Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Zelhem is niet Salehem.

De geschiedenis van Zelhem is een volgend sprekend voorbeeld van mythevorming op grond van ondeskundig historisch geschrijf.

In Nederland blijkt het historisch besef vaak ver te zoeken. Men projecteert lichtzinnig historische feiten en gebeurtenissen op niet bestaande plaatsen. Zonder tegenspraak van deskundigen (die het vaak ook niet weten) wordt de mythe al snel een historische zekerheid. Het is onbegrijpelijk dat zelfs historische verenigingen hier volop aan meedoen. Weet men daar ook niet beter? Zo zou Varsseveld de plaats geweest zijn waar in 9 n.Chr. de Varusslag zou hebben plaatsgevonden. Daar is zowel archeologisch als tekstueel geen enkel bewijs voor. Ook voldoet het landschap in die omgeving helemaal niet aan de geografische details die de Romeinse schrijvers noemen. Waar zijn hier hoge bergen van waaruit de Cherusken de Romeinse legioenen aanvielen?
Een volgend voorbeeld is Wichmond bij Zutphen dat algemeen als het Withmundi uit de akte van 794 wordt gezien, waar Ludger ook gepredikt heeft. Maar het Withmundi van Ludger lag aan zee en dat kan van Wichmond toch niet gezegd worden.
In Zelhem zou Ludger gepredikt hebben en een kerkje hebben gebouwd. Hoewel men lichtzinnig en goedgelovig deze mythe voor waar heeft aangenomen, is er voor een kerkje uit de 8e eeuw geen enkel bewijs gevonden. Die goedgelovigheid is natuurlijk mooi meegenomen als het om prediking en een kerkje gaat, maar staat toch ver van de historische feiten.

Toch zijn de archeologische en tekstuele bewijzen er wel degelijk, meent men in Zelhem. Voor de archeologische feiten verwijst men naar de opgravingen in 1946 en 1959 die er plaats hebben gevonden. Maar leest men die opgravingverslagen nauwkeurig, dan staat er geen enkel bewijs in voor de 8e eeuw. Zie de teksten hiernaast. De archeologie spreekt pas vanaf de 10e eeuw van enige zekerheid.


Het nagebouwde Ludgerkerkje in Zelhem.

Opmerkelijk blijft dat in de Achterhoek waar men toch het centrum van de prediking van St.Ludger plaatst, geen enkele kerk het patronaatschap van St.Ludger draagt. Er zijn St.Ludgerstraten, St.Ludgerscholen, maar geen enkele St.Ludgerkerk. Ondankbaarheid? Of is ook hier het gelovig volk niet overtuigd van zijn devotie?
Talrijke plaatsen in de Achterhoek, maar niet alleen daar, claimen op grond van legenden en mythen een geschiedenis die teruggaat tot in de 8e en 9e eeuw, terwijl de Achterhoek tot in de 11e eeuw en later nog een groot moeras- en veengebied was en nog grotendeels onbewoond. De klassieke teksten die men daarvoor hanteert komen allemaal uit Franse kronieken en gaan niet over Nederland. Soms claimt men een geschiedenis die nog verder teruggaat zoals in Varsseveld waar enkele fabelogen ooit de Varusslag hadden bedacht. Archeologisch zijn daar geen bewijzen voor, tekstueel al evenmin.

Voor de opvatting dat St.Ludger in Zelhem (zie bij St.Ludger) een kerkje bouwde heeft men blijkbaar de opvatting van prof.dr.D.P.Blok als uitgangspunt en zekerheid genomen. In zijn proefschrift uit 1960 over de oorkonden van Werden verklaart Blok dat het in de oorkonde van 8 mei 801 genoemde Salehem wellicht Zelhem zou kunnen zijn. Maar hij twijfelt hier aangezien hij ook Selm in Nordrh.Westfalen als mogelijkheid noemt. Daarmee verkleint hij de opvatting van Zelhem tot 50%. Hoeveel zekerheid heeft men dan nog? Waarop Blok zijn opvattingen Zelhem of Selm baseert blijft onduidelijk.

De visie van Albert Delahaye.
Op veel plaatsen in Nederland claimt men een geschiedenis die van Noord-Frankrijk of Vlaanderen is. De Latijnse namen uit de klassieke oorkonden heeft men zonder daarbij op geografische details te letten, op Nederlandse plaatsen met een (nagenoeg) gelijke naam toegepast. Dat die plaatsnaam een gevolg was van de Deplacements historiques en het hergebruik van plaatsnamen heeft men niet eens onderkend. Evenmin heeft men bekeken of die plaats in het jaar van de oorkonde wel bestond. Als voorbeeld mag Dokkum dienen waar in de tijd van St.Bonifatius niemand woonde en er slechts een overstroomd waddengebied was.


Salehem uit de oorkonde van 8 mei 801 is niet Zelhem maar Escalles in Frans-Vlaanderen op 11 km west van Calais. In 877 is Escalles bekend onder de naam Scalla en Echelle, in de betekenis van 'pente abrupte' (steile helling) wat daar aan de oever van het Almere, ook precies van toepassing is. Het in de oorkonde genoemde Widapa in of bij de villa Salehem gelegen, is Wadenthun onder de gemeente Saint-Inglevert, op 11 km zuidwest van Calais.
Het Sale in Salehem kan ook betrekking hebben op de rivier de Selle, in welk gebied de Salische Franken woonden, welk gebied dat onder de naam Salhom of Salahom bekend stond. Plaatsen in deze buurt zijn Sailly, Sallau, Saolchoy en Sauchy dat als het stamland van de Salische Franken kan worden beschouwd. De Nederlandse naam Salland is pas vele eeuwen later ontstaan en is als doublure met de fabels rond St.Ludger hier terecht gekomen.


Klopt de traditionele opvatting?
In de oorkonde van 8 mei 801 is sprake van de schenking van grond "in loco Widapa in villa Salehem" (in de plaats Widapa, op het landgoed/de boerderij Salahem, dat ook als Selehem voorkomt). In deze oorkonde staat dus niet dat Ludger er een kerk bouwde. De oorkonde wordt behalve door Ludger door nog 7 geestelijken ondertekend. Wie dat waren en waar zij vandaan kwamen of verbleven, wordt niet verder toegelicht.
Het is wel duidelijk dat Salahem in deze oorkonde geen plaats was, slechts een boerderij of landgoed in de plaats Widapa. Gezien het aantal ondertekenaars moet de plaats Widapa toch een belangrijke en grotere plaats geweest zijn. Welke plaats was dat? En waar kwamen de ondertekenaars vandaan of waar verbleven ze?
Blok noemt ten aanzien van de oorkonde uit 801 dat het een kopie betreft uit begin of midden van de 10e eeuw. Vraag blijft of het wel om een kopie gaat of was dat misschien het origineel? Er zijn meer oorkonden bekend die 'ontstonden' om in het bezit van macht of goederen te komen. Voor Widapa geeft Blok in zijn Lexicon geen locatie, ofwel het is voor hem onbekend.

Volgens historicus Ed Harenberg is Widapa identiek aan Wideplo en Weppele en is de locatie thans terug te vinden in de buurtschap Bekveld in de gemeente Bronckhorst. Maar Zelhem ligt niet in Bronkhorst of Weppele wat deze oorkonde toch nadrukkelijk zegt.
Volgens de historie van Hengelo (Gld) was Wideplo identiek aan Weppele. Widapa (=bosbeek c.q. wido-aa) verbasterde later in Wideplo en dat heette later Weppele. Weppele lag aan de Dunsborger Laak tegenover de Banninkskamp, dat deel uitmaakte van het uiteengevallen en verdwenen goed Klein Bannink. Het grensde aan de huiskamp van boerderij Fokking. De Weppelerbeek of Dunsborger Laak stroomde langs de noord- en westgrens van de Banninkskamp. Het grondstuk De Weppele werd later opgenomen in het inmiddels verdwenen landgoed Averenck. Hiernaar is nog wel een boerderij in de buurt genoemd. Op de plek van Widapa is in 2001 een gedenksteen geplaatst (bij de zuiveringsinstallatie). Op wikipedia vinden we: "Weppele is de naam van een boerderij bij Zelhem, waarvan de oudste vermelding uit 1650 stamt". En daarmee wordt dus niets bewezen uit de 9e eeuw.
Op de stafkaart van dit gebied uit 1844 is van de hier genoemde landgoederen niets te vinden. Ofwel het was te onbelangrijk om te vernoemen (dus had geen historische betekenis), ofwel de mythe van Weppele is pas nadien ontstaan.

Bij de Vlaamse toponymist Maurits Gysseling (zie daar) is Widapa Selm en is Wideplo onbekend, maar hij vermeldt wel dat het in Gelderland ligt. Hoe weet hij dat dan als het onbekend is? Als oudste attestatie noemt hij de 13e eeuw. Weppele kent hij helemaal niet. Het staat niet in zijn toponymisch woordenboek.

Gysseling noemt Selehem als de plaats Zelhem. Maar hij noemt als eerste attestatie het midden van de 12e eeuw en dat is ruim 4 eeuwen na St.Ludger. De oorkonde uit 801 noemt hij daarbij niet. Voor Widapa hanteert hij de locatie Selm bij Mnster en noemt daar wel het jaar 801 als bron waaraan toegevoegd wordt 'kopie begin 10e eeuw'. Kopie? Zie hiervoor!
Dit verschil in opvatting of interpretatie is een volgend voorbeeld dat Blok en Gysseling het niet altijd eens zijn met elkaar. Over hoeveel zekerheid gaat het dan nog bij Zelhem?

Rekenkundig betekent het voor de naam Salehem wat Blok in de 10e eeuw (kopie) dateert en Gysseling in de 12e eeuw gemiddeld de 11e eeuw. De locatie van Widapa is bij Blok onbekend (0%), bij Gysseling is het Selm wat bij Blok dan weer voor 50% Salehem is. Harenberg maakt er Wideplo of Weppele van, ook elk 50%. Gemiddeld is dat dus nog geen 17%. En met zoveel onzekerheid meent men de bewijsvoering te hebben dat het Salehem uit 801 Zelhem is en dat Ludger er een kerkje bouwde dat nooit gevonden is.

Gysseling en Blok zijn het wel eens over de naamsverklaring van Salehem. Het HEM is "woonplaats" (denk aan -heim), SALE is "uit n vertrek bestaand gebouw". Beiden hebben hier blijkbaar een 'zaal' voor ogen. Het Etymologisch woordenboek volgt deze opvatting. Heeft deze verklaring misschien als uitgangspunt van het nagebouwde kerkje van Ludger gediend, dat ook uit n vertrek bestond?
Het sale-hem is in deze opvatting feitelijk een pleonasme, want beide delen hebben dezelfde betekenis en hebben betrekking op de woning. Het sale- kent ook echter een andere verklaring en wel die betrekking heeft op de bodem. Denk aan het latijnse solem=bodem of land. Het sale of sele of seele (zeele) in plaatsnamen heeft betrekking op de bodem waarop men leeft. Denk aan Winnezeele, Oudezeele (Oudesele), Dudzele, Vormzeele (Voormezele), Herzeele (2x plaatsnaam, 1x riviertje), Wetersele, Moortsele, Mellingasele, Zermezeele enzovoort, maar ook Borssele of Borsele in Zeeland. Het sele (of zele of zeele: let op de uitspraak, niet op de schrijfwijze) is verwant aan Selo wat 'akker' of 'dorp' kan betekenen. Oldenzaal is feitelijk een onjuiste 'vertaling' van Oudezeele, waardoor Plechelmus er abusievelijk terecht kwam.

Wat weten we nu feitelijk echt?
Ongeveer in het midden van de Achterhoek ligt het lieflijke dorpje Zelhem. Onder historici heeft in de loop der jaren de mening postgevat dat Zelhem het in de klassieke bronnen genoemde Salahem zou zijn. In een oorkonde uit het jaar 801 was voor het eerst sprake van Salehem. Een aantal jaren later werd in het dorp Zelhem een kapelletje gebouwd door St. Ludgerus (St. Liudger). "Ludger was de eerste zendeling die het Evangelie naar de Achterhoek bracht, maar is bij velen onbekend. Willibrord en Bonifatius zijn bekende namen, terwijl zij in de Achterhoek nooit geweest zijn (vermeldt de plaatselijke Ludgerkring). De invloed van Ludger is in die periode erg groot geweest. Maar met wat speurwerk komen we er achter dat hij zijn sporen in de Achterhoek wel degelijk heeft nagelaten. De Ludgerkring Oost-Gelderland wil recht doen aan Ludger en heeft het initiatief genomen om een monument te plaatsen bij restaurant Den Elter in Zutphen". Aldus Job de Gelder in het artikel 'Ludger, zendeling van de Saksen en Friezen' uit 2009 dat in de Kronijck verscheen.
Zoveel goedgelovigheid mag men best verwachten als het over een prediker en zijn kerkje gaat. Maar met historisch onderzoek en het hanteren van de juiste feiten heeft het weinig te maken.
Job van Gelder vervolgt zijn verhaal met: "Uit een akte van 8 mei 801 zou blijken dat er een nieuwe ontginning met de naam Widapa bestond. Veel vermeldt de akte van 801 overigens niet over Zelhem. Enkel dat er een nederzetting was met de naam Salehem en dat er ene Helmbald boerde met zijn zoon. In de akte wordt voor het eerst een veldnaam genoemd die ooit in Zelhem is opgetekend: Widapa. Volgens historicus Ed Harenberg is Widapa identiek aan Wideplo en Weppele en is de locatie thans terug te vinden in de buurtschap Bekveld in de gemeente Bronckhorst." De hier genoemde ontginningen zouden dan al in de 8e of 9e eeuw hebben plaatsgevonden, vr die in Zeeland, die de eerste waren in Nederland en plaats vonden vanaf de 10e eeuw.

Vraag is of de nieuwe ontginning al Widapa heette voordat het in 801 in de oorkonde terecht kwam, of kreeg het de naam vanuit de onjuiste toepassing van die oorkonde?

Die vroege ontginning in de 8e eeuw komt in elk geval niet overeen met de algemene ontginningsgeschiedenis in Nederland. Ook komt de interpretatie van Van Gelder niet overeen met wat er in de Latijnse tekst staat. Daar staat duidelijk dat Widapa de plaats is en Salehem een villa in die plaats. Van Gelder draait het om en noemt Salehem de nederzetting en Widapa een veld in die nederzetting.

Wat weten we over de oudste kerk in Zelhem.
De oudste kerk van Zelhem zou in 801 gesticht zijn door St.Ludger. Ludger werd de eerste bisschop van Mnster en bouwde in Werden een Benedictijner klooster. Hij werd er ook begraven, net als een aantal van zijn familieleden.

Overtuigd van de historische waarheid heeft men in Zelhem ook het kerkje van St.Ludger nagebouwd (zie afbeelding hiernaast). Het is vergelijkbaar met het Varusmonument in Varsseveld: een goedgelovige mythe. Dit kerkje stond aanvankelijk in het centrum van het dorp, maar is verplaatst naar het museum Smedekinck aan de rand van Zelhem.
Maar van die oudste kerk is archeologisch nooit iets gevonden, wat blijkt uit de officile opgravingverslagen van de ROB (Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek) en de KNOB (Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond) die hieronder volgen. Zowel in 1946/1947, in 1951, als in 1959 is archeologisch onderzoek verricht in de oude St.Lambertikerk van Zelhem

Wat staat er in de opgravingverslagen?
Het laatste onderzoek in 1946 gold de kerk te Zelhem. Evenals in 1947 te Horst stond dit onderzoek onder leiding van de wetenschappelijke assistent J. G. N. Renaud.
"Het bijzonder mooi gelegen kerkgebouw met romaanse toren en gothisch schip bleek nog de fundamenten van verschillende oudere gebouwen in de bodem bewaard te hebben. Het oudste, in oersteen gebouwde kapelletje van 4 X 6 m, aangelegd op een reeds oudtijds voor begraving gebruikt terrein, lag in het huidige koor en binnen dat van een romaanse kerk. Naar men wil dateert dit kapelletje uit de tijd van de Kerstening. Deze kapel is vervangen door een langgerekte, torenloze, eenschepige, 27,20 m metende zaalkerk met onversneden rond koor. Het bouwmateriaal was tuf en oersteen. Terwijl de stenen van de fundering van het kapelletje zonder meer in het zand gestapeld waren, had men bij de tweede kerk gebruik gemaakt van vrij regelmatig bewerkte oersteen en witte mortel. Deze zaalkerk is naderhand vergroot tot een drieschepig gebouw met Oostelijk absidaal gesloten zijbeuken. De onderste geleding van de huidige toren, behoort tot dit gebouw."

Het 'naar men wil' vormt geen enkel archeologisch bewijs, evenmin dat 'de tijd van de kerstening' een feitelijke datering oplevert. Op de plattegrond (zie afbeelding hieronder) bij dit verslag staat overigens dat het oudste deel van het kerkje uit de 10e eeuw dateert.


De dateringen van de verschillende bouwfasen van de oude kerk in Zelhem.


Renaud, J.G.N., 1959: Nogmaals de kerk van Zelhem, Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 9, 189-198.
De opgraving van de kerk te Zelhem, die ik van eind oktober tot half december 1946 heb uitgevoerd, was bepaald geen gemakkelijke onderneming. "De toestand van het gebouw baarde veel zorg en het gevaar bestond dat het blootleggen van de funderingen verzakkingen van het muurwerk zou veroorzaken, waarvan de gevolgen nauwelijks te peilen waren. Op bepaalde punten mocht derhalve niet gegraven worden, op andere dwongen de omstandigheden tot afzien van het zo zeer gewenste detailonderzoek. Een en ander veroorzaakte soms een gevoel van onvoldaanheid; van tijd tot tijd besloop ons de twijfel aan de mogelijkheid, om de geschiedenis van het heiligdom met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen".

"Met deze relatieve chronologie komt tevens de vraag naar een absolute datering op de voorgrond. Hier zijn onze mogelijkheden nog niet veel groter dan in 1946 of 1951. We behoeven wel niet meer op het oude werk van Tibus terug te vallen, sinds Albert K.Homberg in 'Westfalische Forschungen', Band 6 (1942-1952) zijn uitstekende 'Studien zur Entstehung der mittelalterliche Kirchenorganisation in Westfalen' publiceerde. Ook Homberg gaat er van uit, dat de kerk van Zelhem omstreeks 800 door Ludger gesticht is (p. 88-90). Over de verdere ontwikkeling laat hij zich niet uit, daar deze buiten het kader van zijn studie valt. Het is trouwens de vraag, of het oorkondenmateriaal van het bisdom Munster en de abdij van Werden inderdaad gegevens bevat, voor de bouwgeschiedenis van onze kerk voor 1200 van belang. Schrijver hoopt zeer, dat te zijner tijd iemand zich met deze materie zal willen bezig houden. Zo lang dit niet gebeurd is, moeten we ons met globale dateringen tevreden stellen."


Het is wel duidelijk dat de globale dateringen en 'de schrijver hoopt' geen feitelijk bewijs wordt geleverd. Het onderzoek 'gaat er van uit' en 'valt buiten het kader van zijn studie' zijn eveneens aanwijzingen dat het archeologisch onderzoek geen enkel feitelijk bewijs oplevert.

Ondanks de duidelijkheid van het archeologisch onderzoek, blijft men de mythe handhaven.

Behalve tekstueel is er ook archeologisch geen enkel bewijs voor het bestaan van een kerkje van Ludger uit de 8e/9e eeuw in Zelhem.


Het verhaal van Zelhem is vergelijkbaar met dat van Varsseveld en van veel andere plaatsen in Nederland, waar door ondeskundig geschrijf historische gebeurtenissen worden geplaatst. De bewijzen ontbreken, maar de mythen zijn niet meer weg te krijgen.

Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.