Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

De Saxones.

De Saksen woonden aan de "Litus Saxonicum" de kust langs het Kanaal, zowel aan de Franse, als aan de Engelse kant, waar namen als Angelsaksisch, Wessex, Sussex, Essex taalrelicten zijn, die respectievelijk wijzen op Engels-Saksisch, West- Zuid- en Oost-Saksenland.




De Saksen woonden aan de Frans-Vlaamse kust in de tijd van Drusus, die in de jaren 12 en 11 vóór Chr. een veldtocht tegen de Saksen ondernam.

Hun plaatsing in Oost-Nederland is het gevolg van ondeskundigheid van enkele 'geleerden' uit de 17e eeuw.

Karel de Grote heeft na jarenlange strijd tegen de Saksen deze bevolkingsgroep rond het jaar 800 vanuit Noord-Frankrijk gedeporteerd naar Westfalen en Noord-Duitsland.
Vanaf die tijd woonden de Saksen in Noord-Duitsland, waar nieuw land vrij kwam na de Duinkerke II transgressie.

In het Saksenland was Ansgarius ( zie daar) bisschop en verbleef in Brema en Hammabourg, wat in Duitsland Bremen en Hamburg werden. In Frans-Vlaanderen waren het de plaatsen Brêmes en Hames-Boucres. Het zijn weer enkele klassieke voorbeelden van de 'deplacements historiques' ( zie daar). Het Duitse Saksen (tussen Dresden-Leipzig en Chemnitz) heeft behalve de verkeerde naam ook de verkeerde locatie gekregen.
De Saksen woonden langs de kust van Het Kanaal die in de Romeinse tijd 'Littus Saxonicum' heette. Orosius schrijft ook dat ze een nauwe band hadden met de Franken: "Oceani littora tunc Franci et Saxones infestabant". (Orosius l-VII).

De visie van Albert Delahaye.
Wat de historici in de loop der eeuwen wel juist hebben gezien was dat de Saksen, Friezen en Franken in elkaars buurt woonden en met elkaar verbonden zijn geweest. Plaatst men een van deze volkeren in de juist streek, dan volgen de andere twee als vanzelfsprekend. Maar wat was de juiste streek? De antwoorden vinden we bij de klassieke schrijvers.
Reeds in de 2e eeuw worden de Saxones door Ptolemeus (maar ook door Strabo, Plinius) genoemd. Ze woonden aan de kust van het Kanaal bij Boulogne, waar in de 4e eeuw hun land verschijnt als de Litus Saxonicum. Het Duitse Saksenland (Westfalen, Nedersaksen en Sleeswijk-Holstein) is een creatie uit de 10/11e eeuw, tot stand gekomen door een massale immigratie van Saksen uit het noorden van Frankrijk, die niet alleen hun eigen naam doch ook tal van rivier- en plaatsnamen naar de nieuwe streek overplantten. De Geograaf van Ravenna noemt dat ook als een zeer juist historisch gegeven.

Karel de Grote heeft gedurende zijn gehele regeringsperiode de handen vol gehad aan de Saxones, aan de Vilti uit de omgeving van Tournehem en aan de Sclavi in naburige streken. Hun onderwerping begon pas te gelukken na het bloedbad van Werethina (Fréthun) in 792 en de daarop gevolgde massale deportaties van Saksen naar Duitsland.

Een mozïekje in Duitsland van Luc Vanbrabant in SEMafoor 3 van augustus 2014 is een overtuigende bevestiging van de visie van Albert Delahaye. De Saksen leefden in de 'pages Flandrensis' (Vlaanderen) aan de oever van de Leie en langs de kust van Het Kanaal, wat aangetoond wordt met tekstuele en archeologische bewijzen. De 'Duitse' Saksen is een gevolg van migratie en deportatie met name door Karel de Grote. Met de Saksen werden ook plaatsnamen getransporteerd, maar ook de herstichting van het klooster van Corvey (Corbeia nova) en het verblijf van Ansgarius, apostel van het Noorden, maar afkomstig uit Corbie in Picardië.
Commentaar: De noten bij dit artikel wijzen allemaal in dezelfde richting. De oudste teksten over de Saksen stammen uit Vlaanderen. Voor de tiende eeuw werd in Duitse teksten niet over Saksen geschreven.

De geschiedenis van de Saksen.
Met de Saksen heeft zich een diepgaande historische verkeerde locatie voorgedaan.
De oorzaak van veel misvattingen zijn terug te voeren tot deze foutieve locatie van een heel volk. De verkeerde plaatsing gaf aan Nederland een onjuiste voorgeschiedenis van Friezen en naburige Saksen, en leidde konkreet tot de legenden rond Deventer, en bepaalde eveneens sterk de interpretatie van Nijmegen als het Karolingische Noviomagus.


Het is een eeuwenoud foutief beeld, dat Nijmegen door Karel de Grote gesticht zou zijn als "burcht" om de Saksen te bedwingen. Het uitgangspunt is al fout -al werd dit niet opgemerkt- daar aan geen enkele Karolingische residentie, zelfs Aken niet, enige betekenis kan worden gehecht vanuit een strategische positie. Bij de stichting van de residenties heeft dit motief nooit gespeeld. Het denkbeeld van een burcht kan pas later gelden bij die van Frederik Barbarossa uit 1155, die qua bouw, inrichting en plaats volledig in het patroon van de 12e eeuw past, wat zijn Karolingisch karakter nog sterker tegenspreekt.

De verplaatsing van de Saksen en alles wat daaruit voor de historische opvattingen is gevolgd, is niet in een paar woorden uit de doeken te doen; overigens is dit reeds uitvoerig in de boeken van Albert Delahaye behandeld.

  • Volgens de traditionele opvatting zou kort na 400 het oosten van Nederland door een massale invasie van Saksen overspoeld zijn. De archeologische gegevens dekken deze mening niet; veeleer wekken zij de indruk dat de vrij armelijke bewoners ter plaatse zijn gebleven.(Bron: dr.H.P.H.Jansen)
    Ook hier geeft de archeologie Albert Delahaye weer gelijk. De Saksen woonden in Frans-Vlaanderen aan de kust van het Kanaal (Litus Saxonicum-omgeving Boulogne). Pas eind 8e en begin 9e eeuw zijn de Saksen door Karel de Grote in een etnische zuivering naar Noord-Duitsland gedeporteerd.

  • Als de traditionele indeling in Nederland van Friezen, Franken en Saksen niet gebaseerd is op de archeologie, is de vraag waarop dan wel? In het onlangs verschenen boek van Annemarieke Willemsen (wetenschappelijk medewerkster van het Rijksmuseum van Oudheden) over de "Gouden Middeleeuwen" komt zij tot enkele opvallende bevindingen, die het gelijk van Albert Delahaye onweerlegbaar aantonen. Haar opvattingen over Nederland in de Merovingische tijd zijn opzienbarend en bevestigen de onjuistheid van de traditionele opvattingen. Zie verder bij het gelijk van Delahaye.

  • Het voorkomen van Saksische dialecten, Saksisch aardewerk en Saksische rechtsgewoonten in deze streken zegt natuurlijk niets, omdat deze namen arbitrair door latere geleerden aan deze verschijnselen uit Oost-Nederland zijn gehecht.(Bron: dr.H.P.H.Jansen)
    Deze bevinding van Jansen staat model voor heel veel andere zogenaamde historische "feiten". Aantoonbaar is dat de geschiedenis van Nederland in het eerste Millennium meerdere van deze verschijnselen kent, waarbij in later tijd arbitrair namen op bepaalde voorkomende verschijnselen zijn geplakt. Bekendste voorbeelden zijn de de zogenaamde Frankische begraafplaatsen en de opgravingen te Wijk bij Duurstede. Bij beide werden de archeologische vondsten (helaas foutief) naar de uit de teksten bekende feiten toegeschreven.

  • De Romeinen en de Saksen.
    Men moet ver in de tijd teruggaan om de kiem of het begin ervan te vinden. Die ligt namelijk in de Romeinse periode. De veldtocht van Drusus van 12 en 11 vóór Chr. tegen de Friezen en de Saksen heeft zich natuurlijk niet voorgedaan in het noorden van Nederland en het hoge noorden van Duitsland. Deze grootste historische zotheid aller tijden staat nog steeds in een recent "Boek van de Maand" afgebeeld met een prachtige route van Drusus, die je doet huiveren van zoveel historisch onbenul, als je bedenkt dat in het bewuste gebied van Duitsland nooit één Romein geweest is.

    Twaalf jaar vóór Chr., een dikke halve eeuw vóór het Romeinse leger uit, zou Drusus (waarvandaan gekomen? Nederland was nog niet veroverd.) met 20.000 gevangen Germanen en materialen door heel Duitsland zijn opgetrokken om in het uiterste noorden van Duitsland aan de Elbe, Eems en Wezer een linie van forten aan te leggen "voor de verdediging van Gallië tegen de Germanen", zoals de schrijvers nadrukkelijk zeggen.
    Waarom daar? In de rug van de Germanen? Misschien om hen het weglopen te beletten?
    Terstond na dit bericht delen zij mee, dat Drusus zijn werken begon met het bouwen van bruggen tussen Boulogne en Le Portel (het tegenover Boulogne liggende schiereiland), waar hij een grote werkhaven met opslagplaatsen aanlegde. Dààr lag het beginpunt van zijn linie. Dààr waar ook Julius Caesar voor hem al de nodige activiteiten had verricht. Dààr waar ook de oversteek naar Engeland lag.
    De rivieren Albis, Amisia en Wisurgis, waarlangs de linie verder liep, waren even natuurlijk de Franse Aa, de Hem en de Lys.

    Aan de hand van de plaatsnamen bij deze rivieren, in de berichten van de veldtochten van de Franken tegen de Saksen genoemd, is dit afdoende bewezen. De klassieke en vroeg-middeleeuwse teksten handelen bovendien over minstens vijf rivieren, terwijl er voor de foutieve toepassing van de teksten op Duitsland maar drie beschikbaar zijn, mede omdat vanzelfsprekend een even grote spraakverwarring ontstond tussen de Wiseria (de Lys), de Wisurgis (de Wimereux), de Viseria (de Oise of de lJzer), de Isla (de Lys in Frankrijk, de Leie in Vlaanderen of de Lijzel in Frankrijk), en de lJssel in Nederland, om van kleinere stromen niet eens te spreken, die ook enkele malen in de bronnen voorkomen.

    De Litus Saxonicum lag aan de Kanaalkust.

    Op deze afbeelding van de "Saksische kusten" is het zuiden boven, het noorden onder. Engeland (Kent) ligt rechts en Frankrijk (Boulonnais) links. Let op de eilanden voor de kust van Frankrijk, die behalve de transgressies, ook de teksten (o.a. ten tijde van St.Willibrord en St.Bonifatius) bevestigen, waarin sprake is van eilanden voor de kust. Dit is ook de plaats waar zowel St.Willibrord als St.Bonifatius aan land kwamen. Hier heeft St.Bonifatius en St.Ludger ook onder de Saksen gepredikt. In deze steeek hebben ook alle veldslagen van Karel de Grote tegen de Saksen plaatsgevonden en niet hoog in Duitsland. In deze streek lagen ook de rivieren Albis (is de Aa, niet de Elbe), de Wisurgis (is de Wimereux, niet de Weser), de Amisia (is de Hem, niet in Eems), de Lippia (is de Lys, niet de Lippe). De namen van de betreffende rivieren zijn bij de deportaties van de Saksen door Karel de Grote (vanaf 792), meegenomen door de bevolking vanuit de oude woonplek naar de nieuwe in Duitsland. Behalve namen van rivieren zijn ook plaatsnamen gedoubleerd in deze "deplacements historiques", met als bekendste voorbeelden Bremen (Brema is Brêmes) en Hamburg (Hammaburg is Hames-Boucres). Deze plaatsen lagen in Frankrijk aan het Almere en kwamen in Duitsland respectievelijk aan de Weser en de Elbe te liggen.

    Toen van de ene kant de misvattingen over de Saksen begonnen, waar juist die rivieren uit de bronnen ook alles richting Noord-Duitsland drongen, en later de operatie van Drusus in gelijke zin werd opgevat, was het hek van de historische verplaatsingen pas goed van de dam. De teksten vóór 777 over de veldtochten van Karel de Grote zijn voor het ogenblik van belang, omdat deze de indruk gaven dat Karel de Grote wèl in de buurt van Nijmegen was geweest en het zelfs voor de hand lag dat hij daar een steunpunt wilde hebben .1n 772 trok de koning de eerste maal tegen hen op. Hij nam hun vestingen Aresbuch (Aremberg op 8 km noord-west van Valenciennes) en Sigiburg (Simberg op l0 km noord-oost van Boulogne) in en hun bolwerk en trots Irminsul (Zermezeele op 4 km noord-west van Cassel). Van de overzijde van de Wisera (de Lys) kwamen andere Saksen hun onderwerping aanbieden. Na de rijksvergadering van Quierzy van 774 viel Karel de Grote de Saksen opnieuw aan, die misbruik gemaakt hadden van zijn afwezigheid en weer tot rebellie gekomen waren. Hij liet de vesting Aresburg (Aremberg) door Franken bezetten. Vandaar begaf hij zich over de Wisura (de Lys) naar Brunesberg (Brunémont op 26 km oost van Atrecht of Brunembert op 7 km noord-oost van Desvres als met Wisura de Wimereux is bedoeld), waar hij op een menigte Saksen stootte. Met een deel van het leger forceerde hij een doortocht tot aan de rivier Ovacrus (Guarbecque), waarbij de Saksische burcht Hoscoburg (Isbergues) gelegen was, waar hij slag leverde met de Saksen, die hem met de Ostfalen tegemoet kwamen. Toen Karel vandaar terugkeerde, kwamen de Angrivarii (Angers op 5 km zuid-west van Lens) hem tegemoet bij de plaats Bucki (Bucquoy op 19 km zuid van Atrecht), die hij ook versloeg. Het andere deel van zijn leger, dat bij de Wisura (de Lys) gebleven was, had zijn kamp opgeslagen bij Hlidbeki (Libercourt op 14 km noord-oost van Lens) en raakte in gevecht met de Westfalen.
    In deze veldtocht onderwierp Karel de Grote de streek van Bochursti (is La Buissière op 7 km zuid-west van Béthune).

    Men ziet het: de plaatsen uit de berichten die in Duitsland altijd de grootste problemen hebben opgeleverd voor de lokalisatie van de gebeurtenissen, presenteren zich in het noorden van Frankrijk als vanzelf. Zie de kaart hiernaast van het oorspronkelijke Saksen- en Friezenland in NW-Frankrijk. (Klik op de kaart voor een vergroting).

    Nog duidelijker dan de militaire operaties tonen de gegevens over de missionarissen onder de Saksen de historische verplaatsingen aan.
    De kerstening van de Saksen, die bij Karel de Grote hand in hand ging met hun bloedige onderwerping, was in eerste instantie gericht op de Saksen in het noorden en noordwesten van Frankrijk; dààr was hun bijna jaarlijkse rebellie een bedreiging voor het rijk, niet op honderden kilometers afstand in Duitsland. Hij stelde St.Willehad en St. Anscharius aan tot bisschoppen van de Saksen, mede omdat de rabauwen zich tot dan toe hadden weten te ontrekken aan de greep van de Gallische en de Germaanse kerken, waar zij tussenin zaten en die geen van beide veel ambitie had getoond voor hun bekering. St. Willehad en St. Anscharius vestigden zich te Hammaburg (Hames-Boucres ten zuiden van Calais) en te Brema (Brêmes vlak daarbij). Na het bloedbad van Werethina (zuid-west van Calais, dat later het verplaatste klooster Werden werd), waar Karel de Grote op één dag enkele duizenden Saksen liet terechtstellen, dwong hij grote groepen Saksen naar het huidige Westfalen te vertrekken, waar onbewoonde gebieden lagen, en naar het noorden van Duitsland, waar na het terugtrekken van de zee na de transgressies enorme lappen nieuwland waren ontstaan. Karel de Grote deed dit, zeggen de kronieken, om het verzet van de Saksen te breken, maar ook om hun hoeven en landerijen aan zijn vrienden te kunnen geven, voegen zij er eerlijk aan toe. Vriendjespolitiek was Karel de Grote niet vreemd.

    Werethina lag aan zee en kan dus nooit het Duitse Werden zijn geweest.(Bron: Vita Ludgeri, AS, maart III, p.654.)
    Deze Saksenmoord in Werethina toont al aan dat dit zich niet in het Duitse Werden voorgedaan heeft, dat immers ver buiten het Niedersachsen in Noord-Duitsland ligt. Gingen de Saksen zo ver buiten hun eigen gebied oorlog voeren tegen de Franken? Daar hadden ze ver in Noord-Duitsland toch geen enkele last van?
    In Frans-Vlaanderen ligt Werethina (=Frethun) midden in het gebied van de Saksen aan de Litus Saxonia. Daar is het in bezit nemen van land en hoeven van de Saksen ook aannemelijk te verklaren.

    De kerstening had wel een nare bijsmaak. St. Willehad is niet uit het noorden van Frankrijk weg geweest. St. Anscharius is de Saksen gevolgd en stichtte de eerste bisschopszetel van Hamburg. De gedwongen emigraties naar het noorden van Duitsland moeten op ca. 805 gesteld worden; die naar Westfalen lagen vroeger. Dat bij grote emigraties plaatsnamen (en zelfs riviernamen.) worden meegenomen uit de oorspronkelijke streek, is een normaal en honderden malen aan te tonen verschijnsel. Merkwaardig is ook, dat de naam Westfalen wel is meegenomen; die van Oostfalen niet.

    Voor wie moeite heeft met deze rekonstruktie van de feiten, moet worden meegedeeld, dat men vandaag aan de dag nog in tal van kerken in Artois en Normandië beelden van St.Willehad en St.Anscharius aantreft, wat bewijst dat hun memorie in deze streek inheems is geweest, daar zij er niet vanuit het noorden van Duitsland kan zijn verdwaald. De merkwaardige doublures van Hamburg en Bremen hebben de historische verplaatsingen nog gecompliceerder gemaakt.

    Ongeveer hetzelfde heeft zich voorgedaan met St. Lebuinus en St. Ludger.
    St.Lebuinus, in de juiste streek bekend als St.Lieven in Vlaanderen en St.Liévin in Noord-Frankrijk, heeft in de streek ten zuiden van Arras (Atrecht) onder de Saksen gewerkt. Merck-St.-Liévin ten zuiden van St. Omaars, dat nog zijn naam draagt, is het Marklo dat in zijn leven wordt genoemd; het was derhalve niet het Nederlandse Marklo. Hij predikte in de streek van de Isla (de Lys), wat later door de even grandioze doublure van de Nederlandse lJssel ertoe leidde dat hij in Deventer werd neergezet, waar de goede man nooit is geweest. Het genoemde Daventria was Desvres in Noord-Frankrijk. Deventer bestond nog niet in de 8e eeuw! Zijn opvolger St. Ludger, geboren te Zouafques vlakbij Tournehem (en niet in Zuilen bij Utrecht), die omstreeks 793 een klooster had gesticht te Werethina bij Calais, werd ca. 800 door Karel de Grote als bisschop naar de Saksen in Westfalen gezonden, nadat hij reeds enige tijd in de omgeving van Atrecht onder hen had gewerkt. Hij vestigde zich te Munster, een geheel nieuwe stad, waar hij de eerste bisschopszetel stichtte. Zijn klooster bij Calais moest omstreeks 850 voor de Noormannen vluchten; het week uit naar het bisdom van zijn stichter (die inmiddels al lang overleden was) en onder dezelfde naam werd voortgezet, welke naam er 'verduitste' tot Werden.

    Het spreekt vanzelf dat deze reconstructie van belangrijke feiten, waarvan zoveel werd afgeleid dat nu onhoudbaar is, de traditionele historici voor een groot raadsel plaatste. De feiten zijn echter overduidelijk; even duidelijk is dat de historici met de gangbare opvattingen over de Saksen in het oosten van ons land de historische waarheid geweld aandoen, zolang zij de bewezen doublure van St. Lebuinus in Nederland en Vlaanderen negeren. Deze reconstructie toont tevens aan dat aan Nijmegen geen enkele rol kan worden toegekend in de strijd van de Franken tegen de Saksen, daar tussen 768 en ca. 800 de massale emigraties van Saksen naar Westfalen nog niet waren voorgevallen. De tradities van St. Lebuinus en St. Ludger, waarvan de eerste voor de lJsselstreek volkomen legendarisch is, en de tweede vanaf ca. 800 voor Munster waar is, doch volslagen onwaar voor Groningen, hebben een zeer sterke invloed gehad op de historische opvattingen, die men reeds in de 11e eeuw Nederland ziet binnensluipen. Het klinkt niet prettig voor Nijmegen doch het is de pure waarheid: naast enkele andere misverstanden is zijn Karolingische traditie voor een groot deel een slap aftreksel van de andere verplaatsingen van volkeren en bisschoppen, waar het feit van de geografische verplaatsing na een tijd niet eens meer werd gememoreerd of geweten. Tengevolge van enige volle, gedeeltelijke of schijnbare doublures van streek-, rivier- en plaatsnamen kon het niet uitblijven dat een Babylonische spraakverwarring ontstond.

    De nuchtere logica.

    Naast deze meer staatkundige achtergronden moeten we de nuchtere logica niet vergeten. Wanneer Karel de Grote inderdaad besloten had in Nijmegen een paleis te bouwen, dan had dit een onderneming betekend gelijk aan de bouw van het Colosseum in Rome, de expeditie van de 8e eeuw, een wereldwonder. In NIjmegen was immers niets, geen natuursteen en geen baksteen, geen metselaar of timmerman, zelfs geen mens om zijn werklieden in de kost te nemen. Er lagen wèl de ruïnes van de Romeinen, die de werklieden van Frederik Barbarossa in 1155 dankbaar gebruikt hebben. De bronnen reppen er met geen woord over dat het nieuwe paleis van Noviomagus zo'n verre expeditie was, wat zij beslist vermeld zouden hebben indien het Nijmegen was geweest. Toen Karel de Grote na de dood van zijn broer Karloman Noyon koos als zijn voornaamste residentie - Aken was nog lang niet aan de orde - nam hij geen genoegen met het houten paleis van de Merovingers, waarvan trouwens de helft aan een klooster geschonken was. Hij wilde een nieuw paleis in steen, dat verrees op een heuvel naast het centrum van de stad en dat volgens Einhard een werk van buitengewone pracht was. Ook om een andere reden moet verworpen worden, dat het paleis in Nijmegen lag. De Frankische edelen zouden dit nimmer geaccepteerd hebben: de residentie van de vorst honderden kilometers buiten het rijk en dan nog wel onder dezelfde naam als het eerste en nog altijd bestaande Noviomagus, dat ook in de jaren erna de belangrijkste residentie van de Karolingers blijft, de Urbs Regalis, later zelfs van de Duitse keizers. Dit immers zou het probaatste middel zijn geweest om het bestuur van het rijk in de kortste keren in het honderd te laten lopen, want dan zou het een dagelijks terugkerende puzzel worden in welk Noviomagus de koning nu verbleef.

    Alvorens in een hoongelach uit te barsten (in deze affaire is het al meermalen gebeurd, dat men in gelach uitbarstte waar men beter had kunnen snikken) over het feit dat Nijmegen en verre omgeving niet bij het rijk van Karel de Grote uit 777 hoorde, dient men wel één oorkonde, akte of andere bestuurshandeling van hem ten noorden van Aken te voorschijn te brengen. Er bestaat er geen; derhalve kan men het lachen gevoeglijk achterwege laten.
    Zo'n conclusie -'t is treurig maar waar - kan alleen opkomen in het brein van een archivaris, die uit hoofde van zijn beroep een bijzonder oog heeft voor de neerslag van het bestuur en die besluit, wanneer er van die neerslag geen spoor te vinden is, dat dan het bestuur ook niet heeft bestaan. Het is jammer dat de historici dit onmisbaar gevoel voor een onverbrekelijk verband tussen oorzaak en gevolg niet hebben zodat zij, al is het negatief, een feit niet opmerken dat hen categorisch tegenspreekt.
    De achtergronden-specialist dr.P.Leupen ziet de meest simpele voorgronden over het hoofd. Hij past een klein aantal vermeldingen van het paleis van Noviomagus op Nijmegen toe (zie bij Het Bronnenboek), staat een groter aantal van precies dezelfde vermeldingen aan Noyon af, en schept zodoende een staatkundig doolhof door aan te nemen dat één koning twee gelijknamige residenties heeft. Dat men dit vroeger niet heeft opgemerkt, toen de confrontatie tussen Noyon en Nijmegen nog niet aan de orde was gesteld, is tot daaraan toe, doch door aan te nemen dat Karel de Grote één Noviomagus te Nijmegen heeft gehad, een tweede Noviomagus te Noyon - want tal van gelijkluidende teksten staat Leupen aan Noyon af - creëert hij niets meer en niets minder dan een complete chaos. En die chaos heeft niet bestaan.
    Er was slechts één residentie Noviomagus. En dat was Noyon!

    Op lezingen gaf Albert Delahaye wel eens het voorbeeld van de absurde veronderstelling, dat koningin Juliana twee paleizen Soestdijk zou hebben, een bij Utrecht, het andere in bijv. de Ardennen, wat natuurlijk onvoorstelbaar is en ook bij ons de rijkszaken in het honderd zou jagen. Sommigen reageren dan smalend dat onze koningin best twee residenties kan hebben; je moet nou niet denken dat wij Hollanders zó arm zijn. Zij hebben nog altijd niet door dat het niet om twee residenties gaat (Karel de Grote had er ook meerdere), maar om twee residenties met exact dezelfde naam en dezelfde geschiedenis.

    In het artikel Un Littoral trés Echancré (een zeer grillige kust) plaatsen veel historici de Saksen in Noord-Frankrijk aan de kust van het Kanaal. Zij verklaren de komst van de Saksen vanuit Engeland, waar zij na hun oversteek beide kusten van Het Kanaal/La Manche bewoonden. De verspreiding van de Saksen, aanvankelijk in Engeland, vervolgens op het vasteland, nam in de 6e eeuw verder toe en kon aangetoond worden met archeologische vondsten (zie R.Clarke, Archaeology Norwich and its region) en de namen van plaatsen. De oude plaatnamen eindigend op -thun, -pro, -ing, -stoc en -wic bevestigen deze opvatting. Ze komen aan beide zijden van Het Kanaal voor. Het toponiem -wic (of -wich) heeft de betekenis van 'haven' (port) zoals in Lundenwic, Fordwich, Sandwich en Hamwic. Maar ook in Quentovic, Audruicq en Craywick, aan de oevers van de baai ontstaan door de 'transgression flandrienne' (zie R.Derolez, Les origines de la frontiere linguistique en Belgique et la Colonisation Franque). In dit artikel wordt ook het bestaan van de 'transgression Dunkerkquinene' aangetoond, waarbij het hoogteverschil van de zee tijdens de transgressiefasen wel 5 to 8 m. kon bedragen.
    In dit gebied lag niet alleen het 'Fleterne' tussen Watten en Bourbourg en verder tot Brugge, maar ook het Helena (Elna) wat de Liane is (dat was ook de opvatting van Albert Delahaye die hier bevestigd wordt).
    Met deze immigratie van Saksen kwamen ook de Ierse en Engelse predikers naar het vasteland. Die prediking begon niet met St.Willibrord zoals de traditie ons wil doen geloven, maar met St.Wulmer, St.Bertin en St.Mommelin, St.Eloi en St.Riquier (leerling van St.Cadoc uit Wales).

    Frans-vlaamse plaatsnamen in Nordfriesland (D.).
    Toen G.Carstens, een duitse naamkundige, als officier in 1941 bij Calais werd ingekwartierd, zag hij daar tot zijn verbazing een groot aantal plaatsnamen, volledig identiek aan plaatsnamen uit zijn geboortestreek. Hij publiceerde daarover in het "Jahrbuch des Nordfriesischen Instituts", 1962, p. 39 - 44. Eerst geeft hij een lijst van een aantal volledig identieke namen, waar de enige afwijking is dat de franse en duitse schrijfwijzen verschillen. In toon en betekenis zijn zij geheel gelijk. Daarna somt hij een groot aantal achtervoegsels op, die in de twee streken gelijk zijn, zoals: -inghen, -thun; -dal; -feld; -beek; -brug; -berg; -bron en andere. Na deze geheel juiste constatering gaat hij echter in de fout. Carstens meende hierin een nadere bevestiging te vinden van de reeds lang gangbare theorie, dat de Friezen en Saksen in de loop van de 3e eeuw afgezakt zouden zijn uit het hoge noorden van Duitsland naar de omgeving van Boulogne en St. Omaars. Ten onrechte zegt Carstens: naar Calais en omgeving, want op dat tijdstip bestond Calais nog niet, en in historische geografie moet men zich aan de in die tijd bestaande plaatsen houden. Wel is juist, dat dit soort namen op een zeer beperkt gebied in Frans Vlaanderen voorkomt. Elders vindt men er geen met de bekende Saksische achtervoegsels.
    De schone theorie staat al volledig wankel, daar de eerste berichten over Friezen en Saksen naar het noord-westen van Frankrijk wijzen. De Frans-Vlaamse plaatsnamen hebben een aantoonbare oudere geschiedenis dan die in Noord-Duitsland. Men kon zich echter onmogelijk voorstellen dat zo ver in Frankrijk een hele serie germaanse plaatsnamen bestond; die konden alleen uit emigratie zijn ontstaan, meende men. De fatale vicieuse cirkel wordt ook hiergevormd door het misverstaan van Tacitus’ “Germania” . Hij plaatst Frisia, Germania en tientallen germaanse stammen in het noorden van Frankrijk, en hij heeft met geen woord over Friesland of het noorden van Duitsland gesproken. De richting van de migratie heeft precies andersom gelopen.
    En dat dit zo is, bewijst ons lieve Friesland met 1030 frans-vlaamse namen, volledige doublures van die in Frans-Vlaanderen. Ook de plaatsnamen van het bisdom Trajectum, van de abdij Aefternacum, van de abdij van Werethina en uit de levens van zendelingen vind je allemaal terug in Frans-Vlaanderen. Zie voor de hele lijst 'De Ware Kijk Op deel 1, p.404-476.