrog in de Archeologie"
Het loden plaatje dat pas 20 jaar oud is en geen 2000 jaar!
Op zaterdag 3 dec 2005 verscheen in Dagblad BN/De Stem (en op maandag 5 december 2005 in de Volkskrant en op RTL4 Nieuws) een bericht over vervalsingen in de archeologie. De journalist refereert ook aan het boekje van Leo Verhart maar vergeet daarbij te vermelden dat dit boekje al uit 1995 stamt. Verhart is conservator Nederlandse Prehistorie van het Nederlandse Rijksmuseum van Oudheden en Archeologie. Verhart heeft destijds een boekje (64 blz) geschreven met de titel "List en bedrog in de Archeologie". In dit boekje wijdt hij geen enkele paragraaf aan de vervalsingen van Nijmegen. Die zijn pas einde 2005 aan het licht gekomen. Wie die vervalsingen doorgespeeld heeft aan de pers is interessanter dan de vervalsingen zelf. Het lijkt erop dat de archeologen het wetenschappelijk niet met elkaar eens zijn om het zacht uit te drukken.
Eind negentiger jaren van de vorige eeuw werd zogenaamd archeologisch topmateriaal gevonden door de twee Nijmeegse stadsarcheologen, die daar zeer opgewonden van raakten en zonder al te veel zelfkritiek en niet gehinderd door einge vorm van kennis van kerkgeschiedenis, alle historie van de vroeg christelijke beschavingen Nijmegen binnenhaalden. De twee archeologen koppelden aan de vondsten het verhaal dat vervolgde christenen uit het Franse Lyon mogelijk naar deze regio waren uitgeweken. Uiteraard een onwetenschappelijk kletsverhaal, zoals deze Nijmeegse archeologen wel meer doen. De allereerste vondsten van het Christendom zijn notabene pas in de vierde eeuw in Rome gedaan. Hoezo waren ze er in Nijmegen al in de tweede eeuw? We hebben al een bisschop van Nijmegen gehad en het scheelde niet veel of de stadsarcheologen hadden een paus in Nijmegen gesitueerd.
Het artikel citeerde onterecht Verhart, maar had wel als pleister op de wonde de mededeling dat de vervalsingen bijzonder deskundig gemaakt waren. Zij vonden deze vervalsingen deskundig maar bij nadere beschouwing blijken deze slordig met een Dremel Diamantrondslijpertje op de originele voorwerpen zijn gekrast. Een blunder van de eerste orde voor de archeologen Enckevoort en Thijssen.
De stadsarcheologen van Nijmegen zijn er wel degelijk ingestonken en hadden zij Albert Delahaye maar enigzins serieus genomen als voorbeeld van wetenschappelijk degelijk onderzoek, dan zouden ze meteen al vraagtekens gezet hebben bij deze vondsten.

Vervalste Bordbodem in Wijchen opgegraven: vondsten blijken vervalst. De Gelderlander over de vervalsingen.
NIJMEGEN - Een professionele vervalser heeft eind jaren negentig in Nijmegen en regio op enkele plekken nep - archeologische 'topstukken' verstopt. De stadsarcheologen hadden bij de opgravingen geen enkel vermoeden van het bedrog. Pas recent is de vervalsing ontdekt.
De bodemvondsten zorgden destijds voor een grote opwinding onder de stadsarcheologen. In 2000 werd er zelfs een expositie ingericht in het Nijmeegse museum Het Valkhof om de opmerkelijke vondsten te tonen en de geschiedenis van christelijk Nederland aan te vullen.
Het gaat om aardewerk, glasresten en een loden plaatje met ingekraste tekens die duiden op een vroeg-christelijke beschaving. Het gaat om zogeheten christogrammen. Ze werden beschouwd als nieuwe bijdrage aan de vroegste geschiedenis van Nijmegen. Op basis van de vondsten werd geconstateerd dat het christendom deze regio al in de tweede eeuw had bereikt. "In Rome kwamen de christenen pas in de vierde eeuw uit de kast. Als je dan ontdekt dat ze hier al in de tweede of derde eeuw waren, dan is sprake van een unieke vondst", zegt Leo Verhart, archeoloog en schrijver van het boek List en Bedrog in de Archeologie. Nijmeegse archeologen koppelden aan de vondsten het verhaal dat vervolgde christenen uit het Franse Lyon mogelijk naar deze regio waren uitgeweken.
Verhart snapt dat de Nijmeegse archeologen destijds opgetogen waren. Hij heeft talloze vervalsingen bestudeerd en stelde vast dat het vaak 'knap werk' was. "Vervalsers willen de wetenschapper voor blijven en gebruiken de bestaande kennis vaak heel goed." Ook in Nijmegen was sprake van een zeer geďnspireerde vervalser. Hij kraste vaak in authentiek Romeins materiaal unieke tekens van de vroeg-christelijk cultuur. Hij gebruikte een roterend freesje met een diamanten kop van 3 millimeter voor zijn vervalsingen. Dat werd pas afgelopen jaar na uitgebreide wetenschappelijke studie vastgesteld.

Bij de eerste vondst van de christogrammen in de Nijmeegse bodem hadden de stadsarcheologen aanvankelijk nog grote twijfels. Maar die scepsis verdween toen vervolgens tussen 1995 en 1999 in vijf verschillende opgravingen christogrammen werden ontdekt. In Oosterhout, in het centrum van Nijmegen, Nijmegen-West en in Wijchen. Te vaak om aan bedrog te denken.

Een christogram is te herkennen aan de Griekse letters cho en rho (X en P). Op vier van de vijf Nijmeegse vondsten zijn de christogrammen aangebracht op Romeins materiaal dat te dateren is uit de eerste eeuwen en vroeger.
Er moet daarom sprake zijn geweest van een actie van een archeologische kenner, vermoedt stadsarcheoloog Harry van Enckevort. Wat zijn bedoelingen zijn geweest, weet hij niet. Van een grap wil hij allerminst spreken. Hij vindt het een kwaadaardig incident. De vervalser beschikte over veel kennis. Achteraf is vastgesteld dat het christogram op een loden plaatje compleet nep is. Metingen bij het Kernfysisch Versneller Instituut in Groningen en onderzoek met een elektronenmicroscoop hebben aangetoond dat het loden plaatje eerder twintig jaar dan tweeduizend jaar oud is.
De stadsarcheologen werden op het spoor van vervalsing gezet door de Leidse archeoloog Dé Steures. Hij kwam op basis van historische overwegingen en technische argumenten tot de conclusie dat de christogrammen bedrog moesten zijn. Het onderzoek naar de echtheid was tijdrovend en kostbaar.
Diverse natuurwetenschappelijke deskundigen van verschillende instituten (ook TNO) werden ingeschakeld. Ook zij concluderen dat de vervalser over veel kennis, voldoende handvaardigheid en het juiste instrumentarium moet hebben beschikt.
Maar archeoloog Van Enckevort wil zich hier niet achter verschuilen. "We hebben destijds toch te snel conclusies getrokken. We zijn te gretig geweest." Wie de vervalser is en wat zijn bedoelingen waren, daar durft Van Enckevort geen gooi naar te doen. "Dat is ook niet meer uit te zoeken."

Misschien iemand de de deskundige eens op hun deskundigheid wil toetsen? Iemand die al sinds 1955 weet dat de geschiedenis van Nijmegen "NEP" is en nu de goegemeente met eigen ondeskundigheid en knulligheid wil confronteren?
Vergelijk het met de Carnavalsoptocht in de jaren 80 waarbij plots een "bisschop van Nijmegen" meeliep, ook om Karolingisch Nijmegen en de deskundigheid van de historici op de hak te nemen.
Hoe het ook moge zijn, deze VERVALSER (we schrijven het uit respect opzettelijk met hoofdletter) heeft in elk geval aangetoond dat aan de deskundigheid van de deskundigen flink getwijfeld mag worden.

Nijmegen teert op niet bestaand verleden
Op zaterdag 22 oktober 2005 (90 jaar na de geboortedag van Albert Delahaye) verscheen in de Gelderlander een artikel over Albert Delahaye. Peter van Deurloo, journalist voor de Gelderlander had via mail een interview gevraagd en gekregen van een zoon van Albert Delahaye. In het artikel wordt weliswaar op een populaire manier, zoals een journalist het moet doen, de materie benadert van de verwarring van Noviomagus en Nijmegen. Peter van Deurloo benadert in zijn artikel via een viertal vragen de kwestie 2000 jaar Nijmegen. Jammer is dat de bewijslast zoals de Romeinse import uit Duitsland van de steen die de naam Noviomagus draagt en de ring met de naam Noviom nauwelijks aan de orde komen. Wat dat betreft moet de ware wetenschapper eerst te rade gaan bij de boeken van Albert Delahaye.

Nijmegen Duitse Rijksstad?
Nijmegen dat zich graag als Duitse rijksstad etaleert, is dat nooit geweest. Nep dus!
Een Duitse rijksstad was een stad die autonoom was en een eigen immuniteit bezat, rechtstreeks onderhorig aan de Duitse keizer. In een oorkonde komt de term "civitates imperii" voor, wat natuurlijk simpelweg "de steden van het rijk" betekent en niet "de rijkssteden".
Was Nijmegen rijksstad geweest, dan was de verpanding van de burcht in 1247 onmogelijk geweest. Immers in 1247 werd Nijmegen door Willem van Holland verpand aan Otto van Gelre, hertog van Gulik-Gelre. Deze onderwerping van de stad aan diens gezag, spreekt de autonomie en de immuniteit van Nijmegen ten stelligste tegen, wat de essentie was van het voorrecht van rijksstad.
Overigens noemt Nijmegen zichzelf voor het eerst "rijksstad" in 1571, toen die titel in Duitsland echter allang zijn betekenis verloren had en niemand in het Duitse rijk toen enig probleem met deze "titel" bleek te hebben.

Was Nijmegen het antieke Noviomagus?
Het eerste autochtone archiefstuk van de stad dateert uit het jaar 1196. Geen enkel bericht, geen enkele archeologische vondst bewijst, dat Nijmegen tussen ca. 250 en ca. 1100 heeft bestaan. In Nijmegen zelf én in de naaste en verre omgeving is geen spoor te vinden van een Karolingisch domein, of van goederen die tot de palts behoord moeten hebben. Sterker nog: nergens in de wijde omgeving wordt melding gemaakt van het bestaan van Nijmegen. Niet in lokale bronnen, niet in regionale, niet in kerkelijke registers, niet in bestuurlijk, militair en zelfs niet in literair verband. Kan het nog duidelijker dat Nijmegen voor de 12e eeuw (behoudens een korte Romeinse periode) niet bestaan heeft.
Kort voordat Nijmegen weer in de historie verschijnt is er menselijke bewoning teruggekeerd. De nieuwe woonplaats droeg de naam Neumaia. Pas in 1242 wordt de plaats voor het eerst "Nymegen" genoemd. In de 14e eeuw wordt de naam in de geschriften gelatiniseerd tot Noviomagus, waarmee de verwarring met het echte Romeinse en Karolingische Noviomagus, zijnde Noyon, feitelijk begon.

Het Valkhof.
De alom bekende kapel op het Valkhof werd in het verleden als "heidensche kapel" en "Karolingisch kapel" bestempeld. Deze kapel blijkt niet ouder dan de 11e eeuw te zijn, hetgeen bevestigd wordt door het patronaat van Sint Nicolaas. De benaming "heidense kapel", om een band met de Romeinse tijd te veronderstellen, blijkt eveneens een historische blunder. De kapel is noch Romeins, noch Karolingisch: nep dus.

De Maria Omdracht fini.
Op het Valkhof stond de St. Nicolaas-kapel, de oudste parochiekerk van Nijmegen; daar bevond zich ook het oude kerkhof. In 1155 bouwde Frederik Barbarossa de eerste burcht, waardoor het Valkhof en omgeving domein van het rijk werd, waar de stad vanaf moest blijven. Na de verpanding van de burcht wilde Otto van Gelre die immuniteit volledig maken; vandaar dat hij de kerk weg wilde hebben en het terrein van het Valkhof geheel afsloot. Hij begon daarmee in 1254; het gelukte pas volledig na de bouw van de St. Steven in 1272. De nieuwe kerk werd buiten de oudste stad gebouwd, omdat er binnen geen plaats voor was. St. Albertus de Grote, wijbisschop van Keulen, legde bij de inwijding van de nieuwe parochiekerk de Nijmeegse parochie de verplichting op om jaarlijks een processie te houden naar de plaats van de oude kerk en het kerkhof, om de gelovigen te blijven gedenken die daar begraven waren. Deze opdracht lag aan de basis van de latere Maria-Omdracht, die in 1962 (zie de volgende opmerking) plots werd afgeschaft, omdat historisch Nijmegen wel begreep dat deze Maria-Omdracht in tegenspraak was met het gewenste karolingische gehalte van het Valkhof.
Na de bouw van de St.Stevenskerk volgde een nieuwe uitleg van de stad; het tweede plan kreeg een andere grondvorm dan het eerste. 
Het Valkhof en de stad bleven bestaan als twee naast elkaar gelegen eenheden, waartussen nauwelijks een stedenbouwkundig verband is ontstaan, zelfs niet toen stad en Valkhof in de moderne vesting waren opgenomen. De latere uitleg naar het zuiden en het zuidwesten, die in de loop van de 15e en 16e eeuw geschiedde, benadrukken dat de uitbreidingen van de stad weg moesten blijven van het Valkhof en omgeving. De topografische details, mits goed verstaan, bevatten alle belangrijke elementen voor de ware geschiedenis van Nijmegen.

Het standbeeld van Karel de Grote.
Men was in Nijmegen altijd van mening dat Karel de Grote op het Valkhof een residentie heeft gehad. Pas nadat Albert Delahaye zijn eerste twijfel hierover had uitgesproken, bleek het in 1962, dus na ruim 12 eeuwen, plots nodig een standbeeld voor deze keizer op te richten. Maar ook in Nijmegen twijfelt men blijkbaar aan de historiciteit van het Karolingisch palies. Men heeft er in 1962 immers niet voor gekozen het beeld pontificaal op het Valkhof te zetten, de enig juiste daarvoor in aanmerking komende plek (volgens de eigen Nijmeegse traditie). Men heeft het beeld midden op het Keizer-Karelplein geplaatst, waar het slechts bereikbaar is met gevaar voor eigen leven, vanwege het rondrazende verkeer. Men wist blijkbaar terdege dat een plaats op het Valkhof ongerijmd was. Bovendien ontbreekt op het beeld of op de sokkel elke opschrift. Blijkbaar heeft men reeds voorzien dat als het ooit uitkomt dat Nijmegen geen Keizer Karelstad was, dan diepe schaamte vermeden zal kunnen worden en is er zo de naam van een andere vorst op gezet. Men weet in Nijmegen dus heel goed dat het beeld er ten onrechte staat: nep dus.
De mening van Albert Delahaye over dit beeld is dat het zeker moet blijven staan als Nijmegen eens zal (moeten) accepteren dat de karolingische traditie vals is. Het beeld zal tot in lengte van jaren de afstraffing vormen van de manier waarop in Nijmegen historische geografie wordt bedreven. De grimmige ruiter zal ten strijde trekken tegen iedereen die hiermee net zo onwetenschappelijk omgaat als men in Nijmegen deed. Het beeld is komische en past in het grote raamwerk van nationale mythen en illusies. Er staan meerdere van dergelijke beelden in Nederland die geplaatst zijn door niet ter zake deskundigen om een fabel in stand te kunnen houden.

De keizer Karel-prijs van Nijmegen.
Enige jaren nadat Aken zijn Keizer Karel-prijs ingesteld had tot bevordering van de Europese gedachte, moest Nijmegen ook een Keizer Karel-prijs hebben. De tendens om Aken na te apen, zou tot op zekere hoogte nog te begrijpen en te aanvaarden zijn geweest, indien zij voortgekomen was uit een historisch juist gefundeerd inzicht. De prijs werd echter pas ingesteld, toen de karolingsche traditie van Nijmegen grondig ter diskussie stond en reeds door velen, ook in Nijmegen zelf, ernstig betwijfeld werd. Evenals het standbeeld van Karel de Grote dat in 1962 werd opgericht, had ook de instelling van deze cultuurprijs als enig doel de opkomende twijfel weg te drukken. Een nep-prijs dus!

De keizer Karel Universiteit.
De Katholieke Universiteit te Nijmegen is in 1923 gesticht onder de naam "Keizer Karel-Universiteit". Dit predikaat heeft men rond 1980 laten vallen om het te vervangen door Katholieke Universiteit. Daarbij werd de motivering gegeven dat dit gebeurde om nadruk te leggen op het katholieke karakter van de universiteit, een enorme drogreden omdat eenieder weet dat het sindsdien alleen maar bergaf is gegaan met dat katholieke karakter.
De ware reden voor het veranderen van de naam is, dat bij velen in de eigen universitaire kring van Nijmegen de t w i j f e l aan Karolingisch Nijmegen al diep was doorgedrongen. Men wilde het risiko niet lopen die titel nog op de voorgevel te hebben wanneer het debakel zou losbarsten en eenieder zich dan vrolijk zou gaan maken over een universiteit die de geschiedenis van de eigen stad niet eens zou kennen. In 2004 werd de naam van de Universiteit weer veranderd in Radboud Universiteit Nijmegen. Zie volgende opmerking.

Over de KEIZER KAREL UNIVERSITEIT schrijft Albert Delahaye in De Ware Kijk Op (p.235) het volgende:
"De Alma Mater van Nijmegen is zelf ook niet een van de eerlijkste. De KU, Katholieke Universiteit is in 1923 gesticht onder de titel "Keizer Karel-Universiteit". Dit predikaat heeft zij enkele jaren geleden laten vallen om het te vervangen door KU. Daarbij werd de motivering gegeven dat dit gebeurde om nadruk te leggen op het katholieke karakter van de universiteit, een enorme drogreden en een enorme wimpel voor de ogen van de leken, daar eenieder weet dat het sindsdien alleen maar bergaf is gegaan met dat katholieke karakter. De ware reden voor het veranderen van de naam is, dat bij velen in de eigen universitaire kring van Nijmegen de twijfel aan karolingisch Nijmegen al diep was doorgedrongen. Men wilde het risiko niet lopen die titel nog op de voorgevel te hebben wanneer het debakel zou losbarsten, dat men toch zag aankomen, en dat eenieder zich dan vrolijk zou maken. Daarom liet men de naamplaat bijtijds verdwijnen in de hoop dat zij vergeten zou worden, overeenkomstig het bekende recept van het Bronnenboek voor het uitwissen van sporen. In de eerste jaren van de kwestie werden mijn bedenkingen over Noviomagus opgevat als een aanval op de universiteit. Wie dit niet kan aannemen of wil ontkennen, moet er de artikelen van Post maar eens op naslaan, vooral zijn dagblad-artikelen waarin hij geheel Nijmegen te wapen riep. Het gebeurde overigens ten onrechte, daar een historicus zich niet druk behoeft te maken over 20e eeuwse naamgevingen, wat ik dan ook niet heb gedaan, net zo min als een haar op mijn hoofd eraan heeft gedacht om het straatnaam bord "Keizer Karel-Plein" uit de grond te trekken. Het dient juist in der eeuwigheid te blijven staan tot vermaak van de toeristen. Het getuigde van een onnozel historisch inzicht, dat die naamgevingen als argument en "bewijs" werden aangevoerd. Nu getuigt het van misleiding, dat de vlag aan de voorgevel werd binnengehaald en de goegemeente een andere dan de juiste verklaring kreeg voorgeschoteld."

De Katholieke Universiteit van Nijmegen heeft sinds 1 september 2004 de naam Radboud-Universiteit aangenomen. Nu zonder 'Sint', om het katholieke weg te moffelen, waarmee het bovenstaand betoog van Delahaye wel sterk bewaarheid wordt. Daarbij wordt een beroep gedaan op een heel andere bisschop dan de fictieve van Nijmegen uit het Bronnenboek van die stad die evenwel te Noyon zetelde, namelijk de laatste bisschop van Tournehem in Frans-Vlaanderen, die, in zijn functie van beschermheilige van de specifiek katholieke wetenschapsbeoefening, het historische geknoei van de universiteit mag toedekken met zijn bisschoppelijke mantel. Aan de voorzitter van het College van Bestuur, Roelof de Wijkerslooth, werd discreet de volgende vraag gesteld: «Hoogleraren gaven in een enquête de voorkeur aan Keizer Karel als naamgever boven Radboud. Waarom daar niet voor gekozen?››
Hij antwoordde, de eigenlijke kwestie omzeilend: «Dat idee grijpt terug op de eerste rector van de universiteit, Jos. Schrijnen. Heel lang is die naam in beeld gebleven als alternatief, maar ik zie er niks in. Het probleem van de eenheid is er niet mee opgelost, want het UMC [het Universitair Medisch Centrum van de St.-Radboudstichting] heeft helemaal niks met Keizer Karel.››
Weg Keizer Karel ! De universiteit van Nijmegen slaagt er nog altijd niet in om de vroeg-middeleeuwse geschiedenis van de stad uit handen te nemen van een stelletje theologen. Sinds 1982 zijn die niet in staat geweest om te antwoorden, maar ondertussen gaan binnenshuis de zwartmakerijen door.
Zo verklaarde de Nijmeegse gemeentelijke CDA-fractie-voorzitter dr. Ad Lansink op zaterdag 27 november 2004 vanaf de preekgestoelte van de Stevenskerk te Nijmegen heel academisch:«Ik zou bijna een lans gaan breken voor Albert Delahaye, de gefrustreerde oud-gemeentearchivaris, die zijn scheldpartijen baseerde op zijn passie voor de historische waarheid, die hij overigens nooit gevonden heeft. Schrijven en schelden: een actueel thema, voor betweters, maar ook voor biografen.››
Wie al veertig jaar betweterig met de mond vol tanden staat en alleen maar kan schelden en pluimstrijken – argumenten ho maar ! – heeft natuurlijk allang de hoop opgegeven nog te kunnen bijten. Vandaar dat het vraagstuk door de bijna lansbrekende Lansink liever wordt omgedraaid met een psychologiserende benadering. De Universiteit van Nijmegen heeft de naam die het volop verdient ondertussen geheel zélf uitgekozen; die van een afgedankte intrigant en nep-heilige uit Frans-Vlaanderen.

In een televisieprogramma van 3 juni 2005 ("Twee vandaag") ter gelegenheid van het bezoek van koningin Beatrix aan de stad die beweert al tweeduizend jaar zonder onderbreking te bestaan kon stadsarcheoloog J. Thyssen van Nijmegen wél een erepijler van keizer Tiberius uit 16 na Chr. laten zien, maar niets uit de vroege middeleeuwen.

De Radboud Universiteit.
In 1905 wordt de Radboud Stichting opgericht ter bevordering van het rooms-katholieke hoger onderwijs en met name ook om de stichting van een katholieke universiteit voor te bereiden. In 1923 is het zover, dankzij de middelen die het katholieke volksdeel zelf bijeenbrengt. Met de naam Radboud Universiteit Nijmegen die sinds 2004 gevoerd wordt, wil de universiteit de band met de katholieke gemeenschap bevestigen.
De Radboud Stichting is vernoemd naar de bisschop, geleerde en dichter Radboud die rond 900 leefde. Hij is geboren uit een adellijke Frankische christelijke familie en vernoemd naar zijn voorvader de Friesche (=Vlaamse) koning Radboud. Radboud wordt in 899 tot bisschop van Trajectum in Francia gekozen. Dit Trajectum was niet Utrecht, maar Tournehem in Frankrijk.
En hier gaat de universiteit weer in de fout. Radboud was van 899-917 bisschop van Trajectum (=Tournehem) en hij was de laatste bisschop van Tournehem. Vanwege de bezetting van die stad door de Noormannen, resideert hij in Daventria wat niet Deventer is, maar Desvres in Noordwest Frankrijk. Het blijft een ongerijmdheid dat de bisschop van Utrecht op de vlucht juist de Noormannen tegemoet reisde, die juist toen daar in Zutphen aan het plunderen waren. Zijn indirecte "opvolger" Balderik was de eerste bisschop van Utrecht (975). Dertiende eeuwse schrijvers lieten Balderik onmiddellijk op Radboud volgen, wat hem een 58 jarig episcopaat opleverde. Na de naam Keizer Karel Universiteit wordt met de nieuwe naam weer dezelfde fout gemaakt. De naam Radboud Universiteit is net zo fout: ook nep!
Een andere discussie die men aan de Nijmeegse Universiteit nog eens moet voeren is waarom men een Nijmeegse Universiteit naar een Utrechtse bisschop moet vernoemen. Heeft men in Nijmegen zelf geen vooraanstaande en integer wetenschapper om de universiteit naar te vernoemen? Wat te denken van de "Albert Delahaye" universiteit? Het zou in meerdere opzichten een zeer gepaste en enig juiste keuze zijn. Echter die uitdaging zal men wel niet aandurven.

De fabelschrijvers van Nijmegen.
Veroorzakers van al deze verwarring waren de Nijmegenaren (hoe kan het anders?) Willem van Berchen (kanunnik in de 15e eeuw) en de dominees vader en zoon Smetius (17e eeuw). Goedgelovig als zij waren, meenden zij voldoende kennis van antieke (Latijnse) teksten te hebben om zonder verder onderzoek enkele historische gebeurtenissen naar Nijmegen te halen.
Voor zover we weten is Willem van Berchen, eens kanunnik van de Nijmeegse St-Stevenskerk, de eerste geweest die over een vondst uit Romeins Nijmegen heeft geschreven. In zijn Gelderse kroniek "De nobili principatu Gelrie et eius origine'' heeft hij omstreeks 1465 een steen met een Latijnse inscriptie vermeld, die toentertijd was ingemetseld in de z.g. Karolingische kapel op het Valkhof, en die thans bewaard wordt in het Provinciaal Museum G.M. Kam. Het betreft een grafsteen die tussen 96 en ca. 104 is opgericht voor G(aius) Iulius Pudens, veteraan van de Legio X Gemina Pia Fidelis, en voor diens zoon Iulius Iunius.
"De wijze waarop Willem van Berchen de tekst van de inscriptie heeft aangevuld, gelezen en becommentarieerd, grenst aan het ongelofelijke en is ronduit verbijsterend. ,,Alles is anders" zouden we met H.Brunsting kunnen zeggen."(Bron)
En ondanks de zeer terechte constatering dat er gewoon niets klopt van de vertaling van Willem van Berchen, worden zijn beweringen die van deze foute vertaling zijn afgeleid, nog steeds voor volle waarheid aanvaard en legt Willem van Berchen met zijn beweringen de kiem van de latere mystificaties in "de algemeen aanvaarde geschiedenis van Nijmegen en van ons land". Nep dus!

Het Oppidum Batavorum.
In 1645 verscheen een heel bijzonder en al snel beroemd boek over de vroegste geschiedenis van Nederland en in het bijzonder Nijmegen: "Oppidum Batavorum, seu Noviomagum" (Nijmegen, stad der Bataven). De Nijmeegse predikant en oudheidkundige Johan Smidt, die zich naar de gewoonte van die tijd om alles te "verlatijniseren" Johannes Smetius noemde, betoogde daarin dat Nijmegen de oudste en ooit -in de tijd van de Bataven en Romeinen- belangrijkste stad van Nederland was. In de ogen van Smetius was Nijmegen, de hoofdstad der Bataven, drager van een grote traditie van dapperheid en vrijheidslievendheid. In zijn drang naar gewichtig doen en alles Latijnse namen te geven, vond hij de mythe van de Bataven in Nijmegen uit. Smetius eiste met zijn boek de aanvang van de beschaafde geschiedenis van Nederland op voor Gelderland en Nijmegen, vooral tegen alle pretenties van Holland in. Enig historisch besef bleek hem vreemd, wat wel blijkt uit de vele onjuistheden en zelfs grove fouten in zijn werk. Een van die fouten waarop de nederlandse traditie nog steeds blind vaart, was zijn bewering dat het Oppidum Batavorum te Nijmegen, dus buiten het land van de Bataven (welk volk bouwt zijn eigen hoofdstad buiten zijn rijk?), gelegen zou hebben.

Nijmegen als het Oppidum Batavorum stamt dus van de predikanten vader en zoon Smetius en hun nazaten In de Betouw sr. en jr. In de Betouw beschreef een kroniek van Nijmegen, aanvankelijk opgesteld door Johannes Smetius tot het jaar 1300, gebracht door diens zoon tot 1592, vervolgde deze "met aantekeningen en vermeerderingen" tot 1785. De deskundigheid van deze Nijmeegse kroniekschrijvers is altijd aan veel twijfel onderhevig geweest. Aan de juistheid van de pas in de 16e eeuw ontstane mythe over de Batavenhoofdstad is eerder getwijfeld. De Nijmeegse stadsarchivaris M. Daniëls stoorde zich ruim in de 20e eeuw nog hevig aan "den algemeenen indruk van onbetrouwbaarheid, dien men van het bestudeeren van In de Betouw's talrijke geschriften noodzakelijk medeneemt" en aan de "slordigheden, onjuistheden en ongegronde beweringen" waarop hij hem telkens kon betrappen.
Maar nog steeds wordt de fantaserende dominee Smetius nagepraat, die kritiekloos de Bataven in de Betuwe plaatste. Overigens geschiedt dat 'napraten' steeds zonder bronvermelding, want zou men Smetius als bron geven, dan zal een serieus historicus zijn lachen niet kunnen onderdrukken en maakt men daarmee eigen onbenulligheid kenbaar."

In hoeverre Smetius en In de Betouw zich hebben laten leiden door de eenmaal op gang gekomen Batavenmythe blijft de vraag. Een aantal historische feiten vind je bij hen niet terug. Zo spreekt In de Betouw wel over wegenaanleg onder de keizers Trajanus en Antoninus Pius, omdat hij bijbehorende mijlpalen met opschrift kan noemen, maar niet over de beroemde waterstaatkundige werken van het Romeinse leger in Nederland - de dam en de grachten van Drusus en de gracht van Corbulo -, omdat hij geen inscripties kent die daarvan getuigen. En dat zagen Smetius en In de Betouw dus heel erg juist. Die waterstaatkundige werken werden ook niet in Nederland aangelegd. Immers er was hier in de tijd van de aanleg, nog geen Romein geweest. Ook gaat hij voorbij aan de opstand van de Friezen in 28 n.Chr., de belegering van het Romeinse fort Flevum en het inzetten van het vijfde legioen bij de onderdrukking van de rebellie. Opmerkelijker nog is zijn geringe aandacht voor de Bataafse hulptroepen in het Romeinse leger, met name hun optreden tijdens de expeditie van Germanicus tegen Arminius in 16 n.Chr. en hun rol tijdens de Bataafse opstand van 69-70 n.Chr. En ook hier zwijgt In de Betouw, naar nu blijkt terecht!
De archeologie heeft van het Oppidum Batavorum in Nijmegen nooit iets teruggevonden. De vondsten van Holwerda die in het begin van de vorige eeuw beweerde het Oppidum gevonden te hebben, worden inmiddels algemeen als vals beschouwd: nep dus!

Allemaal nep.
Op de foutieve opvattingen van Willem van Berchen en vader en zoon Smetius, heeft Nijmegen later haar verdere geschiedenis geschreven. Bataven, Karel de Grote, de Noormannen, en enkele bisschoppen van Noyon, zijn door het verkeerd lezen en begrijpen van antieke teksten in Nijmegen terecht gekomen: allemaal nep dus.
Het antieke Romeinse en Karolingische Noviomagus was de Noordfranse stad Noyon. De hele geschiedenis van dat antieke Noviomagus, inclusief de Bataven, Karel de Grote, de Noormannen en enkele bisschoppen, hoort daar thuis en niet in Nijmegen. Ook in Nijmegen weet men dat, maar het wordt angstvallig verzwegen. In het "Bronnenboek van Nijmegen" komt men de namen van de fabelschrijvers Van Berchen en Smetius dan ook niet tegen. Zij worden door geen enkele tegenwoordige historicus als bron genoemd, hun opvattingen worden echter nog steeds voor waarheid gehouden.

Zie bevindingen van andere historici bij Bevestiging hoofdstuk 6: Karolingisch Nijmegen.

En in Nijmegen is meer NEP.
Zo weten velen dat Jan van Hoof niet de redder van de Waalbrug is geweest aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Enkele betrokkenen hebben al vlak na de oorlog verklaard dat Jan van Hoof de draden van de ontsteking niet kan hebben doorgeknipt, zoals de fabel wil. Op dat moment zou hij zelfs niet eens aanwezig zijn geweest.
De krant De Gelderlander weigerde stukken te plaatsen van de tegensprekers over deze mythe. Zo blijft de vermeende heldenstatus van Jan van Hoof tot op de dag van vandaag gehandhaafd. NEP dus.

Deze houding van De Gelderlander heeft ook Albert Delahaye mogen ervaren. Delahaye heeft van De Gelderlander meer tegenwerking dan meewerking gehad. Het gaat de krant dus niet om de historisch juiste waarheid, maar om het in stand houden van voor Nijmegen toeristisch aantrekkelijke mythen.


Klik hier voor de WARE geschiedenis van Nijmegen,

Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.