<font size="+1">Veel gestelde vragen.</font>
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Veelgestelde vragen.

"Wie zoveel onwaarheden vertelt over hem bekende streken, kan onmogelijk de waarheid spreken over streken die hij niet kent" (Strabo).

Heeft U zich nooit afgevraagd waarom geen enkele Nederlandse stad ouder is dan zo'n 1000 jaar? Maastricht is de enige uitzondering, maar kan niet echt een "Hollandse" stad genoemd worden.
Heeft U zich misschien ooit afgevraagd waarom er geen Nederlandse geschriften bestaan van vóór de 10e eeuw?
Heeft U zich nooit afgevraagd waarom de eerste bewoners van Friesland op terpen moesten wonen?
Het antwoord op deze vragen leidt maar tot ťťn conclusie: voor het jaar 1000 was er in Nederland in het eerste millennium niets, het land was LEEG, ofwel het was een HOL-land. Slecht tussen het midden van de 1e en de 3e eeuw is er een Romeinse militaire aanwezigheid langs de Oude Rijn geweest. Ook in die 200 jaar waarbij er een wisselende aanwezigheid van de Romeinse militairen was, is er van enige omvangrijke bewoning totaal geen sprake geweest. De archeologie is daarin duidelijk genoeg.

Waar gaat het feitelijk om?
Waarom is er niet eerder getwijfeld aan de historie van Nederland?
Waarom hoor of lees je zo weinig over de vermeende twijfel en ontstane mythen?
Klopt er dan helemaal niets van de geschiedenis vanaf de Romeinse tijd?
Welke geschiedenis heeft Delahaye opnieuw beschreven?
Hoe heeft het tot de huidige geschiedkundige dwalingen kunnen komen?
Welke geschiedenis is foutief in Nederland terecht gekomen?
Welke rol speelt Nijmegen in dit verhaal?
Wat was er dan in Nederland?
Hoe kan met de Renus de Schelde bedoeld zijn? De Schelde ontspringt toch niet in de Alpen?
Welke zaken zijn onweerlegbaar en absoluut zeker in de visie van Albert Delahaye?
Wat zijn "deplacements historiques"?
Wat is de West-OriŽntatie?
Wat is de mening van andere historici over deze kwestie?
Wat is het grootste probleem in het hele onderzoek van Albert Delahaye?


Waar gaat het nu feitelijk om?
Het gaat om de historische geografie van West-Europa. Niet de geschiedenis op zich is onderwerp van discussie, maar de plaatsbepaling van die geschiedenis.
In het verleden zijn door niet ter zake kundige semi-historici uitspraken gedaan met betrekking tot de plaatsbepaling van de geschiedenis van West-Europa in het eerste millennium, die bij nadere beschouwing verkeerd bleek te zijn. De authentieke teksten werden verkeerd begrepen en zo kwam de geschiedenis op de verkeerde plaats terecht. Eenmaal verkeerd geplaatste feiten hebben naderhand geleid tot opeenvolgende fouten. Albert Delahaye heeft de antieke teksten zonder vooringenomenheid opnieuw gelezen en opnieuw geplaatst. Hij kwam daarbij tot een geheel andere locatie dan de tot dan toe gebruikelijke. Met het verplaatsen van de locatie gaat natuurlijk ook de geschiedenis mee. Zo bleek dat Karel de Grote nooit een paleis gehad heeft in Nijmegen, was St.Willibrord nooit bisschop van Utrecht, is St.Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit Nederland geplunderd.

Terug naar boven.


Waarom is er niet eerder getwijfeld aan de historie van Nederland?
In tegenstelling tot wat misschien wel eens beweerd wordt, is er wel degelijk eerder getwijfeld aan veel historische "zekerheden". Ook in het verleden hebben historici onderzoek gedaan naar zaken die betwijfeld werden. Er zijn altijd veel vragen onbeantwoord gebleven, omdat de geschreven bronnen niet overeenkwamen met de archeologische vondsten. In veel historische literatuur kom je deze vragen tegen. Historici die onderzoek deden liepen vaak vast op de complexiteit van de historische vraagstukken. Het weerhield hen er vaak van verder onderzoek te doen, zeker als het hun vakgebied oversteeg. Ook werd uitgesproken twijfel door de gevestigde historici van tafel geveegd met de kreet "dat het niet paste in het algemeen aanvaarde beeld van de geschiedenis van ons land". Hoewel in het verleden historici op grond van hun titels en professoraten nog enig gezag hadden en konden beweren wat ze voor waar hielden, moeten ook zij nu bewijzen wat ze beweren. Albert Delahaye heeft de euvele moed gehad de zaak volledig uit te zoeken. Aanvankelijk kreeg ook hij stevige kritiek, omdat niet alle vragen tegelijk beantwoord werden vanwege de complexiteit. Na meer dan 30 jaar onderzoek is hij erin geslaagd het plaatje volledig rond te krijgen, waarmee tevens alle kritiek verstomde.

Terug naar boven.


Waarom hoor of lees weinig over de vermeende twijfel en foutieve geschiedenis?
Het antwoord is evident. Welke historicus gaat nu van zichzelf zeggen, dat hij al die jaren ondeskundig is gebleken? Elke historicus weet precies waar het over gaat en welke gevolgen de studies van Delahaye hebben. De hele geschiedenis van Noord-west Europa moet vanaf de Romeinen herschreven worden en zeker die van Nederland. En aangezien geen enkele historicus en publiek durft te erkennen dat Delahaye gelijk heeft, blijft alles bij het oude. Bijkomend probleem is dat het niet de fout is van een enkele historicus. Het is een collectieve misvatting die feitelijk collectief moet worden gecorrigeerd. Niet alleen in Nederland, maar ook daarbuiten. En er is geen enkele historicus die voldoende wetenschappelijk gezag heeft om dat als eenling voor elkaar te krijgen. Dus blijft alles maar bij het oude en blijft men elkaar vooral bevestigen in de mythologie.
Ondertussen wordt het historisch bolwerk vanzelf, maar langzaam, ontmanteld. De mythen die in eeuwen zijn ontstaan, wordt niet in een paar geslecht. Nieuwe historici spreken wel eens voorzicht hun nieuwe gezichtpunten uit. Maar zolang zij voor hun titels en benoemingen afhankelijk blijven van de vorige generatie historici, verandert er dus niets.

Terug naar boven.


Klopt er dan helemaal niets van de geschiedenis vanaf de Romeinse tijd?
Met de geschiedenis op zich is niet zoveel mis, alleen de geschiedenis moet teruggebracht worden tot haar juiste proporties. De antieke bronnen vermelden een geschiedenis die zich heeft afgespeeld in een beperkt gebied, maar die door de mislocaties over een enorm gebied verspreid werd. Zo worden volkeren waartegen de Romeinen gestreden hebben, uitgesmeerd over heel Europa tot in Rusland aan toe. En dat terwijl de Romeinen nooit in Rusland of Denemarken of Noord-Duitsland zijn geweest. Die volkeren in Germania van Tacitus genoemd, woonden in een beperkt gebied van het tegenwoordige Noord-Frankrijk en het zuiden van BelgiŽ: het antieke Germania.
Toch zijn er ook een aantal historische gebeurtenissen aan een revisie toe. Het begint al met de Romeinse bezetting van ons land. "Die is allerminst van internationale allure geweest", aldus Van Es in 'De Romeinen in ons land'. Tegenwoordig maakt men van die tijdelijke en minimale Romeinse aanwezigheid in ons land graag een Archeon-achtig pretpark. Historisch gezien volkomen onjuist. De veel besproken "Limes germanicus" lag ook helemaal niet in Nederland, maar op de 'taalgrens', in Noord-Frankrijk en dwars door BelgiŽ.

Terug naar boven.


Welke geschiedenis heeft Delahaye opnieuw beschreven?
Albert Delahaye heeft ruim 30 jaar onderzoek gedaan en is begonnen de werken van de klassieke schrijvers opnieuw te lezen en te beoordelen zonder vooringenomenheid. Het gaat om de werken van Tacitus, Caesar, Strabo, Plinius, Ptolemeus en de Ravennas, alsook de Ďheiligen levensí, de frankische geschiedschrijving, de bezittingen en oorkondes van abdijen, de Peutinger kaart en het Itinerarium Antonini. Hij komt tot de vaststelling dat de noordlijn van de Romeinen tot de derde eeuw ruwweg liep van Boulogne tot Trier en zelfs in de zevende eeuw nauwelijks was opgeschoven tot de lijn Kortrijk, Dinant en Maastricht. Boven die noordlijn situeert Delahaye (of beter: Tacitus en de klassieke schrijvers) de streek "Germania" aan de hand van meer dan 3000 overtuigende plaatslocalisaties de hele streek van Frans-Vlaanderen tot en met de streek rond Kortrijk (de streek van Ambiorix?). Verder toont hij aan dat grote delen van Nederland en laag-Vlaanderen door Transgressies niet toegankelijk waren, en dat Duitsland, deel van Scythia een Ďwoestenijí was.

Terug naar boven.


Hoe heeft het tot de huidige geschiedkundige dwalingen kunnen komen?
Hoe het is kunnen komen tot de huidige geschiedkundige dwalingen wijdt Delahaye vooral aan een combinatie van factoren: de late ontdekking van Tacitus' werk en dat van andere klassieke schrijvers, het veelvuldig verkeerd interpreteren van de hierin genoemde geografische gegevens, zoals de Renus als Rijn i.p.v. Schelde en de Danubius als Donau i.p.v. de Aisne en tenslotte zeer belangrijk de West-OriŽntatie. Dit laatste element (De West-Orientatie) impliceert dat de klassieke schrijvers niet altijd onze noord-oriŽntatie hanteerden en hun genoemde richtingen met een kwartslag gedraaid moeten worden om de juiste plaats te krijgen. Het bij deze schrijvers genoemde noorden is eigenlijk het westen. Dit element (overduidelijk bij Ptolemeus en Tacitus, maar ook bij Strabo en dus ook bij de Ravennas) brengt ook vele teksten uit de Frankische geschiedenis tot de normale en locale geschiedenis-proporties van Noord-Frankrijk terug. De draagwijdte wordt echter pas helemaal duidelijk als men tot het besef komt dat de Noormannen dus uit het ĎWestení kwamen, en wel uit NormandiŽ, een streek waar weinig Romeins erfgoed terug te vinden is.

Belangrijk in deze is dat de nieuwe geschiedenis in Nederland kon worden geplaatst omdat er geen geschiedenis bestond die de geÔmporteerde geschiedenis in de weg stond.

Terug naar boven.


Welke geschiedenis is foutief in Nederland terecht gekomen?
Wat de Romeinse tijd betreft moeten de namen van de plaatsen genoemd op de Peutingerkaart uit Nederland verdwijnen. Deze namen zijn foutief op Nederlandse plaatsen geplakt, met als kernpunt de stad Nijmegen en de Bataven, waar veel foutief geplaatste geschiedenis samenkomt. Zie ook de vorige en de volgende vraag.
Met de namen verdwijnt ook de geschiedenis die aan deze namen verbonden was. Behalve de verkeerd geplaatst gebeurtenissen in de Romeinse tijd, moet ook de geschiedenis van de Franken, Friezen en Saksen uit ons land verdwijnen. Daarmee verdwijnen tevens historische figuren als Karel de Grote, St.Willibrord en St.Bonifatius en nog meerdere predikers, de Noormannen en de foutieve plaatsnamen die met deze geschiedenis samenhangen, zoals Dorestadum, Batua, Almere, Trajectum en Dockinchirica. Ook de Grote Volksverhuizing uit de 5e eeuw zal herzien moeten worden. Deze heeft zich slechts afgespeeld in de fantasie van historici, die de verkeerd gelocaliseerde woonplaatsen verbonden met de juiste woonplaats. En als er zich na de Romeinse tijd al een Volksverhuizing heeft voorgedaan, ging die van zuid naar noord en niet andersom.

Terug naar boven.


Welke rol speelt Nijmegen in dit verhaal?
Nijmegen speelt in het hele verhaal van de mythen een centrale rol. Vandaar dat de naam van deze website ook www.noviomagus.info is. Niet alleen is het onderzoek van de geschiedenis in het eerste millennium in Nijmegen begonnen, ook is de mythe van Nijmegen het eenvoudigst te weerleggen. Het is een algemeen vaststaand feit dat Romeinse Noviomagus en Karolingisch Noviomagus ťťn en dezelfde plaats was. Nederlandse en Duitse historici maakten er helaas foutief Nijmegen van. Albert Delahaye heeft met meer dan 500 authentiek teksten aangetoond dat het genoemde Noviomagus nooit Nijmegen geweest kan zijn, maar dat het de Franse stad Noyon was. Daarmee verdwijnt Karolingisch Noviomagus uit Nederland en gaat Romeins Noviomagus mee. En met Noviomagus verdwijnt de Peutingerkaart uit Nederland en gaan de bij de vorige vraag genoemde volkeren en historische figuren en plaatsen mee.

Terug naar boven.


Wat was er dan wel in Nederland?
De lage delen van Nederland, BelgiŽ en Frankrijk zijn herhaaldelijk overspoeld door omvangrijke en langdurige overstromingen, transgressies genoemd. De grootste transgressie zijn de zogenaamde Duinkerke-transgressies. Zo spreekt men van:
-de Duinkerke I-transgressie (2de eeuw v. Chr. tot 1ste eeuw na Chr.)
-de Duinkerke II-transgressie (4de tot 9de eeuw)
-de Duinkerke III-transgressie (11de eeuw).
Vanaf de 11e eeuw zorgde de bouw van dijken ervoor dat het land tegen verdere overstromingen gevrijwaard bleef.
Tijdens de transgressieperioden was laag en midden Nederland overstroomd en ťťn groot waddengebied. Er was toen geen bewoning mogelijk en er heeft zich dan ook geen geschiedenis voorgedaan. De Romeinse occupatie van Nederland viel precies samen met de regressieperiode tussen Duinkerke I en II, dus tussen de 1e eeuw na Chr, tot de 4e eeuw. De Romeinen zijn in ons land dan ook niet verdreven door invallende Germanen, maar door het opkomende water.
De opkomst van de bewoning in laag en midden Nederland (en dat is ruwweg de lijn Breda-Groningen) valt ook samen met de regressies. Juist vanaf de 11de eeuw ontstaan in laag en midden Nederland de eerste steden.
Deze gegevens zijn niet afkomstig uit de studies van Albert Delahaye, maar sluiten wel exact aan bij zijn visie.

Terug naar boven.


Hoe kan met de Renus de Schelde bedoeld zijn? De Schelde ontspringt toch niet in de Alpen?
Het misverstaan van het begrip Renus bij de klassieke schrijvers is de kern en tevens het grootste probleem gebleken in de herziening van de historische geografie van west-Europa. Ik spreek hier over "het begrip Renus", omdat de Romeinen deze naam hebben gebruikt voor meerdere rivieren. In de Romeinse tijd hadden de rivieren nog niet netjes de namen die ze tegenwoordig droegen, zeker niet in voor hen onbekende gebieden zoals noord-west Europa. Het woord Renus betekend niets meer of minder dan grensrivier. Er zijn in Europa meerdere rivieren aan te wijzen die deze of een aanverwante naam dragen of gedragen hebben. Denk aan de Reno in ItaliŽ of aan de Rhone in Frankrijk. Een rivier was immers een natuurlijke grens en is dat tot in onze dagen feitelijk nog steeds. Het eerste probleem dat opgelost moet worden is dus welke grensrivier de Romeinen bedoelden met de door hen beschreven rivier de Renus. Het volgende probleem is de interpretatie van overige gegevens in teksten. Als in klassieke teksten genoemd wordt dat de Renus in de Raetische Alpen ontspringt, moet de volgende vraag zijn "Wat bedoelde de schrijver met de Raetische Alpen?" Uit vele parallelle teksten blijkt dat de Raetische Alpen niet het gebergte was dat wij nu Alpen noemen, maar de uitlopers van de Alpen in Noord-oost Frankrijk. Raetia was ook niet Hongarije wat de traditie ervan gemaakt heeft, maar het gebied in Noord-oost Frankrijk. Dat Raetia niet Hongarije geweest kan zijn blijkt al wel omdat de Rijn daar helemaal niet ontspringt, nog minder doorheen stroomt. Maar in het antieke Raetia ontspringt wel de Schelde, die vervolgens naar de Oceaan stroomt en uitmondt bij de Morini "waar men de overkant kan zien". Niet vergeten moet worden dat de rivieren in noord-west Europa in de Romeinse tijd -zeker in de lagere gebieden- een andere loop hadden, en vanwege de regressie in de Romeinse tijd ook een lagere waterstand. Ten tijde van de duinvorming aan de Noordzee veranderde de loop van veel rivieren die een nieuwe weg zochten naar zee. Ook de Schelde heeft onmiskenbaar haar loop veranderd, net als de Rijn in Nederland. De Rijn heeft haar naam overigens pas gekregen in het tweede millennium nadat de mythen ontstaan waren.

Terug naar boven.


Welke zaken zijn onweerlegbaar en absoluut zeker in de visie van Albert Delahaye?
Enkele zaken die onweerlegbaar en zeker zijn en de visie van Albert Delahaye helemaal bevestigen zijn de taalgrens, de plaats waar men de overkan kan zien, de transgressies en de west-oriŽntatie.
De taalgrens waarvan ten noorden de Germanen geplaatst moeten worden, was reeds voor het begin van jaartelling bij Griekse schrijvers bekend. De taalgrens ligt nog steeds op dezelfde plek en kwam helemaal niet voort uit de veroveringszucht van de Romeinen, immers dan had de taalgrens in het Nederlandse rivierengebied moeten liggen. Dat was 2 eeuwen de meest noordelijkse grens van het Romeinse rijk.
Het tweede dat onweerlegbaar is, is "de plek waar men de overkant kan zien", wat soms letterlijk zo vermeld wordt door klassieke schrijvers, zowel in Engeland als op het vasteland. Als deze schrijven dat "het land van de Bataven te zien is aan de overkant" (vanuit Kent), moet men de Bataven niet in Duitsland of in de Betuwe plaatsen. Immers Duitsland of de Betuwe zijn vanuit Kent niet te zien. Daar komt maar ťťn plaats voor in aanmerking in Europa en dat is de kanaalkust bij Cap Blanc en Gris-Nez in Frans-Vlaanderen. De plaats waar nu de Kanaaltunnel ligt en waar men sinds mensenheugenis de oversteek maakte naar en van Engeland.
De transgressies zijn de derde zekerheid, waardoor veel van de geschiedenis zich nooit in Nederland kan hebben afgespeeld, eenvoudig omdat Nederland grotendeels overstroomd was tussen de 3e en 10e eeuw. Dat de transgressies een zekerheid zijn blijkt als men in de archeologie spreekt over "opgravingen". Veel Romeins wordt in Nederland teruggevonden tot wel 6 à 8 meter onder het maaiveld. De vondst van scheepswrakken in Zwammerdam en Leidsche Rijn zijn in die zin sprekende voorbeelden. Zie verder bij Transgressies.
Ook de west-oriŽntatie is de vierde zekerheid die de plaatsbepaling van volkeren, plaatsen en rivieren localiseert. Zie daarover bij West-OriŽntatie en hierna bij "deplacements historiques".

Terug naar boven.


Wat zijn "deplacements historiques"?
Als volkeren van woonplaatst veranderden namen zij de plaatsnamen uit hun oorspronkelijke streek mee en hergebruikten deze voor hun nieuwe woonplaats. Dat van woonplaats veranderen gebeurde vanwege deportaties, b.v. Karel de Grote die grote groepen Saksen deporteerde naar Noord-Duistland. Ook kwamen bevolkingsgroepen op andere plaatsen terecht doordat men nieuwe na de transgressie vrijkomende gronden ging ontginnen en in gebruik nam, zoals in Holland, Utrecht en Friesland gebeurde. Er zijn duizenden voorbeelden te geven van dubbele plaatsnamen, zoals Brêmes en Bremen, Hames-Boucres en Hamburg, Lewarde en Leeuwarden, telkens een doublure van een plaatsnaam in Frans en Belgisch Vlaanderen met een in Noord-Nederland of Noord-Duitsland. De boeken van Albert Delahaye staan er vol mee. Als men vervolgens de geschiedenis van de oude plaatsnaam gaat toepassen op de nieuwe, zijn de problemen voorspelbaar. Dat nu is gebeurd bij veel verplaatste plaatsnamen en zo kwam St.Willibrord in het Nederlandse Utrecht terecht, werd St.Bonifatius in Dokkum vermoord en kwamen andere historische feiten op de verkeerde plek terecht. Door de invallen van de Noormannen zijn velen oostwaarts op de vlucht geslagen naar nieuwe gebieden en hebben daar nieuwe woonplaatsen gesticht. Ook veel kloosters (het doelwit van de plunderende Noormannen) zijn gevlucht en hersticht in het oosten. Corbei werd Corvey, Suastre werd Susteren, Werethina werd Werden en Epternacum werd Echternach. De door de monniken meegenomen oorkonden werden later niet meer begrepen en toegepast op de nieuwe (maar verkeerde) gebieden. Dat dit tot onverklaarbare misplaatsingen en fouten moest leiden, is even vanzelfsprekend als veelzeggend. Zo kwam veel van de hierin beschreven geschiedenis op de verkeerde plaats terecht, waar deze geschiedenis ook nooit "gepast" heeft.

Terug naar boven.


Wat is de West-OriŽntatie?
Verschillende klassieke schrijvers noemen bij een beschrijving van GalliŽ de grenzen en noemen in het westen de PyreneeŽn, in het zuiden het land van Lyon en het gebergte van de Jura, in het noorden de Noordelijke Oceaan en in het oosten Germania. Het moet dan voor iedereen duidelijk zijn dat zij de windrichtingen een kwartslag gedraaid hebben. Hun noorden is ons westen, vandaar de naam West-OriŽntatie. De Noordelijke Oceaan is dus de Atlantische Oceaan en niet de Noordzee. Germania blijkt dus te liggen in Noord-Frankrijk en BelgiŽ (ten noorden van de taalgrens) en niet in Duitsland. Volkeren die volgens deze schrijvers in Germania leefden, zoals Bataven, Friezen Franken en Saksen, dient men dan ook te plaatsen in Noord-Frankrijk en BelgiŽ en niet in Duitsland.

Terug naar boven.


Wat is de mening van andere historici over deze kwestie?
Allereerst gaat het niet om de mening van historici, maar om de feiten. De traditionele geschiedenis van ons land is al te lang gebaseerd geweest op meningen, terwijl de feiten deze tegenspraken. Er is al langer getwijfeld aan de juistheid van de traditionele geschiedenis in ons land (zie een eerdere vraag hierboven).
Momenteel zijn de historici verdeeld in 3 kampen:
1. de medestanders van Delahaye die het gelijk van Delahaye erkennen. Tot deze groep rekenen we ook de historici die het gelijk van Delahaye in hun eigen werk (onbedoeld?) bevestigen, maar er niet de vanzelfsprekende conclusies uit trekken. Zie de vele voorbeelden in het hoofdstuk Bevestiging.
2. Het tweede kamp zijn de historici die zich op de vlakte houden. Zij spreken zich niet uit voor of tegen in deze kwestie, omdat het hun vakgebied niet betreft, wat een zeer terecht standpunt is of omdat zij liever niet hun vingers branden en maar afwachten hoe de zaak uiteindelijk afloopt. Tot deze groep horen ook de historici, en dat is niet zo prijzenswaardig, die de juiste toedracht wel kennen, maar geen standpunt innemen om hun gewaardeerde collega's niet af te vallen. In feite nemen zij met deze houding wel een standpunt in, maar wassen hun handen in onschuld.
3. Het derde kamp zijn de tegenstanders van Delahaye die natuurlijk allang begrijpen, dat als Delahaye gelijk heeft, het hun historische zelfmoord betekent. Zij hebben er dus alle belang bij de mythen vooral in stand te houden. Onder hen zijn historici die hun revenuen juist door de studie van de onderhavige geschiedenis hebben verkregen. Als Delahaye gelijk heeft gaan zij af als deskundig wetenschapper, immers zij hadden moeten ontdekken wat Delahaye ontdekte. Onder hen is een groep zeer felle tegenstanders, die aangeduid wordt met de Club van Nijmegen.

Terug naar boven.


Wat is het grootste probleem in het hele onderzoek van Albert Delahaye?
Het grootste probleem in het hele onderzoek van Albert Delahaye is 'de verguizing' van zijn theorie en zijn persoon door de Nederlandse gevestigde historici, die niet zijn visie aanvocht, maar te vaak op de man speelden. Het onderzoek van Albert Delahaye is een schoolvoorbeeld van plichtsgetrouw en zorgvuldig onderzoek en zijn werk is van een ongekende omvang. Hij heeft teksten bij elkaar gezocht waarvan andere historici het bestaan niet eens kenden. Hij moest zelfs professor Bautier van de "Ecole des Chartres" te Parijs vertellen wie Orosius was, wanneer hij geleefd had en wat hij geschreven had, terwijl deze professor met zijn neus bovenop diens teksten zat.
Het tweede probleem in dit onderzoek is dat de gevestigde historici na wat aanvankelijke tegenstand momenteel elke discussie vermijden. Met "een gek" ga je toch zeker niet in discussie en al helemaal niet over zaken die zo zeker zijn dat ze niet eens bewezen hoeven te worden, is de algemene opvattingen van de historische wetenschap. Maar bestaat wetenschap niet juist uit twijfel en discussie over die twijfel?

Terug naar boven.




Heeft U een vraag? Mail deze naar G.B.M. Delahaye.

Meer weten? Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.