Dzjengis Khan (1162-1227, vier eeuwen na Karel de Grote) verenigde de Mongoolse stammen en stichtte het grootste imperium in de wereldgeschiedenis in termen van oppervlakte. Het strekte zich uit van China tot aan de rivier de Donau. Tijdens de veldtochten onder zijn bewind vonden massale slachtpartijen onder de bevolking van veroverde steden plaats. Zijn oorlogen werden gekenmerkt door veel bloedvergieten. Velen werden weggevoerd als slaven. Gevangen genomen tegenstanders werden koelbloedig vermoord. De sleutel tot het leiderschap van Dzjengis Khan was het verzamelen van loyale mensen om zich heen en was het niet ongewoon voor hem om bevriend te raken met vijandelijke vechters die loyaliteit toonden. Zo ontstond een politieke en militaire hiėrarchie om hem heen. Vergelijk het maar met de 'zendgraven' rondom Karel de Grote.
De vergelijking met Karel de Grote gaat verder. In plaats van persoonlijke rijkdom te vergaren deelde Dzjengis Khan de goederen die hij in zijn bezit kreeg bij zijn veroveringen met zijn mensen en allianties. Wij noemen dat nu 'vriendjespolitiek'. Hij werd daarvoor gezien als zeer grootmoedige leider. Net als Karel de Grote was Dzjengis Khan godsdienstig en vond hij kunst en cultuur belangrijk. Veel stammen traden 'vrijwillig' tot het rijk van Dzjengis Khan toe. De keuze tussen 'doop' of 'dood' was ook bij Karel de Grote bekende politiek.
Zijn veroveringstochten naar het westen vestigden de reputatie van Dzjengis Khan als bloeddorstige strijder. Zijn legers doodden, vernietigden en plunderden zonder genade alles wat weerstand bood. Zij gebruikten burgers als menselijke schilden en slachtten vaak systematisch alle overlevenden na hun invallen af als zij zich niet overgaven. Het verkrachten van overwonnen vrouwen behoorde tot de normale beloning van de soldaat, waarbij de Khan-clan de eerste keus had.
De vergelijking met de veldtochten en de veroveringspolitiek van Karel de Grote zijn frappant.