Het bestaan van terpen o.a. in Friesland en het ontbreken van bedijkingen is een aanwijzing dat er een sterk centraal gezag ontbrak. Alleen op plaatsen waar een sterk centraal gezag aanweizig was, was een van boven opgelegde samenwerking mogelijk die vereist was bij bedijkingen. Tot ver in de Mideleeuwen bleven de hoeven economische onafhankelijke eenheden. Waar een krachtig centraal gezag ontbrak was er geen samenwerking die geboden was in de strijd tegen het water. In Friesland ontbrak dat sterke centraal gezag zeker tot in de 11e eeuw. Tot in de 12e en 13 e eeuw werd nog voor een nieuwe hoeve, een niewe kerk of nieuw klooster een nieuwe terp opgeworpen. Alle opvattingen over "Frieze Edelen" en "het Frieze geslacht" vinden geen bevestiging in de dijkenbouw en de gezamenlijke strijd tegen de gemeenschappelijke vijand: het water.

Van Giffen beschouwde, evenals Van Bemmelen, de berichten van de klassieke auteurs als een belangrijke bron bij het terpenonderzoek. Vooral Plinius de Oude was voor hem gezaghebbend. Volgens Van Giffen had hij een typisch kwelderlandschap beschreven. * De huidige Nederlandse terpen kwamen echter niet geheel overeen met diens beschrijving. Van Giffen stelde daarom in zijn proefschrift nadrukkelijk de vraag: 'Wo befanden sich die von Plinius gesehenen und beschriebenen Fischerwurten? Met deze vraag stond hij niet alleen. Naast Van Bemmelen was ook de Duitse 'Heimatforscher' H. Schutte, met wie Van Giffen in 1908 in contact was gekomen, in de ban van dit vraagstuk. Schutte meende dat Plinius' terpen bij riviermondingen gezocht moesten worden. Deze riviermondingen zouden echter reeds langgeleden - samen met de terpen - door de zee zijn verzwolgen. Opgravingsresultaten maakten het terugvinden van Plinius' terpen nog gecompliceerder.. In 1913 memoreerde Van Giffen dat Plinius de bewoners van de terpen had beschreven als een armzalig vissersvolk, dat niet over vee beschikte. Als gevolg van de afwezigheid van bossen was het volgens Plinius voor hen evenmin mogelijk geweest de jacht te bedrijven. Deze beschrijving was echter in tegenspraak met zijn eigen archeologische bevindingen. Van Giffen had namelijk in de terpen -- ook in de onderste lagen - resten van huisdieren, vee en jachtbuit aangetroffen. Aldus was hem gebleken dat de terpbewoners veehouders en jagers waren geweest. Deze conclusies leidden echter niet tot kritiek op Plinius' autoriteit. Zij sterkten Van Giffen juist in zijn overtuiging dat de door Plinius beschreven terpen nog niet waren teruggevonden. In de tweede en derde fase van zijn loopbaan lijkt Van Giffen gaandeweg toch minder waarde te zijn gaan hechten aan Plinius' beschrijving: zijn ideeŽn over de terpbewoners werden steeds meer alleen gevormd door zijn eigen waarnemingen ter plaatse.
(Bron: Martijn Eickhoff, De oorsprong van het 'eigene', Nederlandss vroegste verleden, archeologie en nationaal-socialisme, 2003.)