Dr.H.J.Keuning. Het Nederlandse volk in zijn woongebied. Den Haag 1965.

Uit de beschrijvingen van dr.Keuning blijkt dat de 'ondoordringbare' heide-, moeras- en veengebieden tot in de 19e eeuw grotendeels onbewoond bleven. Dat gold niet alleen voor de Achterhoek (de Graafschap), maar ook voor Friesland, Groningen en Drente. Door het ontbreken van de invloed van de adel en de machtige geestelijkheid vormde er zich een boerenbevolking die zich als een 'zelfstandig' boerenrepubliekje kon handhaven zonder inmenging van buiten. Het kenmerkt nog steeds de bewoners van dit gebied: vrij en onafhankelijk.
De mogelijkheid tot vestiging van nomadische veehouders tot sedentaire landbouwers in Nederland diende aan 3 terreinelementen te voldoen: geschikte akkerbouwgrond, voorst voldoende weidegrond en hooilanden. Zo kon men in praktisch alle noodzakelijke levensbehoeften voorzien om zich ergens blijvend te vestigen. De veeteelt leverde trekkracht en dierlijke producten als zuivel, vlees, huiden en mest, noodzakelijk voor de akkerbouw. Dat de weilanden vooral 's winters een tijdlang onder water stonden werd niet als een groot bezwaar gevoeld.
Aan deze terrein-eisen voldeed in de Romeinse tijd feitelijk alleen Zuid-Limburg. In de overige delen van Nederland vond de okkupatie plaats na de Karolingische tijd (dus pas in het tweede millennium) toen een aantal landsheren het gezag over grotere territoria toegewezen kregen. Ten oosten van de IJssel (Achterhoek, Twente, Salland) komt voor het eerst de marke-organisatie tot ontwikkeling. Voor de lagere en vochtigere gronden die zich meer voor wei en hooilanden leenden ontstaat het begrip "Achterhoek-complex".