Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Dateringen in Wijk bij Duurstede.

Slechts op grond van foutief toegepaste teksten en enkele Dorestadmunten, meent men in Wijk bij Duurstede het vroeg-middeleeuwse Dorestad te hebben gevonden.


We geven hiernaast verschillende argumenten waarom aan de hecht gefundeerde datering ernstig getwijfeld mag worden.

Er is bij de archeologen W.A. van Es en W.J.H. Verwers duidelijk sprake van vooringenomenheid en het manipuleren van feiten om vooral "het gelijk" aan hun zijde te krijgen.
De opvatting van de archeologie (Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, ROB).

"De datering van Dorestad is hecht gefundeerd", aldus W.A. van Es en W.J.H.Verwers, de archeologen die Dorestad hebben opgegraven. Zij voeren daarvoor de volgende vijf bewijzen aan:
  1. De historische overlevering spreekt ons vooral over de slotfase waarin vanaf 834 tot 863 de stad keer op keer van plunderende Vikingen te lijden had;
  2. Ook in de muntslag is 830 blijkens het numismatisch onderzoek een keerpunt geweest dat het einde van Dorestads bloeitijd markeerde.
  3. De C14 bepalingen van hout uit het noordelijk havengebied is daarmee in overeenstemming; de houten straatjes in de Kromme Rijnbedding naast de Hoogstraat heeft vooral in de 8e eeuw plaatsgevonden.
  4. De archeologische scherven wijzen op een bewoning vanaf het einde van de 7e eeuw tot in de tweede helft van de 9e eeuw.
  5. Dat de 8e eeuw binnen deze periode Dorestads grote tijd geweest is, werd tenslotte door de dendrochronologie gedemonstreerd. De bewoners van Dorestad hebben honderden waterputten gegraven. Als putschachten had men vaak eikenhouten fusten gebruikt. De kapdatum van de 34 bestudeerde waterputten bleken tussen 685 en 835 te liggen en van 27 stuks tussen 715 en 770.

Al deze hiervoor genoemde 'bewijzen' zijn helemaal niet hecht gefundeerd, maar op drijfzand en veel aannames gebaseerd. Zelfs de dendrochronologie en de C-14 methode blijken volledig onbetrouwbaar te zijn.

Wat bewijst men nu feitelijk echt?
Daarvoor verwijzen we allereerst naar het werkelijke opgravingsverslag zoals dat is gepubliceerd in Spiegel Historiael van april 1978. Dan leest U de waarheid uit de eerste hand.
Wij voeren hier (per item) tegenargumenten op bovenstaande 5 beweringen aan, waarmee de datering volkomen op losse schroeven komt te staan.
  1. De teksten.
    a. De bedoelde historische overleveringen zijn dus de klassieke teksten die allemaal in FRANSE kronieken staan en na 863 gewoon doorgaan alsof er niets gebeurd is. Het kan in die teksten dan ook niet over Nederland gaan, waar Dorestad in 863 ophoudt te bestaan.
    b. In Wijk bij Duurstede ontbreekt bij alle opgravingen de Merovingische tijd, die duidelijk in teksten vermeld wordt. Dat houdt in dat hier beslist niet het vroeg-middeleeuwse Dorestad lag. Zowel de voorgeschiedenis als de latere tijd ontbreken in Wijk bij Duurstede.
    c. In verschillende teksten worden meer dan 20 kenmerken genoemd, waaraan de opgegraven nederzetting in Wijk bij Duurstede allerminst voldoet. Zo was Dorestad een stad in Francia en daar heeft Nederland nooit toe behoord.
    d. In de teksten is onmiskenbaar sprake van diverse plunderingen door de Vikingen. Bij de opgravingen in Wijk bij Duurstede is NOOIT iets gebleken van die plunderingen, wat erkend wordt o.a. door mevr. Annemarieke Willemsen, die van de Vikingen dan maar een vreedzaam handelsvolkje maakt.
    e. Zie verder alle eerder genoemde argumenten bij Dorestad en Wijk bij Duurstede.

  2. De munten.
    a. Die gevonden munten bewijzen helemaal niets ten gunste van Dorestad. Munten met het opschrift Dorestad zijn in heel Europa gevonden, o.a. in Domburg in Zeeland. Wat ze elders niet bewijzen, namelijk dat daar Dorestad lag, bewijzen ze in Wijk bij Duurstede dus ook niet.
    b. Deze verkeerde denkwijze wordt bevestigd door de vondst van enkele munten uit Keulen, Reims, Tours, Milaan en VenetiŽ. Die plaatsen liggen toch ook niet allemaal in de buurt van Wijk bij Duurstede?
    c. Als ik in Wijk bij Duurstede op straat een Belgische Euromunt vindt, ben ik dan in BelgiŽ? Volgens Van Es en Verwers klaarblijkelijk wel! Met de datering van munten, kan slechts het jaar of de periode van productie bepaald worden en nooit het jaar van verlies.
    d. Het jaar 830 zou een keerpunt zijn. En hoe zit het dan met munten die van na dat jaartal stammen? En, een munt geslagen in 836 behoeft toch ook niet in dat jaar verloren zijn gegaan? Er is bij de datering totaal geen rekening gehouden met de omlooptijd van munten, die vele eeuwen kan bedragen. De slijtage aan verschillende gevonden munten, die daardoor nauwelijks dateerbaar bleken (zie opgravingsverslag), bewijst dit.
    e. Tussen de gevonden munten zitten veel Engelse namaakmunten van Karolingische munten (vervalsingen) die vele eeuwen in omloop zijn geweest. Die namaakmunten konden pas gemaakt worden nadat de oorspronkelijke munten alom verspreid, bekend en in gebruik waren, dus vele jaren na de feitelijke datering van de originele munten.
    f. De munten zijn in groepen bij elkaar gevonden. Dat houdt in dat het om een verborgen muntschat gaat. De munten zijn klaarblijkelijk niet voor betalingen, maar als "spaarpotje" verborgen. Zo'n spaarpotje spreekt handel tegen en bevestigt juist dat er gespaard werd.

  3. De C14-methode.
    a. Met de C14-methode kan men NIET aantonen wanneer die houten straatjes zijn aangelegd, hoogstens hoe oud het gebruikte hout is.
    b. Men kan evenmin aantonen dat het straatjes zijn geweest, die men gevonden heeft. Waren het misschien niet gewoon de grondpalen van vissershutjes, die in het water stonden? Een mogelijkheid die ook mevr. A.Willemsen schetst in haar boek over Dorestad.
    c. Bovendien is de C14 methode onbetrouwbaar en zeker als het hout blootgesteld is geweest aan water, wat hier zeker het geval is geweest. Dan wordt het hout ouder gedateerd dan het is en komt men al snel in de 9e eeuw in plaats van in de 10e eeuw.
    d. Overigens dient men met de C14 methode bij voorbaat al rekening te houden met een marge van 50 jaar. Op het jaar nauwkeurig dateren is dus een farce.
    e. Recente onderzoekingen leren ook dat de C14 methoden fout is aangezien er geen rekening wordt gehouden met atmosferische storingen, klimaatveranderingen en volkanische en menselijke activiteiten. Nu heeft men er in Wijk bij Duurstede wel enige rekening mee gehouden, echter gerelateerd aan de situatie in California (VS). Dat deze correctie op Nederland niet van toepassing kan zijn, blijkt wel uit de huidige klimatologische verschillen en vulkanische activiteiten (aardbevingen) die men in California wel kent, maar niet in Wijk bij Duurstede. Ook met het onregelmatige verloop van diverse atmosferische storingen is geen rekening gehouden, omdat dat ook niet mogelijk was en nog steeds niet is. Dat verloop en de wisselingen zijn immers nog volledig onbekend, wat zeker gold in 1969 toen de gegevens van Wijk bij Duurstede gepaald werden.
    f. Daarnaast is de aanvangsconcentratie van het 14C in organismen niet altijd precies gelijk, omdat het groeiproces, en daarmee het 14C-gehalte zelf ook varieert. Met andere woorden: als je de beginwaarde niet kent, die voor alle materie niet gelijk is, is het ook niet mogelijk de halveringswaarde te bepalen.
    g. De vermeende ouderdom van het hout zegt niets over de datering van het gebruik. Oud hout wordt overal hergebruikt, zeker als het schaars is, wat in het armoedige Munna zeker het geval is geweest.

  4. Het aardewerk.
    a. In Wijk bij Duurstede bestaan de vondsten hoofdzakelijk uit Karolingisch aardewerk, dat voor een nauwkeurige datering niet gebruikt kan worden. (D.Eckstein in Spiegel Historiael, p.308).
    b. De archeologische scherven waren afkomstig van elders, voornamelijk uit Duitsland. A.Verhoeven heeft aangetoond dat dezelfde scherven die men in Wijk bij Duurstede en Kootwijk heeft gevonden in Duitsland doorgaans een eeuw later worden gedateerd.
    c. De datering van aardewerkscherven staat flink ter discussie sinds C.Braat heeft aangetoond dat bepaald aardewerk, dat doorgaans op de 8e eeuw werd gedateerd, tot in de 10e eeuw gebruikt werd.
    d. Het gevonden aardewerk in Wijk bij Duurstede is aantoonbaar gedateerd naar de gewenste tijd toe. Zonder dat het opgravingsverslag compleet was, slechts eenderde deel was uitgewerkt, staat de datering van het aardewerk reeds vast. Het "gezag" van archeoloog Van Es ten aanzien van deze dateringen gaat zelfs zo ver, dat naderhand gevonden aardewerk naar dat van Wijk bij Duurstede wordt gedateerd en het zelfs als 'standaard' gebruikt wordt. Helaas ook foutief dus.
    e. Op enkele plaatsen in Wijk bij Duurstede is ook aardewerk van reliŽfbandamphoren aangetroffen. Deze als type Dorestad W1 gekarakteriseerd aardewerk kwam ook nog voor in de 9e en 10e eeuw. Als vroegste datering heeft dit aardewerk het midden van de 8e eeuw, juist toen Dorestad in Wijk bij Duurstede ophield te bestaan!
    f. Ook werden in Wijk bij Duurstede enkele stukken van het z.g. Pingdorfaardwerk aangetroffen. Het begin van de productie van dit aardwerk werd sinds recente studies op 880 gefixeerd. In Dorestad, verwoest in 863, klopt dit niet met het jaar 880. Conclusie: of de recente studies zijn fout, of Wijk bij Duurstede was niet Dorestad dat in 863 verwoest werd.
    g.In Wijk bij Duurstede is geen pottenbakkerij gevonden. Alle aardewerk was dus afkomstig van elders. Dat het juist in Wijk bij Duurstede achterbleef weerspreekt de vermeende handel. In het opgravingsverslag (p.244) spreekt van Es uit dat zeker 80% geÔmporteerd aardewerk is. Van het overige denkt hij dat het lokaal gemaakt is, maar bewezen is dat nog niet, schrijft hij.
    h. Is uit vergelijkbaar of overeenkomstig aardewerk handel te concluderen? Handel waarvan of waarin? Handel van dat aardewerk of handel van de inhoud van die potten? Of kan het aardewerk ook op andere manieren ergens gekomen zijn? Die mogelijkheid wordt in Wijk bij Duurstede niet meegenomen in het onderzoek. Er is slechts sprake van dat in Wijk bij Duurstede een ongekende hoeveelheid aardewerk is gevonden, zelfs zo uniek dat het bij andere opgravingen ontbreekt. Slechts Kootwijk en Medemblik komen in de buurt, maar daarmee voerde Wijk bij Duurstede geen handel. Tenminste, dat wordt niet genoemd. Die opeenhoping van aardewerk maakt slechts duidelijk dat Wijk bij Duurstede een "eindstation" was en het weerspreekt juist handel met andere plaatsen.
    i. Het aardewerk kenmerken als Saksisch of Fries, wat Van Es doet, wordt o.a. door Annemarieke Willemsen in haar boek Gouden Middeleeuwen onderuit gehaald. Een indeling van aardewerk op grond van etniciteit is een onbewezen aanname en wordt nu algemeen als achterhaald opgevat. Men kan er dus niet mee bewijzen dat Wijk bij Duurstede Frankisch of Fries was.

  5. Het drendrochronologisch ofwel het jaarringen onderzoek.
    a. De houtvondsten in Wijk bij Duurstede zijn beperkt. De monsters bevatten niet meer dan fragmenten uit de hele jaarringreeks van een boom, omdat duigen uit een deel van de stam gemaakt worden. De dendrochronoligische analyse van duigen kan alleen een betrouwbare analyse opleveren als alle duigen die van een boom gemaakt zijn gevonden zijn. (D.Eckstein in Spiegel Historiael, p.309-311) Omdat slechts een beperkt aantal bruikbare duigen gevonden zijn, volgt daaruit dat ook de dendrochronologische analyse onbetrouwbaar is.
    b. Voor het dendrochronologisch onderzoek geldt dat daarmee slechts het jaar van de kap van een boom bepaald kan worden en dan nog alleen als bekend is waar de boom ooit gestaan heeft (zie ook punt e).
    c. Tussen de kap van de boom, het drogen van het hout (het gaat hier immers om eikenhout), het verwerken tot een wijnvat, het gebruik als wijnvat en het hergebruik als water- of beerput kan zo meer dan een eeuw gepasseerd zijn.
    d. Een kapdatum tussen 685 en 835 geeft al aan dat er een verschil van 150 jaar kan zitten tussen kap en verwerking tot water- of beerput. Het betreft hier immers putten die op hetzelfde terrein in dezelfde grondlaag gevonden zijn. Als enkele putten zowiezo al 150 jaar jonger zijn dan andere, kunnen ze ook allemaal pas in een latere tijd zijn aangelegd. En dan hebben we het over een nederzetting uit de 10e eeuw en niet over de 8e eeuw.
    e. Volgens Esther Jansma van het Nederlands Centrum voor Dendrochronologie is er voor het dateren van in Nederland gegroeid (inheems) eikenhout in de periode 570-1000 n.Chr. sprake van een kennislacune. De gehanteerde dataset is niet landsdekkend, waardoor men dus onmogelijk de datering als hecht gefundeerd mag kwalificeren, wat wel het uitgangspunt van Van Es is geweest. In Wijk bij Duurstede heeft men de zogenaamde 'Westduitse Eikenkalender' gebruikt die voor de Nederlandse situatie onbruikbaar is, tenzij men exact heeft vastgesteld dat het hout ook hetzelfde gebied in Westduitsland kwam.

    En ook al zou de datering van de dendrochronologische bevindingen uitkomen op de 8e eeuw, dan vormt dit nog geen bewijs dat het om Dorestad zou gaan. Daarvoor zou de te Wijk bij Duurstede opgegraven nederzetting aan alle in de teksten genoemde kenmerken moeten voldoen. En dat doet het geenszins. Deze te Wijk bij Duurstede opgegraven nederzetting is dus niet Dorestad.



    Volgens Albert Delahaye zijn de opgravingen van Wijk bij Duurstede met vooringenomenheid gedateerd. Hij voert daarvoor de volgende argumenten aan:
    a. De historici hebben in 1841 als de naam van de plaats al bepaald dat het om Dorestad zou gaan, voordat er ooit opgravingen zijn geweest. Zie bij Wijk bij Duurstede.
    b. De uitspraak van Van Es "Wij gaan Dorestad opgraven." is hierbij tekenend. Blijkbaar wist men tevoren reeds wat men er zou vinden. En dat werd dus ook gevonden, omdat alle vondsten 'naar de gewenste verwachtingen werden toegeschreven'.
    c. Ook al komen alle in teksten genoemde kenmerken niet overeen met wat men gevonden heeft, toch blijft men aan de naam Dorestad vasthouden.
    d. Zelfs ondanks argumenten die de locatie Dorestad in Nederland faliekant tegenspreken, zoals dat er niets uit de Merovingische tijd is gevonden, blijft men de opgegraven nederzetting Dorestad noemen.
    e. Ondanks dat Dorestad in de bronnen blijft voorkomen nadat de plaats in Nederland vernietigd zou zijn en niet meer bestond, blijft men in Nederland vasthouden aan de naam Dorestad.
    f. Hoewel er geen enkele kerk gevonden is, terwijl er meerdere bestaan moeten hebben, blijft men de opgegraven nederzetting in Wijk bij Duurstede Dorestad noemen.
    g. Zelfs feiten die de opgravingen te Wijk bij Duurstede tegenspreken, worden ontkend of verdraaid, zoals de plunderingen van de Noormannen. Dan wordt gewoon de geschreven geschiedenis "aangepast" en wordt van de Vikingen plots een vreedzaam volkje gemaakt, dat kwam om te handelen, niet om te plunderen. Ondanks alles blijft men de naam Dorestad handhaven.
    Zelfs de logica wordt ontkend, om toch maar de naam Dorestad te kunnen handhaven.

    Conclusie: van deze hecht gefundeerde datering blijft niet veel meer over.

    Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.