W.C. Braat, Middeleeuws aardewerk. In : Gedenkboek prof.dr. A.E. van Giffen (1947), bl. 459.
De auteur betoogt, dat toen de karolingische cultuur ten gevolge van het verval van het rijk op zijn retour raakte, het frankische Badorf-aardewerk langzaam verdween en een primitiever, handgevormd aardewerk terugkeerde: de kogelpot. Deze leende zich uitstekend voor het koken op open vuur en is dan ook eeuwenlang in gebruik gebleven. Maar ook het Badorf is niet van de ene dag op de andere verdwenen, maar komt voor naast het kogelpotaardewerk, “waarschijnlijk nog wel tot in de tiende eeuw”.
De dateringskunde, zoals m.b.t. het Witte Kerkje van St.Willibrord te Heiloo, aanvechtbaar is. Immers, juist omdat Badorf- en kogelpotscherven door elkaar werden aangetroffen, ligt het voor de hand, dat zij eerder uit de door Braat beschreven overgangsperiode zullen stammen dan uit de tijd van St.Willibrord. Indien er derhalve voor de 11e eeuwse c.q. 12e eeuwse tufstenen kerk een houten kerkje heeft gestaan (hetgeen op grond van 9 paalgaten niet te bewijzen valt, doch hoogstens te vermoeden), dan zal dit kerkje eerder 10e eeuws dan 7e/8e eeuws zal zijn, zodat van St. Willibrord alleen de mythe overblijft.