C.Dekker, Een zeer oud en voornaam college, Geschiedenis van de malen op het Hoogland buiten Amersfoort, AMERSFOORT 2000.

Aan het begin van de agrarische geschiedenis van Eemland ligt de oorkonde van 8 juni 777, waarbij de Frankische koning Karel de Grote aan de Utrechtse kerk naast goederen in Dorestad het domein Leusden schonk met vier wouden aan weerszijden van de Eern. De wouden worden in de oorkonde Hengistscoto, Fornhese. Mocoroth en Widoc genoemd. In Hengistscoto is gemakkelijk Henschoten bij Woudenberg te herkennen, in Fornhese Vernhese bij Amersfoort. Mocoroth is op geen enkele wijze tot een hedendaags toponiem te herleiden, Widoc is dat met enig kunst- en vliegwerk wel, namelijk tot Wede op het Hogeland ten noorden van Amersfoort.
Waarschijnlijk hebben de wouden, afgewisseld met zand, veen en heide, het grootste deel van noordoost-Utrecht in beslag genomen inclusief Scherpenzeel. Het domein Leusden zal er middenin gelegen hebben met de voornaamste nederzetting (thans Oud-Leusden), die al dateerde van vóór de Frankische verovering op het eind van de 7e eeuw, want op het daar blootgelegde grafveld werd begraven vanaf ca. 550. Ook op verschillende open plekken in de bossen zal omstreeks 777 al geïsoleerde bewoning zijn geweest, onder andere op het Hogeland, waar bewijzen daarvan zijn gevonden uit de 9e en 10e eeuw.
Ook het domein Leusden had diverse woeste gronden. In de oorkonde van 777 worden ze genoemd 'bossen, velden, weilanden, hooilanden, wateren en waterlopen', maar aan die opsomming mogen we alleen ontlenen dat er woeste grond in soorten was, want de zogenaamde pertinentieformule in vroeg-middeleeuwse schenkingsoorkonden heeft een nogal routinematig karakter. De opgesomde elementen hoeven niet noodzakelijk alle aanwezig te zijn geweest, al verzet zich in het geval Leusden niets tegen de mogelijkheid dat dit wel zo was. Het bos was daarbij het belangrijkst. De wisseling van domeinheer in 777 zal geen wijziging in de situatie hebben betekend. In plaats van Wiggel', graaf in de gouw Flethite, aan wie de koning het domein als ambtsgoed gegeven had, werd nu de kerk van Utrecht domeinheer en dat betekende in feite de bisschop als hoofd van die kerk. De opbrengsten in natura van het gereserveerde domeingedeelte en de tijnzen, ongerwijteld ook in natura, zullen vanuit de hof in Leusden - evenals uit andere hoven elders - naar Utrecht zijn vervoerd om daar te dienen voor het onderhoud van de geestelijken, de gebouwen en de beginnende kerkelijke organisatie. Niet zolang daarna echter, na het midden van de 9e eeuw, stagneerde die organisatie en raakte Utrecht als kerkelijk centrum-in-opbouw geheel in het ongerede door de invallen van de Noormannen en de vlucht van de bisschop. Het duurde tot het begin van de 10e eeuw vooraleer de situatie weer normaal werd, de bisschop opnieuw zijn intrek nam in de stad en die verfraaide met nieuwe kerken. Pas uit de 11e eeuw zijn er weer oorkonden overgeleverd die wat meedelen over Eemland.