Prof dr. W. Jappe Alberts en A.G. van der Steur, 'HANDLEIDING VOOR DE BEOEFENING VAN LOKALE EN REGIONALE GESCHIEDENIS'.

Teksten uit de Uitgave uit 1968. Teksten uit de Uitgave uit 1984.
Gelderland.
De oudste historische geschriften, die ons gegevens verschaffen omtrent de situatie in Gelderland, zijn de geschiedverhalen uit de Romeinse tijd. In de Historiae van Tacitus vindt men berichten over de opstand der Bataven en over Julius Civilis. Daarna vindt men eerst berichten van historische aard in de heiligenlevens, die in de achtste en de negende eeuw geschreven werden. Van historisch belang zijn bij voorbeeld de levensbeschrijvingen van Liudger (Achterhoek) en van Lebuinus (Veluwe en Deventer), alsmede die van de heiligen Wiro, Plechelmus en Odgerus (St. OdiliŽnberg). Meer op het terrein van de eigenlijke geschiedschrijving komt men bij Alpertus Mettensis (elfde eeuw), die in zijn De diversitate temporum een verhaal geeft van de gebeurtenissen en toestanden in een deel van Gelderland, met name in het rivierengebied (Tiel en Elten).
Gelderland.
Voor de oudste historische geschriften die ons gegevens verschaffen omtrent de situatie in Gelderland, komt men bij Alpertus Mettensis (11de eeuw), die in zijn De diversitate temporum een verhaal geeft van de gebeurtenissen en toestanden in een deel van Gelderland, met name in het rivierengebied (Tiel en Elten).
Friesland en Groningen.
De eerste geschiedschrijvers, die enkele schriftelijke berichten over de bewoners van de kustgebieden van Friesland en Groningen hebben nagelaten, zijn de Romeinse historici, met name Tacitus. Eerst vele eeuwen later is er weer sprake van geschiedverhalen waarin het Friese noorden is betrokken, namelijk van levensbeschrijvingen van Sint Bonifacius, Sint Liudger, en Sint Willehad, die in Friesland en Groningen in de achtste eeuw het christendom gepredikt hadden. Deze levensbeschrijvingen zijn niet slechts voor de kerkgeschiedenis van belang; zij bevatten ook feitelijke gegevens van wijder strekking. Maar wanneer wij ons beperken tot de eigenlijke, autochtone Friese historiografie en afzien van de aantekeningen van min of meer historische aard in de reeds vroeger opgetekende rechtsbronnen dan kunnen wij zeggen, dat de vroegste geschiedschrijving betreffende Friesland en Groningen in de dertiende eeuw begint in de abdijen Bloemhof (bij WIttewierum, Groningen) en MariŽngaarde (bij Hallum, Friesland).
Friesland en Groningen.
Wanneer wij ons beperken tot de eigenlijke, autochtone Friese historiografie en afzien van de aantekeningen van min of meer historische aard in de reeds vroeger opgetekende rechtsbronnen dan kunnen wij zeggen dat de vroegste geschiedschrijving betreffende Friesland en Groningen in de 13de eeuw begint in de abdijen Bloemhof (bij Wittewierum, Groningen) en MariŽngaarde (bij Hallum, Friesland).

Wat is er veranderd tussen 1968 en 1984? Precies dat deel van de geschiedenis waar Albert Delahaye over publiceerde is verdwenen. Na zijn publicaties tussen 1966 en 1980 en het debat in 1980 werden deze zaken in de herzien uitgave van 1984 weggelaten. Tacitus, de Bataven, Julius Caesar, Liudger, Lebuinus, Wiro, Plechelmus en Odgerus worden niet meer genoemd. Waarom ze weggelaten zijn is wel duidelijk: ze horen niet bij de geschiedenis van Nederland, wat hier dus volmondig wordt erkend en toegegeven.

Terug naar wetenschap.