Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Nijmegen = Noviomagus Neumaia.

Keizerlijk Nijmegen is slechts ijdele bluf... (Dagblad voor Noord-Limburg. 8 dec.1980).


Zie ook bij *Noyon, *Noviomagus, *Nijmegen, *Nijmegen 1850 jaar stad?, *Romeins Nijmegen, *Museum Het Valkhof, *Het Bronnenboek van Nijmegen.

Er is geen enkel bewijs dat Nijmegen vˇˇr 1282 Noviomagus geheten zou hebben.
Op het onjuiste gebruik van de naam Noviomagus is de hele geschiedenis van Nijmgen gebaseerd.

Met dezelfde voorbarige onjuiste en nooit bewezen opvattingen dat Nijmegen ooit een paleis van Karel de Grote zou hebben gehad, beweert men nu dat Nijmegen de oudste stad van Nederland zou zijn. Nijmegen mist tussen de 3e en 11e eeuw ruim 8 eeuwen bewoningsgeschiedenis. Over die periode is nooit aangetoond dat er enige vorm van een nederzetting was, laat staan een stad.
De Romeinse tijd die er zeker geweest is, vertoont al meerdere gaten waardoor er al geen sprake meer is van enige continu´teit. Zie het Bronnenboek. De stichting van Nijmegen door Julius Caesar heeft men dan wel losgelaten, maar de vondst van enkel munten uit de periode van keizer Augustus vormen geen bewijs van het bestaan van Nijmegen als een (Romeinse) stad. Aantoonbaar is slechts de aanwezigheid van de Romeinen tussen 50 en 175 n.Chr. Dan zijn er nog enkele vondsten uit de 3e eeuw, maar daarmee houdt Romeins Nijmegen op. De geschiedenis van Nijmegen begint behoudens een Romeinse aanwezigheid pas na de 10e eeuw.


De euforie die men heden heeft over enkele (zes, Merovingische?) graven doet daar niets aan af. Een graf is geen bevestiging van een nederzetting, laat staan van een stad. Een graf is het gevolg dat mensen overlijden en begraven worden, waar ze toen ook rondzwierven. Dat mensen rondtrokken is zo oud als de mensheid, dat men overlijdt en begraven wordt eveneens.
Toen Albert Delahaye in 1954 de vraag stelde of het Noviomagus van Karel de Grote wel Nijmegen was, stak er een storm van verontwaardigd protest op onder historici. Uit de eerste reacties bleek al snel dat het altijd voetstoots was aangenomen, maar nog nooit bewezen. "Dat hoeven we toch niet te bewijzen?" sprak Hugenholtz, alsof de kwestie daarmee was afgedaan. Het was dus ook nooit aangetoond of bewezen. Delahaye had een pijnlijk probleem blootgelegd. Er bleek sprake van een immense spraakverwarring als het om het klassieke 'Noviomagus' ging, een spraakverwarring die tot dan toe steeds ontkend was. Zaken werden door elkaar gehaald, ook die er niets mee te maken hadden.


Klik op het logo!



Het Bronnenboek.



Romeins Nijmegen.



De St.Nicolaaskapel.



Keizer Karelstad?


De geschiedenis van Nijmegen is gebaseerd op veronderstellingen, aannames en foutieve interpretaties van de klassieke teksten. Er is geen enkel bewijs dat Nijmegen ooit Noviomagus heeft geheten. Het Noviomagus van Karel de Grote was de Franse stad Noyon, de stad waar hij gekroond is. Aangezien het Romeinse Noviomagus dezelfde stad was, is dat dus ook Noyon en niet Nijmegen. Feitelijk wordt dat ook erkend met het Bronnenboek van Nijmegen (zie daar).


Dat Nijmegen het klassieke Noviomagus zou zijn, is slechts gebaseerd op de veronderstelling dat de Betuwe het land van de Bataven zou zijn.
Er bestaat geen enkel rechtstreeks bewijs voor de juistheid van de naam Noviomagus voor Nijmegen.

Wie het hiermee niet eens is, laat hem/haar het bewijs tonen.

We wachten al ruim 50 jaar op dat ene bewijs. Tot heden is het nooit gevonden. Ook in Het Bronnenboek van Nijmegen staat het niet.

Neumaia is Nijmegen.


Toen in Nijmegen in 1930 het 700 jarig bestaan van de stad werd gevierd, wist men al dat Maastricht de oudste stad van Nederland was.

Niet Nijmegen, maar Maastricht is Nederlands oudste stad.

De bekering heeft zich ingezet.
Zie het artikel hiernaast. (Bron: Algemeen Dagblad 10 aug.2017).
Ook in dit artikel wordt de waarheid helaas weer geweld aan gedaan. De Bataafse Opstand heeft nooit in Nijmegen plaatsgevonden maar in Noord-Frankrijk. Bovendien was deze opstand in 69 en 70 Chr. Blijft onverlet dat Nijmegen niet de oudste stad was. Overigens zou Nijmegen de 'stadsrechten' van keizer Trajanus gekregen hebben in het jaar 105 n.Chr. Hoe dat dan kan als de stad totaal vernietigd was, blijft een van de vele Nijmeegse raadsels. Aangetoond is wederom dat er met de traditionele Romeinse geschiedenis van Nijmegen ook heel wat aangerommeld werd en wordt. Met de afbeelding van de Valkhofkapel wordt (onbedoeld?) bevestigd dat de geschiedenis van Nijmegen begint in de 11e eeuw!

Maastricht is de enige Nederlandse stad die kan bogen op een bewezen permanente bewoning vanaf de Romeinse tijd tot nu toe. Over continue bewoning vanaf de Romeimse tijd kan (in Nijmegen, red.) dan ook wegens gebrek aan bewijs niet gesproken worden. (Bron: I.Jacobs en K.Ribbens).


Dat Maastricht de oudste stad van Nederland is wordt ook erkend door de Universiteit van Nijmegen, al had men dat zelf niet in de gaten.
Een afbeelding van de oudste stad op een kerstkaart van de Universiteit, laat duidelijk Maastricht zien. Na zo'n erkenning houdt de hele discussie op.
Nijmegen mist ACHT eeuwen van haar geschiedenis en is dus niet de oudste stad van ons land.
Volhouden dat Nijmegen de oudste stad is, is NEP. Er is meer NEP in de geschiedenis van Nijmegen.

Maastricht is de oudste, permanent bewoonde stad van Nederland! (Archeologie Magazine 2, 2000, p.36). Door dit zo nadrukkelijk te stellen impliceert het dat Nijmegen dus niet permanent bewoond was, waarmee het gat van Nijmegen nogmaals is aangetoond.
Het naoorlogse Nijmegen kende bestuurders zonder noemswaardig historisch besef. Gevoelens van verantwoordelijkheid jegens het verleden ontbraken helemaal. Het omgaan met het tastbare en zichtbare verleden kenmerkte zich als een litanie van verdriet. (Bron: Archeologie Magazine nr.3, 2004).

Dat gebrek aan historisch besef kenmerkte niet alleen de bestuurders, maar ook veel zogenaamde deskundige historici in Nijmegen. Het Bronnenboek van Nijmegen is daarvan een sprekend voorbeeld. Hieronder volgen nog meer voorbeelden over NEP in de Nijmeegse geschiedenis.

"Dat Nijmegen de oudste stad zou zijn, daarover bestaat geen twijfel", schrijft J.B.A.M.Brabers in Numaga jaarboek 2002. Dat kan men in Nijmegen beter vergeten, want er bestaat veel en zelfs gerede twijfel. Dat moet Brabers ook erkennen als hij enkele regels verder schrijft dat er geen concrete bewijzen bestaan van de stichting van de stad. En volgens J.E.Bogaers kreeg Nijmegen 'vermoedelijk op zijn vroegst' pas in de tweede helft van de tweede eeuw marktrechten.
Hoezo dan de oudste stad?

Het was de Nijmeegse gemeentelijke archeoloog Jan Thijssen die vaststelde dat Nijmegen de oudste stad van Nederland was. Het was dus geen conclusie van historici of van derden, maar de conclusie van de stadsarcheoloog zelf, wat in Nijmegen gezien het toerisme voetstoots werd overgenomen. Over belangenverstrengeling gesproken.
Zijn onderzoek om tot deze conclusie te komen was onvolledig, bevatte onvolkomheden en onjuistheden en was feitelijk een mythe. Het was ook geen onderzoek dat bevestigd werd door geschreven bronnen, maar slechts door hypothesen van de stadsarcheoloog zelf. En jezelf tegenspreken doet men in archeologische kring niet. "Ja", zei Thijssen ooit, "je moet de tent goed verkopen". Dat heeft hij voor Nijmegen zeker gedaan, maar het was dezelfde mythe als die over het paleis van Karel de Grote, dat er ook nooit geweest is.
Uit een eerder interview met Thijssen blijkt dat hij niet deskundig is om te kunnen beweren dat Nijmegen de oudste stad is. Hij kende de geschreven bronnen niet eens. Zo verweet hij Albert Delahaye dat hij Romeins Nijmegen zou hebben ontkend. Niets is minder waar, maar nu bleek glashelder dat Thijssen de boeken van Delahaye nooit gelezen had. Het is de arrogantie van degene die alleen zichzelf gelijk geeft. "De onzin die Delahaye beweert lees ik niet eens, want ik heb namelijk gelijk", was blijkbaar zijn opvatting.
Ook beweerde Thijssen dat hij 'het gat van Nijmegen' gedicht had. Jan zou aangetoond hebben dat er wel degelijk sprake was van continu´teit in de bewoning van Nijmegen. Daarmee werd volgens hem terecht geclaimd dat Nijmegen de oudste stad van Nederland was. Thijssen gaf hiermee dus feitelijk toe dat er wel degelijk een 'gat van Nijmegen' bestaat. Dat gat zou nu gedicht zijn met de vondst van een zestal graven, waarvan de datering zo ruim is dat er geen enkel bewijs voor het dichten van 'het gat' mee geleverd kan worden.
En de grafvelden in Lent, gedateerd tussen 450-575 en 625-700, of dat in Wijchen of in Gennep? Die tonen juist 2 zaken aan: 1. dat Nijmegen juist niet bewoond was (anders had men daar wel begraven.) en 2. het slechts een kleine groep van rondtrekkende 'boeren' betrof, waarop de definitie van stad juist niet van toepassing geweest kan zijn. Immers bij de grafvelden zijn geen nederzettingen aangetroffen.
Het 'gat van Nijmegen' is dus allerminst gedicht, nog afgezien van de rest van 'het gat'. Waar blijven de vondsten uit de Karolingische tijd? Die zijn nog steeds niet gevonden en zullen er ook niet gevonden worden.


Nijmegen kent 4 problemen om zich de oudste stad te kunnen noemen:
1. Er zitten verschillende hiaten in de bewoningsgeschiedenis om in continu´teit van een stad te kunnen spreken. Tekstueel bestaat Nijmegen niet tussen de 4e en 8e eeuw. Dat wordt ook bevestigd door "Het Bronnenboek van Nijmegen" (zie daar)! Met een juiste toepassing van de teksten wordt dat hiaat zelfs vergroot tussen de 3e en 11e eeuw.
2. De zogenaamd verkregen 'marktrechten' maakt van een nederzetting nog geen stad. Zie de uitspraak van Brabers hiervoor.
3. Het door Trajanus bedoelde Noviomagus waaraan hij bepaalde rechten verleende was niet Nijmegen, maar Neumagen. Nijmegen heeft zich die verleende rechten toegeŰigend zonder feitelijk bewijs dat de stad in de Romeinse tijd Noviomagus heette.
4. De vondst van enkele (zes) graven is geen bewijs dat er toen sprake was van een nederzetting, laat staan een stad.

Behalve dat er van continu´teit tussen de 3e en 11e eeuw geen enkele sprake is (probleem 1), mist men ook maar ÚÚn bewijs dat Romeins Nijmegen ooit stadsrechten heeft gekregen (probleem3). Prof.dr.J.K.Haalebos verwoordt het in jaarboek Numaga 2000 op p.10 als volgt: "Als stad (municipium) wordt Nijmegen pas in het begin van de 3de eeuw vermeld onder de naam Municipium Batavorum, hoewel er aanwijzingen zijn dat Nijmegen reeds onder Antoninus Pius (138-161) stad geweest kan zijn. Als dat werkelijk het geval is, lijkt het niet al te gewaagd aan te nemen dat reeds Trajanus de plaats tot municipium heeft verheven".
Dat zijn dus liefst 10 veronderstellingen of aannames in deze twee zinnen, t.w.: 1. hoewel; 2. er aanwijzingen zijn; 3. geweest kan zijn; 4. als; 5. werkelijk; 6. het geval is; 7. lijkt; 8. niet al te gewaagd; 9. aan te nemen; 10. dat reeds heeft.

Bovendien staat vast dat Nijmegen nooit de naam Municipium Batavorum heeft gedragen. Ook dat is een onbewezen veronderstelling waarvoor geen enkel bewijs te vinden is.
En hierop is de geschiedenis van Nijmegen gebaseerd.

En dan komt Anton van Hooff (zie hier voor meer informatie over hem) in het Historisch Nieuwsblad nr.6 van 2017 met een nieuwe vondst. De pijler van Trajanus zou het ultieme bewijs zijn dat Nijmegen de oudste stad is. Waarschijnlijk komt deze pijler uit 17 n.Chr. schrijft hij. Dat is dan onzekerheid 1. Vervolgens rakelt Van Hooff weer enkele aloude mythen op, maar vergeet te vermelden dat die pijler incompleet is. Het is maar een deel dat in Nijmegen gevonden is. En in 17 n.Chr. was er nog geen enkele Romein in Nederland geweest en dus ook niet in Nijmegen. Ook al zou de pijler uit 17 n.Chr. stammen, dan is er geen enkel bewijs dat die in dat jaar ook in Nijmegen terecht is gekomen. Overigens, waar is de rest van deze zuil die toevallig in Nijmegen terecht kwam? De steensoort van deze pijler toont al aan dat die van elders kwam.
Met wat leugens wil Van Hoof zijn gelijk aantonen. Zo zouden archeologische gegevens bevestigen dat zich rond 17 n.Chr. op en om het Valkhof het Batavenoord Batavodurum bevond. Niets is minder waar. Archeoloog W.Willems kon het in Nijmegen in elk geval niet vinden. Dat ze er droge voeten hielden, zoals Van Hooff vermeldt, bevestigt in elk geval dat hij de transgressies en het gelijk van Delahaye erkent. Echter ten noorden en oosten van het Kops Plateau was het ÚÚn sompige moeras. Was? Dat is het nog steeds! En wat er te bewijzen valt met de overkant van de Waal ten gunste van Nijmegen, ontgaat mij. Het verhaal van Van Hooff ook hierover is klinkklare onzin. Van die overkant kwam geen enkel gevaar. Archeologisch is vastgesteld dat de Rijn geen grens was die bewaakt moest worden tegen invallende Germanen, maar een bewaakte transportroute voor de graantransporten naar het zuiden was. Zie bij Renus. Dat Nijmegen in de Romeinse tijd ooit de naam Noviomagus zou hebben gedragen is de volgende leugen van Van Hooff. Daar is geen enkel bewijs voor en ook nooit geleverd. Als hij dat bewijs nu wel heeft, zou ik het graag eens van hem vernemen. En de Bataafse Opstand vond ook al niet in Nijmegen plaats, maar in Noord-Frankrijk waar in 69 en 70 het tiende legioen gelegerd was die deze opstand onderdrukte. Het Ulpia Noviomagus is een verzinsel van J.Bogaers (zie daar), die daarvoor ook nooit een bewijs van juistheid heeft geleverd. Het was een deductie uit een deductie: "whisfull thinking" dus. Ook komt van Hooff weer met de fabel rond een ring van een Nijmeegse schoenmaker. Lees hier de ware geschiedenis van die ring.
Uiteraard ontbreekt bij Van Hooff ook de Peutingerkaart niet als bewijs en natuurlijk Karel de Grote. Van de Romeinse tijd, die er zeker geweest is in Nijmegen, springt hij via Karel de Grote naar Marike van Nimweghen, ook een middeleeuwse fabel. Zo probeert hij het gat van Nijmegen te dichten met enkele fabels, leugens en het tegen beter weten blijven volhouden dat Karel de Grote in Nijmegen een paleis gehad zou hebben. Heeft hij het paleis van Karel de Grote al gevonden in Nijmegen? Alle teksten over dat paleis Noviomagus hebben betrekking op de Franse stad Noyon, waar Karel de Grote gekroond is tot koning van de Franken en hij na de dood van Karloman, die daar zijn residentie had, een nieuwe paleis liet bouwen. Daar zit geen enkele tekst bij die je zelfs met de meeste fantasie niet op Nijmegen kunt laten slaan. Het wordt toch eens tijd dat Nijmegenaar Van Hooff de ware kijk op de geschiedenis van Nijmegen eens gaat bestuderen en zich niet laat leiden door de fabels van enkele 17e eeuwse dominees. Die fabels mag hij overlaten aan de plaatselijke VVV die zich niet bezighoudt met de ware geschiedenis maar voor wie het toeristisch oogpunt leidend is. Voor iemand die zich historicus wil noemen is het onvergeeflijk als hij de onbewezen mythen blijft verkondigen als ware wetenschap. Een betreurenswaardig verhaal en een gemiste kans.


Resten oudste Romeinse stad gevonden.
Nog in 1985 verklaarde J.E.Bogaers dat de oudste Romeinse resten opgegraven in Nijmegen-west uit het jaar 70 stamden. Die oudste resten zouden van Ulpia Noviomagus geweest zijn. Bovendien verklaarde Bogaers toen ook dat Ulpia Noviomagus tot 270 n.Chr. bestaan heeft. Dan kan Nijmegen in 2005 ook nooit 2000 jaar stad zijn geweest. Bovendien heeft Nijmegen tussen 227 en 725 geen geschiedenis dus geen bestaan gekend, wat het Bronnenboek van Nijmegen (zie daar) ook bevestigt.

Overigens bij dezelfde opgraving op dezelfde plaats ook scherven aardewerk en baksteen gevonden die Bogaers dateert op het midden van de tweede eeuw. Daarnaast munten van de keizers Phulippus Arabs (244-249) en Gallienus (253-268). Het jaar 270 wordt daarmee wel aangetoond, maar hoe men aan het jaar 70 komt blijft onduidelijk. Dat zal wel gebaseerd zijn geweest op de fabel van de opstand der Bataven (69-70) die na de opstand van de Romeinen een nieuwe stad mochten bouwen in Nijmegen-west. Het bewijs van die opstand, die nieuwe stad en het jaar 70 ontbreken echter in Nijmegen.

Het blijft dan ook een raadsel op grond waarvan Nijmegen haar geschiedenis claimt. Er was geen Karolingisch Paleis, er zijn geen Bataven geweest net zo min als plunderingen door de Noormannen, maar er is wel een gat van 5 eeuwen zonder geschiedenis vastgesteld. Nijmegen de oudste stad is gewoon een fabel.


Nijmegenaar Paul van der Heijden meent de opvatting van Albert Delahaye te kunnen weerleggen met enkele leugens. Hij noemt Delahaye een pseudo-wetenschapper omdat deze (en ik citeer) het laatste deel van zijn leven zijn best heeft gedaan om de Nederlandse geschiedenis niet alleen in twijfel, maar ook in diskrediet te brengen. Van der Heijden vervolgt met: Helaas heeft Delahaye vergeten zijn theoriŰn te toetsen aan de archeologie. Oudheidkundig onderzoek heeft namelijk aangetoond dat Nederland in de Romeinse tijd zeer geschikt was voor bewoning en behoorlijk dicht bevolkt was. Ook zijn er meer dan twintig militaire forten opgegraven.
Het zijn typisch opvattingen van iemand die de boeken van Delahaye nooit gelezen heeft. Hij zou dan spoedig ontdekken dat Delahaye de Romeinse tijd helemaal nooit heeft ontkent. Wat die dichte bevolking (die er niet was wat ook archeologisch is vastgesteld) met Romeinse forten te maken heeft, is typisch een opmerking van 'horen zeggen', niet gebaseerd op kennis van zaken.
Ook stelt Van der Heijden dat er in Nijmegen een inscriptie gevonden is met het opschrift Noviomagus. Hier wreekt zich weer een gebrek aan kennis van Van der Heijden. Had hij de boeken van Delahaye maar gelezen dan had hij daarin kunnen lezen dat Delahaye deze 'vondst' ook vermeldt, maar tevens ontdoet van alle glans. De gevonden steen is namelijk een kopie van een in PfŘnz (Zuid-Duitsland) gevonden gedenksteen. Het vormt geen enkel bewijs ten gunste van Nijmegen.
En dan noemt Van der Heijden ook nog de Peutingerkaart waarop een gedeelte van Nederland zou staan. Ook hier wreekt zich een gebrek aan kennis van Van der Heijden. Op die kaart staat helemaal niets van Nederland. Dat is altijd wel aangenomen, maar nooit onweerlegbaar bewezen.

Om de door Delahaye aangedragen bewijzen te weerleggen hoeft Van der Heijden zich niet te beperken tot de archeologie. De geografie maakt wel duidelijk dat Nederland vanwege transgressies lange tijd onbewoonbaar was. Ook het wetenschappelijk niveau van Delahaye staat buiten kijf. Hij heeft vele teksten onderzocht waaruit overduidelijk blijkt dat de hele geschiedenis tussen de 3e en 10e eeuw zich in Noord-Frankrijk heeft voorgedaan. Nederland bezit uit die hele periode geen enkele tekst om haar geschiedenis te bewijzen. De honderden bewijzen die Delahaye in zijn boeken bespreekt zijn zo overtuigend dat er van de Nederlandse traditie weinig overblijft.
Van der Heijden claimt ooit geschiedenis te hebben gestudeerd. Met dergelijke uitspraken weet hij dat goed verborgen te houden. Had hij maar eens geschiedenis bestudeerd. Als van der Heijden zich eens echt in deze materie had verdiept, zou hij niet zo hautaine van de toren blazen, maar zich beschaamt terugtrekken onder de steen van PfŘnz.

Nijmegenaar Paul van der Heijden, ooit hoofdredacteur van Westerheem, reageert in Westerheem jaargang 2001 (p.33) op het artikel van Haalebos met: "Omdat het ondenkbaar is dat het veel kleinere Voorburg eerder stadsrechten heeft gekregen dan Nijmegen, zal de stadsverheffing van Nijmegen tot Municipium Ulpia Noviomagus Batavorum hoogstwaarschijnlijk hebben plaatsgevonden in of kort na datzelfde jaar 98. En dat is een bevestiging wat we eigenlijk al wisten: Nijmegen is de oudste stad van Nederland."
Niet onvermeld mag blijven dat Van der Heijden geen archeoloog is, maar een plaatselijke Nijmeegse uitgever. Bij hem is duidelijk sprake van belangenverstrengeling. In dat licht moeten zijn bijdragen dan ook beoordeeld worden.

Wat Van der Heijden 'ondenkbaar' noemt is in de geschiedenis van Nederland juist eerder regel dan uitzondering. Staveren kreeg eerder stadsrechten dan Utrecht, Domburg eerder dan Nijmegen en Amersfoort eerder dan Amsterdam, om maar enkele voorbeelden te noemen, wat met veel andere voorbeelden aangevuld kan worden. Let ook op het 'hoogstwaarschijnlijk' ofwel men weet het in Nijmegen zelf niet eens, want als Nijmegen in of kort na het jaar 98 stadsrechten kreeg, bestaat de stad dus nog geen 2000 jaar, wat wel altijd beweerd wordt. Hoe men in Nijmegen geschiedenis schrijft.
Dat het een bevestiging is wat men al wist is dus onjuist. Het is een bevestiging van wat men in Nijmegen aangenomen heeft, maar wat nooit met feiten bewezen is. Het staat wel vast dat het Ulpia Noviomagus waar Trajanus stadhouder was, niet Nijmegen is, maar de Duitse stad Neumagen.
Wat enkele letters verschil in een naam, toch een groot verschil in geschiedenis kunnen maken.

De naam Nijmegen (nieuw 'megen') heeft niets te maken met Noviomagus en weerspreekt dan ook alle tradities!

Historisch, tekstueel en archeologisch bestaat de stad Nijmegen niet vˇˇr de 11e eeuw.

Toch moeten we de traditionele historici als Bogaers en Haalebos c.s. prijzen dat ze in hun artikelen zo openhartig durven te zijn en zo duidelijk hun twijfel uitspreken over veel zogenaamde zekerheden. Hun artikelen zijn soms oprechte bekentenissen van de onjuistheid en onduidelijkheden die bestaan in de traditionele opvattingen. Over Nijmegen als het Ulpia Noviomagus Municipium Batavorum kunnen we kort zijn, dat gelooft zelfs Haalebos niet meer en daar spreekt ook Bogaers slechts twijfel over uit. En die kunnen toch niet als fans van Delahaye omschreven worden.

Dr. A.W.Byvanck, de kenner van Romeins Nederland bij uitstek, schrijft in zijn boek "Nederland in den Romeinschen Tijd" (1943) op p.313: "Voor zover wij het kunnen nagaan, is Maastricht de enige plaats in ons land, waar een zekere continu´teit bestaat van den Romeinschen tijd naar de Middeleeuwen. Elders betekende het ophouden van een Romeinsch gezag een duidelijke breuk in de historische ontwikkeling".
In zijn boek "De Romeinen in Nederland" bevestigt Dr.W.A. van Es dit als volgt: "Sporen van bewoningscontinu´teit in Nijmegen zijn zeer vaag. Dat Nijmegen als stedelijke organisme in de 4e eeuw bleef voortbestaan is uitgesloten.". In het boek "Archeologie in Nederland" van W.A. van Es, H.Sarfatij en P.J.Woltering, lezen we: "In ieder geval staat vast dat er van Romeins Nijmegen na 270 niet veel overbleef. Continu´teit naar de middeleeuwen is er zeker niet." Dat is toch duidelijke taal. Het komt er op neer dat er in Nijmegen behalve van een paleis van Karel de Grote geen spoor is gevonden, ook elk spoor van bewoning in die tijd in Nijmegen ontbreekt. De archeologie bevestigt de opvattingen van Albert Delahaye keihard en glaszuiver.

Ook het Bronnenboek van Nijmegen (zie aldaar) laat duidelijk die breuk zien. Tussen 227 en 725 wordt geen enkele tekst genoemd. Dat is een breuk van 5 eeuwen zonder ook maar ÚÚn bericht. Wat begrijpt men in Nijmegen hier niet van?
Die 5 eeuwen zal allengs uitgebreid moeten worden tot 8 eeuwen, want alle teksten over Karel de Grote, Lodewijk de Vrome en de Noormannen hebben net zo min betrekking op Nijmegen.


In het in 2008 verschenen boek Stad in beweging over de stedenbouw in Nijmegen en uitgegeven door de gemeente Nijmegen, wordt Karel de Grote niet meer genoemd. Na de Romeinse periode laat men er de geschiedenis van Nijmegen weer beginnen in de 10e eeuw. Hoewel nog steeds het Oppidum Batavorum als oudste stad van Nederland en het Ulpia Noviomagus worden vermeld, wordt het paleis en verblijf van Karel de Grote niet meer genoemd. De bekering heeft zich dus ingezet en wel in een officiele publicatie van de gemeente Nijmegen. Er wordt nog wel vermeld dat in de eeuwen na de Romeinen Nijmegen het karakter behield van strategische legerplaats, echter dit kunnen we beschouwen als een onbewezen aanname. Zowel het 'strategische' als 'de legerplaats' kunnen we als onzin bestempelen, wat de geschiedenis van Nijmegen nadien ook wel aangetoond heeft. Op de website van 'De Nederlandse Vestingsteden' komt Nijmegen niet eens voor. Aan de 'Breuken met het verleden' zoals een hoofdstuk heet, voegt men er zo vanzelf een aan toe: die van het gemis aan continu´teit.

Maar... de bekering heeft zich ingezet. Tussen de regels door erkent men in Nijmegen eindelijk dat Karel de Grote geen paleis heeft gehad in Nijmegen. "Maar hij is er wel 4 keer geweest" wordt er snel aantoegevoegd. Vier keer? Waar verbleef hij dan met zijn gevolg? Volgens de achterhaalde traditionele opvatting liet hij er in 777 een nieuw paleis bouwen, om er vervolgend ruim 30 jaar niet meer te komen? Veel ongelooflijker kan men het niet maken. En alle andere jaartallen die tot voor kort gehanteerd werden om Karolingisch Nijmegen te bewijzen? Zijn die plots niet meer van toepassing? Waar Karel en zijn gevolg (en dat was een voltallige hofhouding tot wel 1000 mensen) dan verbleven, wordt niet verteld. Begrijpelijk, want dat weet men niet, immers hij verbleef er ook niet. Het Noviomagus uit de teksten is duidelijk Noyon!

'De Nijmeegse Stadskrant' van juli 2014 wijdt een paginagroot artikel aan Karel de Grote en zijn vermeende verblijf in Nijmegen. Daarin wordt breed uitgemeten dat Nijmegen veel te danken heeft aan het verblijf van Karel de Grote. Wat dat allemaal geweest is wordt echter niet vermeld. In dit artikel wordt slechts 'de blijde incomsten' (van het toerisme) genoemd. Toch erkent ook dit voor de promotie van Nijmegen van belang zijnde artikel, dat (en ik citeer) 'Helaas is er weinig tastbaars van dit paleis overgebleven.' In een volgende alinea wordt het 'weinig' vanzelf 'niets' als er staat dat (citaat) 'geen materiŰle resten van het Nijmeegs paleis van Karel de Grote bewaard zijn'. Als reden van het totaal verdwijnen van dit paleis worden de Noormannen genoemd, die hier in het najaar van 880 een winterkamp optrokken. Bij hun vertrek in het voorjaar van 881 hebben ze blijkbaar alles grondig opgeruimd, een Noorman totaal vreemd natuurlijk.

Dit artikel is vanuit Nijmeegse toeristische propaganda wel te verklaren, maar het heeft niets te maken met de historische waarheid. Volgens 'Het Bronnenboek van Nijmegen' is Karel de Grote maar 4 keer in Nijmegen geweest en wel in het jaar 777, 804, 806 en 808. Tussen 777 en 804 is hij er liefst 27 jaar niet geweest. Welk belang had zijn verblijf voor Nijmegen? In 777 zou Karel de Grote zijn nieuwe paleis in Noviomagus betrekken, om er daarna bijna 30 jaar niet meer te komen? Veel gekker moet men het niet maken. Nijmegen wordt ook wel eens als steunpunt in de strijd tegen de Saksen opgevoerd, maar als Karel de Grote er bijna 30 jaar niet geweest is juist als die strijd op zijn hevigst is, kunnen we dit uiteraard als een grote farce beschouwen.
Bovendien staat het volkomen vast dat de Noormannen nooit in Nederland geplunderd hebben en al helemaal niet in Nijmegen. Daarvan is archeologisch geen enkel bewijs voor of ooit gevonden. In het jaar 880 en 881 verbleven de Noormannen in Gallia en het land van de Schelde waar ze steden plunderden als Amiens, Corbie, Terwaan, Kamerijk, Doornik, Kortrijk en Etrun. Verrassender is nog, dat het paleis van Noviomagus nadien nog steeds in de bronnen blijft voorkomen. Maar die teksten worden in Nijmegen angstvallig verzwegen, hoewel 'Het Bronnenboek' wel een verblijf van Arnulf (in 891), Zwentibold (in 896 en 898), Karel de Eenvoudige (in 912), Otto I (in 949, 956, 966) Otto II (in 973-980) en Otto III (tussen 985 en 996) noemt. Ook keizer Hendrik II verblijft te Noviomagus tussen 1002 en 1024. Waar verbleven deze machthebbers, koningen en keizers als er geen paleis meer was en ook van deze verblijfplaatsen geen spoor is gevonden? En in het jaar 1047 wordt een niet meer bestaand paleis van Nijmegen in brand gestoken door Godfried, hertog van Lotharingen, als hij op weg is naar Verdun, dat ook in vlammen opgaat. Hoe dat te rijmen valt dient men in Nijmegen nog maar eens uit te leggen, nadat men het eens grondig onderzocht heeft op waarheid en mythe.
Ook Wijk bij Duurstede zijnde Dorestad zou in 865 door diezelfde Noormannen van de kaart zijn geveegd, maar komt in de bronnen daarna nog steeds voor als belangrijke handelsplaats. (Bronnen: De Ware Kijk Op.


Ook in De Canon van Nijmegen is het traditionele verhaal rondom de palts van Karel de Grote te lezen. Hij verbleef er met zijn hofhouding en militairen. Het kon al gauw om een paar honderd mensen gaan, lezen we. Een kerk of kapel was een vast onderdeel van een palts, die in het huidige Valkhofpark heeft gelegen. De belangrijkste gebouwen lagen meestal binnen een versterking. Buiten de palts lagen boerderijen die de vorst en zijn gevolg van voedsel moesten voorzien. Naast Aken was Nijmegen een van de favoriete verblijfplaatsen van Karel de Grote.

Maar ook in de Canon van Nijmegen lezen we dat 'geen materiele resten bewaard zijn van het Nijmeegse paleis van Karel de Grote' en ondanks een afbeelding van dat paleis van Cornelis Springer 'weten we niet hoe het eruit heeft gezien'. Ook hier weer de bewering dat de Noormannen het paleis in 880 hebben platgebrand.
Het wordt een eentonig verhaal: er blijkt dus niets gevonden te zijn van dat paleis van Karel de Grote, zelfs geen brandsporen. Maar ook van de andere gebouwen die er gestaan moeten hebben is niets gevonden.
Het wordt tijd dat Nijmegen zich eens gaat bezighouden met de ware geschiedenis van de stad en niet langer met fabelogie.

Je hoeft dus niet eens een medestander van Albert Delahaye te zijn, om deze duidelijke conclusie te kunnen trekken. Hetzelfde kun je ook bij meerdere van zijn "opponenten" lezen. Romeins Nijmegen was een legerkamp, dus geen stad. Ulpia Noviomagus was Neumagen en niet Nijmegen, Romeins en Karolingisch Noviomagus was Noyon. Tussen het vertrek van de Romeinen rond 260 n.Chr. en de 11e eeuw, heeft Nijmegen geen bewoning gekend. Zie bij Citaten!
En deze mededelingen van Byvack, Van Es, Sarfatij en anderen, bevestigen het gelijk van Albert Delahaye op onmiskenbare wijze. Zonder historische continu´teit heeft er immers geen Karolingisch Nijmegen bestaan.

Ook in onze dagen wijzen verschillende historici op de grote hiaten in het "stadse" bestaan van Nijmegen.
"Samenvattend kan Nijmegen weliswaar als eerste stad in Nederland beschouwd worden, maar het heeft gedurende zeer lange perioden tussen ca. 250 en 1230 absoluut geen stedelijke status of allure gehad en de huidige stad is eigenlijk pas 775 jaar oud." Bron: P.v.Overbeek.

Klare feiten:
Rekenen is in Nijmegen (ooit artikel-12-gemeente) blijkbaar nooit een sterke kant geweest.
Hoe men in Nijmegen in 2005 aan een 2000-jarig bestaan van de stad komt, moet men overigens nog eens uitleggen, maar dan met historische feiten en niet met een foldertje van de plaatselijke VVV. Overigens houden enkele 'deskundigen' het op het jaar 0 (nul) waarop Nijmegen gesticht zou zijn. Ook deze aanname moet eerst eens bewezen worden. Er cirkuleren in Nijmegen al teveel aangenomen en nooit bewezen 'waarheden', wat Het Bronnenboek van Nijmegen wel laat zien met 'de bisschop van Nijmegen'.

"Maastricht is de enige Nederlandse stad die kan bogen op een bewezen permanente bewoning vanaf de Romeinse tijd tot nu toe. Ook Nijmegen heeft een Romeins verleden. Onderzoek heeft aangetoond dat het middeleeuwse Nijmegen een directe voortzetting is van de Romeinse nederzetting. Over continue bewoning vanaf de Romeinse tijd kan dan ook wegens gebrek aan bewijs niet gesproken worden." Bron: I.Jacobs.

Ook A.W.Byvanck en W.A. van Es bevestigen dit. Zelfs in de geschiedenis van Nijmegen wordt dit erkend: tussen 250 en 1100 was er geen sprake van enige bewoning in Nijmegen. De archeologie is hierin duidelijk genoeg.

De afbeelding van de oudste stad van ons land, bleek een afbeelding van Maastricht te zijn.

Wat is dat in Nijmegen? Weer een flater van een stagiair die niet gecontroleerd werd door de eigen professor! Wat is dat in Nijmegen waar stagiaires bijkbaar het werk doen en hun professoren dat niet controleren. Wat is dat in Nijmegen, dat er flater op flater geslagen wordt, en een buitenstaander de Universiteit op haar blunders moet wijzen? Zagen we dat al in 1955 en 1965 dat stagiaires het werk van hun professoren doen en de fouten niet ontdekken, in 1980 met het verschijnen van het Bronnenboek was het "driemaal scheepsrecht" in het blunderen van stagiaires waar professoren hun goedkeuring aan geven.
Het is toch wel opvallend en veelzeggend dat 3 professoren Middeleeuwse geschiedenis hun bronnenonderzoek laten doen door studenten. Hun goedkeuring en publicatie van het werkstuk van de studenten daarna, bevestigd meerdere zaken, zoals:
  1. dat professoren blijkbaar anderen het werk laten doen. Is dat een gewoonte aan de universiteiten? Waarvoor worden die professoren dan dik betaald?
  2. zij dat werk of ongezien of onvolledig gecontroleerd, publiceren onder eigen naam, wat in strijd is met het auteursrecht.
  3. aangezien het werk fundamentele fouten bevat, zij dus als professor geen knip voor hun neus waard zijn.
  4. zij dus al die tijd boven hun prestaties betaald zijn geweest en dus teveel salaris hebben ontvangen. Hierop valt dus heel wat te bezuinigen minister!
  5. deze studenten dus een slechte opleiding genoten hebben, verweven met bevooroordeelde tradities.
  6. deze studenten in de toekomst weer te boek staan als de historische 'deskundigen'. Zij hebben immers geschiedenis gestudeerd en zullen dan op grond van hun opleiding, titels en professoraten weer in dezelfde fouten vervallen, slechts om reputatieschade te voorkomen.
  7. het zelfzuiverend vermogen van de historische faculteiten dus beneden alle peil is. De 'klokkenluider' zal dus van buiten de universitaire wereld moeten komen.
En dan nu de Kerstkaart.
Met, verrassend, ÚÚn juiste opmerking van die stagiair, die op zoek was naar een afbeelding van de oudste stad van Nederland en het juiste plaatje vond: Maastricht! En deze afbeelding met het bijschrift van een afbeelding van de oudste van Nederland, hing op de gang bij het college van bestuur van de Nijmeegse Universiteit. En iedereen die daar dagelijks voorbij loopt, zag deze leugen niet. Wat is dat voor een Universiteit daar in Nijmegen. En dan vooral met drogredenen en flaters commentaar leveren op Albert Delahaye. Het Bronnendoek van Nijmegen is daar een treffend voorbeeld van. Zie bij Het Bronnenboek.

Nijmegen de oudste stad?
Dat Nijmegen de oudste stad van Nederland zou zijn, vinden ze misschien in Nijmegen, maar het is historisch nog nooit aangetoond. Nijmegen mist 8 (acht) eeuwen geschiedenis.
Na een Romeinse occupatie in Nederland van 200 jaar (van ca.50 tot ca.250 n.Chr.), begint de geschiedenis van Nijmegen weer halverwege de 11e eeuw. Nijmegen heeft tussen 250 en 1050 niet bestaan! Geen enkele documentatie toont het bestaan van Nijmegen in die 8 eeuwen aan. Niet in Nijmegen zelf, maar evenmin in de hele regio vindt men bewijzen van het bestaan van Nijmegen. Niet in wereldlijke of kerkelijke archieven, niet in rechtspraak, niet in de archeologie en evenmin in de bewoningsgeschiedenis. En in Nijmegen weten ze dat ook, want over die 8 eeuwen hebben ze in Nijmegen helamaal niets. En dan maakt een enkel graf daar geen verschil in. Zwerven doen mensen sinds het begin van de mensheid, sterven en begraven ook. Maar met een graf toon je geen bewoning aan, laat staan een complete stad wat men er in Nijmegen graag van maakt.

De bewaard gebleven gedenksteen van de voormalige burcht van Frederik Barbarossa uit 1155, is duidelijk genoeg. Barbarossa bouwde zijn burcht rechtstreeks op de Romeinse overblijfselen zoals hij zelf op die gedenksteen heeft laten beitelen. De St.Nicolaaskapel op het Valkhof die stamt uit de tweede helft van de 11e eeuw (pas nß 1085 werd St.Nicolaas vanuit Bari -ItaliŰ- als patroon van schippers en handelaars in West-Europa bekend), is het tastbare bewijs van het voorstaande. Deze kapel stond tot in de 20e eeuw bekend als "heidense kapel" (gesticht door de Romeinen?) en als Karolingische kapel. Van beide denkbeelden heeft men nu eindelijk ingezien dat deze onjuist waren. Momenteel wordt deze kapel de 'Ottoonse kapel' genoemd. Men weet dus in Nijmegen dat de naam "Karolingische kapel" onjuist was.
Verder geven de eigen schriftelijke gegevens hetzelfde beeld. Het oudste archiefstuk in Nijmegen dateert uit 1196. Daarvoor heeft men geen enkel document, geen enkele verwijzing in documenten, men heeft niets. Ook in andere steden in de regio's en ver daarbuiten, heeft men geen enkel archiefstuk voor de 11e eeuw waarin Nijmegen wordt genoemd (de verkeerd opgevatte stukken laten we hier dus buiten beschouwing: zie bij Bronnenboek). Het eigen "Bronnenboek van Nijmegen" (auteur prof.dr.P.Leupen) laat zowiezo al een gat van 500 jaar zien tussen 250 en 750. Uit mededelingen van het (voormalig) Nijmeegs museum Commanderie van St.Jan (nu museum Het Valkhof) blijkt dat Nijmegen (en ik citeer) "als stad ten onder is gegaan aan het eind van de derde eeuw en er pas in de 13e eeuw weer een nederzetting van enige omvang was". Wie houdt nu wie voor de gek?

De Heidense Kapel op het Valkhof.
Dat de Karolingische nu Ottoonse kapel eerder Heidense kapel genoemd werd, wordt door enkele historici steeds ontkend. Zij doorzien dus de consequenties van die naamswijziging. Deze afbeelding toont hun ongelijk aan. Zij blijken dus slecht op de hoogte te zijn van de geschiedenis van Nijmegen. Hoe ver reikt hun verdere kennis om de opvattingen van Delahaye ongefundeerd af te wijzen?


Laten we het nog eens kort en bondig samenvatten: Tussen de 3e en 11e eeuw bestond Nijmegen niet.

Hoe is ooit vastgesteld dat Nijmegen het Romeinse en Karolingisch Noviomagus was?




"Nijmegen zag het levenslicht in de bloeitijd van het Romeinse Keizerrijk, zonder dat van het moment waarop dat gebeurde, concrete bewijzen zijn overgebleven. De archeologen die zich met deze materie bezighouden, baseren hun bevindingen noodgewongen op een combinatie van enkele vondsten uit opgravingen, summiere schriftelijke bronnen en hun kennis van de Romeinse geschiedenis. Hun conclusies zijn uit de aard der zaak steevast "voorlopig".
Aldus een citaat uit de Rede van Numaga-voorzitter J. Brabers bij gelegenheid van de presentatie van het Numaga-Jaarboek 2002 in het Stadhuis, Nijmegen, 7 december 2002.

Beter dan de heer Brabers het verwoordde, kan het niet gezegd worden.
In Nijmegen is Romeins gevonden, maar dat was zo summier dat daar geen geschiedenis uit valt af te leiden. Men heeft de gegevens aangevuld met schriftelijke bronnen en de kennis van de Romeinse geschiedenis. En juist bij het toepassen van die schriftelijke Romeinse en Middeleeuwse bronnen op Nederland en Nijmegen zijn een aantal fundamentele fouten gemaakt en zijn verschillende misvattingen ontstaan. Daarbij is de verwarring tussen Nijmegen en Noyon, hoewel eenvoudig te weerleggen, ÚÚn van de meest hardnekkige gebleken.

Kern van het vraagstuk is wat Noviomagus in de teksten betekent: Nijmegen of Noyon.
En als eenmaal is aangetoond dat een aantal cruciale teksten verkeerd op Nijmegen is toegepast, is de vraag gerechtvaardigd of die vergissing niet met meerdere of zelfs met alle teksten is gemaakt. Deze verwarring werd aanvankelijk glashard ontkent. Hugenholtz verwoorde dit eens als volgt: "Dat Nijmegen het Noviomagus van Karel de Grote was, dat hoeven we toch niet te bewijzen?" Bij nadere beschouwing bleek ook dat het nog nooit bewezen was. Het was een algemeen aanvaarde aanname. Nu geven zelfs meerdere historici toe, zei het schoorvoetend, dat er wel degelijk een verwarring bestaat.

Omstreeks 1950 ontstond bij Albert Delahaye het vermoeden, dat de geschiedenis van Nederland van vóór de 10e eeuw verrijkt is met zaken, die er niet thuis horen. Deze twijfel kreeg zijn eerste object in het paleis van Karel de Grote dat vóór of in het jaar 777 te Noviomagus werd gesticht, en dat vanaf de 13e eeuw ten onrechte in Nijmegen werd gedacht.

De grote verwarring.
Inmiddels is duidelijk geworden, dat dit paleis zich in Noyon (ca 70 km ten noorden van Parijs) bevond. Beide steden waren in de late Middeleeuwen onder de antieke of klassieke naam Noviomagus bekend. De historici hebben deze twee steden herhaaldelijk met elkaar verward bij het toekennen van gegevens uit de teksten, waarin Noviomagus genoemd wordt. Dat gebeurde niet alleen met betrekking tot het paleis, maar zelfs met zaken, die door middel van andere gegevens onbetwistbaar aan Noyon toebehoren. Sommige delen van de "Monumenta Germaniae Historica", tekstuitgaven verzorgd door de beste (?) Duitse historici, wijzen de bisschoppen van Noyon aan Nijmegen toe! Zulke fouten zijn natuurlijk gemakkelijk recht te zetten, omdat zij al te apert zijn. Zij tonen wel een bepaalde beroepsblindheid aan, omdat het probleem van een wellicht nog verder gaande verwarring tussen de twee steden niet zo enorm diep verborgen lag en dit zich na zulke kapitale misgrepen toch wel opdrong.

Romeins Nijmegen.
De stad Nijmegen, waarvan ten onrechte is aangenomen, dat zij reeds in de Romeinse periode de naam van Noviomagus droeg (een met terugwerkende kracht uitgevoerde interpretatie en alleen daarom al hoogst onbetrouwbaar), is tegen het midden van de 3e eeuw door de Romeinse militairen definitief verlaten, terwijl de burgerlijke nederzetting, op een laag terrein langs de Waal gelegen, door de toen opgetreden transgressies van de zee onbewoonbaar werd en tenslotte geheel verloren ging. Dat Romeins Nijmegen het Noviomagi van de Peutingerkaart was is afgeleid van het bedenksel van ene dominee Smetius in de 17e eeuw, dat de Betuwe de woonplaats van de Bataven en Nijmegen het Oppidum Batavorum was. Nergens in of bij Nijmegen is een bevestiging gevonden in een altaarsteen, een zuil, een dakpanstempel of enig deel van een bouwwerk, dat de Romeinse stad de naam Noviomagus gedragen heeft. De "geboorte-steen" van Nijmegen, waarop de naam Ulpia-Noviomagus te lezen staat, is een KOPIE van een in Pfünz (Beieren) gevonden inscriptie! Dat het hier over de Duitse stad Neumagen gaat, weet men in Nijmegen blijkbaar nog steeds niet.
De plaats werd tegen het midden of einde van de 11e eeuw opnieuw bewoond. Er is derhalve geen historische continu´teit tussen de Romeinse en de vroegmiddeleeuwse stad, al werd die al te lichtvaardig maar aangenomen.
De archeologie laat hier geen misverstand over bestaan: er is niets gevonden uit de periode na de Romeinen, niets uit de Merovingische en Karolingische periode en niets uit de periode tot 1100! Geen enkel spoor van menselijke bewoning tussen de Romeinen en halverwege de 11e eeuw!

Meer informatie over Romeins Nijmegen vindt U hier!


Laat het nog eens zÚÚr duidelijk gezegd zijn:
Historisch tekstueel en archeologisch bestaat Nijmegen niet vóór de 11e eeuw.
(behoudens een Romeinse occupatie tussen 50 en 250, met nog enkele hiaten tussen 105 en 175 n. Chr. en vraagtekens in de continu´teit in de 3e eeuw.)

In zijn boek "De Romeinen in Nederland" bevestigt Dr.W.A. van Es dit als volgt: "Sporen van bewoningscontinu´teit in Nijmegen zijn zeer vaag. Dat Nijmegen als stedelijke organisme in de 4e eeuw bleef voortbestaan is uitgesloten.". In het boek "Archeologie in Nederland" van W.A. van Es, H.Sarfatij en P.J.Woltering, lezen we: "In ieder geval staat vast dat er van Romeins Nijmegen na 270 niet veel overbleef. Continu´teit naar de middeleeuwen is er zeker niet." Dat is toch duidelijke taal van enkele niet-medestanders van de visie van Albert Delahaye, die hier zijn standpunten wel bevestigen.

Legt men deze conclusie van Dr.Van Es naast het Bronnenboek van Nijmegen, dan vertoont het Bronnenboek hetzelfde gat van ruim 5 eeuwen tussen Romeins en Karolingisch. Immers de Tabula Peutingeriana dateert men in Nijmegen maar al te graag in de 3e eeuw (vanwege het anders niet overeenkomen met archeologische vondsten), de eerstvolgende vermelding daarna is een akte van Karel de Grote uit 770.
En dit gat wordt nog groter tot ruim 8 eeuwen, want ook het Karolingisch hoofdstuk hoort niet in Nijmegen thuis.

Het oudste archiefstuk
Het eerste autochtone archiefstuk van de stad dateert uit het jaar 1196. Geen enkel bericht, geen enkele archeologische vondst bewijst, dat Nijmegen als nederzetting tussen ca. 250 en ca. 1100 heeft bestaan. In Nijmegen zelf Ún in de naaste of verre omgeving is geen spoor te vinden van een Karolingisch domein, of van goederen die tot de palts behoord moeten hebben. Erger nog: nergens in de wijde omgeving van Nijmegen wordt melding gemaakt van het bestaan van Nijmegen. Niet in lokale bronnen, niet in regionale, niet in kerkelijke registers, niet in bestuurlijk, militair en zelfs niet in literair verband. Kan het nog duidelijker dat Nijmegen voor de 11e eeuw (behoudens een korte Romeinse periode) niet bestaan heeft. Dat geldt trouwens ook voor het gehele laag en midden Nederland, waar het ontbreken van dergelijke relikten het bestaan van een Karolingische cultuur tegenspreekt.
Net als in Xanten verdween de bevolking rond 270 n.Chr. en werd het rond 300 een militaire post en was het geen civiele stad meer, net als Nijmegen. Ten noorden van de weg Bavay-Tongeren-Keulen is geen enkele nederzetting aangetoond waar nog gewoond werd in eerste helft of het midden van de vierde eeuw. Ewijk is een uitzondering bij Nijmegen, met mogelijk militaire functie Bron: Archeobrief 3, sept.2016.
Het is dus een mythe dat Nijmegen als civiele stad bleef voortbestaan tussen de 3e en 11e eeuw, ook al zouden er regelmatig plukjes mensen rondgezworven kunnen hebben.

Kort voordat Nijmegen weer in de historie verschijnt is er menselijke bewoning teruggekeerd. Zoals op verschillende andere plaatsen in Nederland het geval is, ontstond deze ook hier op een reeds voorheen bewoonde plaats, daar de sporen van een oude bewoning in en zelfs boven de grond zichtbaar waren. Eeuwen later zijn in Nijmegen nog talloze relikten van de Romeinse beschaving bewaard gebleven: de ru´nen ervan hebben tot ver in de 17e eeuw als kalksteen"groeven" gediend.
Men treft hetzelfde verschijnsel aan te Utrecht en te Elst, waar de eerste vroeg-Middeleeuwse bouwwerken zonder enig spoor van een tussentijdse cultuur pal op Romeinse resten zijn gebouwd. In het lagere westen van Nederland is de situatie anders. Daar vindt men de Romeinse nederzettingen op 2 à 3 of nog meer meters onder het maaiveld, waar zij ten tijde van het weer in bezit nemen van het land, niet zichtbaar waren.

Frederik Barbarossa
In het jaar 1155, nadat enige Duitse keizers kort tevoren bezoeken aan Nijmegen gebracht of daar rechtshandelingen verricht hadden (? waar verbleven deze keizers?), bouwde keizer Frederik Barbarossa er een grote en fraaie burcht die enkele decennia later werd aangezien voor de oude residentie van Karel de Grote. Tijdens of vlak na de bouw leefde die gedachte namelijk nog niet. De gedenksteen, die Barbarossa in de gevel liet aanbrengen, is nog in Museum Het Valkhof aanwezig. Diens opschrift bewijst op heldere wijze, dat in het jaar 1155 nog geen verband werd gelegd met Karel de Grote.
Het zegt immers, dat Barbarossa hier het kasteel herstelde, dat eertijds door Julius Caesar was gesticht. De tekst grijpt dus wÚl terug op de Romeinen, wat ondanks de grote afstand van negen eeuwen historisch zeer juist was, doch in het geheel niet merkwaardig, omdat het door de Romeinse relicten ter plaatse wel voor de hand lag. In de Barbarossa-burcht waren trouwens Romeinse bouwonderdelen opgenomen, die kant en klaar ter plaatse gevonden zijn, welke elementen momenteel nog in de Barbarossa-ru´ne te zien zijn.

Hoe de verwarring met betrekking tot de Karolingische residentie ontstond, uitgewerkt en tot zogenaamde historische zekerheid verheven werd, werd voor een groot deel in de hand gewerkt door de naam, die Nijmegen kreeg. In de streektaal heette de stad Nymegen of Numegen, wat niet meer dan Nieuw-Megen betekent.
In de geschriften en vooral in de oorkonden en andere kanselarijproducten was het niet te vermijden, dat deze naam een Latijnse vorm kreeg. Sommigen schijnen te willen aannemen, dat Nijmegen de oude naam Noviomagus uit de Romeinse periode behouden zou hebben. De naam is niet uniek; er hebben meer dan 10 plaatsen onder deze naam bestaan, waar de namen al lang, soms zelfs tot een bijna onherkenbare vorm geŰvolueerd waren. Dat die naam te Nijmegen aan elke evolutie zou zijn ontsnapt, is niet aan te nemen. Noviomagus werd gekozen, omdat dit woord de meest voor de hand liggende maar onjuiste latinisatie van Nijmegen leek. Hierdoor werd de basis gelegd tot een bijna onvoorstelbare kluwen van verwarring.
Het paleis van Noyon, dat een historische zekerheid van de eerste orde is en lang vóór en lang na Karel de Grote aangetoond kan worden, werd in 1047 verwoest en is niet meer herbouwd. Enkele bouwresten tonen het bestaan van dat paleis heden nog aan. Op deze plek werd in 1064 een klooster gebouwd, dat in de Franse Revolutie verloren ging. Ter plaatse ligt nu het kerkhof van Noyon Hierdoor was een belangrijk element verdwenen. Toen in het noorden een fout werd gemaakt kwam uit het zuiden geen tegenspraak.

Geografische samenhang.
Indien het gebleven was bij die Úne verwarring tussen twee steden -al ging het dan om een Karolingische residentie - dan zou dit weinig gevolgen hebben gehad en vroeg of laat wel zijn opgehelderd.
Doch omdat de residentie van Karel de Grote door bepaalde teksten verbonden was met andere steden en streken, zodat een onverbrekelijke geografische samenhang tussen die steden en streken bestaat, betekent dat nog meer lokalisatie-fouten zijn opgetreden.

Het Eiland der Bataven
De residentie Noviomagus lag in of bij het Eiland van de Bataven; dit staat vast door Romeinse en vroeg - Middeleeuwse gegevens. die betrouwbaar werden geacht. Toen bij Nijmegen de streeknaam Betuwe ontstond, leek alles gesneden koek. Men heeft zich zelfs nooit afgevraagd of het woord Betuwe wel van de Bataven is afgeleid. Ook dit werd klakkeloos aangenomen, al ontstond de nieuwe naam ongeveer 10 eeuwen na de oude en had ter plaatse nooit enige herinnering aan de Bataven bestaan! Zijn pendant de Veluwe wijst de weg. Als men het dubbelportret van een echtpaar aantreft, is het waanzin het ene vóór Christus te plaatsen (toen waren immers al Bataven bekend) en het andere in de 10e of 11e eeuw.

Dorestadum en Trajectum
Volgens de oude bronnen lagen Noviomagus en Dorestadum in dezelfde streek. De laatste plaats moet men, weer op betrouwbare gegevens, zoeken in de buurt van Trajectum, waar de aartsbisschop St.Willibrord tegen het einde van de 7e eeuw de zetel vestigde van zijn missie onder de Friezen. Er zijn derhalve vier kapitale historisch-geografische vraagstukken. De ondergeschikte details zijn vanzelfsprekend legio, doch hebben weinig of geen belang, omdat zij in de interpretaties slechts van de eerste zijn afgeleid. Dedukties behoeven niet meer weerlegd te worden als de valsheid van de premisse is aangetoond. Wel kunnen er massa's dedukties worden aangewezen die na hun geboorte een eigen leven als historische zekerheid zijn gaan leiden.

De Karolingische residente heeft afgedaan
De kwestie van de Karolingische residentie Noviomagus kan men als afgedaan beschouwen. Ofschoon de Nederlandse historici aanvankelijk met een veel te overdreven felheid de gegrondheid van de opgeworpen twijfel verwierpen, ziet men in de recente literatuur, dat alle serieuze historici zich van de zogenaamde Karolingische residentie te Nijmegen distantiŰren. Wordt zij nog vermeld, dan gebeurt dit onder het grootste voorbehoud. Enige niet-serieuze uit eigen land trachten vol te houden, dat Noyon Ún Nijmegen gelijktijdig een gelijknamige residentie kunnen hebben gehad. Gezien tegen het klare feit van de verwarring tussen de twee steden, is deze uitvlucht bijna onnozel. De residentie Noviomagus heeft slechts in enkelvoud bestaan; zij moet aan ÚÚn van de twee kandidaten worden toegewezen.
In 1955 werd voor de eerste maal - heel voorzichtig en behoedzaam - geschreven over de twijfel ten aanzien van de Karolingische residentie te Nijmegen. In 1965/66 verscheen een diepgaande studie, die eveneens de consekwenties behandelt. (Delahaye, A. Vraagstukken in de historische geografie van Nederland, Zundert, 1965/66, 2 dln.). In 1984 volgde de herbewerking van "Vraagstukken...." met de uitgave van "De Ware Kijk op", waarin 497 teksten de revue passeren. Deze teksten, met bronvermelding, zijn zo helder als glas en niet voor tweeŰrlei uitleg vatbaar.

Afbeelding van de St.Nicolaaskapel uit het eind van de 11e eeuw op het Valkhof, derhalve 4 eeuwen nà Karel de Grote gebouwd, werd voorheen Karolingische kapel genoemd, welk naam geheel onjuist was. Het stemt tot verheugenis dat Nijmegen die foutieve naam heeft laten vallen en het gebouw nu presenteert als "Historische Kapel" of als 'Ottoonse kapel'!

De doorbraak
Gelukkig beginnen hoe langer hoe meer wetenschapsmensen van alle vakken, wijs geworden door ervaring, zich te ontdoen van de zogenaamde zekerheden. Het is te hopen, dat deze doorbraak ook in de historische wetenschap plaats gaat vinden, zodat nu de onwetenschappelijke geprikkeldheid achterwege blijft. Wie begint te briesen bij het horen van een afwijkende mening, moet zich ernstig afvragen of hij de wetenschap wel op de juiste manier beoefent, of aan welk goddelijk of menselijk recht hij het monopolie van zijn gelijk ontleent. De historicus, die een gegronde twijfel aan zogenaamde zekerheden van tafel veegt, omdat hij zelf nooit tot die twijfel kwam, is te vergelijken met een goudsmid die gewaarschuwd wordt, dat er misschien koper in zijn potje zit en die toch doorgaat dit voor 18-karaats goud te verkopen. Het sprookje van "De kleren van de Keizer" speelt ook nu nog sommigen parten.

Maar er is hoop!
Zelfs in Nijmegen is er hoop! Op de website van de oudheidkundige vereniging van Nijmegen, Numaga, komt men Karel de Grote niet meer tegen, dan in deze opmerking van prof. Rogier uit 1954: "Numaga is de vereniging voor de geschiedbeoefening van Nijmegen en omgeving. Zij werd in 1954 opgericht door een bont gezelschap van historici en amateurs onder de bezielende leiding van prof. L.J. Rogier. Numaga - de naam van Nijmegen in de Frankische tijd toen Karel de Grote hier zijn paleis bouwde - stimuleert de beoefening van de geschiedenis van Nijmegen en omgeving. De vereniging wil het behoud van het cultuurbezit en het cultuureigene van Nijmegen en omgeving bevorderen en wil kennis daarover aankweken en verspreiden".
Het betreft hier dus woorden uit 1954, geen overtuiging die nog steeds gehanteerd wordt.


Opvallend is dat deze Oudheidkundige vereniging pas werd opgericht in 1954 na de eerste publicaties van Albert Delahaye waarbij hij zijn twijfel uitsprak over het Karolingisch gehalte van Nijmegen.
De oudheidkundige vereniging in Nijmegen siert zich dan ook met de naam van de Franse stad Noyon, Numaga, net zoals de oudheidkundige vereniging in Amersfoort zich tooit met de naam van de Franse landstreek Flehite.

Karel de Grote is fini voor Nijmegen.

Voor de geschiedenis van Nijmegen na 1125 verwijs ik naar De Ware Kijk op, waarin hoofdstukken gewijd zijn aan:

Zie bevindingen van andere historici bij Bevestiging hoofdstuk 6: Karolingisch Nijmegen.

Klik hier voor de WARE geschiedenis van Nijmegen,

Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.


Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.