Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Plinius.



Plinius.


De historici hebben in het verleden de mededelingen van Plinius steeds klakkeloos op Nederland toegepast. Maar dat leverde het probleem op dat zijn mededelingen niet klopten met de situatie in Nederland.
Vandaar dat A.W.Byvanck (zie daar) en andere historici Plinius als onbetrouwbaar en verwarrend kwalificeerden.
Niet Plinius was onbetrouwbaar, maar de Nederlandse toepassing.

Die 'onbetrouwbaarheid' van Plinius heeft Albert Delahaye geïnspireerd nu eens op zoek te gaan naar de ware geschiedenis die Plinius beschreef. En die geschiedenis bleek feilloos te passen in Noord-Frankrijk waar de feiten samenkomen op de taalgrens en de plaats waar je de overkant kunt zien.


Plinius.



Kijk voor teksten van Plinius bij:


A.W.Byvanck

Archeologie in Nederland

Twijfel


De visie van Albert Delahaye.

Plinius is een van de meest favoriete klassieke Romeinse schrijvers van Albert Delahaye. Plinius begaf zich, gedreven door wetenschappelijke nieuwsgierigheid in 79 na Christus naar de vuurspuwende Vesuvius, waar hij helaas jammerlijk om het leven kwam.


De tocht van Plinius naar de Vesuvius.


Die wetenschappelijke gedrevenheid en zelfs het geconfronteerd worden met een vuurspuwende vulkaan van de historische wetenschap, heeft Albert Delahaye niet weerhouden zijn studie en onderzoek te doen en zijn bevindingen in zijn boeken te publiceren.


De vuurspuwende vulkaan van de historische wetenschap.


In zijn werken laat Plinius merken dat hij behalve schrijver ook een groot geleerde was. Zijn beschrijvingen van het Romeinse Rijk en de woelige oorlogen in Gallia laten er geen misverstand over bestaan. Zijn Germania is net als bij Tacitus het gebied rond de taalgrens in het noorden van Frankrijk en het zuiden van België. Er wordt nergens over Nederland of Duitsland geschreven. Ook hier blijken de traditionele opvattingen foutief te zijn toegepast.
Maar dat de beschrijvingen van Plinius in die traditionele opvatting niet passen, merken ook de traditionele historici zelf al op als ze menen, zoals A.W.Byvanck, dat Plinius vage, verwarrende en onjuiste mededelingen doet. Niet Plinius was verwarrend, maar de toepassing van zijn geschriften op de verkeerde streek.

Als voorbeeld mag de tekst dienen over de beschrijving van het Flevum en Helinium.
Deze tekst luidt: "Wij hebben gezegd dat in het oosten bij de Oceaan verschillende volkeren wonen. Maar in het noorden wonen de Chauci, die de Kleine en de Grote worden genoemd. De Oceaan stroomt er met een uitgestrekte vloed tweemaal per dag en per nacht over een groot gebied op het land, en bewerkt er een eeuwige verandering van de natuur, en twijfel wat land is of wat een deel van de zee.
Daar woont een ellendig volk op heuveltjes of plateaus boven het peil van de hoogste vloed, die zij met hun handen hebben gemaakt, waarop hun hutten staan. Zij gelijken op schepelingen wanneer het water alles om hen heen bedekt, maar op schipbreukelingen wanneer het zich terugtrekt en zij de vissen rondom hun hutten vangen, die met de zee willen vluchten. Zij hebben geen vee en kunnen zich niet met melk voeden zoals de anderen in de omgeving, noch op jacht gaan, want nergens zijn struiken waarin het wild zich kan ophouden. De netten om de vissen te vangen knopen zij uit zeegras en biezen. De klei, die zij met hun handen oppakken, laten zij meer door de wind dan door de zon drogen. Hun spijzen en hun lichamen, door de noordenwind verstijfd, verwarmen zij met aarde. Hun enige drank is regenwater, dat zij opvangen bij de deur van hun huizen. En wanneer deze volken vandaag door het Romeinse volk worden overwonnen, zeggen zij nog dat ze ons willen dienen. Zo is het inderdaad: voor velen betekent de fortuin een straf".


Over deze tekst hebben de historici waaronder A.W.Byvanck zich het hoofd gebroken. Gaat het hier zoals men beweerde over de Friezen in Friesland? Bijvanck heeft er steeds met nadruk op gewezen dat "Het kan niet anders dan dat Plinius hier op Friesland doelt" of "Hier moet Plinius ons land op het oog hebben".
Het was een aanname. Meer niet. Er was en is geen enkel archeologisch bewijs voor deze opvattingen. Er zijn ook geen parallelle teksten van andere schrijvers.

Tegen de traditionele opvatting zijn meerdere opmerkingen in te brengen:
  • Friesland in nooit door de Romeinen onderworpen. Het Frisia in Vlaanderen waar de oversteekplaats naar Engeland lag, echter wel.
  • De Chauci woonden (volgens Tacitus) langs de kust waarbij hun land eindigde tegen de Katsberg van de Chatti. En de Katsberg (van de Chatti) lag bij Cassel en dat is Frans-Vlaanderen en niet in zuid-Duitsland waar het Kassel geweest zou zijn, wat niet klopt met de rest van de tekst. Kassel ligt nu eenmaal niet aan de kust!
    In verschillende plaatsnamen in Vlaanderen is een relict van de naam Chauci bewaard gebleven, zoals in Les Choques, La Choque-Bernard en Socx.
  • in Friesland zijn 955 terpen geïnventariseerd die momenteel niet allemaal meer bestaan. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat op een terp meestal maar één boerderij stond en er slechts één familie leefde. Dat klopt aardig met de beschrijving van Plinius. Maar niet met de vele oorlogen die de Friezen voerden. Dan gaat het dus om een kleine 1000 weerbare mannen over een periode van ruim 4 eeuwen. Hoezo machtige Friezen die tegen de Romeinen streden en later tegen de Franken?
  • Overigens wijst hetzelfde onderzoek erop dat de meeste terpen van na het jaar 1000 dateren. Dat is dus nadat de ontginningen van laag-Nederland op gang kwamen. Waar woonden de Friezen dan die tegen de Romeinen en Franken streden?
    Het ontstaan van de terpen in Friesland sluit precies aan bij de ontginningen in laag Nederland. En dat was vanaf de 10e en zelfs 11e eeuw.
  • In het moeras- en overstromingsgebied in Frans- en Belgisch Vlaanderen, waar tekstueel ook het Almere past, klopt de beschrijving van Plinius feilloos. De "Terres-Flottantes" die in het land van St.Omaars voorkwamen passen ook feilloos bij de beschrijving van Plinius. De oorspronkelijke 'iles flottantes' waren een natuurlijk fenomeen en geen menselijke constructie, zoals die later werden gemaakt. De 'iles flottantes' staan momenteel op de lijst van Cultureel Erfgoed van de UNESCO. Het was en is nog steeds 'de groententuin' van Frankrijk, waar meerdere plaatsnamen op het Saksiche -thun (=tuin) eindigen, zoals Audincthun, Béthune, Alenthun, Alencthun, Fréthun, Samblethun, Todincthun, Baincthun, Offrethun en Pélincthun.
  • De genoemde Romeinse windrichtingen dienen ten opzichte van de huidige tijd een kwartslag gedraaid te worden. Zie daarvoor bij West-Orientatie.
  • De aarde waarmee zij zich verwarmden is de turf die er gewonnen werd, gedroogd en die als brandstof diende. Ook dit detail past niet in het Nederlandse Friesland, waar de turfwinning pas halverwege het tweede millennium ontstond.
  • Uit de reconstructie van de noordlijn van het gebied waar Plinius over schrijft en waar hij blijkbaar zelf ook geweest is, blijkt dat hij nooit in Frieland geweest kan zijn.

    Wat weten we nu feitelijk echt?
    De waarheid is dus dat Plinius hier niet ons land beschreef, maar de kust van Frans- en Belgisch Vlaanderen, waar zich dit natuurverschijnsel van eb en vloed voordeed, dat zij uit hun eigen land niet kenden. In de Middelandse zee bestaan immers geen getijden als op de Oceaan.

    Ook andere teksten van Plinius passen niet in Nederland of Noord-Duitsland, maar wel in Frans-Vlaanderen.

    De Franse kalksteen.

    Plinius beschrijft dat, "waar de Renus in zee uitstroomt vindt men witte steen, die zich gemakkelijk laat snijden en die o.a. gebruikt wordt voor het leggen van vloeren".

    De Franse kalksteen, waar het hier over gaat, laat zich hiervoor inderdaad uitermate goed gebruiken. Zowel voor vloeren als voor beeldhouwwerk wordt deze Franse kalksteen nog steeds gebruikt. Dit in tegenstelling tot de mergel in Zuid-Limburg, die volgens Byvanck *) hier bedoeld wordt. Franse Kalksteen is inderdaad wit, in tegenstelling tot mergel dat geel van een kleur is en totaal ongeschikt is voor vloeren. De kalksteen uit Noord-Frankrijk wordt marmer genoemd en wordt nog steeds gebruikt voor vloeren en schoorsteenmantels, maar ook voor beeldhouwwerk. Dezelfde kalksteen werd ook gebruikt voor de sarcofaag van St.Willibrord die 'van marmer' genoemd werd. Het is een belangrijk detail dat zich onmogelijk in Nederland laat plaatsen, maar in Noordwest Frankrijk precies past! Het "Maison du Marbre" in Rinxent, ten noorden van Boulogne, verschaft de bezoekers informatie over winning en toepassingen van de witte kalksteen die hier gewonnen wordt.

    *) Let op: de Rijn stroomt nergens in Zuid-Limburg langs de mergelgroeven. "Gemakshalve" werd Renus hier door Byvanck "vertaald" met Maas. Hetzelfde zien we bij Van Es, die Renus enkele keren "vertaalt" met Waal, omdat Rijn niet klopt met de rest van de tekst.
    Let ook eens op de naam RIN-x-ENT: het einde van de Rin, de Renus.

    Waar de Renus in zee uitstroomt is ook al niet in Zuid-Limburg, maar in de Nederlandse interpretatie bij Katwijk.
    Het is dan ook volkomen onbegrijpelijk hoe de traditionele geschiedenis bij deze locaties komt. En veel historici hebben deze interpretatie klakkeloos gevolgd. Dat is nog onbegrijpelijker. Het meest onbegrijpelijk is dat degene die deze opvattingen ter discussie stelt en op de onlogica wijst, voor een "fantast" werd uitgemaakt.


    Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.