Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Keizer Augustus en de Lage Landen.



De titel van het boek is enigszins misleidend, erkent Nouwen ook zelf. In de eerste honderd bladzijden behandelt de auteur vooral de figuur van keizer Augustus, hoe Octavianus Augustus werd en de politiek die hij voerde. Zijn rol en optreden in de Lage Landen komen pas echt aan bod vanaf Hoofdstuk 5, maar dan gaat het nog weinig over Augustus. En juist daarop zit de lezer al die tijd met ongeduld te wachten, wat toch eigenlijk de reden is om het boek aan te schaffen. Het is verklaarbaar dat je in geschiedschrijving van een algemene naar het specifieke moet vertrekken, maar een "inleiding" van bijna 150 bladzijden voor je bij de Lage Landen komt, schiet zijn doel voorbij. Dan ben je al ruim over driekwart van het boek.
Maar ook hoofdstuk 5 begint met uitwijdingen over campagnes in GermaniŽ van Drusus, Germanicus en Varus. En dan ben je al in Hoofdstuk 6 aangeland, waarbij het gaat over 'Nieuwe ontwikkelingen na de dood van Augustus'. Bij de daarin vermelde veldtochten van Germicus wordt het Insula Batavorum en de Batavi genoemd, Feitelijk komt pas op de laatste twintig pagina's van dit boek de Rijngrens en de Rijnlimes in Nederland aan bod. De titel van dit boek heeft dus slechts betrekking op de laatste twintig pagina's. En dan nog! Was Keizer Augustus hier ooit?
Nu wordt wel steeds de Rijn genoemd, maar dat is een suggestieve en voorbarige vertaling van Rhenus. Zie bij Rhenus.
Het zelfde geldt voor het Eiland van de Bataven (zie daar).

Wat de Lage Landen betreft, heeft Nouwen het vooral over de Rijngrens en de wisselende politiek van de Romeinen i.v.m. de verovering en de inlijving van GermaniŽ.
Het is overduidelijk dat Nouwen de traditionele opvattingen volgt. Toch komt hij er soms niet uit en stelt dan ook de begrijpelijke vragen, maar verbindt daar geen consequenties aan. Bij hem is de Renus de Rijn en blijft het de Rijn. Om Gallia Belgica dan maar in het noorden tot de Rijn in Nederland uit te breiden blijkt voor hem geen probleem. Dat BelgiŽ of Noord-Brabant ooit tot Gallia Belgica behoorden wordt ook nergens duidelijk gemaakt. Ook Drusus, Varus en Germanicus die opereerden onder de keizers Augustus en Tiberius blijft Nouwen in Duitsland plaatsen, hoewel ook daar archeologisch geen enkel bewijs voor is of wordt gegeven. Voor de bekende Varusslag verwijzen we naar de Varusslag op deze website.

Wat wel duidelijk blijkt uit dit boek van Nouwen dat het Romeinse imperialisme niet anders was dan het latere kolonianisme dat bestond uit het onderdrukken en uitbuiten van de plaatselijke bevolking. Als dat gelukt was kon er pas gesproken worden van de "Pax Romana". Wat dat betreft was het Romeinse rijk niet veel beter dan dat van andere latere machthebbers en dictators zoals Karel de Grote, Djengis Khan, Napoleon, Stalin en zelfs Hitler. "Vrede" kon er pas komen als aan de Romeinse honger van gebiedsuitbreiding was voldaan.
Zelfs de Romeinse schrijver Tacitus wijst hierop (p.100): "De Romeinen zijn de rovers en plunderaars van deze wereld" (Tacitus, Agricola 30,4).
En dan wil men in Nederland van deze bezettingstijd Cultureel Erfgoed maken! Zijn de Spaanse tijd (met de 80-jarige oorlog) of de bezetting door Napoleon of Hitler dan ook Cultureel Erfgoed?
In de inleiding van dit boek doet Robert Nouwen al enkele opvallende uitspraken (op p.10 en 11). Commentaar schuingedrukt.
  • Hij noemt de Lage Landen een deel van Gallia Belgica. Onder de Lage Landen verstaan wij het lage overstroombare deel van Nederland, les Pays-Bas. Gallia Belgica lag echter onder de taalgrens met als hoofdstad Durocortorum (het huidige Reims). Het is dan moeilijk voor te stellen dat Brabant en Zeeland of zelfs Nederland ten noorden van de Rijn daar ook bij zouden horen (wat dus ook niet zo is, al willen veel historici dat wel blijven volhouden). .
  • Zelf noemt Nouwen de titel van dit boek 'wat misleidend' en verklaart dat door te stellen dat de situatie in de Lage Landen erg verweven was met de politiek van de keizer elders in GalliŽ en GermaniŽ. Zo'n bewering zou bewezen moeten worden, maar dat bewijs ontbreekt hier.
  • Maar vaak zijn er onvoldoende aanwijzingen voor nauwkeurige dateringen en voor het leggen van verbanden met de historische teksten. Met deze opvatting geeft Nouwen aan dat er veel onduidelijkheid is en blijft bestaan.
  • De kans dat de historicus of de archeoloog fouten maakt, is recht evenredig met het fragmentarische karakter van het bronnenmateriaal, de aanwezigheid, of veeleer de afwezigheid, van essentiŽle sporen die een historische reconstructie mogelijk maken. Dit is een juiste constatering van Nouwen. Maar laat het dan niet voorkomen alsof alles wat over de Romeinse geschiedenis geschreven is uit zekerheden bestaat.
  • Dat heeft tot gevolg dat de ontbrekende pagina's telkens op een andere manier kunnen worden geschreven, afhankelijk van het standpunt van de historicus of de archeoloog en de interpretatie die hij aan zijn bronnen geeft. Veel bestaat dus uit interpretaties, weinig uit zekerheden.

    De visie van Albert Delahaye.
    Onder Keizer Augustus (27 v. tot 14 n.Chr) hebben de Romeinen Nederland nog lang niet bereikt. Keulen werd pas in ca.50 n.Chr. bereikt, de kampen ten noorden van Keulen langs de Rijn, dus ook in Nederland, zijn allemaal pas nadien gebouwd, aanvankelijk in hout, pas veel later enkele in steen. Om Gallia aan Nederland te koppelen is meer nodig dan slechts een vage opvatting van een historicus. Daar zijn harde tekstuele of archeologische bewijzen voor nodig en tot heden zijn die er niet. Drusus, Germanicus en Corbulo zijn nooit boven de taalgrens geweest, die nog steeds op nagenoeg dezelfde plaats ligt vanaf Boulogne-sur-Mer dwars door BelgiŽ, Luxemburg, Oost-Frankrijk en Zwitserland.
    Ook op de bekende Peutingerkaart staat Belgica getekend in het Franse landschap van Boulogne-sur-Mer tot aan Zwitserland. Daar is geen enkel deel van Nederland of zelfs van BelgiŽ bij. In 650 n.Chr. vermeldt de Geograaf van Ravenna dat Francia Rinensis recht tegenover het vaderland van de Fresones (Vlaanderen) ligt en dat het land voorheen Gallia Belgia Alobrites werd genoemd. Francia Rinensis is de streek van de Schelde rond Doornik tot aan Noyon, wat overeenkomt met het bisdom Doornik-Noyon, waar St.Eloy (Eligius) bisschop was van 641 tot 660. Deze St.Eloy predikte ook onder de Fresones (Friezen) voordat St.Willibrord er verscheen. Zie bij St.Willibrord. Hij was een van de voorgangers van St.Willibrord in de prediking onder de Friezen, wat in Nederland altijd verzwegen wordt.


    Enkele citaten uit dit boek van Robert Nouwen geven de onjuistheid van zijn en de traditionele opvattingen weer.

  • In dit boek komen regelmatig bewoordingen voor als: 'is niet bekend' en 'onbekend', 'is onduidelijk', 'mogen we aannemen', 'wellicht', 'waarschijnlijk', 'onzeker' of 'niet zeker', 'vermoedelijk', 'het is mogelijk', 'misschien' en 'beschikbare teksten laten meerdere interpretaties toe'. Deze woorden geven naast de nodige twijfel ook aan dat strikte bewijzen voor de genoemde opvattingen ontbreken. Opvallend is dat je deze bewoordingen vaker tegenkomt bij de traditionalisten. Dus zo zeker is alles niet wat ze beweren. Het is in elk geval geen onweerlegbaar vaststaande geschiedenis.

  • Bij het kaartje op p.156 noemt Nouwen 4 forten langs de Rijn uit de tijd van Augustus (12v.-16 n.Chr.): Bunnik-Vechten, Driel, Arnhem-Meinerswijk en Nijmegen. Op elk van de forten is het nodige aan te merken. Zie bij Bunnik-Vechten, Driel, Arnhem-Meinerswijkl, Nijmegen.
    Overigens noemt Nouwen ook forten op die pas veel later ontstonden, zoals Keulen dat volgens Nouwen al in 9 n.Chr. voltooid. Volgens anderen werd Keulen pas in 50 n.Chr. door de Romeinen bezet en kreeg het de naam Colonia Agrippinensium. De plaatsing van de UbiŽrs bij Keulen is een farce. Zie bij Keulen/KŲln. Dat de hele Rijn-Limes in 16 n.Chr. al voltooid was is uiteraard onjuist. De onjuistheid is verklaarbaar aangezien Nouwen Drusus en Varus in Duitsland laat optreden en hij het Germania van Tacitus Duitsland blijft noemen.

  • Indien er al een coherent plan zou bestaan met betrekking tot de verdediging van de rijksgrenzen, dan komt dat in ieder geval bij geen enkel contemporain historicus voor en ook het archeologische onderzoek laat een dergelijk besluit zeker voor de augusteÔsche regering niet toe (p.101). Commentaar: maar ook nadien is er van een verdedigingsgrens geen sprake. De Rijn was slechts een bewaakte transportroute (zie Archeobrief 1 van 2008).

  • Tiberius, Drusus en Germanicus vertoefden ongetwijfeld geregeld in onze contreien. Een opschrift in Bavay toont dat aan (schrijft Nouwen op p.89). Commentaar: Regelmatig noemt Nouwen in zijn boek 'onze contreien'. Blijkbaar rekent Nouwen (afkomstig uit BelgiŽ) zijn eigen land ook tot de Lage Landen. Maar met een opschrift uit Bavay bewijs je niets ten gunste van BelgiŽ en al hemaal niets voor Nederland. Het 'ongetwijfeld' geeft al de nodige onzekerheid van deze bewering aan.

  • Cimbri en Teutonen plaats Nouwen op het eind van de 2de eeuw v.Chr. 'aan deze zijde van de Rijn' (p.92). Commentaar: Dat is in tegenspraak met de traditie die ze in Denemarken en in Duitsland aan de overzijde van de Rijn plaatst. Van een verhuizing van de Cimbren en Teutonen is ook nergens sprake geweest dan in de fantasie van historici. Als de Teutonen aan deze zijde van de Rijn woonden vond de slag in het Teutoburgerwoud ook niet in Duitsland plaats.

  • We mogen hoe dan ook aannemen dat zowel aan deze zijde als aan de overzijde van de Rijn stammen woonden die zowel Keltische als Germaanse karaktertrekken vertoonden. De Lage Landen vormden zo samen met de Rijnstreek een overgangszone tussen het Keltisch en Germaanse kerngebied. Commentaar:Het is dus een aanname van Nouwen, waarvoor geen bewijs wordt gegeven. Aan deze zijde van de Rijn is bezien vanuit de schrijver, in dit geval Caesar. De Germanen door Julius Caesar 'chisrhenani' genoemd, woonden dus niet in Duitsland, maar in Germania aan deze zijde van de Rijn. Hoe een gebied waar aan beide zijden van de Rijn Germanen woonden een overgangsgebied tussen Kelten en Garmanen kan vormen is eveneens een aanname die nergens op gestoeld is. Zou Nouwen niet weten waar in zijn land de taalgrens ligt en hoe die daar gekomen is?.

  • De Germaanse veldtochten gingen gepaard met een grote brutaliteit en veel bloedvergieten. De ravitaillering was de achillespees van het Romeinse leger en de vijand wist dat uiteraard. Zo zou Drusus zeker de Weser zijn overgestoken indien de proviand voor zijn leger toereikend was geweest. (p.158) Commentaar: Regelmatig noemt Nouwen grote veldtochten (onder Drusus en Germanicus) in GermaniŽ waarbij de bevoorrading van het leger grote problemen oplevert. Zelfs zodanig dat van bepaalde veldtochten afgezien moest worden. Zet je de afstand van deze veldtochten af tegen de tijd waarbinnen deze zich voordeden, dan hebben de Romeinen onnavolgbare prestaties geleverd. Zelfs de opmars van de geallieerden in WO2 verbleekt daarbij. En dat nu is moeilijk voor waar aan te nemen. We geven hieronder twee voorbeelden.

    Voorbeeld 1:
    Drusus leidde tussen 12 en 9 v.c. vier campagnes in GermaniŽ, die vooral vertrokken vanuit de Neder-Rijn en de Noordzeekust. Zij waren indrukwekkend. De Romeinse oorlogsmachine leek ongenaakbaar. Bij herhaling drong de jonge veldheer door tot de Eems, de Weser en de Elbe (p.159). Cassio Dio beschrijft een van die veldtochten die van begin lente tot het invallen van de winter duurde (p.161).
    Commentaar: Een veldtocht vanaf de Noordzeekust tot de Weser, waarbij de Usipeten, de SugambriŽrs, Cherusken en Chatten onderworpen werden is ongekend, feitelijk onmogelijk. Het is een veldtocht over een afstand van ruim 900 km (afgerond, terug is dat 1800 km). Berekend met de Michelin-Routeplanner over de huidige snelwegen, die er in de Romeinse tijd beslist niet waren. Toen was ruim 80% van Duitsland nog bos!. Dit deed Drusus dus in slechts 6 Š 7 maanden waarbij onderweg ook nog even een brug werd gebouwd (over de Lippe) en heel wat strijd werd geleverd. Wie dit gelooft moet er eens een atlas bij pakken en die naast het kaartje leggen dat op p.159 wordt afgebeeld. Als je erbij betrekt dat de Romeinen elke dag een kamp bouwden, moeten er toch zo'n 240 kampen terug te vinden zijn in midden-Duitsland. En dat nu is allerminst het geval. A.W.Byvanck (zie daar) merkte daar al over op "Het is intussen wel zeer merkwaardig dat de Romeinse heerschappij en de langdurige oorlogen zo uiterst weinig sporen in het eigenlijke GermaniŽ hebben achtergelaten. Voor de beschaving van het land schijnen de jaren van Drusus tot Germanicus welhaast zonder betekenis te zijn geweest."

    En als je dan weet dat Drusus in het jaar 12 vůůr Chr. de Frisones bedwong en daarna versterkingen liet aanleggen langs de Albis, de Amisia, de Wisurgis en de Lippia - die toch de Elbe, de Eems, de Weser en de Lippe waren (??) - 'ter verdediging van Gallia' tegen de Germanen, dan ga je toch enkele vraagtekens plaatsen. Het is ronduit belachelijk dit in het noorden van Nederland en Duitsland te plaatsen, op 400 km afstand van het dan door de Romeinen beheerst gebied, terwijl de Germanen al ten westen van deze rivieren woonden. Wilde Drusus hen beletten weg te lopen?
    Langs de oever van de Renus (is niet de Rijn maar de Schelde) liet Drusus in 15 v.Chr. meer dan 50 forten bouwen. Bononia (Boulogne) en Gesoriacum (de landtong aan de overzijde van de Liane) liet hij door bruggen verbinden en daar stationerde hij zijn vloot. Het is dezelfde haven waar vanuit Julius Caesar zijn overtocht naar Brittannia organiseerde. Die 50 forten langs de Renus zijn archeologisch ook nooit aangetoond langs de Rijn.
    In dit verband worden de rivieren Amisia, Albis, Wisurgis en Lippia genoemd, wat vanzelfsprekend de Hem, de Aa, de Wimereux en de Lys waren, allen in Frans-Vlaanderen gelegen. Zie bij de rivieren. Dat verdedigingsstelsel hield nauw verband met de Drusus-gracht, met welk werk Drusus in 9 vůůr Chr. begon. Het is klinkklare onzin om dit werk in Nederland te veronderstellen, nota bene ruim 50 jaar vůůrdat de eerste Romein nog naar West-Nederland moest komen!
    De rivier Amisia hier genoemd was niet de Eems maar de Hem(us). De opvatting van deze rivier als de Duitse Eems is ťťn der aanleidingen tot de mythen geweest, net zoals de Rhenus steeds gezien werd als de Rijn. Dat Drusus in 12 vůůr Chr. de Friezen bedwong, toen honderden kilometers in de omtrek van Friesland nog geen Romein te bekennen was, is de grootste miskleun van de historici. De historici durven het niet te zeggen, doch de enig mogelijke conclusie is dat Drusus, stadhouder van Gallia, generaal was van het eerste parachutistenregiment ter wereld. Onmiddellijk daarna begon Drusus met de aanleg van een linie forten vanaf Boulogne tot Novesium (dat niet Neuss is maar Feignies in Noord-Frankrijk). Ďt Waren dus geen parachutisten doch genietroepen met zwaar materieel, die beslist niet even, nota bene met een troep van 20.000 gevangen Germanen!, op oefening trokken naar het Nederlandse Friesland alvorens hun werk te Boulogne te beginnen.

    Voorbeeld 2:
    Germanicus vertrek vanuit Vechten via het kanaal van Drusus en de meren over zee naar de monding van de Eems. Zij ontscheepten in het stamgebied van de Frisii, waar zij de hulptroepen, die over land opmarcheerden, opwachtten. Van de Eems trok Germanicus naar de Weser, waar hij een legerplaats inrichtte. Germanicus stak met zijn leger de rivier over en rukte op naar de vlakte die Idistaviso werd geneoemd (p.189|. Die was gelegen tussen de Weser en een heuvelrug. Daar wachtte de Germaanse coalitie onder aanvoering van de Cherusci de Romeinen op. In het grensgebied van de Cherusci en de Angrivarii, dat uit wouden en moerassen bestond, vond een tweede veldslag plaats. Ook die wonnen de Romeinen en opnieuw richtten zij op de plaats van de overwinning met de buitgemaakte wapens een zegeteken op. De Angrivarii gaven zich over. De zomer liep ten einde en het Romeinse leger keerde terug naar de winterkwartieren aan de Rijn (p.191). Vlak voor deze veldtocht was Germanicus al vanuit Xanten via de Lippevallei naar (vermoedelijk) Aliso opgerukt. Tijdens de herfst ondernam Germanicus nog twee expedities, een naar het stamgebied van de Chatti, een naar het stamgebied van de Marsii.
    Commentaar: Dat zijn dus vier expedities binnen een jaar. Blijkbaar is het kanaal van Drusus bij Nouwen de Utrechtse vecht, zoals op de kaartjes op p.190 en 191 wordt afgebeeld. Het is een opvatting die in Nederland al lange tijd verlaten is. 'De meren' is bij hem de Zuiderzee, maar deze bestond in de Romeinse tijd niet (ook weer volgens de traditie). De vlakte van Idistavo wordt traditioneel bij Minden geplaatst. Zet je deze tocht af op een moderne kaart, dan gaat het over een tocht van ruim 500 km (afgerond, omdat de reisroute niet precies te reconstrueren is). En dat allemaal binnen een half jaar (lente en zomer). Vlak daarvoor vond de veldtocht naar Aliso plaatst. Waar Aliso lag wordt niet duidelijk, maar in Duitsland houdt men het op een locatie in de buurt van het Teutoburgerwoud, maar ook een locatie in Westfalen komt in aanmerking. Toch een tocht van zo'n 300 km vanuit Vechten. In de herfst volgen nog twee expedities (naar de Chatti en naar de Marsii) van bij elkaar zo'n 600 km. Samen gaat het daarbij om tochten van ruim 2800 km heen en terug. Bij een gemiddelde reis van 20 km per dag door onbekend gebied, met voetvolk en ravitaillering (Bron: prof.dr.A.Sizoo, reizen en trekken in de oudheid.) is Germanicus dus 140 dagen aan het reizen. Dan heeft hij slechts 14 weken de tijd gehad voor ravitaillering (de zwakke plek in veel oorlogen), om kampen te bouwen en te vechten. Inderdaad een knappe prestatie van die Romeinen.

  • Op p. 174 vermeldt Nouwen de locatie van de Varusslag (zie daar). Het is interessant om te lezen hoe dat gebied aan de naam Teutoburgerwoud komt. Het Duitse Teutoburgerwoud kreeg die naam pas in de 17e eeuw door toedoen van Philipp Cluverius en juist omdat daar de vermeende veldslag werd gedacht. Tevoren heette dit gebied 'Osning'. (Bron: Larissa Eikermann).
    Commentaar: Het is soms verrassend hoe bepaalde historische opvattingen ontstonden en in welk tijd. Daarin blijkt de 17e eeuw nogal vaak het startpunt van veel mythen te zijn. Er werd toen voor de vuist weg veel beweerd, maar niets archeologisch bewezen. Archeologie als wetenschap bestond immers nog niet. Dat zou nog 2 eeuwen duren. Opvallend blijft dat de archeologie te vaak niet aantoont wat altijd als ware geschiedenis werd aangenomen. Het nooit terug gevonden paleis van Karel de Grote in Nijmegen, kan als belangrijkste voorbeeld dienen. De naam 'Herrmann' kreeg het gedenkteken in Detmold overigens van Melanchthon (een leerling van Luther!) die in de 16de eeuw het gevecht in het "Lippische Wald', meende te kunnen localiseren. Het 'dux belli' werd door Luther vertaald met "Heer-mann" (=leger leider). Sindsdien wordt dit gebergte het Teutoburger Wald genoemd. Die naam werd voor het eerst gegeven door Philipp Cluverius, de Pools-Nederlandse historicus die als eerste ook de Bataven, Caninefaten en de Friezen onjuist in Holland plaatste. Veel latere historici hebben hun opvattingen juist op die van Cluverius gebaseerd. Nu blijkt dat de visie van Cluverius onjuist is, zijn ook alle latere opvattingen onjuist.

    Hier wordt nog verder aan gewerkt!





    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

  • Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.