Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Texandrië/Taxandria/Toxiandria/Westrachia.

Texandria revisited.
Revisited? Herzien? Op Academia.edu hebben Arjoud-Jan Bijsterveld en Lauran Toorians een artikel geschreven waarbij ze, gezien de titel van het artikel, de opvatting van FransTheuws over Taxandria herzien en opnieuw bekijken.
Geven ze daarmee aan dat ze het met de visie van Theuws niet eens te zijn?
Maar dat 'herzien' valt erg tegen als je het artikel leest. Ze blijven immers de traditonele opvatting volgen dat Taxandria het oostelijke deel van Noord-Brabant is. Het enige wat zij herzien is dat ze het uitbreiden met het noordelijke deel van België is. Ze knopen er het oude aarstbisdom Luik uit de 11e eeuw aan vast.
Die bewering willen ze op allerlei manier aantonen, maar van bewijzen is hier niet echt sprake. Maurits Gysseling (zie daar) maakte er slechts de Kempen van, wat Theuws ook vaststelde.

Het verhaal van Bijsterveld en Toorians, maar ook dat van Frans Theuws, blijkt een schoolvoorbeeld van 'hineininterpretieren' te zijn, ofwel het terug redeneren vanuit de eenmaal aangenomen misvattingen.
Dat geven de aangehaalde noten en de literatuur wel aan. Met teksten uit de 13e eeuw, toen veel misvattingen al waren ingevoerd, kun je niets bewijzen van wat er in de 8ste eeuw gebeurd zal zijn. En als bovendien vaststaat dat veel van die teksten van niet al te betrouwbare schrijvers komen, is de conclusie wel duidelijk.

Bijsterveld en Toorians noemen het gebied steeds Texandria, maar merken op dat het hetzelfde is als Taxandria en Toxiandria. Daar zijn we het dus over eens. Hadden ze daar maar verder onderzoek naar gedaan, dan hadden ze ontdekt dat Texandria een Frans landschap is en helemaal niet in Brabant ligt, zelfs niet kan liggen.
Hadden ze ook hun eigen artikelen eens wat beter gelezen, dan hadden ze geweten dat wat zij nu beweren in tegenspraak is met hun eerdere bevindingen. Lees eens bij 'Kerken in Brabant' wat zij daar schrijven. Er is geen enkele kerk ouder dan het jaar 950 n.Chr. Bijsterveld maakt er in het Eindhovens dagblad van 6 november 2000 (zie daar) zelfs niet ouder dan de 12e eeuw van.

Waarop zijn de bevindingen van Bijsterveld en Toorians gebasseerd?

We geven daarvan enkele voorbeelden:
Wat wil je aantonen met een totaal verkeerd begrepen tekst van Plinius? Noot 4. (zie hiernaast).
Wat met een verwijzing naar Gysseling? Zie bij Gysseling. Wat wil je bewijzen met D.P.Blok? Zie bij D.P.Blok of H.Camps? Zie bij H.Camps.
Wat wil je aantonen met een tiental verwijzingen in de noten naar Frans Theuws? Zijn opvatting werd toch herzien?
Wat wil je aantonen met een verwijzing naar de in Brabant volkomen onbekende St.Landibertus?
Voor het verhaal over St.Ansfridus kunnen we verwijzen naar St,Ansfridus en het klooster Hohorst. Daar bewijs je niets mee over Taxandria.
Er wordt verwezen naar oude oorkonden en bronnen. Maar als je de jaren daarvan op een rijtje zet blijken die (op enkele uit de Romeinse tijd na) uit de 11e tot zelfs 15e eeuw te stammen, waaronder heel wat kopieën en falsums. Verwijzingen naar oorkonden die Gysseling, Blok en Camps noemen, tonen dat al aan.

Maar wat opvalt in de uitvoerige bibliografie (is het hun hele boekenkast?) die bij dit artikel gegeven wordt, is dat de boeken van Albert Delahaye ontbreken. Een bewijs te meer dat zij die boeken nimmer gelezen hebben. Ze staan in elke geval niet in hun 'boekenkast' van liefst 954 titels (ik heb ze echt geteld!).
En dan kom je natuurlijk tot onzinnige opvattingen aangaande de onderhavige problematiek.

Een voorbeeld van die onzinnige opvattingen gaat over de etymologie van Taxandria. Daar wordt van alles over gefantaseerd zoals om van de -x- toch maar -ss- te kunnen maken. Er wordt zelfs Grieks, Keltisch en Oud-Nederlands bij gehaald, alleen maar om er Tessenderloo van te kunnen maken.
Ook zijn er veel verwijzingen naar diverse auteurs die het ook allemaal niet weten en er net zo'n onzinnige opvattingen op na houden. Er wordt zelfs weer eens Tessel -naast het Friese Texel- van gemaakt, waarin Blok dus niet meegaat. 'Maar', schrijven Bijsterveld en Toorians, 'het kan niet met meer precisie dan tussen 600-1200 worden gedateerd'.
Had nu maar de boeken van Delahaye maar eens gelezen, dan had je de oplossing al gehad. Zie hiernaast wat Delahaye daarover schrijft.

En een verwijzing naar St.Lambertus als bisschop van Maastricht/Luik bewijst evenmin iets over Texandria. Zijn vitae zijn vergeven van de legenden. Lees daarvoor het boek 'De Bisschppen van Maastricht' van Régis de La Haye, dat in de bibliografie eveneens ontbreekt.

Voor de plaatsen in Batua en Taxandria klik hier.

Wat bewijst een moderne naam?
In de omgeving van Antwerpen komt de naam Taxandria meerdere malen voor in de hulpverleningszone. Brandweerposten, duikers, meetploegen dragen 'met trots' de naam Taxandria.
Men is er daar blijkbaar van overtuigd dat Taxandria in de omgeving van Antwerpen lag.



In Oisterwijk en omgeving is het ook een veel voorkomende naam van sportverenigingen, zelfs van een biermerk.






In de kalkrijke kust van Frans-Vlaanderen vind je op verschillende plaatsen grotten, al of niet natuurlijk of door de mens gemaakt.

Hiernaast 'les caves de Coquelles'.

De visie van Albert Delahaye.
Taxandria staat al sinds de Romeinse tijd bekend als het textiel-land. Volgens Plinus werd in Texandria de weefkunst beoefend in grotten (Plinus Nat.Hist.XIX, 8). Waar zijn die grotten in Brabant? Of moeten we die toch zoeken in de krijtrotsenkust in Frans-Vlaanderen bij Axles en Coquelles, precies daar waar vanouds het textielland van Vlaanderen lag en waar het weefland lag waar het Friese laken vandaan komt.




In Rinxent zijn vanouds marmergroeven, tegenwoordig in dagbouw, eertijds in grotten.

P.S.1.Texandria of Tecelia wordt ook wel eens geïdentificeerd als Texel, wegens het voorkomen van Friezen. Ook dit is een gevolg van verblindheid der historici. Het klassieke Frisia lag in Vlaanderen en niet in Friesland.
P.S.2. Er zijn in Zuid-Limburg ook wel (mergel-)grotten, maar daar woonden zeker geen Friezen en Zuid-Limburg heeft volgens de traditionalisten ook nooit bij Texandria gehoord.

De abdij van Lorsch (zie daar) had vele bezittingen in Taxandria. Er is geen enkele relatie bekend tussen Lorsch en Brabant. Bij het enorme komplex van Lorsch blijkt verschillende malen, dat dit lag op de scheiding van Batua en Taxandria. De teksten uit de Romeinse geografische bronnen maken duidelijk dat Taxandria een Frans landschap was. Het lag ten westen en noordwesten van Atrecht (Arras). Het werd ook Testerbant genoemd, dat identiek was met Westrachia, en was de tegenhanger van Ostrachia, waar de streeknaam Ostrevant nog bestaat. Het was het vroegere Austrebanti en het latere Karolingische Austrasië. In de oorkonden van Aefternacum - Eperlecques worden verschillende plaatsen in Taxandria genoemd. Deze zijn ook opgenomen in De Ware Kijk Op:
  • ten eerste om alle plaatsen uit Taxandria te geven om het komplex van Lorsch bij elkaar te houden,
  • ten tweede de juiste streek geheel te bewijzen, en
  • ten derde om het Brabants gedaas over 25 kerken van St. Willibrord in Noord-Brabant alvast te doen ophouden.
    De oudste teksten over Taxandria dateren uit een tijd dat in oostelijk Brabant nog nergens een geschreven historie voorkomt.

    Taxandria was overduidelijk gelegen in Francia. Het Brabants Oorkondenboek van Harry Camps bevat derhalve zo'n 60 franse bladzijden. De Brabantse mythen worden hieronder ontrafeld.

    Overigens kunnen aan een toevallige naamsovereenkomst, zoals Alfheim en Alphen (zie daar), geen bewijzen worden ontleend. Men vergeet daarbij het fenomeen deplacements historiques te betrekken. Overal waar emigranten een nieuwe plaats stichtten, gaven zij die vaak een naam van hun thuisland. Daarom ligt de wereld vol met overeenkomstige namen waar geen doorslaggevende bewijzen mee te leveren zijn.


    De Noord-Brabantse bezittingen van St.Willibrord liggen in
    Frans-Vlaanderen (klik op de kaart voor een vergroting).

    Het einde van de Brabantse mythen.

    Albert Delahaye heeft de Brabantse mythen voorgoed uit de wereld geholpen, en om een einde te maken aan de misleiding van het publiek dat de historische finesses niet kent, wordt hieronder het 23-voudig misverstand uiteengerafeld, dat men met de toepassing van de Eperlecques-teksten over Brabant uitstrooide. Iedereen kan nu zien, hoe de ene wetenschappelijke fout op de andere wordt gestapeld. Wie de betreffende teksten kent (zie bij teksten), zal de meeste punten zelf kunnen ontdekken. Het is nodig ze toch eens op een rij te zetten, waardoor tevens duidelijk wordt dat Delahaye ze niet met een kaarsje bij elkaar hoefde te zoeken.

    Het zijn de volgende misvattingen, misleidingen en mythen:
    (uiteraard zijn er over het raadselachtige Taxandria weer de nodige fantastische verhalen verzonnen en verfilmd: zie afbeelding)
    1. Er is nooit enig bewijs gegeven, dat Taxandria Brabant is. Het is een aangenomen bewering, en een simpel onderzoek van een enkel uur toont al aan, dat zij onwaar is. Plinius plaatst Taxandria in Gallia Belgica en daar hoort Noord-Brabant zeker niet bij.
    2. Er bestaat geen enkele plaatselijke bron of tekst die de naam Taxandria in de streek bevestigt. Hij staat alleen in Romeinse en Franse bronnen. Met andere woorden: vóór de 13e eeuw, toen de naam allang niet meer in gebruik was, heeft nooit één Brabander geweten dat hij in Taxandria woonde. Waar halen die van de 20e eeuw dan deze wetenschap vandaan?
    3. Als gevolg daarvan weet niemand waar het landschap lag, wat het omvatte en hoever het zich uitstrekte. Dit primaire gegeven kan men niet zomaar negeren.
    4. Bij het overgrote deel van de plaatsnamen, die men voor Brabant claimt, staat niet eens vast dat zij in Taxandria liggen. Er wordt op grote schaal vervalsing gepleegd door een essentieel gegeven toe te voegen dat niet in de teksten staat.
    5. De meeste plaatsen, die de teksten aan de Dutmala noemen, liggen in Brabant niet aan de Dommel die daar toch voor de Dommel wordt gehouden.
    6. De koning van Frankrijk een residentie geven in het Brabantse Bakel, dat pas eeuwen later is gesticht, is zowel een geografische als een staatkundige aberratie.
    7. Het aanvoeren van één naam uit de bezittingen van Lorsch in Taxandria is een onvergeeflijke kortzichtigheid, wanneer in de bronnen van Lorsch dat complex, verbonden met de St. Nazarius-kerk van Ablain-Saint-Nazaire, beschreven wordt met ca. 100 plaatsnamen in Frankrijk.
    8. Het situeren van een St. Landelinus-kerk van de abdij van Crespin bij Valenciennes op dezelfde plaats in Brabant als de vorige, is dat dubbel-op, bovendien een kersverse onmogelijkheid omdat in Brabant nog nooit iemand van St. Landelinus had gehoord.
    9. Koning Clovis in de 7e eeuw in Brabant laten optreden, en gelijktijdig verkondigen dat de Ottonen niet in Noyon kunnen zijn geweest, is een nog ergere denkfout die zelfs naar kwaadaardigheid riekt.
    10. Uit het complex van meer dan 350 Franse plaatsnamen uit de oorkonden van Eperlecques legt Camps (de samensteller van het Oorkondenboek van Brabant) er vier in Brabant neer, waaruit blijkt dat hij niet de minste notie heeft van historische geografie. Daarvan is de eerste grondregel dat de plaatsnamen van een complex samen bekeken en onderzocht moeten worden, omdat het onttrekken van plaatsen uit hun geografische samenhang nog veel erger is dan het uit hun verband halen van teksten. De overige 346 plaatsen slaat hij maar over.
    11. Slechts vier namen en vier plaatsen in Brabant heeft Echternach geclaimd. Zie bij de kerken in Brabant. Over de andere twintig heeft de abdij nooit gesproken, zelfs niet gesuggereerd dat die in Brabant zouden liggen. Waarop baseren de Brabantse historici hun correcties van de abdij van Echternach? Weten zij het nu beter dan de abdij toen?
    12. Aefternacum betekent vóór 973 Eperlecques en niet Echternach. Camps presenteert dus niet alleen zo'n 100 maal de verkeerde naam, maar schendt evenzoveel malen het herkomstbeginsel, de eerste gouden regel van de archivarissen en historici. Zelfs een leek begrijpt dat al zijn interpretaties onjuist moeten zijn, omdat hij een verkeerde abdij als uitgangspunt neemt, meer dan 300 km van de échte verwijderd.
    13. De zogenaamde Brabantse plaatsnamen komen eenmaal in een bron van de 8e eeuw voor. Dan verdwijnen zij vijf of zes eeuwen en duiken dan plotseling weer in de 13e eeuw op! Dit historisch en naamkundig mirakel wordt gepresenteerd zonder één woord commentaar. Waar zijn die 25 plaatsen uit de 8e eeuw gebleven? Zijn zij voor vijf eeuwen in de ijskast gestopt, om in de 13e eeuw weer ontdooid te worden?
    14. Camps vergeet in zijn "Brabants Oorkondenboek" een bewijs te zoeken en te geven voor het bestaan in de 8e eeuw van de 25 plaatsen in Brabant, waarmee hij toch had moeten beginnen. Dientengevolge zijn de door hem gegeven identificaties en lokalisaties evenzovele aangenomen beweringen.
    15. Vijfentwintig plaatsen houden evenzoveel gemeenten, schepenbanken, parochies enz. in. Waarom vraagt de archivaris Camps zich niet af, waar de documentaties zijn van de 25 plaatsen, en trouwens die van de gehele streek en van de verre omgeving, die er evenmin zijn.
    16. Het zou kunnen - maar dan moet er wel een geraffineerde duivel aan het werk zijn geweest - dat alle stukken van al die plaatsen verloren zijn gegaan, maar hoe komt het dan dat die plaatsen ook nergens staan in de documenten van de koningen, landsheren en bisdommen, waarvan de archieven niet verloren zijn gegaan. Er wordt een historische en naamkundige continuïteit verkondigd, waarvoor geen letter bewijs kan worden aangedragen.
    17. Die 25 niet-bestaande plaatsen lagen in een wél bestaand landschap. Wie bestuurde het, waarvan leefden de mensen, wie waren hun buren, wie was hun heer, wie was hun bisschop, wat is het geografisch, historisch en bestuurlijk kader van deze bevolkingsgroepen? Het zijn allemaal vragen, waarop een antwoord gegeven dient te worden indien men 25 plaatsen ergens lokaliseert.
    18. Laten we niet overdrijven, en die 25 gemeenschappen van mensen op een paar honderd schatten, wat in die tijd voldoende was om een gemeente of parochie te vormen. Maar alles bij elkaar krijgen we er toch enige duizenden, en over vijf eeuwen gerekend enige tienduizenden. En dan komt het grootste wonder aller tijden. Zij moeten allen zonder uitzondering bij hun dood met ziel en lichaam in de hemel zijn opgenomen, want archeologisch hebben zij geen enkel spoor nagelaten. Er is NIETS gevonden uit die perioden. En de huidige arheologie dan? Daarvan worden te veel vondsten naar de beoogde tijd toe geredeneerd. Zie bij archeologie.
    19. Romaanse plaatsnamen in Brabant aannemen (zonder tussenvorm!) is een taalkundige uitglijder.
    20. Die tot Brabantse namen laten evolueren over een afgrond heen van vier tot zes eeuwen is zowel een taalkundig als een historisch mirakel en dit aan het publiek verkopen is boerenbedrog.
    21. Het uitpikken van een paar teksten uit een overweldigende documentatie van één en dezelfde abdij is "fragmenten-happerij". Kort en krachtig uitdrukt moet zulke methode van wetenschappelijk onderzoek, per definitie en ten principale verworpen worden. Men kan pas zinnig en verantwoord praten over de goederen van een klooster, wanneer men het hele complex heeft bestudeerd.
    22. Bij zulke "fragmenten-happerij" komt men er vanzelfsprekend niet achter, welke teksten of delen van teksten betrouwbaar dan wel vals zijn. Interpolaties, het tussenvoegen van woorden of zinnen in akten en teksten, de nachtmerries van alle serieuze historici, worden niet opgemerkt, kunnen zelfs niet meer worden opgemerkt omdat men dat door de fragmenten-happerij onmogelijk heeft gemaakt.
    23. Het allerergste is, dat Camps klare feiten negeert en dit met een trucje tracht te verbergen. Theoderich zegt in 1192 dat Echternach niets heeft in Taxandria en Peelland. Camps maakt ervan dat Theoderich de goederen van Echternach in Taxandria en Peelland "opsomt". Van Dale zegt bij opsommen: achtereenvolgens noemen. Camps behoeft niet aan te komen met welke uitvlucht dan ook; ditmaal staat hij voorgoed als falsificateur te boek. Eigenlijk spreekt het vanzelf dat dit zou gebeuren, precies zoals in Nijmegen, waar men ook de meest cruciale tekst moet vervalsen in de laatste wanhopige poging om z'n gezicht te redden.

    Met de vervalsingen van Theoderich, het zogenaamde gouden claimboekje, trokken de monniken van Echternach rond om links en rechts pretenties te stellen en claims te leggen. Zie bij Epternacum. In enkele gevallen kan worden aangetoond, dat zij ongenadig de rechten van derden verdrongen hebben en misbruik maakten van de positie van Echternach als rijksabdij om aspiraties te verwezenlijken, waarvan de abdij terdege wist dat die niet gefundeerd waren. De paar gevallen, waar zij ondanks grandioze vervalsingen toch bakzeil moesten halen, zoals met "de burcht van Antwerpen" en de 25 kerken in Holland, tonen aan dat niet iedereen er noodzakelijkerwijs intrapte. De Hollanders en de Antwerpenaren hadden het door. De Brabanders lieten zich met huid en haar inslikken. Het is natuurlijk prijzenswaardig, dat de huidige generatie van oostelijk Brabant haar voorgeslacht wil vrijpleiten van lichtgelovigheid en zichzelf van een betreurenswaardige kortzichtigheid. Zij moet dat wel doen op een manier, die de historische kritiek kan doorstaan en niet à la Brabants Oorkondenboek, dat gefundeerd is op de kamerbrede blunder met Taxandria en een litanie van misgrijpen tegen de historische methodiek. Camps kan overigens voor een groot deel zijn handen in onschuld wassen, daar de commissie van toezicht op het Brabants Oorkondenboek uiteindelijk ervoor verantwoordelijk is dat de Staatsdrukkerij enkele waardeloze vellen afdrukte en de wereld in zond als authentieke Brabantse documenten, die evenwel in Frans-Vlaanderen hun juiste plaats hebben en hun juiste context vinden. Het boek ligt er nu, helaas voor eeuwen, als een aanfluiting voor het Brabants historisch onderzoek van de 20e eeuw en Albert Delahaye heeft reeds vanaf 1965 genoeg zijn best gedaan om dit te voorkomen.

    Het boek moet ook zeker blijven als voorbeeld van wetenschappelijk onbenul, zodat het nageslacht kennis neemt op welke manier in het verleden geschiedenis werd geschreven. De wijze van geschiedbeschrijving van Wilhelmus Heda en Joannes de Beka (zie daar) is nog steeds uitgangspunt van de tegenwoordige geschiedschrijvers. Veel beweren en niets bewijzen. En wie de geleerde bestudeerde historici daarop wijst wordt genegeerd, niet serieus genomen en verafschuwd.

    Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.

    Wat weten we uit andere klassieke teksten?



    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

  • Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.