De historische geografie van de lage landen.
Terug naar Amersfoort. Naar het overzicht in het kort.

200 jaar katholiek lager onderwijs in Amersfoort.

Mythen in de geschiedenis van de Amersfoortse scholen.

De geschiedenis van Amersfoort kent meerdere onjuistheden en mythen.
Ook in de geschiedenis van de plaatselijke scholen kom je ze tegen. In het boek over 200 jaar katholiek lager onderwijs Amersfoort worden er een aantal genoemd. Hopelijk volgt daaruit dat deze nu eens in volgende publicaties gecorrigeerd worden en vanwege de in historische kring bekende naschrijverij niet steeds opnieuw opduiken.

Deze plaatselijke historisch onjuiste opvattingen staan symbool voor veel landelijke opvattingen. Zonder onderbouwing worden beweringen gedaan, die vervolgens als ware geschiedenis in publicaties verschijnen. De naschrijverij zorgt er vervolgens voor dat deze in diverse boeken worden gedupliceerd en schier onmogelijk kunnen worden rechtgezet.

De voorbeelden hiernaast lijken van weinig betekenis, maar geven wel de wijze aan waarop historische opvattingen tot stand kwamen en nog steeds komen.
Zonder bronnen te controleren schrijft en praat men elkaar na en komt tot onjuiste beweringen. Wat bij de eerste historicus een mogelijkheid is, wordt bij de volgende waarschijnlijk en bij een derde een zekerheid. Zo kwamen en komen nog steeds veel mythen tot stand


Klik op de afbeelding voor een vergroting.


Uit deze voorbeelden blijkt ook dat historisch juist geachte bronnen, toch onwaarheden kunnen bevatten.
En dit nu is precies de kern van de studie van Albert Delahaye. Er is veel beweerd in het verleden, maar weinig tot niets bewezen van de geschiedenis in het eerste millennium.


De indeling in 3 klassen zoals die in de scholen bestond, zag men ook op andere plaatsen in de maatschappij. Zo hadden treinen en wachtkamers op stations aanvankelijk ook 3 klassen. De 1e klas en 2e klas werden vaak samengevoegd in één wachtkamer, de 3e klasse had een aparte wachtkamer. Naar de reden van scheiding in klassen hoeft men niet te raden. Dat bestaat in veel landen nog steeds. De indeling in klassen is overigens ook in ons land nog niet overal verleden tijd. In treinen bestaat nog steeds een 1e en een 2e klas, in de luchtvaart een 1e klas voor de business-klanten en een klasse voor het overige volk.


Hardnekkige fouten.
In eerdere publicaties over de geschiedenis van het lager onderwijs in Amersfoort blijken een aantal hardnekkige fouten voor te komen. Hardnekkig omdat latere auteurs zich voor hun bevindingen steeds weer baseren op eerdere auteurs. Het gaat daarbij met name om de boeken van C.A.Kalveen en M.L.J.Meijer.
Als voorbeeld mag de armenschool voor meisjes dienen. Volgens Kalveen werden de kostschool en de armenschool voor meisjes gelijktijdig geopend op 26 november 1824 (Onderwijs te Amersfoort, 1964 p. 31); volgens Meijer zou pas in 1860 een officiële goedkeuring gegeven worden voor het stichten van een katholieke armenschool voor meisjes (Onderwijs in Amersfoort 1850-1920, 2004, p. 106). Beide auteurs hebben het onjuist. De werkelijkheid is dat de armenschool voor meisjes werd opgericht in 1859 en dat de goedkeuring die al in 1824 verkregen werd, toen niet geëffectueerd werd. Bron: Notulenboek 3: 1859-1885; vergadering d.d. 1 juli 1859.
Overigens zijn bij beide auteurs meerdere onjuistheden te vinden. Soms betreft het kleine verschillen in initialen of tussenvoegsels van eigennamen, soms ook grote verschillen of gewoon misvattingen, zoals in de opheffing van de armenschool in de Breestraat. Die vond niet plaats in 1923, maar in 1933. Omdat ook anderen regelmatig deze als vakkundig te boek staande werken als naslagwerk hanteren en er in eigen publicaties daar ook naar verwijzen, treffen we ook in latere publicaties weer dezelfde misvattingen aan.
De werkwijze van klakkeloze naschrijverij blijkt in de historische literatuur een onuitroeibaar fenomeen. Zonder de bron te controleren schrijft men anderen op hun woord of op grond van hun titel of vermeende deskundigheid (een professor zal het toch wel weten) klakkeloos na. Een eenmaal gemaakte fout of vergissing blijft in de historische literatuur dan ook eindeloos rondzingen. De geschiedenis van Nederland in het eerste millennium, net als het begin van de geschiedenis van Amersfoort en omgeving, zit er vol mee.


De Onze Lieve Vrouwetoren, het bekendste historische monument van Amersfoort, hier uitgevoerd in tegels als muurornament.
De Latijnse school was niet de voorganger van het JvO. Liefst 16 breuken geven de onjuistheid van deze opvatting aan.

De nauwkeurige vaststelling van de ouderdom van het Johan van Oldenbarvelt gymnasium (ook Grote schole, later Latijnse school genoemd) en de ligging ervan in de middeleeuwen vormen een verwarring scheppend verhaal. Twee auteurs, te weten Hovy en Beylsmit, komen tot juiste conclusies over de ouderdom van de school. Zij stellen: het traditionele stichtingsjaar 1376 is fantasie; de eerste nauwkeurig op jaartal gedateerde vermelding in een officieel eigentijds document, namelijk het Resolutieboek van de stad, dateert pas van 1437. Terecht meenden beide auteurs, dat de school in de 14de eeuw al wel bestond. Zij maken dit op uit oude mededelingen over de geestelijke Willem Hendriksen. Vóór 1398 bestond de school al volgens Hovy, die zich baseert op een indirecte mededeling in de kroniek van Sint Agnieten; vóór 1399 volgens Beylsmit, die er op wijst dat het bij Van Bemmel gebruikte jaartal 1380 fout is (Bron: Tijdschrift Flehite juni 1988).

De algemene gedachte, die zelfs op internet is terug te vinden, dat de Middeleeuwse Katholieke Latijnse school uit 1337 de voorloper zou zijn van het huidige Stedelijke Openbare Johan van Oldenbarnevelt gymnasium is een mythe. Op internet leest men ook dat 1376 als stichtingsjaar wordt aangehouden. De opvatting van 'voorloper van' dient herzien te worden. Er is geen enkele continuïteit tussen de Middeleeuwse Katholieke Kanunniken school uit 1337 en het huidige Openbare Van Oldenbarnevelt gymnasium. Er zijn een zestiental breuken (enkele zeer ingrijpend, andere van minder betekenis) aan te geven tussen de Katholieke Latijnse school uit 1337 en het huidige Openbaar Van Oldenbarnevelt Gymnasium, zowel in de naamgeving, de geloofsrichting, de inhoud van het onderwijs, als in de plaats van de school en het schoolgebouw. Slechts het vak Latijn zou de enige relatie geweest kunnen zijn, hoewel dat vak zeker niet altijd gegeven werd, zoals tussen 1587 en 1655 (tijdens de 80-jarige oorlog), omdat Latijn werd gezien als de taal van de Katholieke Kerk (wat het ook was).

Wat zijn de feiten?
  1. In 1337 bestond in Amersfoort een Kapittelschool verbonden aan het kapittel van de katholieke St.Joriskerk op Den Hof. Er werden jongens in de leeftijd van 8 tot 15 jaar opgeleid voor een functie binnen de Katholieke kerk (protestantisme bestond toen nog lang niet).
  2. In 1437 (of al eerder in 1376? daarover zijn de bronnen niet eenduidig) werd deze kapittelschool omgezet in de Latijnse school. De Latijnse of Grote school is zeer als kapittelschool begonnen: men gaf onderricht in het Latijn en de Latijnse gezangen. De Latijnse School heeft tot ver in de 16e eeuw, onder leiding van de geestelijkheid en met steun van de Broeders des Gemenen Levens, grote bloeiperioden gekend. Maar onder invloed van godsdienstige en politieke ontwikkelingen zijn er ook tijden van terugval gekomen. Deze school was nog steeds een Katholieke school, verbonden aan de St.Joriskerk. Deze omzetting van Kapittelschool naar Latijnse school was de eerste breuk in de continuïteit van de school. Deze Latijnse school was ook nog steeds alleen een school voor jongens.
  3. In 1587 werd de katholieke signatuur van de Latijnse school in opdracht van de Geuzen opgeheven en kreeg de school na zes jaar gesloten geweest te zijn in 1593 een gereformeerde status. Dit was de tweede breuk. Van een continuïteit of voortzetting van de Latijnse school was toen al geen sprake meer. Van 1574 tot 1587 is Magister Johannes Gesselius tot ieders tevredenheid rector. Onder druk van gereformeerde zijde wordt hij, ondanks zijn bekwaamheid, in 1587 ontslagen. Dit betekent het einde van de bloeitijd voor de school. Het stadsbestuur van Amersfoort heeft zich in 1579 al afgewend van de katholieke leer en de trouw aan de koning (van Hispanje).
  4. Als men vervolgens in 1594 onzeker is over wie er als rector benoemd kan worden, wendt het stadsbestuur zich tot "den grooten Amersfoorter, den Here Oldenbarnefelt" om raad. En deze zendt een aanbeveling van Gesselius, die toen te Leiden werkzaam was. Met de komst naar Amersfoort van Gesselius voor de tweede keer, komt er een einde aan de wanorde op de school. In 1594 wordt onder rector Gesselius compleet nieuw personeel aangesteld. De Katholieke signatuur verdwijnt (op papier!) definitief, wat we als de derde breuk kunnen beschouwen.
  5. In 1619 wordt Gesselius opnieuw door het Stadsbestuur ontslagen, op aandrang van de classis (de notabelen). Gesselius die de katholieke leer trouw bleef, kan in de ogen van de provinciale synode niet gehandhaafd blijven. De school heeft in de loop der tijden verschillende onderkomens gehad. Voorheen was de school ondergebracht in een gebouw aan de Appelmarkt, dat in 1622 tot Waag werd ingericht. Het verhuizen en ontslag van de rector betekende een vierde breuk in de continuïteit van de school.
  6. In 1622 werd de school verplaatst naar het gebouw van het geconfisqueerde Agnietenklooster, wat een vijfde breuk betekende. Deze ‘verplaatste’ gereformeerde school dient als een nieuwe school beschouwd te worden, mede omdat de doelstellingen van deze school wijzigden. Of er in die tijd het vak Latijn onderwezen werd, kan ernstig betwijfeld worden. Latijn was immers de taal van de Katholieke kerk en van de verboden godsdienst.
  7. In 1655 wordt een resolutie aangenomen tegen alle Latijnse, Franse en Duitse bijscholen. Al deze scholen worden opgeheven en verdwijnen dus. Het betekent een zesde breuk van meer dan anderhalve eeuw, waarin weinig met zekerheid bekend is over de bestaande scholen of hun voortzetting. Veel feitelijke gegevens over deze periode ontbreken ook.
  8. Het Kapittel van de Oud-Katholieke kerk stimuleert, zowel financieel als spiritueel, de uitbouw voor vijf à zes jongens van de reeds bestaande kostschool van pastoor Petrus Reinders in de Muurhuizen. Hoewel het hier gaat om een stichting (ca. 1723) met een katholiek karakter, blijkt de stedelijke overheid weinig moeite te hebben met dit initiatief. De leerlingen zullen worden ingeschreven aan de openbare Latijnse School wat de magistraat als een voordeel bespeurt. Immers, de toestand van de Latijnse School is zorgwekkend. Door het geringe aantal leerlingen heeft men twee van de vier docenten moeten ontslaan. Om aan de bezwaren van een aantal geestelijken tegemoet te komen, belooft de stedelijke overheid, dat men streng zal toezien op het zedelijke gedrag van docenten en leerlingen. Men hoopt nu snel weer op vier docenten te komen. Belangrijke beslissingen zullen worden genomen in overleg met de leiding van de kostschool en 'verderfelijke' schrijvers als Ovidius, Homerus en Herodotus (die in het Latijn schreven) zullen niet meer worden gelezen. Desondanks blijft de strijd over het al dan niet bezoeken van de Latijnse School onder de pastoors nog voortbestaan, zodat het maar een haar heeft gescheeld of het hele plan was in duigen gevallen. In oktober 1722 waren er slechts twee leerlingen van de Clerezij op de Latijnse school in Amersfoort. (Bron: Archeologie en geschiedenis van een bouwplaats, 1988, p.86) De Clerzij was de Oud-Katholieke Kerk die in de Muurhuizen (op de plaats van de Zorgresidentie Het Seminarie) een kerk had onder het patronaat van Willibrord en Bonifaius, momenteel onder St.Georgius (is St.Joris), waar ook (de resten van) het miraculeuze beeldje van Onze Lieve Vrouw van Amersfoort uit 1444 bewaard worden.
  9. In het reglement van de Clerezij (het Seminarie van de Oud-Katolieken) in 1723 is sprake van 'de Franse meester en de meester in de Latijnse taal, die de jongelui buiten het onderwijs aan de Latijnse School, in het Seminarie les gaven'. (Bron: Archeologie en geschiedenis van een bouwplaats, 1988, p.88). Het betekent dat er op de Latijnse school geen of slecht onderwijs in de Latijnse taal werd gegeven en dit onderwijs werd gegeven in het Seminarie, dus niet op school. Een zevende breuk.
  10. De band met het Johan van Oldenbarneveldgymnasium en het Seminarie, is werkelijk een band, niet zomaar een vluchtig contact. Verleden tijd natuurlijk, zoals het gymnasium ook moeilijke tijden meemaakt van ongunst en tegenwind. Ooit heeft het Seminariebestuur de stad Amersfoort zoveel garanties gegeven dat er toch een pro-gymnasium kwam, ondanks het minimale aantal leerlingen. (Bron: Archeologie en geschiedenis van een bouwplaats, 1988, p.96). Hier zou je uit af kunnen leiden dat het Johan van Oldenbarneveltgymnasiusm zijn bestaan te danken heeft aan de Oud-Katholieke Clerezij. Zonder de steun van het Seminarie zal er wellicht in Amersfoort geen pro-gymnasium (zie punt 14) gesticht zijn.
  11. De hiervoor al genoemde 'zorgwekkende toestand' blijft van ca. 1799 tot 1820 bestaan. Er is geen sprake van een behoorlijk schoolgebouw: de leerlingen krijgen lange tijd les bij de rector en conrector aan huis, totdat de school tijdelijk een onderkomen vindt in het pesthuis op het terrein van de Armen de Poth. Het curatorium weet tenslotte na enige jaren van inspanning te bewerkstelligen dat er een ander pand in de Herenstraat wordt gekocht, het deel van het St. Barbaraklooster. In deze ruimte wordt van 1820 tot 1880 onderricht gegeven, niet alleen in Grieks en Latijn, maar ook in geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde. Deze perode van onzekerheid en enkele verhuizingen van gebouw kunnen we beschouwen als een achtste breuk.
  12. In 1812 worden de Ecoles Secondaires gesticht, waarin de gereformeerde school met de bestaande (sinds 1799?) Franse school verenigd werd. Het was de negende breuk in de continuïteit van de scholen. Er was toen sprake van een totaal nieuw schoolconcept en de gereformeerde school werd een stedelijke school en het werd toen openbaar onderwijs. Het was nog steeds een school alleen voor jongens. Of op deze openbare school Latijn gegeven werd is geheel onzeker. Frans was toen de voertaal van de deftige klasse en zeker niet Latijn dat slechts door de gegoede stand gehanteerd werd, zoals juristen, apothekers en artsen, en natuurlijk de Katholieke Kerk.
  13. Vanaf 1818 wordt de inrichting van het onderwijs naar Frans voorbeeld "gemoderniseerd": wiskunde, aardrijkskunde en geschiedenis worden ingevoerd en krijgen een bescheiden plaats in het lesprogramma. De eerste leraar die deze lessen op zich neemt -hij hoeft niet afgestudeerd te zijn, maar slechts vakbekwaam- is Jacob Borst. De wijziging van het lesprogramma kunnen we beschouwen als de tiende breuk.
  14. In 1876 werden met de nieuwe wet op het hoger onderwijs de stedelijke Ecole Secondaire en de landelijk nog bestaande Latijnse scholen (in Amersfoort bestond deze al niet meer) opgeheven en omgezet in een pro-gymnasium. De Hoger Onderwijswet van Van Heemskerk gebiedt een nieuwe inrichting van voorbereidend hoger onderwijs aangepast aan de eisen van de tijd. Belangrijk is dat naast de klassieke talen ook de moderne talen en natuurlijke historie zullen worden onderwezen. Geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde krijgen bovendien eindelijk hun volwaardige plaats in het rooster. Het zogenoemde gymnasium als onderwijsvorm bestaat in Amersfoort sinds 1882, in navolging van de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876, wat de elfde breuk betekende in de continuïteit.
  15. De onderwijswet van 1876 had als doel de oude Latijnse scholen te laten verdwijnen of om te vormen tot een moderne onderwijsvorm, het gymnasium. Het wordt een discussiepunt tussen de rector met conrector, het curatorium, B. en W. en de Gemeenteraad van Amersfoort. Het pro-gymnasium uit 1880 vormt het feitelijke begin van het stedelijk Gymnasium (juister is het jaartal 1882: zie volgende punt). In 1879 start het pro-gymnasium met 27 leerlingen. Het was in feite de twaalfde breuk in de continuïteit van de school. Over de oprichting zegt rector D. Burger in zijn feestrede, uitgesproken bij het vijfde eeuwfeest der Latijnse school, "dat het jaar 1376 als mogelijk stichtingsjaar wordt aangenomen. Er bestaan echter geen archiefstukken die deze veronderstelling staven".
  16. In 1882 komt de definitieve doorbraak: al snel na een nieuwe beslissing van de raad volgt de afkondiging van het Koninklijk Besluit door Koning Willem III tot de vorming van het stedelijk gymnasium te Amersfoort. In deze periode dringt het curatorium aan op de bouw van een eigen school: dit wordt het (tijdelijk) gebouw aan de Westsingel, waar de school een onderkomen vindt tot 1933. De school start er met 41 leerlingen, maar wegens de toename van het aantal leerlingen ontstaat er vrij snel ruimtegebrek, omdat er zowel in de vijfde als de zesde klassen B-klassen zijn, die afzonderlijk les in wiskunde moeten krijgen. De overgang naar de Westsingel kunnen we beschouwen als de dertiende breuk.
  17. Pas in 1899 werd op dit pro-gymnasium het eerste meisje toegelaten, wat we als een veertiende breuk kunnen beschouwen. Tot die tijd was deze school steeds een jongensschool. Feitelijk is pas vanaf 1899 sprake van het stedelijk Gymnasium voor jongens en meisjes met de doelstellingen die heden nog worden gehanteerd, al werden de vakken tekenen en gymnastiek pas in 1919 ingevoerd.
  18. In 1933 volgt een vijftiende breuk toen de school verhuisde van de Westsingel naar een nieuw gebouw, ontworpen door stadsarchitekt C.B. van der Tak, aan de Groen van Prinstererlaan. Toen kreeg het Stedelijk Gymnasium ook pas de nieuwe naam van Johan van Oldenbarnevelt en zo kent Amersfoort sinds 1933 het Johan van Oldenbarnevelt Gymnasium, in feite sinds 1882 pas een 140-jarig bestaan in 2022.
  19. In 1951 werd een Gedenkboek Johan van Oldenbarnevelt Gymnasium ter gelegenheid van het 575-jarig jubileum uitgegeven, waarop de navolgende Gedenkboeken gebaseerd zijn, zoals het Gedenkboek Stedelijk Gymnasium Johan van Oldenbarnevelt 1376-2001, onder redactie van Katja Groenendal, Marije Osnabrugge en Corry Samson. De eenmaal aangenomen opvatting als opvolger van de Latijnse School werd hierin steeds herhaald, zonder het noodzakelijke en nauwkeurige bronnen-onderzoek te doen.
  20. In 1993 verhuisde de school vervolgens naar het Thorbeckeplein, het huidige gebouw. In 2018 werd het onderwijs wegens een verbouwing tijdelijk gegeven in een onderkomen in de wijk Liendert. Het Amersfoortse gymnasium zit sinds februari 2020 weer in het gebouw aan het Thorbeckeplein (sic: zie hieronder de wet van Thorbecke uit 1863). We kunnen deze verhuizingen beschouwen als de zestiende breuk in de continuïteit van de school.

Men kan dus niet blijven volhouden dat het JvO een opvolging was van de Middeleeuwe Latijnse school als het gaat om de kwaliteit en de inhoud van het onderwijs en de plaats bam de school. Dat blijkt wel uit "De Geschiedenis van de school in Nederland vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd" (van P. Boekholt en E. de Booy, 1987) dat een uitvoerig hoofdstuk over de Wet op het middelbaar onderwijs bevat.
De meeste leraren hadden weinig pedagogische kwaliteiten en ze probeerden de leerlingen met geschreeuw aan het werk te krijgen. Wie niet luisterde, kreeg een preek van de rector en moest op de achterste bank in de klas zitten, in de hoop dat de smalende blikken van de laatstejaars hem tot inkeer zouden brengen. De lokalen waren kaal en zonder enige luxe ingericht. Ook met de lesinhoud was het waarschijnlijk tobben geblazen, aangezien meerdere 'docenten' onbevoegd waren. Aan de kwaliteit van deze scholen werden geen duidelijke eisen gesteld. In de wet van 1863 van Thorbecke die voorzag in de oprichting van middelbare scholen, waarin voorschriften werden gegeven omtrent de huisvesting en het vakkenpakket. De gymnasia vielen niet onder de wet van Thorbecke. Die mochten zelf bepalen hoe hun onderwjs werd ingericht. De inspectie hield daar dan ook geen toezicht op (i.c. p.195).

Men kan dus moeilijk volhouden dat er van enige continuïteit sprake is geweest en dat het openbaar gymnasium een voortzetting was van de Katholieke Kanunnikenschool.
Zolang men als bronnen het Gedenkboek van het Stedelijk Gymnasium uit 1951 of het boek van M.L.J.Meijer uit 2004 blijft hanteren, waar in beide boeken meerdere onjuistheden staan, zal die onjuiste geschiedenis nooit gecorrigeerd worden. Het wijzigen van eenmaal voor waar aangenomen geschiedenis die onjuist blijkt te zijn, is een algemeen correctief probleem in historisch Nederland. Het komt op meer plaatsen voor, zoals in Schiedam waar de oudste school voor voortgezet onderwijs het Stedelijk Gymnasium Schiedam is met een historie die ook terug zou gaan tot 1346. Maar dit stedelijk gymnasium vertoont dezelfde breuken als het Van Oldenbarnevelt Gymnasium in Amersfoort. Ook die geschiedenis is onjuist.

De Parochiale Jongensschool is niet afgebeeld.
Op de prent van pastoor Henricus Blom in 1883 ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum als priester te Amersfoort (zie hiernaast), staan enkele gebouwen afgebeeld die hij gesticht heeft. Op deze prent is de St.Aloijsiusschool (hier geschreven als Alouisius) afgebeeld, de school die pastoor Blom stichtte in 1869. Deze Parochiale Burgerschool was gevestigd in het pand op Kampstraat 5, dat bekend staat als "De Gekroonde Bijenkorf". Op deze prent is echter het schoolgebouw uit de Breestraat afgebeeld, dat bekend stond als de 'Armenschool' en de naam St.Vincentiusschool droeg. De naam St.Aloysiusschool kreeg de school pas later: na 1885 of zelfs pas na 1920. Daarover zijn de bronnen niet eenduidig. Zeker is wel dat de 'opvolger' van deze armenschool in 1933 verplaatst werd naar het Dupontplein en de naam St.Aloysiuschool kreeg (of behield).

Links de afbeelding van de school op de prent, rechts De Gekroonde Bijenkorf. Dit gebouw bestond reeds in 1687 in de huidige vorm en is dus niet verbouwd na 1884 toen de school er geen gebruik meer van maakte.

Op deze prent is dus niet de St.Aloysius Parochiale Burgerschool afgebeeld, maar de St.Vincentius Jongensschool in de Breestraat. Deze Jongensschool stond ook bekend als de Armenschool.

Meer informatie hierover vind je in het boek "200 jaar katholiek lager onderwijs Amersfoort".


Het stichtingsjaar van de Congregatie van O.L.Vrouw van Amersfoort was niet 1822 maar 1824.
Algemeen hanteert men de opvatting dat de Associatie Van Werkhoven & Co, waaruit in 1888 de congregatie van O.L.Vrouw van Amersfoort is voortgekomen, begon op 29 juli 1822.
Deze datum wordt aangehouden omdat in een brief van pater Wolff daarvan melding zou zijn gemaakt. In de brief is echter geen sprake van de stichting van een zusterorde, maar wordt door pater Wolff de wens uitgesproken zo'n orde te stichten. De realisatie van deze wens zou pas 2 jaar later plaats vinden.
De stichtingsdatum van de Associatie Van Werkhoven & Co zal nog ruim twee jaar op zich laten wachten. Immers pas op 13 november 1824 werd ten overstaan van notaris H.A. Vlieckx deze associatie formeel vastgelegd in een stichtingsakte. In hetzelfde jaar 1824, op 23 of 24 juli, legden de zusters ook voor het eerst hun religieuze geloften af in de handen van pater Wolff S.J., volgens de regel van de Soeurs de Notre Dame en voor de duur van één jaar. Deze plechtigheid had plaats in de parochiekerk, de kerk van Sint Franciscus Xaverius aan ‘t Zand. Die kerk, een oude jezuïetenstatie, droeg de naam ‘Soli Deo Gloria’, een devies dat nog steeds in gouden letters op de voorgevel van de kerk prijkt. De ‘kloosterorde’ begon met drie vrouwen, meisjes feitelijk nog, te weten de dames M.M.C. van Werkhoven uit Utrecht, J.M. Pijpers en M. Stichters. In het jaar 1827 zou de orde uitgroeien tot zeven leden, maar toen was Maria van Werkhoven helaas al overleden.
Dat de orde begonnen zou zijn met 7 zusters is een ander misverstand. Het waren er slechts drie. Pas in 1827 werd het aantal van 7 bereikt.

In oktober 1823 richtte het bestuur van de R.C.Armenschool zich met een verzoek tot de gemeentelijke overheid om een Kostschool en Armenschool voor meisjes te mogen stichten. Dit is een opmerkelijk gegeven waarmee aangetoond is dat de stichting van de meisjesscholen het initiatief was van het bestuur van de Rooms Catholijke Armenschool en niet van de ‘zusters van O.L. Vrouw’, zoals de congregatie later heette, wat wel steeds gesteld werd. Ook hieruit is op te maken dat in oktober 1823 de congregatie nog geen aanvragen bij de gemeente kon indienen, dus nog geen rechtspersoon was en de stichtingsdatum van 1822 op een misverstand berust.

Zie voor verdere informatie het hoofdstuk over ‘Het begin van het klooster van O.L. Vrouw van Amersfoort’ in het hiervoor genoemde boek.

De stichtingsdatum van de Armenschool voor meisjes was niet 1823 maar 1859.
De Armenschool in de Breestraat was een gemengde school, want er zaten zowel jongens als meisjes op. Deze armenschool zou tot 1859 een gemengde school blijven, totdat de meisjes naar een eigen Armen Meisjesschool gingen, die bij de zusters van O.L. Vrouw van Amersfoort in de Muurhuizen werd gesticht. Hoewel al in 1824 door het gemeentebestuur toestemming tot oprichting van aparte armenschool voor meisjes, tevens kostschool, werd dit niet uitgevoerd. Uit het verdere verloop van de geschiedenis blijkt dat de splitsing van de Armenschool in een aparte school voor jongens en een aparte school voor meisjes pas in 1859 werkelijk tot stand kwam. Tot 1859 zaten er ook gezien de leerlingenopgaven steeds meisjes op de Armenschool in de Breestraat.


Amersfoort heeft ook een R.K. kostschool voor jongens gehad.
Behalve een R.K.kostschool voor meisjes, heeft in Amersfoort tussen 1870 en ca.1884 een R.K.kostschool voor jongens bestaan. De R.K.kostschool voor meisjes is algemeen bekend omdat deze langer bestaan heeft (1824-1981) en vanaf 1843 gevestigd was in het in Amersfoort bekende 'huis met de paarse ruitjes' aan de Zuidsingel, het voormalige woonhuis van Benjamin Cohen. In 1933 is deze kostschool verplaatst naar Ter Eem waar deze tot 1981 bestaan heeft. Daarna is de kostschool opgeheven wegens gebrek aan kostleerlingen
De R.K.kostschool voor jongens was in de jaren van bestaan gevestigd in het pand dat nu bekend is als "De Gekroonde Bijenkorf" op de Kamp. In dat pand was ook de Parochiale Burgerschool gevestigd. Veel interne leerlingen heeft deze kostschool nooit gehad. Het zijn er nooit meer dan een tien à twaalf geweest. Met het opheffen van de Parochiale Burgerschool vanwege de te hoge kosten, werd ook de kostschool gesloten. De burgerschool werd weer teruggeplaatst in het gebouw van de R.K.Jongensscholen in de Breestraat.

Namen van personen.
In de namen van personen komen in verschillende publicaties ook onjuistheden voor die steevast herhaald blijven worden. Van augustus 1865 tot januari 1867 was er een burgerschool in Amersfoort, onder leiding van R.J.J. Swarte, zoals M.Meijer in zijn boek over 'Onderwijs in Amersfoort' vermeldt. Deze school wordt omschreven als de R.K. School (voor Jongens) uit de gegoeden stand. R.J.J. Swarte is hoofdonderwijzer in de Nederlandsche, Fransche, Duitsche en Engelsche talen. Deze school was gevestigd in de Breestraat. Naspeuringen in het stadsarchief van ’s-Hertogenbosch waar Swarte nadien naartoe verhuisde, leveren ons de voornamen Rudolphus Joannes Ignatius op. Hij heette dus niet R.J.J. Swarte, wat Meijer e.a. auteurs menen, maar R.J.I. Swarte, precies wat het adresboek van de gemeente Amersfoort ook vermeldt. Deze voorbeelden geven aan dat enkele onderzoekers in het verleden niet altijd erg nauwkeurig te werk zijn gegaan. Blijkbaar hebben ze niet alle bronnen zorgvuldig nagezocht, iets wat helaas vaker voorkomt bij historisch onderzoek. Echter hun onjuiste of onvolledige bevindingen vindt men wel steeds terug in publicaties die daarna verschenen.

De eerste Montessorischool in Amersfoort was in 1922 de katholieke Juliakleuterschool.
Op maandag 18 september 1922 werd de Julia fröbelschool in gebruik genomen. Deze school ging werken volgens de richtlijnen van Maria Montessori en was daarmee de eerste Montessorischool in Amersfoort. De school is ook door Maria Montessori zelf bezocht. Er bestaat een bericht van een Montessoriklasje in de openbare lagere school aan de Vondellaan dat op 3 mei 1923 begonnen zou zijn. Het werd de eerste Montessorischool van Amersfoort genoemd, maar was de tweede Montessorischool/-klas. Of dit klasje is uitgegroeid tot een volwaardige school of deel uitmaakte van een reguliere kleuterschool is onduidelijk. De Montessorischool aan de Utrechtseweg (nu de Palas Athene school) gesticht in 1924 zou dan de derde Montessori kleuterschool in Amersfoort zijn geweest.

De St.Jorisschool was vanaf 1923 gesplitst in een A- en een B-school. De B-school werd wel de Klompenschool genoemd, maar was geen armenschool.
In 1910 start de St. Jorisschool geleid door de fraters van Utrecht met vier klassen aan de kadezijde. De eerste 106 leerlingen kwamen van de burgerschool in de Breestraat die hiermee feitelijk verplaatst werd. Tot In 1923 is het één school, met ook slechts één hoofdfrater. In 1923 wordt deze school gesplitst in twee afzonderlijke scholen, de A- en de B-school, gekwalificeerd als de burgerschool en de ‘klompenschool, met elk 6 leerjaren. De 'klompenschool' was geen armenschool, maar een 'midden-school'. De gedachte dat de ‘klompenschool’ een armenschool was, blijkt onjuist. Ook niet arme kinderen liepen vaak op klompen, al was het maar doordat veel straten nog niet verhard waren en dus in een modderpoel veranderde bij nat weer. En dan zijn klompen net zo handig als rubberlaarzen nu. Ook jongens uit Hoogland, die op de fraterschool zaten, droegen behalve een pet ook meestal klompen. De nog steeds zo genoemde 'Armenschool', waar de jongens 'gratis' onderwijs kregen (de ouders betaalde geen of heel weinig schoolgeld), bleef bestaan in de Breestraat. De A- en B-school krijgen vanaf 1923 ook twee hoofden der school, twee adressen en ook twee administratienummers: 20.199 en 20.200. Deze 'vertikale splitsing' zal tot 1953 gehandhaafd blijven. Officieel is het onderwijs tussen de A- en de B-school nooit verschillend geweest. Volgens de wet mocht er ook geen verschil zijn. In de praktijk was er beslist een verschil, aangezien de A-school opleidde tot het gymnasium en er ook enkele vakken extra werden gegeven, zoals wiskunde en Frans en soms zelfs nog Engels. In 1953 wordt de Jorisschool horizontaal gesplitst in twee aparte scholen, een school met klas 1, 2 en 3 en een school met klas 4, 5 en 6. De reden van deze horizontale splitsing kwam voort uit regelgeving. De bestaande A- en B-school dienden opgeheven te worden, maar het bestuur wenste wel (op papier! de subsidie van) 2 hoofden der school te behouden. De komst van de eerste meisjes op school vroeg ook om wijziging van beleid. Deze splitsing was een eerste vorm, hoewel niet zo bedoeld, van een aparte onderbouw en bovenbouw op school, wat zeker met de komst van de Basisschool in 1985 algemener zou worden. In 1972 zouden beide 'halve' scholen samenvloeien tot één school, waarvan Marinus Siteur het hoofd werd.

De fraters van de St.Jorisschool zouden niet van voetbal gehouden hebben. Het tegendeel is waar.
Frater Thomas, hoofd van de St.Jorisschool van 1915-1921, schreef diverse boeken over pedagogiek. Volgens een oud-leerling spuide hij zaterdagmorgen het laatste uur in zijn lessen zijn ideeën over opvoedkunde, over sport en met name over voetballen. Daar blijkt een groot misverstand over te bestaan, zoals dat in diverse publicaties steeds vermeld is.
Dat de fraters niet blij zouden zijn met voetballen en dat frater Thomas er zelfs faliekant tegen geweest zou zijn, is dan ook geheel bezijden de waarheid. Frater Thomas noemde het voetbalspel namelijk ‘een der mooiste en beste jongensspelen, dat ‘t althans kan zijn’. ‘Ten volle erkennen we, dat de R. K. Voetbalorganisatie enorm veel goeds doet voor die jongelui’, schreef frater Doodkorte zelf in de brochure over voetbal en sport. Echter, waartegen hij waarschuwde was niet het voetbalspel op zich, maar de voetbalmatch en met name de rivaliteit die dat met zich meebracht. In navolging van anderen waarschuwde hij voor de ‘voetbalextase’ waarin de jeugd alles opofferde, inclusief zijn opvoeding, zijn lessen, zijn ouderliefde en ook als het moet zijn deugd! Juist het ‘onzedelijk en onterende gedrag’ en de opzwepende rivaliteit tussen teams werd aan de kaak gesteld. Gezien de huidige problematiek rondom de verloedering op en rond het veld, heeft hij hierin meer dan gelijk gekregen. Zich supporters noemende hooligans, de frequente voetbalrellen en zeer recent nog de dood van een scheidsrechter, de omkopingsschandalen en het zogenoemde ‘matchfixing’ zijn schrijnende excessen in dit van oorsprong ‘mooie jongensspel’.

De opheffing van de Armenschool in de Breestraat was niet in 1933, maar vond al in 1885 plaats.
De school in de Breestraat wordt in de volksmond nog steeds de armenschool genoemd, overigens ook door het bestuur in diverse archiefstukken, hoewel die naam in 1885 al officieel verlaten is ten gunste van de r.-k. jongensscholen. Uit een brief van de heer A.J. Thannhauser die sinds 1922 hoofd van de school is geworden, is in 1924 nog sprake van de bedoelde armenschool. Thannhauser maakt het bestuur er opmerkzaam op dat op de fraterschool leerlingen zijn aangenomen waarvan de ouders geen schoolgeld hoeven te betalen. Deze leerlingen, zo stelt Thannhauser, hoorden volgens de geldende regeling op de Breestraat geplaatst te worden. De school in de Breestraat blijft dus te boek staan als de kosteloze school ofwel de ‘armenschool’. In 1933 wordt de school gesloten en worden leerlingen en personeel overgeplaatst naar de nieuwe St.Aloysiusschool aan het Dupontplein.

De St.Franciscus Xaveriuskerk aan 't Zand wordt wel eens de 'moederkerk' van Amersfoort genoemd.
Dat de Franciscus Xaveriuskerk aan 't Zand de 'moederkerk' van Amersfoort genoemd wordt (AD/AC. 4 april 2016) berust op een begrijpelijk, maar groot misverstand. Dè moederkerk van Amersfoort was ongetwijfeld de O.L.Vrouw Hemelvaartkerk aan de Langegracht, doorgaans de Elleboogkerk genoemd (vanwege de ligging aan de Elleboogsteeg). Sinds deze kerk in 1963 fuseerde met de Franciscus Xaveriuskerk en gesloten werd, heeft het gebouw meerdere functies gehad tot het in 2007, toen het Armandomuseum was, in een grote brand is vernield. Inmiddels is het gebouw hersteld, een nieuwe bestemming is nog niet bepaald. Wellicht wordt het een onderdeel van museum Flehite.
De St.Franciscus Xaveriuskerk bestaat als schuilkerk vanaf 1630, maar is pas sinds 1666 op 't Zand gevestigd. In 1816 is de oude kerk afgebroken en door de huidige kerk, een zogenoemde 'Waterstaatskerk', vervangen. De O.L.Vrouw Hemelvaartkerk (ook O.L.Vrouw ten Hemelopneming) heeft sinds 1639 op dezelfde plaats als (schuil-)kerk bestaan.
Zowel de St.Henricuskerk in het Soesterkwartier, als de St.Ansfriduskerk op de berg, de 3e en 4e parochiekerken in Amersfoort, zijn gesticht vanuit de O.L.Vrouwekerk, waar L.A.F.X. Fock van 1906 tot 1934 pastoor, deken en kanunnik was. In 1902 had de pastoor van de Elleboogkerk bij de bisschop van Utrecht toestemming gevraagd voor de oprichting van een derde rooms-katholieke parochie in Amersfoort en wel in het Soesterkwartier. Daarmee was de eerste stap gezet voor de bouw van de St. Henricuskerk. De kerk werd in 1908 ingewijd. Het kerkbestuur van O.L. Vrouw Hemelvaart ontvangt in 1910 van wijlen mevrouw Van Beek, geboren Ten Brink, een bedrag van ƒ1000,- ter bevordering van het onderwijs in de nieuw op te richten parochie en de daarbij te stichten school. Het gaat hier om de Gerardus Majella jongensschool in het Soesterkwartier. De school werd geopend in 1914. Architekt van beide gebouwen was Hermanus Kroes, toen algemene bouwmeester van katholiek Amersfoort.
Ook de 4e parochiekerk in Amersfoort, de St.Ansfriduskerk, werd gesticht vanuit de O.L.Vrouw Hemelvaartkerk. Bouwpastoor van St.Ansfriduskerk was F.A. Paping (Fredericus Arnoldus), die in 1912 als kapelaan was benoemd aan de kerk van O.L. Vrouw Hemelvaart en in 1914 bouwpastoor werd van de nieuw te stichten parochiekerk. Deze nieuwe kerk werd in 1916 plechtig ingewijd door deken en pastoor van de O.L.Vrouwekerk, de weleerwaarde heer L.A.F.X.Fock. Pastoor Fock was tussen 1907 en 1934 tevens voorzitter van het katholiek schoolbestuur dat in die jaren meerdere katholieke jongensscholen in Amersfoort heeft gesticht. De meisjesscholen werden tot de jaren 70 van de 19e eeuw gesticht en onderhouden door de zusters van O.L.Vrouw.
Al deze stichtingen gingen dus uit van de O.L.Vrouwe Hemelvaartparochie. De parochie van St.Franciscus Xaverius kwam pas in beeld als 'moederkerk' na 1963, toen de Elleboogkerk gesloten werd. Pastoor Van Leer van de O.L.Vrouwekerk, die tevens deken was, werd in 1963 pastoor van de St.Franciscus Xaverius. Pastoor Veldhuis van de St.Franciscus Xaverius werd overgeplaatst. Beide kerken droegen voordien samen de benaming 'Stadsparochie'.
Bij de stichting van broederschappen in Amersfoort zien we hetzelfde patroon. De eerste broederschap werd in 1750 gevestigd aan de O.L.Vrouwekerk, die aan de St.Franciscus Xaverius kwam in 1762 tot stand. Daarnaast was het de O.L.Vrouwekerk waaraan vele jaren (tussen 1884 en 1934 en van 1943-1963) de hoogst geplaatste geestelijke van Amersfoort, de deken, was benoemd. In 'rangorde' stond de O.L.Vrouwekerk dan ook boven de St.Franciscus Xaverius. Vanaf 1935 tot 1943 was P.J.M.Sandkuijl van de St.Ansfriduskerk deken van Amersfoort. In 1934 en 1935 was pastoor Cornelis Hartman van de St.Franciscus Xaveriuskerk slechts 1,5 jaar deken van Amersfoort. Tussen 1877 en 1884 was pastoor Henricus Blom van de St.Franciscus Xaveriuskerk deken van Amersfoort. Ook op andere terreinen van katholiek Amersfoort was de O.L.Vrouwekerk lange tijd voorganger. De r.k.Jongensschool aan de Breestraat bijv. werd gebouwd op grond die in bezit was van de O.L.Vrouwekerk. Het schoolbestuur werd ook vanuit deze kerk benoemd.
Tijdens en na de fusie van de beide kerken in de Stadsparochie werden in Amersfoort nog 2 nieuwe kerken gebouwd c.q. parochies gesticht. In 1958 werd de H.Kruiskerk in Liendert ingewijd, in 1963 de H.Geestkerk in Randenbroek. Sindsdien zijn de H.Geestkerk (in 2013), de Henricuskerk (in 2014) en zou de St.Ansfriduskerk (in 2016) als parochiekerk afgestoten worden ofwel 'aan de eredienst onttrokken'. Dat laatste heeft nog niet plaatsgevonden.

De St.Ansfriduskerk en -school kregen de naam van een apocrieve heilige.
De St. Ansfriduskerk is gebouwd in opdracht van Mgr. H. van de Wetering in de jaren 1914-1916. Het was ook aartsbisschop Van de Wetering die koos voor de naam Ansfridus voor deze kerk, die hij verkoos boven de naam van St.Antonius die de parochianen hadden bedacht.
De naam van St. Ansfridus was tot dan toe onbekend. Aartsbisschop Van de Wetering zou die naam vernomen hebben op een congres in Wenen en wenste deze naam voor de nieuwe parochiekerk in Amersfoort. Ansfridus zou tussen 995 en 1010 bisschop van Utrecht geweest zijn. Volgens de overlevering heeft hij samen met enkele volgelingen op de Heiligenberg vlak bij Amersfoort een klein klooster gesticht, van waaruit het christendom in de regio Eemland verbreid werd. De geschiedenis van Ansfridus staat intussen flink ter discussie. Het is de vraag of hij ooit werkelijk bisschop is geweest en ook of hij dan wel bisschop van Utrecht was. Op de lijst van kerkelijke feestdagen in het bisdom Utrecht vóór 1346 komt het feest van Ansfridus of Ansfried helemaal niet voor.
Bouwpastoor F. Paping en de parochianen wensten in 1916 de nieuwe kerk toe te wijden aan St. Antonius van Padua. Slechts op voorschrift van aartsbisschop Hendrik van de Wetering werd Ansfridus de patroonheilige van deze nieuwe kerk. Het is nog steeds de enige kerk ter wereld die Ansfridus als patroonheilige heeft, wat steeds met enige trots wordt vermeld, maar maakt de geschiedenis rondom Ansfridus echter al verdacht. In het bisdom Utrecht dat zich ooit uitstrekte over meer dan half Nederland is verder geen enkele kerk naar deze bisschop genoemd. Ook in België, waar Ansfridus graaf van Hoei was, is geen enkele kerk naar hem vernoemd. Hij zou wellicht tot de apocrieve heiligen kunnen horen. Met apocrief duidt men aan dat de authenticiteit van een verhaal twijfelachtig is of zelfs ontbreekt. Het begrip wordt gebruikt om een verhaal aan te duiden dat desondanks vaak wordt verteld en algemeen wordt geloofd, maar waarover geen zekerheid bestaat. Meer informatie hierover is te vinden bij St.Ansfridus.