Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

De traditionele opvattingen.

De wetenschap verdedigt de traditie met dezelfde misverstanden waardoor deze ooit ontstaan is.

Als de Nederlandse historici ook maar één overtuigend bewijs zouden hebben om de traditionele opvatting te bevestigen, dan hadden zij dat reeds lang op tafel gelegd. Dat bewijs is er niet.

Wat vermelden de eerste Nederlandse geschiedschrijvers? Het ontstaan van de mythen in historisch Nederland.

Jaartallen met betrekking tot het ontstaan van de mythen.


De belangrijkste opponenten van Delahaye, allen professor docter, krijgen een eigen hoofdstuk. Juist om aan te geven wat hun argumenten en hun denkwijzen zijn geweest, waarmee zij het ongelijk van Delahaye wilden aantonen. Het zijn:
*A.W.Byvanck
*W.A. van Es
*F.Hugenholtz
*J.E.Bogaers
*D.P.Blok
*P.H.D.Leupen
*R.R.Post
*B.H.Stolte
*H.Halbertsma
*M.Gysseling
Het woord 'traditie' is een misleidend woord. Het suggereert het bestaan van een geheel van feiten die op waarheid zouden berusten. De werkelijkheid is echter anders. De historische tradities worden gekenmerkt door veel fouten en onvolkomenheden. De traditie die ons heden wordt voorgesteld berust slechts op 'een algemeen aanvaard beeld' van de geschiedenis. Een beeld waar de historici het min of meer over eens zijn, is de 'traditionele' geschiedenis geworden. Dat men voorbij gaat aan zaken waarvan men geen weet had of feiten die de traditionele opvattingen tegenspreken, is tegenwoordig al geen verrassing meer. Veel zaken die men in de traditionele geschiedenis voor waar heeft aangenomen, kunnen zich gewoonweg niet voorgedaan hebben in ons land, waar dat bestond uit een groot moeras- en waddengebied. Ook chronologisch kloppen veel feiten niet met 'het algemeen aanvaarde beeld'.

In de traditionele opvattingen:
  • legden de Romeinen de Limes Germanicus (de grensverdediging tegen de Germanen) aan door midden-Nederland dat door hen reeds verlaten was.
  • veroorzaakte de Grote Volksverhuizing het vertrek van de Romeinen uit ons land en vielen de Germanen west-Europa binnen, waarvan archeologisch geen spoor is gevonden.
  • bouwde Karel de Grote een paleis in pracht en praal in Nijmegen waarvan geen steen is gevonden.
  • was St.Willibrord bisschop van Utrecht met een abdij in Echternach op meer dan 300 km afstand.
  • werd St.Bonifatius, apostel van Duitsland, bij Dokkum in Friesland vermoord dat toen nog niet bestond.
  • plunderden de Noormannen Wijk bij Duurstede waarvan archeologisch ook geen spoor is gevonden.
  • was de Batua de Betuwe en Frisia Friesland.
  • zijn alle overige historische tradities uit het eerste Millennium in Nederland, afleidingen van deze gegevens.
Deze opvattingen leveren meteen al enkele vragen op, zoals:
  • De Limes Germanicus werd pas aangelegd na 375 n.Chr. toen de Romeinen al lang uit Nederland waren vertrokken. Zouden de Romeinen nog een grensverdediging aanleggen in een prijsgegeven gebied? Lag deze grens dan niet op de plaats waar nu nog de taalgrens ligt? En woonden er dan ook geen Germanen binnen die grens, als deze door Nederland liep? En woonden de Friezen er dan niet buiten, terwijl vaststaat dat zij binnen het Romeinse Rijk woonden?
  • Vertrokken de Romeinen niet door de toenemende overstromingen, zoals die in Noord-Frankrijk onderzocht en vastgesteld zijn? En wordt daarom het Romeins in laag Nederland niet steeds teruggevonden onder een dikke laag zee- of rivierklei?
  • Vielen de Germanen de gebieden binnen waar zij reeds lang woonden? Die grote Volksverhuizing wordt bij de klassieke schrijvers nergens genoemd. Is die misschien ontstaan in de hoofden der historici om 2 foutieve interpretaties aan elkaar te plakken?
  • Zou Karel de Grote zijn mooiste paleis aan de rand van zijn Frankische Rijk gebouwd hebben? En niet in Noyon, dat midden in zijn rijk lag en waar hij enkele jaren daarvoor tot koning der Franken was gekroond?
  • En als dat paleis van Noviomagus in Nijmegen lag, dan had Karel de Grote geen enkel paleis in het centrum van zijn rijk!
  • Zowel Willibrord als Bonifatius hadden in de traditie een onmetelijk missiegebied, dat in tegenspraak is met de gelofte van de Benedictijnen -waartoe zij behoorden- van Stabilitas. Waarom wordt dit gegeven in de Nederlandse traditie steeds angstvallig verzwegen?
  • Van al die plunderingen van de Noormannen in Wijk bij Duurstede is geen spoor gevonden. Maar die plunderingen hebben zich schijnbaar ook beperkt tot die ene vermeende stad Dorestadum. Welke steden hebben de Noormannen verder nog geplunderd in Nederland? Nijmegen? Utrecht? Er is geen spoor van gevonden.
  • De Batua en Frisia waren al door de Romeinen veroverd voordat er ook maar één Romein in Nederland was geweest. Ook de honderden plaatsen in de Batua en Frisia zijn in Nederland nooit teruggevonden.
  • Als Karel de Grote uit Nijmegen verdwijnt, vertrekt ook St.Willibrord uit Utrecht, Bonifatius uit Dokkum, de Noormannen uit Wijk bij Duurstede, de Limes Germanicus uit Nederland.
  • Als de Limes Germanicus uit Nederland verdwijnt, verdwijnen omgekeerd ook de Noormannen, St.Willibrord, St.Bonifatius en Karel de Grote uit Nederland, juist omdat al deze zaken zo afhankelijk van elkaar de traditie staande houden, Kan op één punt de valsheid van de traditie aangetoond worden, dan valt de hele traditie als een kaartenhuis in elkaar. Dat ene punt is reeds lang aangetoond: Nijmegen was niet het Karolingisch Noviomagus. Dat Karel de Grote ooit een paleis in Nijmegen had, gelooft geen enkel zichzelf respecterend historicus meer.

Het ontstaan van de traditionele geschiedenis.

Het "algemeen aanvaarde beeld" is de geschiedenis zoals men DACHT dat die zich had voorgedaan. Deze geschiedenis is grotendeels in de 15e tot 17e eeuw samengesteld op grond van toen bekende en aangenomen gegevens. Elk argument dat later aangevoerd werd en niet overeenkwam met dit "aangenomen beeld", werd onjuist verklaard. Zelfs ondubbelzinnig duidelijke teksten werden vals verklaard en terzijde gelegd, omdat zij niet pasten in dat "algemeen aanvaarde beeld". FEITEN werden weerlegd met MENINGen.
Van veel algemeen aanvaarde zaken in de geschiedenis van ons land, is nooit enig fundamenteel bewijs geleverd van de juistheid ervan. Onweerlegbare feiten die in tegenspraak waren met de aanvaarde, maar nooit bewezen geschiedenis, worden als onjuist bestempeld. Dat is wat historici onder wetenschap verstaan. Voor hen draait de zon nog steeds om de aarde!

De "Nederlandse geschiedenis" kent nog steeds vele vraagstukken. Alles wat wij Nederlanders van onze (vermeende) geschiedenis tussen de 1e en 10e eeuw weten, staat in buitenlandse, voornamelijk FRANSE kronieken. Het toepassen ervan levert de volgende absurditeiten op: 1. de veronderstelling dat Franse schrijvers belangstelling zouden hebben voor deze 'uithoek' van Europa; 2. dat zij op de hoogte zouden zijn van gebeurtenissen hier en 3. dat zij zaken uit hun eigen omgeving onbeschreven zouden laten.
Was het wel de "Nederlandse geschiedenis" die deze buitenlandse schrijvers beschreven?
De invoering van de onderdelen van deze mystifikatie is vanzelfsprekend niet in één slag gebeurd. Men kan integendeel van elk onderdeel afzonderlijk vrij nauwkeurig de tijd aangeven, waarop het volkomen nieuw de kop opstak. Het is ingezet in de 12e eeuw; in de 17e hebben de post-humanisten en de eerste wetenschappers in de historie bepaalde fabeltjes tot fundament van de Nederlandse geschiedenis verheven. De Peutinger-kaart spant de kroon. Al werd een strookje van deze kaart reeds langer in het vage op Nederland toegepast, pas in het begin van de 20-ste eeuw heeft men dat voor het eerst hardop beweerd. Opvattingen uit de Middeleeuwen (tot 1500) en de 16e en 17e eeuw worden nog steeds voor volle waarheid gehouden, al werd aangetoond dat deze opvatting fout is. De bekendste zijn wel de opvattingen van de Nijmegenaren Willem van Berchen (kanunnik) en dominees vader en zoon Smetius, die de hele geschiedenis van Romeins en Karolingisch Noviomagus en van de Bataven naar Nijmegen hebben gehaald. Hun geschriften bevatten zoveel fouten dat ze in de tegenwoordige literatuur niet meer worden aangehaald, wil men als historicus serieus genomen worden. Ook het Bronnenboek van Nijmegen vermeldt hun geschriften niet. Toch worden hun foutieve denkbeelden nog steeds als uitgangspunt gehanteerd bij veel historische opvattingen. En dat noemt historisch Nederland wetenschap!

Vooral het feit dat de boeken van Albert Delahaye zelfs anno 2006 in literatuurlijsten verzwegen worden, bevestigt de onwetenschappelijke houding van de historische wetenschap. Waar men het niet mee eens is, of wat niet weerlegd kan worden, wordt verzwegen. Dit negeren bespaart de diverse auteurs de moeite om in te hoeven gaan op zijn onderzoek en bevestigt feitelijk al het gelijk van Delahaye.

Hieronder verzamelen we een aantal zaken die als mythen zijn ontstaan en nu algemeen als vaststaande traditie worden beschouwd. De vragen "Wanneer werd iets voor het eerste beweerd? En door wie?" zijn hierbij als uitgangspunt gehanteerd.


Het algemeen aanvaarde beeld van onze geschiedenis !
Toen Albert Delahaye begon te publiceren over de "vraagstukken in de historische geografie van Nederland" werden zijn bevindingen door de gevestigde historici steevast tegengesproken met de mededeling "dat het niet paste in het algemeen aanvaarde beeld van onze geschiedenis", en met "We hebben een sterke traditie sinds de Romeinen in handen", zoals de stellige overtuiging van prof.dr. F.W.N. Hugenholtz eens klonk.


In 1955 verklaarde Dr.F.Gorissen de stadsarchivaris van Kleef Duitsland, die de stede-atlas van Nijmegen samenstelde (konden ze dat in Nijmegen niet zelf?) dat het Karolingische paleis te Nijmegen een onwrikbaar feit is. Raar is het dan dat van dat "onwrikbare feit" nog nooit ook maar een scherf in de bodem van Nijmegen is gevonden.
In 1955 verklaarde prof. R.R.Post dat "het oplossen van dit probleem moet overlaten worden aan diegenen die wat anders dan geschiedenis hebben gestudeerd". Wie daarmee bedoeld werd, werd er niet bij gezegd! Bedoelde Post zichzelf als kerkhistoricus? Maar die hebben toch ook historie gestudeerd. Of bedoelde hij toch Albert Delahaye, die immers geen geschiedenis gestudeerd heeft, en dus niet geïndoctrineerd was met foutieve traditionele denkbeelden. Delahaye was als een zeer kundig archivaris zeer goed in staat om oude teksten te lezen, zowel in het Latijn, Frans, oud-Frans en in het oud-Hollands. Hij heeft deze teksten onbevooroordeeld opnieuw gelezen en opnieuw verklaard. Dat zou van iemand die geschiedenis heeft gestudeerd te veel zijn gevraagd. Men moet de oude denkbeelden eerst volledig loslaten, voordat er plaats is voor nieuwe. En dat nu was het grote voordeel bij Delahaye. Hij had geen "last" van oude denkbeelden.

In 1958 verklaarde Dagblad De Stem dat de Steenbergse auteur Albert Delahaye (moest zijn Zundertse auteur) met zijn stoutmoedige theorieën wel leven gebracht heeft in de brouwerij der historie. Delahaye had een verrassende en originele theorie ontwikkeld omtrent het verleden van Nijmegen en daarmee een knuppel in het hoenderhok gegooid en een debat onder historici uitgelokt. Als bijdrage tot een belangwekkende discussie drukte De Stem enkele artiklen van drs. C.J.M.Brok af. brok wist er echter niet meer van te maken dan de vraag te stellen: "Zouden er niet twee karolingische paleizen met de naam Noviomagus geweest kunnen zijn?" Want de alom ontkende verwarring tussen Nijmegen en Noyon had Brok in elk geval wel doorzien.

In het Brabants Nieuwsblad van 16 juni 1964 werd Albert Delahaye de historische rebel van de Vaderlandse geschiedenis genoemd. Als Delahaye met zijn tractaat over Nijmegen al zoveel felle kritiek uitlokt, zal er na de publicatie over "St.Willibrord is nooit in Nederland geweest" wel een verontwaardiging in het kwadraat losbartsen.
Die uitbarsting is goeddeels achterwege gebleven, vanwege de onweerlegbare bewijzen van zijn gelijk.

In 1958 werd na enkele krantenartikelen het eerste boek over "Het mysterie van de Keizer Karelstad" gepubliceerd. Er stak een storm van kritiek op en werd er door de kritici naarstig gezocht naar de zwakke plekken in zijn betoog. Die kritiek heeft Albert Delahaye steeds dankbaar aangegrepen om ook voor de vragen die overbleven te zoeken naar verklaringen. De vele punten waarop hij nooit enige kritiek kreeg en die dus overtuigend waren, sterkte hem in de wetenschap dat hij op de goede weg zat.
In zijn boek "Vraagstukken...." uit 1965 vermeldt Albert Delahaye dan ook dat al die kritiek geen verwondering hoeft te wekken. Het zou namelijk tot veel meer verwondering hebben moeten leiden, als het Delaahye in één boek was gelukt de hele diepgewortelde mystificatie volledig op te helderen". Zo simpel lagen de zaken nu ook weer niet.

In Dagblad De Stem van 25 september 1965 erkent Prof.F.J.de Waele dat "het Valkhof als plaats van het Karolingisch paleis heeft afgedaan". "Maar" voegt hij er aan toe "het werkelijke paleis moet toch ergens anders in de bodem van Nijmegen zitten". Waarop Delahaye antwoordde: "Best, als U het vindt, dan hoor ik wel". Tot heden (2007) is het nimmer gevonden.

Maar is dat ook zo? Bestaat die traditie werkelijk sinds de Romeinen en is die echt zo sterk? En is het algemeen aanvaarde beeld van de geschiedenis wel zo algemeen aanvaard als altijd voorgesteld wordt? Bestond er ten aanzien van een aantal "zekerheden" nooit twijfel? Hebben historici nooit eerder hun twijfel uitgesproken over dat algemeen aanvaarde beeld?

In Nijmegen zelf heeft niet iedereen die stellige overtuiging, wat mag blijken uit de volgende mededeling in Numaga, VIII, 1961, blz.47:
"Sinds vele eeuwen heeft Nijmegen grote geleerden weten te verlokken hun licht te laten schijnen over vraagstukken, welke de oudste historie van deze stad in overvloedige mate ter oplossing aanbiedt". Dan is slechts één conclusie gerechtvaardigd: er is in Nijmegen altijd twijfel geweest over een aantal historische vraagstukken.

In Numaga,tijdschrift gewijd aan heden en verleden van Nijmegen en omgeving, jaargang XV - 1968, verklaart G.Lemmens op blz. 68, dat "onze stad kan bogen op een traditie van drie eeuwen". Die 3 eeuwen is dichter bij de waarheid. Immers in de 17e eeuw kwam de carrousel der mythen in zijn volle omvang op gang, vooral door het geschrijf van ene Johann Smith, die zichzelf graag Johannes Smetius noemde naar het beeld van die tijd, om met wat Latijn "wat indruk te wekken" zoals een tijdgenoot het omschreef.

"Nijmegen zag het levenslicht in de bloeitijd van het Romeinse Keizerrijk, zonder dat van het moment waarop dat gebeurde, concrete bewijzen zijn overgebleven. De archeologen die zich met deze materie bezighouden, baseren hun bevindingen noodgewongen op een combinatie van enkele vondsten uit opgravingen, summiere schriftelijke bronnen en hun kennis van de Romeinse geschiedenis. Hun conclusies zijn uit de aard der zaak steevast "voorlopig".
Beter dan de heer Brabers (voorzitter van Numaga, bij gelegenheid van de presentatie van het Numaga-Jaarboek 2002) het verwoordde, kan het niet gezegd worden. In Nijmegen is Romeins gevonden, maar dat was zodanig dat daar geen geschiedenis uit valt af te leiden. Men heeft de gegevens aangevuld met schriftelijke bronnen en de kennis van de Romeinse geschiedenis. En juist bij het toepassen van die schriftelijke Romeinse en Middeleeuwse bronnen op Nederland en Nijmegen zijn een aantal fundamentele fouten gemaakt en zijn verschillende misvattingen ontstaan. Daarbij is de verwarring tussen Nijmegen en Noyon, hoewel eenvoudig te weerleggen, één van de meest hardnekkige gebleken.

Hoe is de geschiedenis van ons land feitelijk tot stand gekomen?

  1. De eerste Nederlandse schrijvers.
  2. Het ontstaan van de historische tradities!
  3. Buitenlandse bevindingen.
  4. Het ontstaan van de mythen in historisch Nederland.

1. De eerste Nederlandse schrijvers.

De eerste Nederlandse schrijvers: Alpertus van Metz (Mettensis -- 11e eeuw) en de Annalen van Egmond (11e-12e eeuw), vermelden nergens de alom bekende tradities van Utrecht, van Wijk bij Duurstede, van Nijmegen of van de Bataven. Dit is vooral bij de Annalen van Egmond een onbegrijpelijke zaak, omdat aangenomen moet worden, dat de schrijvers van Egmond de later verkeerd gehanteerde authentieke bronnen kenden. Bij de latere schrijvers beginnen de mythen door te dringen, druppelsgewijs met halve of hele onjuistheden. Melis Stoke (eind 13e eeuw) is de eerste, die St. Willibrord als bisschop van Utrecht noemt, maar vermeldt nog dat zijn missiegebied aan de Schelde lag. Geen wonder dat hij de eerste was, omdat tussen hem en de vorige schrijvers de traditie door Echternach is ingevoerd. Van de indrukwekkende serie berichten over de Noormannen vermelden Melis en de "Clerc uten Laghen Landen" (schreef tussen 1349 en 1356) hoogstens één feit. Een en ander maakt duidelijk, dat hun stof niet gevormd werd door een ter plaatse bestaande dokumentatie of een levende traditie, maar dat deze van buitenaf is ingevoerd. In sommige gevallen is de invoering van een bepaalde traditie door hun eerste tekst daarover vrij nauwkeurig in de tijd te plaatsen. De eerste schrijvers over de Nederlandse geschiedenis hebben het onweerlegbaar getuigenis neergeschreven, dat de na hen opgekomen tradities een en al mythe zijn. Dit had iedere historicus kunnen zien, tenminste als hij die schrijvers eens niet met de nek, maar met open ogen aangekeken had. Op grond van "dat het allemaal niet klopte" wat zij schreven, zijn deze eerste Nederlandse schrijvers als onbetrouwbaar bestempeld. Zij blijken het bij het rechte eind te hebben gehad.

2. Het ontstaan van enkele historische tradities!

Willem van Berchen.

De bedenker van Nijmeegs Noviomagus (rond 1480) was Willem van Berchen, kanunnik van de St.Stevensparochie te Nijmegen. "Een traditie sinds de Romeinen", zoals Hugenholtz verklaarde moet dus worden "een traditie sinds de 15e eeuw".

Voor de tijd van Willem van Berchen heette Nijmegen nog gewoon Neumaia of Numegen. Dat blijkt onder meer uit de tekst van het oudste stadszegel van Nijmegen uit 1265, waarvan het randschrift luidt: SIGILLUM BURGERIENSIUM DE NUMEGEN (zegel der burgers van Nijmegen). In deze latijnse zin staat gewoon Numegen en niet Noviomagus, wat bewijst dat de latinisatie Noviomagus in Nijmegen in 1265 nog niet bestond.

Rond 1480 werd Nijmegen door Willem van Berchen Noviomagus genoemd, naar analogie van in die tijd gebruikelijke latisatie van plaatsnamen. Als kanunnik zal Willem van Berchen zeker wat Latijn gekend hebben, als historicus blijkt dat hij nauwelijks wist waarover hij het had. Hoewel hij de eerste was die schreef over Romeins en Karolingisch Nijmegen, wordt hij in de geschiedschrijving van ons land eigenlijk nooit serieus genomen. Zijn werk wordt over het algemeen als een kritiekloos en volkomen tekstblind bijeengaren van gedeelten uit andere kronieken beschouwd. Albert Delahaye heeft dat meermalen aangegeven, en in Nijmegen weten ze dat ook!

Immers in het boek "Noviomagus, Op het spoor der Romeinen in Nijmegen, uitg. Museum G.M.Kam, 3e verbeterde druk 1988", lezen we (de cursief gedrukte teksten hierna zijn letterlijke aanhalingen):
"Voor zover we weten is de eerste die over een vondst uit Romeins Nijmegen heeft geschreven, Willem van Berchen geweest, eens kanunnik van de Nijmeegse St-Stevenskerk. In zijn Gelderse kroniek "De nobili principatu Gelrie et eius origine'' heeft hij omstreeks 1465 een steen met een Latijnse inscriptie vermeld, die toentertijd was ingemetseld in de z.g. Karolingische kapel op het Valkhof, en die thans bewaard wordt in het Provinciaal Museum G.M. Kam. Het betreft een grafsteen die tussen 96 en ca. 104 is opgericht voor G(aius) Iulius Pudens, veteraan van de Legio X Gemina Pia Fidelis, en voor diens zoon Iulius Iunius."
"De wijze waarop Willem van Berchen de tekst van de inscriptie heeft aangevuld, gelezen en becommentarieerd, grenst aan het ongelofelijke en is ronduit verbijsterend. ,,Alles is anders" zouden we met H.Brunsting kunnen zeggen. Deze uitdrukking is een gevleugeld woord geworden onder de Nijmeegse archeologen. Willem van Berchen meende in de inscriptie te mogen lezen dat C(aius) Iulius Caesar (100-44 v. Chr.). die Nijmegen omstreeks 60-50 v. Chr. gesticht zou hebben, op het Valkhof een tempel heeft laten bouwen om vier consuls, die in de strijd voor Rome waren gesneuveld, als goden te vereren. Ruim 500 jaar later weigeren wij aan dergelijke beweringen geloof te hechten. Erger en ergerlijk is het wellicht, dat wij de door Van Berchen gemaltraiteerde tekst van het opschrift nog steeds niet helemaal kunnen ontcijferen en begrijpen, ofschoon alle lettertekens duidelijk leesbaar zijn."

Tot zover de letterlijke tekst in genoemd boek. (Let op het z.g. bij de Karolingische kapel)

De wijze waarop Willem van Berchen de tekst van de inscriptie heeft aangevuld, gelezen en becommentarieerd, grenst aan het ongelofelijke en is ronduit verbijsterend. En ondanks deze zeer terechte constatering worden zijn beweringen nog steeds voor volle waarheid aanvaard en legt Willem van Berchen met zijn beweringen de kiem van de latere mystificaties in "de algemeen aanvaarde geschiedenis van Nijmegen en van Nederland". Als nu blijkt dat Willem van Berchen het bij deze toch wel cruciale tekst zo faliekant mis heeft, hoe staat het dan met de historische juistheid van de rest van zijn werk? Dat heeft men blijkbaar nooit terdege onderzocht, want hoewel duidelijk was dat Willem van Berchen met zijn vertaling de waarheid fors geweld aandeed, worden zijn beweringen het uitgangspunt van latere historici, die er al snel algemeen aanvaarde zekerheden van maakten.
Zo kwam de Nederlandse geschiedenis aan een aantal zekerheden die geheel onjuist blijken te zijn, omdat zij voortkomen uit verkeerde en onjuiste veronderstellingen. Toch blijft men bij de bewering dat Julius Caesar wel degelijk in ons land is geweest, erger nog, zelfs Nijmegen zou hebben gesticht!

Terug naar boven.

Cornelius Aurelius.

De Bataven-mythe stamt van Cornelius Aurelius (1460-1531), van wie in 1517 de Divisiekroniek verscheen, en waarover we lezen : «Behalve voor de verwerkte bronnen is de Divisiekroniek van belang omdat zij bedoeld was om het Hollands 'nationaal' besef te stimuleren tegenover het centrale Habsburgse gezag. In deze opzet speelde de Bataafse voorgeschiedenis van Holland, die Aurelius als eerste in de volkstaal beschreef, een essentiële rol. Aurelius legde een rechtstreeks verband tussen de vrije en dappere Bataven, de speciale bondgenoten van de Romeinse keizers, en de Hollanders uit zijn tijd, onderdanen van keizer Karel V. Deze zg. Bataafse mythe, onder meer bedoeld om de aanspraken op eigen privileges te legitimeren, had belangrijke politieke invloed.››
Historici als Cluverius (1580-1622) en Pontanus (1571-1639) hebben elkaar heftig bestreden in hun opvattingen over de Bataven en de Romeinse tijd. De door Aurelius verzonnen Batavenmythe is, hoewel weerlegd, nog steeds een uitgangspunt van veel latere historieschrijvers, zoals vader en zoon Smetius en In de Betouw. Ook hedendaagse historici varen nog steeds "blind" op zijn verhaaltjes die gebaseerd zijn geweest op enkele onbewezen veronderstellingen.

Terug naar boven.

Johannes Smetius en zijn nakomelingen.

In 1645 verscheen een heel bijzonder en al snel beroemd boek over de vroegste geschiedenis van Nederland en in het bijzonder Nijmegen: Oppidum Batavorum, seu Noviomagum (Nijmegen, stad der Bataven). De Nijmeegse predikant en oudheidkundige Johan Smidt, die zich naar de gewoonte van die tijd om alles te "verLatijniseren" Johannes Smetius noemde, betoogde daarin dat Nijmegen de oudste en ooit -in de tijd van de Bataven en Romeinen- belangrijkste stad van Nederland was. In de ogen van Smetius was Nijmegen, de hoofdstad der Bataven, drager van een grote traditie van dapperheid en vrijheidslievendheid. In zijn drang naar gewichtig doen en alles Latijnse namen te geven, vond hij de mythe van de Bataven in Nijmegen uit. Smetius eiste met zijn boek de aanvang van de beschaafde geschiedenis van Nederland op voor Gelderland en Nijmegen, vooral tegen alle pretenties van Holland in. Enig historisch besef bleek hem vreemd, wat wel blijkt uit de vele onjuistheden en zelfs grove fouten in zijn werk. Een van die fouten waarop de nederlandse traditie nog steeds blind vaart, was zijn bewering dat het Oppidum Batavorum te Nijmegen gelegen zou hebben.
Nijmegen als het Oppidum Batavorum stamt dus van de predikanten vader en zoon Smetius en hun nazaten In de Betouw sr. en jr. In de Betouw beschreef een kroniek van Nijmegen, aanvankelijk opgesteld door Joh. Smetius tot 1300, gebracht door diens zoon tot 1592, vervolgde deze "met aantekeningen en vermeerderingen" tot 1785. De deskundigheid van deze Nijmeegse kroniekschrijvers is altijd aan veel twijfel onderhevig geweest. Aan de juistheid van de pas in de 16e eeuw ontstane mythe over de Batavenhoofdstad is eerder getwijfeld. De Nijmeegse stadsarchivaris M. Daniëls stoorde zich ruim een eeuw later nog hevig aan "den algemeenen indruk van onbetrouwbaarheid, dien men van het bestudeeren van In de Betouw's talrijke geschriften noodzakelijk medeneemt" en aan de "slordigheden, onjuistheden en ongegronde beweringen" waarop hij hem telkens kon betrappen.
Maar nog steeds wordt de fantaserende dominee Smetius nagepraat, die kritiekloos de Bataven in de Betuwe plaatste. Overigens geschiedt dat 'napraten' steeds zonder bronvermelding, want zou men Smetius als bron geven, dan zal een serieus historicus zijn lachen niet kunnen onderdrukken en maakt men daarmee eigen onbenulligheid kenbaar."
In hoeverre Smetius en In de Betouw zich hebben laten leiden door de eenmaal op gang gekomen Batavenmythe blijft de vraag. Een aantal historische feiten vind je bij hen niet terug. Zo spreekt In de Betouw wel over wegenaanleg onder de keizers
Trajanus en Antoninus Pius, omdat hij bijbehorende mijlpalen met opschrift kan noemen, maar niet over de beroemde waterstaatkundige werken van het Romeinse leger in Nederland - de dam en de grachten van Drusus en de gracht van Corbulo -, omdat hij geen inscripties kent die daarvan getuigen. En dat zagen Smetius en In de Betouw dus heel erg juist. Die waterstaatkundige werken werden ook niet in Nederland aangelegd. Immers er was hier in de tijd van de aanleg, nog geen Romein geweest. Ook gaat hij voorbij aan de opstand van de Friezen in 28 n.Chr., de belegering van het Romeinse fort Flevum en het inzetten van het vijfde legioen bij de onderdrukking van de rebellie. Opmerkelijker nog is zijn geringe aandacht voor de Bataafse hulptroepen in het Romeinse leger, met name hun optreden tijdens de expeditie van Germanicus tegen Arminius in 16 n.Chr. en hun rol tijdens de Bataafse opstand van 69-70 n.Chr. En ook hier zwijgt In de Betouw, naar nu blijkt terecht!

Terug naar boven.


Johannes In de Betouw.

In 1797 verscheen van Johannes In de Betouw het werkje "Lotgevallen en de Eindelyke ondergang van den van ouds alom vermaarden BURGT binnen NYMEGEN.
Met een verwijzing naar de Bello Gallico van Julius Caesar stelt In de Betouw dat "de Batavieren het Eiland gelegen tussen de armen van de Beneden-Rhijn reeds vele jaren in bezit hadden toen ze met de Romeinen in verbond traden. Gelegenheid tot dit verbond gaf het Romeinse leger bij en ver de Rijn onder bevel van C.Julius Caesar zich bezig houdenden met het overmeesteren van Belgisch Gallie, omtrent vier en vijftig jaren voor de gemene tijdrekening der Christenen." (Einde citaat).
En ook al is later aangenomen en aangetoond dat Julius Caesar nooit in Nederland is geweest en al evenmin een Romein in de (halve?) eeuw na hem, toch wordt deze tekst nog steeds als fundament van de Nederlandse traditie gehanteerd.
Het is dus zaak de geschiedenis van Romeins Nijmegen en Romeins Nederland vanaf dit fundament te herzien.

Opvallend detail in dit boekje is dat het volgens In de Betouw het allerwaarschijnlijkst is, dat Nijmegen de stad der Batavieren geweest is, dat is Nieuw megen (nieuwe Stad, nova habitatio). Hij noemt hier dus geen Noviomagus, dus algemeen was het gebruik van deze naam allerminst.
In de Betouw komt met de volgende argumentatie: "Dat de stad Nijmegen de stad der Batavieren geweest is, als gelegen hebbende beneden Castra Vetera, daar tussen Claudius Civilis en Cerialis de slag is voorgevallen, buiten het Eiland des Rhijns, in het gedeelte van de streek lands van Belgisch Gallie, hetwelk de Batavieren aan de zuidelijke zijde of linker oever der Waal bezaten, beneden de verdeling van de Rhijn met de Waal, en boven de bijeenvloeing van de Waal met de Maas. En nergens langs de gehele Gallische oever van Rhijn en Waal vindt men een plaats, op welke de ware geschapenheid der zaak en omstandigheden der gebeurtenis, volgens het verhaal van Tacitus, kunnen worden toegepast, dan te Nijmegen".
"Daarenboven bewijzen dit de meenigte van zoo veele overgeblevene zeer oude Romeinsche en Batavische gedenktekenen, die om de geheele streek van Nijmegen, en binnen de stad, in voorige tijden overvloediglijk uit den grond zijn opgedolven, en alsnog, nu en dan ontdekt worden."

Over andere Romeinse vindplaatsen heeft hij het niet.
En met dit betoog bewijst men in Nijmegen nog steeds haar geschiedenis. Romeins is er zeker gevonden, maar daarmee houdt het op!

De geschiedkundige kennis van In de Betouw mag zeer beperkt genoemd worden. Hij laat Karel de Grote zijn paleis bouwen op de Hunerberg (dus niet op het Valkhof) en zegt dat de Franken elders Saxones, Dani of Normanni heten (wat volgens hem dus hetzelfde volk is).
De kapel op het Valkhof noemt hij "de Heidense tempel" die aan Janus zou zijn toegewijd geweest, welke paus Leo III van den afgodsdient heeft doen zuiveren.
In 1153 zou het hofpaleis herbouwd zijn in gebakken steen. Fredericus Barbarossa werd in 1152 keizer en liet in 1155 de keizerlijke Burcht in vorige luister herstellen en verstrkte de stad met muren en wallen, waar nog heden in Latijnse verzen, met gothische letters beschrven, op een steen in gedachtenis bewaard.
Volgens een oud Charter van Bloeimaand 1182, in de geschreven Chronijk van Berchemius bewaard, zou dit Rijksgebouw met het Burggraafschap door keizer Frederik, onder bewilligen der Rijks-vorsten, aan Otto den II, graaf van Gelre, tot een erfleen zijn afgestaan. Doch wat ook de echtheid van deze belening zijn moge, in 1196 en in 1204 was de burcht nog niet beleend, constateert In de Betouw.


Terug naar boven.

3. Buitenlandse bevindingen.

EEN SPAANSE WERELDREIZIGER BEZOEKT NIJMEGEN IN 1438.
Van 1435 tot 1439 maakte de Spaanse edelman Pero Tafur een reis door Europa, Klein-Azië en Noord-Afrika, naar het schijnt met geen ander doel dan om zoveel mogelijk vorstelijke personen te bezoeken en steden en monumenten te bezichtigen. Zijn reisdagboek bevat een groot aantal interessante gegevens, en vaak zelfs zeer persoonlijke waarde-oordelen over wat hij gezien heeft. Zijn kort bezoek aan Nijmegen, waarschijnlijk vroeg in 1438, beschrijft hij als volgt:
"En ik nam afscheid van de hertog van Kleef, en kwam, de Rijn aan mijn rechterhand houdend, in een stad die men Numeque noemt, oftewel Nieuw Mei, en die stad werd gesticht door Julius Caesar, en er is daar een steen waar die hele stichtingsgeschiedenis ingebeiteld staat. De stad hoort toe aan de hertog van Gelre, een groot heer, en nog veel rijker dan de Kleefse hertog, getrouwd met een zuster van de hertog van Bourgondië. De stad is een van de best versterkte die ik gezien heb, en zij is zeer sterk daar zij omgeven is door muren en grachten; en hier bleef ik drie dagen, en bezocht de hertog, die een mijl buiten de stad in zijn jachthuis verbleef, en die mij zeer goed ontving; en ik ontmoette de hertogin en hun zonen en dochters, en men nodigde mij ten eten, en 's avonds nam ik afscheid en keerde terug naar de stad Nieuw Mei. De volgende dag vertrok ik vandaar, en ging naar een grote stad, Den Bosch genaamd... ".

In deze korte beschrijving van Nijmegen vallen drie dingen op: allereerst de vermelding van de steen met inscriptie, die geen andere kan zijn dan de gedenksteen van de herbouw van de burcht door Frederik Barbarossa (1155), waarvan tot nu toe werd aangenomen dat de kroniekschrijver Willem van Berchen er omstreeks 1465 voor het eerst melding van maakte. Blijkbaar was deze steen al in de vijftiende eeuw een toeristische bezienswaardigheid. Vervolgens prijst Pero Tafur de stadsversterking. Dit moet dan wel de ommuring zijn van de stadsuitleg van 1436, die dan een minder provisorisch karakter gehad schijnt te hebben dan verondersteld wordt. Maar wat het meest opvalt is dat hij het niet heeft over Karel de Grote, als bouwer van de burcht op het Valkhof. Het niet vermelden van Karel de Grote in samenhang met Nijmegen kan slechts betekenen dat deze mythe in die tijd nog niet bestond. Zeker omdat Pero Tafur het op andere plaatsen wel doet, daar historische plaatsen en historische personen zijn buitengewone aandacht hadden en hij zoveel mogelijk vorstelijke personen en steden en monumenten die daarbij als belangrijk werden beschouwd wilde bezoeken.
Willem van Berchen is (rond 1480) de eerste die Karel de Grote te Nijmegen plaatst, zeven eeuwen na dato! Misschien voelde Willem van Berchen zich "geïnspireerd" door deze Pero Tafur met zijn uitleg van de beruchte steen van Frederik Barbarossa en heeft hij er meteen Karolingisch Noviomagus aan vast geplakt. Bron: Pero Tafur.

Terug naar boven.

4. Het ontstaan van de mythen in historisch Nederland.

Zo schrijft men in Nederland geschiedenis!

Het "algemeen aanvaarde beeld" is de geschiedenis zoals men DACHT dat die zich had afgespeeld. Deze geschiedenis is grotendeels in de 15e tot 17e eeuw samengesteld op grond van toen bekende en aangenomen gegevens. Elke argument dat later aangevoerd werd en niet overeenkwam met dit aangenomen beeld van onze geschiedenis, werd onjuist verklaard. Zelfs ondubbelzinnig duidelijke teksten werden vals verklaard en ter zijde gelegd omdat zij niet pasten in dat "algemeen aanvaarde beeld". Een FEIT werd weerlegd met een MENing.
Van veel algemeen aanvaarde zaken in de geschiedenis van ons land, is nooit enig fundamenteel bewijs van de juistheid ervan gegeven, zelfs niet door de archeologie. Als onweerlegbare feiten in tegenspraak zijn met een aanvaarde, dus niet vaststaande en nooit bewezen geschiedenis, worden die feiten als onjuist bestempeld. Dat is wat historici onder wetenschap verstaan. Voor hen draait de zon nog steeds rond de aarde!
De wetenschap in Nederland.



Terug naar boven.



Albert Delahaye is heeft steeds argumenten aangevoerd die "het algemeen aanvaarde beeld van onze geschiedenis" tegenspraken. Op die argumenten ging men niet in, men bleef vasthouden aan "het algemeen aanvaarde beeld".

Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.