Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Taxandria.


Bij het enorme komplex van Lorsch blijkt verschillende malen, dat dit lag op de scheiding van Batua en Taxandria. De teksten uit de Romeinse geografische bronnen maken duidelijk dat Taxandria een Frans landschap was. Het lag ten westen en noordwesten van Atecht (Arras). Het werd ook Testerbant genoemd, dat identiek was met Westrachia, en was derhalve de tegenhanger van Ostrachia, waar de streeknaam Ostrevant nog bestaat. Het was het vroegere Austrebanti en het latere Karolingische Austrasië. In de oorkonden van Aefternacum - Eperlecques worden verschillende plaatsen in Taxandria genoemd. Deze zijn ook opgenomen in De Ware Kijk Op deel 1, ten eerste om alle plaatsen uit Taxandria te geven om het komplex van Lorsch bij elkaar te houden, ten tweede de juiste streek geheel te bewijzen, en ten derde om het Brabants gedaas over 25 kerken van St. Willibrord in Noord-Brabant alvast te doen ophouden. De oudste teksten over Taxandria dateren uit een tijd dat in oostelijk Brabant nog nergens een geschreven historie voorkomt. Het Brabants Oorkondenboek van Camps bevat derhalve zo'n 60 franse bladzijden. De Brabantse mythen worden hieronder ontrafeld.

Het einde van de Brabantse mythen

Albert Delahaye heeft de Brabantse mythen voorgoed uit de wereld geholpen, en om een einde te maken aan de misleiding van het publiek dat de historische finesses niet kent, wordt hieronder het 23-voudig misverstand uiteengerafeld, dat men met de toepassing van de Eperlecques-teksten over Brabant uitstrooide. Eenieder kan nu zien, hoe de ene wetenschappelijke fout op de andere wordt gestapeld. Wie de betreffende teksten kent (zie onder TEKSTEN), zal de meeste punten zelf kunnen ontdekken. Het is nodig ze toch eens op een rij te zetten, waardoor tevens duidelijk wordt dat Delahaye ze niet met een kaarsje bijeen heeft hoeven te zoeken.
Het zijn de volgende:
1. Er is nooit enig bewijs gegeven, dat Taxandria Brabant is. Het is een aangenomen bewering, en een simpel onderzoek van enkele uren toont aan, dat zij onwaar is.
2. Er bestaat geen enkele plaatselijke bron of tekst die de naam Taxandria in de streek bevestigt. Hij staat alleen in Romeinse en Franse bronnen. Met andere woorden: vóór de 13e eeuw, toen de naam allang niet meer in gebuik was, heeft nooit één Brabander geweten dat hij in Taxandria woonde. Waar halen die van de 20e eeuw dan deze wetenschap vandaan?
3. Als gevolg daarvan weet niemand waar het landschap lag, wat het omvatte en hoever het zich uitstrekte. Dit primaire gegeven kan men niet zomaar negeren.
4. Bij het overgrote deel van de plaatsnamen, die men voor Brabant claimt, staat niet eens vast dat zij in Taxandria liggen. Er wordt op grote schaal vervalsing gepleegd door een essentieel gegeven toe te voegen dat niet in de teksten staat.
5. De meeste plaatsen, die de teksten aan de Dutmala noemen, liggen in Brabant niet aan de Dommel.
6. De koning van Frankrijk een residentie geven in het Brabantse Bakel, dat pas eeuwen later is gesticht, is zowel een geografische als een staatkundige aberratie.
7. Het aanvoeren van één naam uit de bezittingen van Lorsch in Taxandria is een onvergeeflijke kortzichtigheid, wanneer in de bronnen van Lorsch dat complex, verbonden met de St. Nazarius-kerk van Ablain-Saint-Nazaire, beschreven wordt met ca. 100 plaatsnamen in Frankrijk.
8. Het situeren van een St. Landelinus-kerk van de abdij van Crespin bij Valenciennes op dezelfde plaats in Brabant als de vorige, is dat dubbel-op, bovendien een kersverse onmogelijkheid omdat in Brabant nog nooit iemand van St. Landelinus had gehoord.
9. Koning Clovis in de 7e eeuw in Brabant laten optreden, en gelijktijdig verkondigen dat de Ottonen niet in Noyon kunnen zijn geweest, is een nog ergere denkfout die zelfs naar kwaadaardigheid riekt.
10. Uit het complex van meer dan 350 Franse plaatsnamen uit de oorkonden van Eperlecques legt Camps (de samensteller van het Oorkondenboek van Brabant) er vier in Brabant neer, waaruit blijkt dat hij niet de minste notie heeft van historische geografie, waarvan de eerste grondregel luidt dat de plaatsnamen van een complex samen bekeken en onderzocht moeten worden, omdat het onttrekken van plaatsen uit hun geografische samenhang nog veel erger is dan het uit hun verband halen van teksten.
11. Vier namen en vier plaatsen in Brabant heeft Echternach geclaimd. Over de andere twintig heeft de abdij nooit gesproken, zelfs niet gesuggereerd dat die in Brabant zouden liggen. Waarop baseren de Brabantse historici hun correcties van de abdij van Echternach?
12. Aefternacum betekent vóór 973 Eperlecques en niet Echternach. Camps presenteert dus niet alleen zo'n 100 maal de verkeerde naam, maar schendt evenzoveel malen het herkomstbeginsel, de eerste gouden regel van de archivarissen en historici. Zelfs een leek begrijpt dat al zijn interpretaties onjuist moeten zijn, omdat hij een verkeerde abdij als uitgangspunt neemt, meer dan 300 km van de échte verwijderd.
13. De zogenaamde Brabantse plaatsnamen komen eenmaal in een bron van de 8e eeuw voor. Dan verdwijnen zij vijf of zes eeuwen en duiken dan plotseling weer in de 13e eeuw op! Dit historisch en naamkundig mirakel wordt gepresenteerd zonder één woord commentaar. Waar zijn die 25 plaatsen uit de 8e eeuw gebleven? Zijn zij voor vijf eeuwen in de ijskast gestopt, om in de 13e eeuw weer ontdooid te worden?
14. Camps vergeet in zijn "Brabants Oorkondenboek" een bewijs te zoeken en te geven voor het bestaan in de 8e eeuw van de 25 plaatsen in Brabant, waarmee hij toch had moeten beginnen. Dientengevolge zijn de door hem gegeven identificaties en lokalisaties evenzovele (25) aangenomen beweringen.
15. Vijfentwintig plaatsen houden evenzoveel gemeenten, schepenbanken, parochies enz. in. Waarom vraagt de archivaris Camps zich niet af, waar de documentaties zijn van de 25 plaatsen, en trouwens die van de gehele streek en van de verre omgeving, die er evenmin zijn.
16. Het zou kunnen - maar dan moet er wel een geraffineerde duivel aan het werk zijn geweest - dat alle stukken van al die plaatsen verloren zijn gegaan, maar hoe komt het dan dat die plaatsen ook nergens staan in de documenten van de koningen, landsheren en bisdommen, waarvan de archieven niet verloren zijn gegaan. Er wordt een historische en naamkundige continuïteit verkondigd, waarvoor geen letter bewijs kan worden aangedragen.
17. Die 25 niet-bestaande plaatsen lagen in een wél bestaand landschap. Wie bestuurde het, waarvan leefden de mensen, wie waren hun buren, wie was hun heer, wie was hun bisschop, wat is het geografisch, historisch en bestuurlijk kader van deze bevolkingsgroepen? Het zijn allemaal vragen, waarop een antwoord gegeven dient te worden indien men 25 plaatsen ergens lokaliseert.
18. Laten we niet overdrijven, en die 25 gemeenschappen van mensen op een paar honderd schatten, wat in die tijd voldoende was om een gemeente of parochie te vormen. Maar alles bij elkaar krijgen we er toch enige duizenden, en over vijf eeuwen gerekend enige tienduizenden. En dan komt het grootste wonder aller tijden. Zij moeten allen zonder uitzondering bij hun dood met ziel en lichaam in de hemel zijn opgenomen, want archeologisch hebben zij geen enkel spoor nagelaten. Er is NIETS gevonden uit die perioden.
19. Romaanse plaatsnamen in Brabant aannemen is een taalkundige uitglijder.
20. Die tot Brabantse laten evolueren over een afgrond heen van vier tot zes eeuwen is zowel een taalkundig als een historisch mirakel en dit aan het publiek verkopen is boerenbedrog.
21. Het uitpikken van een paar teksten uit een overweldigende documentatie van één en dezelfde abdij is "fragmenten-happerij", wat kort en krachtig uitdrukt dat zulke methode van wetenschappelijk onderzoek per definitie en ten principale verworpen moet worden. Men kan pas zinnig en verantwoord praten over de goederen van een klooster, wanneer men het hele complex heeft bestudeerd.
22. Bij zulke "fragmenten-happerij" komt men er vanzelfsprekend niet achter, welke teksten of delen van teksten betrouwbaar dan wel vals zijn. Interpolaties, het tussenvoegen van woorden of zinnen in akten en teksten, de nachtmerries van alle serieuze historici, worden niet opgemerkt, kunnen zelfs niet meer worden opgemerkt omdat men zich dit door de fragmenten-happerij onmogelijk heeft gemaakt.
23. Het allerergste is, dat Camps klare feiten negeert en dit met een trucje tracht te verbergen. Theoderich zegt in 1192 dat Echternach niets heeft in Taxandria en Peelland. Camps maakt ervan dat Theoderich de goederen van Echternach in Taxandria en Peelland "opsomt". Van Dale zegt bij opsommen: achtereenvolgens noemen. Camps behoeft niet aan te komen met welke uitvlucht dan ook; ditmaal staat hij voorgoed als falsificateur gesignaleerd. Eigenlijk spreekt het vanzelf dat dit zou gebeuren, precies zoals in Nijmegen, waar men ook de meest cruciale tekst moet vervalsen in de laatste wanhopige poging om z'n gezicht te redden.
Met de vervalsingen van Theoderich trokken de monniken van Echternach rond om links en rechts pretenties te stellen en claims te leggen. In enkele gevallen kan worden aangetoond, dat zij ongenadig de rechten van derden verdrongen hebben, en misbruik maakten van de positie van Echternach als rijksabdij om aspiraties te verwezenlijken, waarvan de abdij terdege wist dat die niet gefundeerd waren. De paar gevallen, waar zij ondanks grandioze vervalsingen toch bakzeil moesten halen, zoals met "de burcht van Antwerpen" en de 25 kerken in Holland, tonen aan dat niet iedereen er noodzakelijkerwijs in moest vliegen. De Hollanders en de Antwerpenaren hadden 't door. De Brabanders lieten zich met huid en haar inslikken. Het is natuurlijk prijzenswaard, dat de huidige generatie van oostelijk Brabant haar voorgeslacht wil vrijpleiten van lichtgelovigheid, en zichzelf van een betreurenswaardige kortzichtigheid. Zij moet dat wel doen op een manier, die de historische kritiek kan doorstaan, en niet à la BrabantsOorkondenboek, dat gefundeerd is op de kamerbrede blunder met Taxandria en een litanie van misgrijpen tegen de historische methodiek. Camps kan overigens voor een groot deel zijn handen in onschuld wassen, daar de commissie van toezicht op het Brabants Oorkondenboek uiteindelijk ervoor verantwoordelijk is dat de Staatsdrukkerij enkele waardeloze vellen afdrukte en de wereld in zond als authentieke Brabantse documenten, die evenwel in Frans-Vlaanderen hun juiste plaats hebben en hun juiste context vinden. Het boek ligt er nu, helaas voor eeuwen, als een aanfluiting voor het Brabants historisch onderzoek van de 20e eeuw, en Albert Delahaye heeft reeds vanaf 1965 genoeg zijn best gedaan om dit te voorkomen.

Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.