De traditionele plaatsen en de Peutingerkaart.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

ARCHEObrief, vakblad voor de Nederlandse archeologie.


Zie hiernaast de belangrijkste bevindingen..... voor een snel overzicht!

ARCHEObrief is het vakblad voor de Nederlandse Archeologie en een uitgave van de Stichting voor de Nederlandse Archeologie (SNA) en uitgeverij Matrijs. Per jaar verschijnen 3 of 4 nummers.





In 2017 is Archeobrief (na 20 jaargangen) opgeheven en gaat met Westerheem samen verder als Archeologie in Nederland. Zie daar.

In de citaten hiernaast wordt Archeobrief gevolgd door het nummer en het jaar, waardoor het gemakkelijk terug te zoeken is.

Vanwege het overzicht en de leesbaarheid zijn alle artikelen (per jaar) genummerd. Deze nummering kan wijzigen als er nieuwe citaten worden tussengevoegd.

In veel artikelen is nogal vaak sprake van veronderstellingen en speculaties, aangezien de achterliggende redenen van tijd, plaats en herkomst van een archeologisch relict niet bekend zijn. Prikt men eenmaal de speculaties door, dan blijken veel bevindingen feilloos aan te sluiten bij de visie van Albert Delahaye.

Een speculatie is volgens Van Dale 'een beschouwing die uitgaat boven het feitelijk of logisch bewijsbare'.








Verder terug dan 2004 ging mijn abonnement niet. Wie heeft er nog oudere jaargangen vanaf 1996? Ik houd mij aanbevolen ze over te nemen.

Uit onderzoek blijkt dat "honderden misverstanden voortkomen uit het rondpompen van verouderde kennis". Dat blijkt onder meer uit de verschillende opvattingen tussen wetenschappers, die elkaar in publicaties tegenspreken (zie bij Citaten) of in hun studies nog steeds uitgaan van achterhaalde bronnen. In de geschiedenis van Nijmegen bijvoorbeeld wordt nog steeds verwezen naar de opvattingen van Johannes Smetius of van Jan Hendrik Holwerda, waarvan al sinds tijden is vastgesteld dat het verouderde kennis is. Driekwart van deze fouten komt voor in publicaties van mensen met een doctorstitel. Dat kan ook niet anders, immers je kunt je doctorstitel wel vergeten als je met afwijkende opvattingen aankomt. Een promotor is per definitie iemand van de oude stempel. Die laat een promovendus niet hun oude opvattingen onderuit halen. Dat is ook de belangrijkste reden dat verouderde kennis maar rondgepompt blijft worden.

Opzienbarende archeologische bevindingen die de visie van Albert Delahaye onweerlegbaar bevestigen.
In de algemeen aanvaarde opvattingen over de aanwezigheid van Romeinse legioenen in Nederland, zijn steeds enkele veronderstellingen gehanteerd, die in de archeologie geen bevestiging vonden. Na intensief onderzoek blijken een aantal uitgangspunten foutief geweest te zijn. Albert Delahaye heeft er eerder op gewezen in zijn boeken, maar zijn argumenten werden steeds weggewuifd omdat "het in de aanvaarde historische opvattingen niet paste". De algemeen aanvaarde opvattingen dienen nu herzien te worden, wat enkele grote consequenties heeft.

Veel traditionele opvattingen worden in Archeobrief niet alleen ter discussie gesteld, maar ook duidelijk weerlegd.
Het is onthullend wat archeologen en historici in hun artikelen schrijven. Wanneer trekken ze hier de onvermijdbare conclusies eens uit?
De archeologie blijkt allerminst onfeilbaar te zijn. Er is sprake van de nodige twijfel en discussie. Zie de voorbeelden hieronder.

De belangrijkste bevindingen.....
    Archeologie algemeen:
  1. Archeologen, classici en historici pompen verouderde kennis rond. Lees meer...
  2. Er blijkt nog heel wat mis te zijn in de archeologische wereld. Lees meer...
  3. Nut en noodzaak van archeologie en andere mythen in Odyssee. Lees meer...
  4. Graven uit steen- of ijzertijd zijn geen vorsten- of prinsessengraven. Lees meer...
  5. De archeologie moet vooringenomen standpunten eens herzien. Lees meer...
  6. Cirkelredeneringen zijn gemeengoed onder historici en archeologen. Lees meer...
  7. Anachronistische interpretaties in de archeologie. Lees meer...
  8. Nieuwe Archeologische inzichten? Lees meer...
  9. De archeologie van Noord-Brabant tot 1200. Lees meer...
  10. Archeologie en educatie. Lees meer...
  11. Professor P.J.R.Modderman: wat we wisten bleek een misrekening. Lees meer...
  12. Er is nog genoeg werk in de archeologische wetenschappelijk wereld. Lees meer...
  13. Het einde van Malta? Lees meer...
  14. Verleden vormen. Nieuwe aanpak van visualisering van het verleden. Lees meer...
  15. Bij nieuwe archeologische bevindingen is vaak sprake van veel speculatie. Lees meer...
  16. De vondst van Barnsteen aan de kust weerspreekt oude opvattingen. Lees meer...
  17. Archeologische impressies en reconstructies. In het spanningsveld tussen feit en interpretatie. Lees meer...
  18. Nieuw leven voor de Limes. Voordracht van de Limes bij de UNESCO als Cultureel Erfgoed. Lees meer...
  19. Een schoolvoorbeeld van speculatie in de archeologie. Lees meer...

    De Romeinse tijd:
  20. Julius Caesar was nooit in Nederland. Lees meer...
  21. Romeinse handel en kustverdediging niet aangetoond. Lees meer...
  22. Was keizer Caligula ooit in Katwijk? Lees meer...
  23. De Limes was geen duurzame grens. Lees meer...
  24. Een Romeinse kustverdediging langs de Noordzee heeft nooit bestaan. Lees meer...
  25. Een Romeinse havenbasis in Velsen heeft nooit bestaan. Lees meer...
  26. Zijn de Romeinse wegen in Nederland die van de Peutingerkaart? Lees meer...
  27. Waren de Romeinen ooit in Oost-Nederland en in Noord-Duitsland? Lees meer...
  28. 'Romeinse' schepen werden niet door Romeinen gebouwd. Lees meer...
  29. Tussen Wal en schip? Handel en scheepvaart in Romeins West-Nederland. Lees meer...
  30. Oppidum Atuatuci was niet Tongeren. Lees meer...
  31. Een naam op een gedenksteen is niet de naam van de vindplaats. Lees meer...
  32. Een eerste Romeinse weg in Nijmegen? Lees meer...
  33. Romeinse architectuur in Nijmegen bestaat uit luchtkastelen. Lees meer...
  34. In Kesteren en Wijk-bij-Duurstede waren geen Romeinen aanwezigheid. Lees meer...
  35. Een Romeinse weg bij Valkenbrug. Lees meer...
  36. Een naam op een gedenksteen is nooit de naam van de vindplaats. Lees meer...
  37. De Holdeurn een Romeins industrieel complex. Lees meer...
  38. De driedubbele bodem van Flevoland. Een Romeinse wachttoren in het Kotterbos? Lees meer...
  39. Romeinen buiten de Limes. Lees meer...
  40. De Peutingerkaart is een falsum. Er is niets mee te bewijzen. Lees meer...
  41. Forum Hadriani: feiten en fantasie. Lees meer...
  42. De gangbare interpretatie van de Nederlandse Limes staat ter discussie. Lees meer...
  43. De 'limes' bestaat niet en was zeker niet permanent bezet. Lees meer...
  44. Het nationaal 'limes'-project is een farce. Lees meer...
  45. Het kanaal van Corbulo gevonden? Lees meer...
  46. Het Romeinse marskamp bij Ermelo. Lees meer...
  47. De laat-Romeinse goudschat van Echt. Lees meer...
  48. Romeinse schat van Echt uit begin vijfde eeuw. Lees meer...
  49. Terra sigilatta ten noorden van de limes bewijst niet de aanwezigheid van Romeinen. Lees meer...

    Nijmegen:
  50. Nijmegen vóór Karel de Grote: er was geen bewoningscontinuiteit. Lees meer...
  51. Nijmegen was niet Noviomagus, maar Castra Herculis. Lees meer...
  52. Nijmegen is niet de oudste stad. Lees meer...
  53. In Nijmegen was er een grote ontvolking in 300 n.Chr. Lees meer...
  54. Jupiter Ammon toont nogmaals het gat van Nijmegen aan. Lees meer...
  55. Romeinse latrines in Nijmegen. Lees meer...

...en nog meer.......
    Nederlandse steden en dorpen:
  1. In Haarlem en Rotterdam is de bewoning niet ouder dan de 10de eeuw. Lees meer...
  2. In Groningen gaat de geschiedenis niet verder terug dan de twaalfde eeuw. Lees meer...
  3. Vraagtekens bij vroeg-middeleeuws Leidsche Rijn. Lees meer...
  4. Zutphen is niet ouder dan de 10de eeuw. Lees meer...
  5. De Zutphense palts is niet ouder dan de 12de eeuw. Lees meer...
  6. Deventer is niet ouder dan de 10de eeuw. Lees meer...
  7. Het verblijf van Plechelmus in Oldenzaal is volkomen misplaatst. Lees meer...
  8. Enschede al in de achtste eeuw bewoond? Lees meer...
  9. Vikingen in Vlaardingen? Vergeet het maar. Lees meer...
  10. Archeologie in Amsterdam. Lees meer...
  11. Een tiende eeuw gehucht bij Heiloo. Lees meer...
  12. Was er in Oegstgeest 1500 jaar geleden al bewoning?Lees meer...
  13. Merovingische nederzetting in Leiden? Lees meer...
  14. Nieuw licht op het castellum en bisschoppelijk paleis in Utrecht. Lees meer...
  15. Opgravingen in de Nieuwstad in Zutphen. Lees meer...
  16. Op herhaling: het Dordtse probleem. Lees meer...
  17. Erven testen in Oost-Nederland. Lees meer...
  18. Verstandskiezen: over selectie in binnensteden: Gouda. Lees meer...
  19. Te mooi om waar te zijn! Een vroegmiddeleeuwse muntschat op het Domplein. Lees meer...
  20. Villa Buria? Bewoningsporen uit de Karolingische tijd. Lees meer...
  21. Friezen bestaan genetisch misschien helemaal niet. Lees meer...

    Transgressies en bedijkingen:
  22. Nooit meer Afzettingen van Duinkerke en Calais. Maar is dat wel waar? Lees meer...
  23. De bedijkingen in Kloosterzande (Zeeland) begonnen pas in de 13e eeuw. Lees meer...
  24. De transgressies zijn ook aantoonbaar in IJsselstein. Lees meer...
  25. Middeleeuwse scheepsresten in Nederland. Lees meer...
  26. De transgressies zijn niet meer te ontkennen. Lees meer...
  27. Het Overijsselse Vechtdal geeft een ander beeld van Oost-Nederland? Lees meer...
  28. De IJsseldelta: afzetting van klei en veen na de bronstijd. Lees meer...
  29. Onder druk van het Dordtse water: grote overstromingen. Lees meer...

    Schatten en grafvelden:
  30. De schat van Amby is geen schat van de Eburonen. Lees meer...
  31. Oud en nieuw goud. De Fibula van Wijnaldum. Lees meer...
  32. Het vroeg-Merovingische grafveld van Lentseveld. Lees meer...
  33. Een uniek graftoren bij Hoogeloon. Lees meer...
  34. De sarcofaag van Etersheim spreekt het verblijf van Willibrord tegen. Lees meer...
  35. De schat van Roermond heeft niets met Vikingaanvallen van doen. Lees meer...
  36. Bandkeramische graven en Merovingische pottenbakkersovens. Lees meer...
  37. De mummie van Thorn is uit de 11e eeuw en niet uit de 5e eeuw. Lees meer...
  38. Buitengewone graven in Haags duingebied. Lees meer...

    Opmerkelijke bevindingen:
  39. Opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 2 van juni 2009. Lees meer...
  40. Opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 1 van maart 2009. Lees meer...
  41. Opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 4 van december 2008. Lees meer...
  42. Opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 3 van september 2008. Lees meer...
  43. Opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 1 van maart 2007. Lees meer...
  44. Opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 2 van juni 2006. Lees meer...
  45. Opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 4 van december 2006. Lees meer...
  46. Opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 3 van september 2006. Lees meer...
  47. Opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 1 van maart 2006. Lees meer...
  48. Nieuws en korte mededelingen in Archeobrief 4 van december 2005. Lees meer...
  49. Nieuws en korte mededelingen in Archeobrief 3 van september 2005.Lees meer....
  50. Nieuws en korte mededelingen in Archeobrief 2 van juni 2005.Lees meer....


    Nog te verwerken artikelen:
  51. Archeobrief nr.4, december 2016.Archeologie in Someren.
  52. Archeobrief nr.4, december 2015.Friezen op de kwelder bij Marssum.
  53. Archeobrief nr.4, december 2015.Specialisten aller archeologische materialen verenigt U.
  54. Archeobrief nr.4, december 2015..
  55. Archeobrief nr.4, december 2015..
  56. Archeobrief nr.3, september 2015..
  57. Archeobrief nr.3, september 2015..
  58. Archeobrief nr.3, september 2015..
  59. Archeobrief nr.2, juni 2015..
  60. Archeobrief nr.2, juni 2015..


  61. Archeobrief nr.3, september 2016.Over ontvolkingen en Germaanse Romeinen
  62. Archeobrief nr.2, juni 2016.Merovingisch grafveld in Alphen (N.Br.).
  63. Archeobrief nr.1, maart 2016.Merovingische graven in Oosterdalfsen.
  64. Archeobrief nr.1, maart 2016.De Romeinse villa van Hoogeloon.
  65. Archeobrief nr.1, maart 2016.Slagveld van Caesar bij Kessel.
  66. Archeobrief nr.1, maart 2016.Vondsten aan de voet van de Valkhofheuvel.
  67. Archeobrief nr.1, maart 2016.Veel wrakken in het Eemmeer bij Bunschoten.
  68. Archeobrief nr.1, maart 2016.De Romeinse kust. Handel en militaire strategie aan de Noordzee.





Een duurzame Romeinse grens. Archeobrief 1, maart 2008, p.29 e.v.
De auteurs van dit artikel stellen de traditionele geschiedenis van de Romeinse Limes in een geheel ander daglicht. Zij geven terecht aan dat dit een geheel ander licht kan werpen op de reden voor het ontstaan van deze linie. Het betekent wel dat alle aanwijzingen voor de geschiedenis van de grenszone opnieuw zorgvuldig moeten worden geanalyseerd, wat zij ook als een zeer terechte conclusie vermelden.

De
auteurs komen tot de volgende bevindingen:
  • de Rijn was "slechts" een bewaakte transportroute en geen verdedigingsgrens;
  • de forten liggen relatief dicht op elkaar, op onregelmatige afstand;
  • buiten de oeverwallen lag een enorm uitgestrekt en onbegaanbaar veengebied;
  • het castellum in Alphen a.d.Rijn is aangelegd in een zeer zompige laagte;
  • bij de bouw van barakken werd allerlei bouwmateriaal door elkaar gebruikt zonder enige voorkeur;
  • de eerste doorgaande weg van Utrecht naar de kust stamt uit 99/100 na Chr.;
  • het gebruikte eikenhout werd aangevoerd vanuit Duitsland;
  • de fortenreeks zijn niet in of na 47 gebouwd, maar al eerder;
  • de bouw van de castella in de Rijndelta wijken af van andere forten;
  • er valt een grote variëteit aan bouwtechnieken op bij een vergelijking tussen de vroegste forten in Vechten, Utrecht, Woerden, Bodegraven, Alphen a.d.Rijn en Valkenburg;
  • bij alle castella zijn na herbouw nog steeds opvallende verschillen in de bouwtechniek te zien;
  • er is kennelijk geen standaard ontwikkeld bij de grootscheepse herbouw;
  • bovendien valt op dat de Flavische wallen in sommige forten continuïteit in de bouwwijze tonen en in andere juist een breuk;
  • de castella zijn niet continue bezet geweest, maar zijn alleen gebruikt voor 'politionele acties';
  • het aantal soldaten is in het begin van de tweede eeuw sterk teruggelopen;
  • er waren in de eerste eeuw om en nabij 5000 militairen in de Rijndelta gelegerd;
  • nauw hiermee verbonden is de vraag hoe Rome met non-militaire middelen haar belangen tegenover deze externe volkeren kon doorzetten.
Dat alles leidt tot de conclusie dat de Romeinse grens in ons land geen verdedigingsgrens van het Romeinse Rijk was, maar diende om de transporten over de Rijn te bewaken. De hier gelegerde troepen zijn in dit deel van het imperium nooit toereikend geweest om de grenzen van het Rijk permanent en uitsluitend met militaire middelen veilig te stellen.

Deze zeer terechte conclusie staat echter wel haaks op de traditionele opvattingen over de geschiedenis van de Romeinen in ons land, waarbij altijd sprake is geweest van een vanuit Rome verordoneerde doelbewuste geplande aanleg van forten langs de Rijn, volgens een vast patroon en een vaste bouwwijze, de z.g. LIMES GERMANICUS ter bescherming van het Romeinse Rijk tegen invallen van Germaanse stammen. De bevindingen van de betreffende auteurs komen wonderwel overeen met de visie van Albert Delahaye, die ons land steeds als het "Agri Decumates" van Tacitus beschouwde, waar slecht Romeinse veteranen zich vestigden en waar ook nooit al die Germaanse volkeren zijn binnengevallen en die zich er ook nooit gevestigd hebben, omdat ze er al woonden.
Het komt ook overeen met de archeologische vondsten van Romeins in een beperkte strook in het midden van ons land. Waar was het achterland van deze Rijksgrens? Wat viel er te verdedigen tegen de invallen van Germaanse stammen? Waar woonden die Germaanse stammen in ons land, waar de Romeinen zo bevreesd voor waren? Volgens A.W.Byvank en W.A.van Es (zie de verwijzing) woonden er geen Germaanse stammen ten noorden van de Rijngrens. Hun woonplaatsen zijn ook nooit gevonden.
Indien men al deze aanwijzingen voor de geschiedenis van de grenszone opnieuw zorgvuldig analyseert, zoals de schrijvers menen dat noodzakelijk is, kan men slechts tot de conclusie komen dat de visie van Albert Delahaye de enig juiste is.

Deze bevindingen in Archeobrief sluiten feilloos aan bij de opvattingen van dr. W.A. van Es zoals die te lezen in zijn boek "De Romeinen in Nederland". Op blz. 42 en 45 lezen we: "Meer details zijn niet bekend en het blijft bij vermoedens. Ons land wordt door contemporaire geschiedschrijvers doodgezwegen. Het wordt eentonig. Over bemoeienis van de Romeinse politiek met ons land zijn weer geen bijzonderheden bekend".
"Onze kennis omtrent het Nederlandse stuk van de limes vertoont nog enorme hiaten" schrijft hij op blz. 99. "Het Romeins in Nederland is allerminst van internationale allure geweest", en op blz. 131 lezen we: "Romeins Nederland is nimmer de eer van een colonia waardig geacht!".
Ook onze grootste villa's zijn in verhouding tot die uit andere rijksdelen eenvoudig. Daarin weerspiegelt zich de betrekkelijke soberheid van de Romeins Nederlandse bevolking (p.281).

Overigens wordt de in Nederland graag gebezigde term 'Limes' in geen enkele klassieke tekst genoemd. Het is een verzinsel van latere historici om vooral de verdedigbare grens te onderstrepen. Maar zoals hierboven aangegeven viel er niets te verdedigen. Er ging geen enkele dreiging uit van de volkeren ten noorden van die grens, een constatering die ook A.W.Byvanck en W.A.van Es al hadden vastgesteld.


Archeobrief 2016


  1. Archeobrief nr.4, december 2016.
    Archeologie in Someren. In Someren zijn na een kwart eeuw onderzoek ruim 213 vindplaatsen bekend met sporen uit het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd. Niet van alle vindplaatsen is trouwens zeker of er in die tijd ook daadwerkelijk gewoond of begraven werd. Het gaat dan om 'losse' vondsten waarvan de aanwezigehdi ook op een andere manier kan worden verklaard. Er is een kleine groep graventussen 350 en 400. Dit is opvallend omdat deze streken in de loop van de derde eeuw nagenoeg ontvolkt zijn. Het is dan ook de vraag wie hier begraven zijn. Gaat het om 'overlevenden'die nog een band hadden met de eerdere bewoners, of om tijdelijke bewoners van elders die hun doden toevertrouwden aan het aanweizge en nog zichtbare grafveld? Uit de periode tussen 400 en 700 na Chr. zijn nauwelijks bewoningssporen bekend.
    Commentaar:Te vaak en te snel worden in de archeologie conclusies getrokken di gebaseerd zijn op traditionele opvattingen. Dan worden veronderstellingen of hypothesen aangenomen, die vervolgens als waarheid de boeken in gaan. Dat zien we op meerdere plaatsen in Nederland waar de archeologische conclusies samen gaan met de (onbewezen) traditionele opvattingen.

  2. Archeobrief nr.3, september 2016.
    Over ontvolkingen en Germaanse Romeinen, Zuid-Nederland van de derde tot de vijfde eeuw, door Stijn Heeren. Archeologisch kan worden onderbouwd dat ontvolkingen werkelijk hebben plaatsgevonden. Enkele citaten uit dit artikel:
    1. In Nijmegen-West lag in de derde eeuw de stad Ulpia Noviomagus. Lange tijd werd gedacht dat de stad in de late tweede eeuw afbrandde, in de derde eeuw een kwijnend bestaan leidde en rond 270 werd verlaten. Inmiddels is dat beeld aan revisie toe. De stads brand uit de tweede eeuw lijkt klein te zijn geweest en bij recent veldwerk is ontdekt dat de stad in de derde eeuw juist groeide (noot 6).
    2. Munten van het Gallische rijk circuleerden ook hier, zodat aan een einddatum tussen 280 en 300 moet worden gedacht.
    3. Feit is dat de stad in de vierde eeuw, afgezien van een klein deel dat wellicht als militaire post moet worden gezien, geheel was verlaten.
    4. Rond het Valkhof werd een nieuwe militaire versterking gebouwd en de oudste graven hier dateren uit de laatste decennia van de derde eeuw.
    5. In Tiel-Passewaaij en Geldermalsen-Hondsgemet zijn agrarische nederzettingen aangetroffen, die in de derde eeuw nog bestonden maar klein waren. Administratief hoorden ze tot het Bataafse gebied (afbeelding 2). Deze nederzettingen hielden op te bestaan in de late derde eeuw. Er niets gevonden dat wijst op bewoning in de vroege vierde eeuw of het midden ervan.
    6. Net als van Nijmegen werd van Xanten (Colonia Ulpia Traiana) lang gedacht dat dit rond 270 of 275 verwoest en verlaten was. Het ontbreken van munten tussen circa 275 en 300 is echter eenvoudig te verklaren: deze circuleerden nauwelijks in de westelijke provincies. Omdat ook brandlagen uit de derde eeuw ontbreken, is er geen aanleiding om aan vernietiging te denken.
    7. In Xanten is binnen de oude stadsmuren een veel kleinere stadsmuur uit de vierde eeuw aangetroffen. Deze muur wijst op een planmatige verbouwing, waarvoor een legereenheid nodig is geweest. In latere perioden droeg deze verkleinde vesting de naam 'Tricensimae', wat 'bij het dertigste' betekent. Dit is een aanwijzing dat deze plaats rond 300 een militaire post werd en geen civiele stad meer was, net als Nijmegen.
    8. Diverse Duitse studies uit de jaren tachtig van de twintigste eeuw stelden al eerder vast dat het platteland ten zuiden van Xanten leegliep.
    9. De civiele Romeinse bestuurscentra Voorburg, Nijmegen en Xanten hielden rond 300 op te bestaan. Het platteland liep grotendeels leeg.
    10. Rond de weg Bavay-Tongeren-Keulen en vooral ten zuiden ervan bleef een deel van de villa's functioneren; ten noorden van die weg is geen enkele nederzetting aangetoond waar nog gewoond werd in eerste helft of het midden van de vierde eeuw.
    11. De oorzaak voor de massale verlatingen moet waarschijnlijk niet in oorlogvoering worden gezocht, wat wel vaak wordt gedacht onder verwijzing naar historische bronnen. Tussen 293 en 297 werd het platteland plotseling verlaten, net als enkele belangrijke steden. Daarmee wijkt de ontwikkeling van deze provincie nogal af van het beeld van de derde eeuw zoals dat uit geschreven bronnen naar voren komt.
    12. Het gebied ten noorden van de weg Bavay-Tongeren-Keulen was geheel ontvolkt. In militair opzicht bleef de provincie belangrijk: de Rijn vormde nog altijd de formele grens van het rijk en deze werd door het Romeinse leger gecontroleerd. Alleen het zuidelijk deel van de provincie Germania Secunda maakte in de vijfde eeuw nog effectief deel uit van het Romeinse Rijk.

    Commentaar:In dit (traditionele) artikel van Heeren geeft hij toch enkele opvallende afwijkingen van de traditie. Heeren stelt dat er maar weinig historische bronnen over die 'dark age' (ca.270-450 en 450 -750) zijn. We kunnen dit beschouwen als achterstand in informatie, immers er zijn genoeg bronnen, maar die kent Heeren blijkbaar niet. Uit opmerking -k- blijkt dat er toch nog voldoende schriftelijke bronnen hebben bestaan, alleen die zijn steeds onjuist geïnterpreteerd en onjuist toegepast. Die bronnen vertellen een ander verhaal dan de traditie doorgaans doet. Zouden die massale verlatingen niet veroorzaakt kunnen zijn door de transgressies, waardoor de bewoners maar vertrokken zijn? Opvallend zijn enkele ontboezemingen in dit artikel, waarin ook wordt toegegeven dat Nijmegen geen continuïteit in haar geschiedenis heeft gekend. Immers rond 300 was Nijmegen geen civiele stad meer. Hoezo Nijmegen dan oudste stad van Nederland? Ook de twee mededelingen -i- en -j- zijn wat dat betreft duidelijk genoeg. Noot 6 is gebaseerd op een mondelinge mededeling van H.van Enckevoort uit Nijmegen. Op welk bewijs is dit gebaseerd?
    Afbeelding 2 bij dit artikel (zie kaartje hierboven; klik op de afbeelding voor een vergroting) opent nieuwe perspectieven met betrekking tot de locaties van volkeren. Zo plaats Heeren de Frisiavones niet in Noord-Holland of in Friesland, maar ten zuiden van de Maas. Gelukkig zet hij er zelf al een vraagteken bij, immers de Frisiavones moeten nog verder naar het zuiden aan de kust van Vlaanderen geplaats worden. De Morini en Menapii plaatst hij zeer juist in Frans-Vlaanderen, al geeft hij de Menapii wel een erg groot district. De Caninefates plaatst hij ook ten zuiden van de Rijn (dus niet in Noord-Holland?) waarbij het MAC (het verzinsel van Jules Bogaers, zie daar) in de tekst weer opduikt als Voorburg. De Batavi krijgen wel een erg klein gebied van Heeren, dat vooral in het land van Maas en Waal, dus buiten de Betuwe ligt. Germania Inferior is op dit kaartje erg overdreven groot. Traditioneel blijft het ten noorden van de lijn Bavay (Nervii) -Keulen (hier Agrippinensis). Germania Magna heeft overigens nooit bestaan. Dat is een verzinsel van de historici om bepaalde volkeren in Duitsland te kunnen plaatsen.


    De ontvolking van Nederland komt ook ter sprake in een artikel over de Gelderse Vallei (p.26 e.v.) waar gewezen werd op 'het woeste en natte gebied, dat daarvoor slechts af en toe door mensen werd bezocht' (dus er werd niet gewoond?) in korte tijd veranderde in een relatief dichtbevolkte nederzettingslandschap. Daarbij wordt o.a. verwezen naar Oud-Leusden en W.J. van Tent (zie daar), die daar meende Lisiduna uit de oorkonden uit het jaar 777 (zie daar)te hebben opgegraven. Maar die locatie gaat volgens VanTent niet verder dan ca. 750 n.Chr. Ook lezen we 'de vrijwel onbewoonde Gelderse vallei' en 'als gevolg van veranderingen in de waterhuishouding'. Ook wordt er nog vermeld dat 'over het verloop en de organisatie van het ontginningsproces vóór 1200 is uit historische bronnen relatief weinig bekend'. De kennislacune met betrekking tot de bewoningsdynamiek die hier wordt genoemd, wordt dan ook wel erkend.
    Commentaar: Ondanks de toegegeven kennislacune worden toch bepaalde opvattingen aangenomen. Hoeveel zekerheid spreekt hieruit? Er wordt nogal veel gespeculeerd, maar dat blijkt gebruikelijk in de archeologie. Zie bij Archeologie in Nederland.

  3. Archeobrief nr.2, juni 2016.
    Merovingisch grafveld in Alphen (N.Br.). Er zijn geen skelettenaangetroffen wel zeer veel grafgiften. In één graf was een 'heropeningskuil' te herkennen. Uit recent onderzoek blijkt dat dergelijke kuilen kunnen samenhangen met het Merovingisch grafritueel en dat ze waarschijnlijk dienden om grafgoederen te plaatsen of te ontrekken aan het graf. Uit een eerste datering van het aardewerk blijkt dat het grafveld waarschijnlijk uit de periode tussen 500 en 700 dateert.
    Commentaar:Hoeveel stelligheid blijkt uit dit citaat? Met woorden als 'zou kunnen' en 'waarschijnlijk' wordt geschiedenis geschreven. Het heropenen van graven is in sommige culturen, zoals in Bolivia, nog steeds gebruikelijk. Het ging dan zeker niet om grafroof, maar om voorouders te eren. Ook van veel Middeleeuwse heiligen werd het graf heropend om beenderen als reliek te vereren. Een heropend graf is in elk geval archeologisch onbruikbaar omdat men niet weet wat er is toegevoegd of is uitgehaald. Uit het heropeningsritueel blijkt dat veel dateringen van graven en grafgiften herzien moeten worden.

    In Archeobrief 2 van 2016 wordt vermeld dat het kustgebied van Nederland voor de Romeinen een belangrijke regio was vanwege de handel en de militaire strategie.Dit naar aanleiding van een tenstoonstelling in de RMO in Leiden. In Archeobrief 1 van 2016 wordt daar in een artikel meer over geschreven. Zie hieronder!

  4. Archeobrief nr.1, maart 2016.
    Merovingische graven in Oosterdalfsen. Aanwijzingen voor elite langs de Vecht.
    Enkel citaten uit dit artikel: er is een klein grafveld aan het licht gekomen dat in de Merovingische tijd gedateerd wordt. Het aantal graven is niet precies vast te stellen. Het geringe aantal graven houdt mogelik verband met het mobiele karakter van bewoning op de Oost-Nederlandse zandgronden. De bij het grafveld behorende bewoning is niet gevonden. In het mannengraf zijn geen resten van een kist aangetroffen, wel verschillende voorwerpen zoals een wapenuitrusting. In het vrouwengraf zijn twee paren fibulae en een halssnoer aangetroffen. Dit type fibulae wordt met enige regelmaat aangetroffen in Frankische grafvelden. Aan de hand van de bijgaven is het grafveld te dateren zo rond het midden van de zesde eeuw. In noot 18 wordt nog verwezen naar een publicatie van F.Theuws uit 2013, waarin hij beargumenteert dat in veel grafvelden sprake van een bewuste keuze voor bijgiften in relatie tot geslacht en leeftijd van de overledene en het al of niet doorgeven van familie erfstukken. Ook voor Oosterdalfsen is vastgesteld dat het gebied tussen de late ijzertijd en de vroeg middeleeuwen niet bewoond is geweest.
    Commentaar:Uit het woord 'aanwijzingen' in de subtitel blijkt al de nodige onzekerheid. Deze onzekerheid wordt in de rest van het artikel slechts bevestigd, zelfs versterkt. Het gaat helemaal niet om een Merovingisch grafveld waarin Frankische fibulae werden aangetroffen. De datering in de tweede helft van de 6e eeuw, in combinatie met noot 18 wijst ook op een latere datering. Het waren graven van rondtrekkende huishoudens, zoals elders in Nederland ook regelmatig worden aangetroffen. Uit noot 18 blijkt zonneklaar dat een ouder erfstuk in een jonger graf terecht kan komen, waarmee dus niet aangetoond kan worden dat het graf net zo oud is als de grafvondsten.

  5. Archeobrief nr.1, maart 2016.
    De Romeinse villa van Hoogeloon. Nieuwe inzichten bij de uitwerking van een opgraving uit 1980-1987.
    Commentaar:Uit de 'nieuwe inzichten' en de 'uitwerking' blijkt al dat de opvattingen van de oorspronkelijke opgraving herzien werden. In hoeverre zijn die oudere opvattingen van 30 jaar eerder al in diverse publicaties als waarheid terecht gekomen en door de naschrijverij al verder verspreid? Dan zal ook hier sprake zijn van het 'rondpompen van verouderde kennis'.

  6. Archeobrief nr.1, maart 2016.
    Slagveld van Caesar bij Kessel. Nadat Nico Roymans in 'De Wereld Draait Door' zijn opzienbarende mededelingen had gedaan over de veldslag van Julius Caesar bij de 'samenvloeing van Maas en Rijn'', kwam er al snel een weerwoord van Evert Van Ginkel die het bewijs van Roymans van een kritisch commentaar voorzag. Het bleek verouderde kennis te zijn, ooit eerder gesteld, maar nooit feitelijk bewezen. In één of enkele dagen vermoordden van zoveel mensen (het zou om 430.000 personen gaan volgens opgave van Caesar) is zelfs tijdens de genocide in WO2 niet mogelijk geweest. Van overduidelijke bewijzen die verband houden met Caesars operaties is dan ook geen sprake.
    Commentaar: Het is evident dat Roymans zijn opvatting baseert op verouderde kennis en op marginale archeologische bewijzen. De plaats waar 'Maas en Rijn samenvloeien' is in Nederland ook nooit aangetoond dan met wat speculaties onder meer door Renus als Waal te interpreteren. Het aantal gevonden relicten waren al langer bekend (verouderde kennis!) en is zo weinig dat er nauwelijks sprake is geweest van een grote veldslag en al zeker niet in de tijd van Julius Caesar. Caesar is nooit boven de taalgrens geweest. Zie verder bij
    Was Julius Caesar in Nederland?

  7. Archeobrief nr.1, maart 2016.
    Vondsten aan de voet van de Valkhofheuvel. In Nijmegen zijn aan de Valkhofheuvel fundamenten ontdekt van Romeinse stads-/kademuren, de vermoedelijke toegang naar de bovenstad en een waarschijnlijk twaalfde-eeuwse tufstenen muur die in verband kan worden gebracht met de burcht van Keizer Frederik Barbarossa.
    Commentaar: In deze tekst vallen twee zaken op: 1. Het gat van Nijmegen tussen Romeinse tijd en 12e eeuw wordt ook hier weer bevestigd. 2. Karel de Grote wordt niet meer genoemd.

  8. Archeobrief nr.1, maart 2016.
    Veel wrakken in het Eemmeer bij Bunschoten. In het Eemmeer bij Bunschoten liggen ruim veertig scheepswrakken. Bij de meeste wrakken gaat het om botters van Spakenburgse vissers. Zij lieten hun schepen massaal afzinken na de aanleg van de Afsluitdijk in 1932. Vaak werden de botters eerst in brand gestoken.
    Commentaar:Hieruit blijkt duidelijk dat scheepsresten opzettelijk werden afgezonken en dat de brandsporen niet het gevolg waren van plunderingen.
    Zou dat met 'Romeinse' scheepswrakken ook niet van toepassing zijn geweest?


    Het is onbegrijpelijk dat de Nederlandse historici de voorbereidingen van keizer Caligula voor de overtocht naar Brittannia in Nederland (Katwijk of Velsen?) blijven plaatsen, terwijl de Franse en Duitse historici dit in Boulogne-sur-Mer plaatsen, waar ook de 'Phare de Caligula' tot 1644 gestaan heeft. In 39 v.Chr. was Nederland nog lang niet door de Romeinen bezocht. De oudste forten in westelijk Nederland zijn allemaal van na 40 n.Chr. Zie het overzicht op de Limes. Boulogne-sur-Mer was de sinds Julius Caesar dè oversteekplaats van de Romeinen. Daar was een grote haven voor wel 1000 schepen, die we in Velsen (of Katwijk?) geheel missen.
  9. Archeobrief nr.1, maart 2016.
    De Romeinse kust. Handel en militaire strategie aan de Noordzee. De Friezen leefden vooral in het Oer-IJ-gebied, de driehoek tussen Haarlem, Alkmaar en Zaanstad. Opmerking: Dus niet in de kop van Noord-Holland en Friesland? In Velsen 1 zou Germanicus een fort hebben gebouwd aan de meeste noordelijke Rijntak. Opmerking: Was dat dan niet meer de IJssel? En hoe kwam men in Velsen vanuit de Rijn? Was de Utrechtse Vecht dan het pas gegraven kanaal van Drusus? Dat wordt helaas niet vermeld en blijkt ook niet uit het kaartje. Van Velsen 1 wordt hier gesteld dat het 'ongewtijfeld' de naam Flevum had.
      Waarmee wordt nu die handel en militaire strategie aangetoond?
      In dit artikel wordt heel wat beweerd, maar ook veel twijfel uitgesproken, wat blijkt uit woorden als 'vermoedelijk' (11x), 'waarschijnlijk' (7x), 'mogelijk' (4x) en 'lijkt' (3x).
    1. Het duurde tot ver in de tweede eeuw voordat er een (bescheiden) handel met de Romeinse wereld op gang kwam. Opmerking: toen hadden de Romeinen zich al teruggetrokken onder de Rijn. Daarmee vervalt alles wat beweerd wordt over Velsen 1 en 2.
    2. Een crematiegraf volgens Romeinse gebruiken met munten uit de derde eeuw. Opmerking: welke Romeinse gebruiken? Bewijs je dat met munten?
    3. De Friezen moesten belasting betalen in goederen en/of diensten. Opmerking: maar welk Friezen? en was dit voor het jaar 47?
    4. Na ruim dertig jaar was er geen behoefte meer aan de basis te midden van de Friezen. Opmerking: of waren de Romeinen verdreven door de Friezen. De gevonden slingerkogels en Romeinse soldaten in waterputten vertellen toch een ander verhaal, dan geen behoefte meer.
    5. Katwijk wordt een belangrijk verkeersknooppunt genoemd, wat 'bewezen' wordt met zelfs twee Romeinse legerkampen: de Brittenburg (Lugdunum) en Valkenburg (Preatorium Agrippinae), waar vlakbij burgelijke handelsnederzettingen hadden bestaan. Opmerking: De Brittenburg is onvindbaar: daar kun je dus niets mee bewijzen. Let speciaal op wat gebruikelijk een burgerlijke nederzetting wordt genoemd, wordt hier plots handelsnederzetting. Is dat om die niet vast te stellen handel te benadrukken? In elke burgerlijke nederzetting zal handel hebben plaats gevonden. De Romeinen moesten toch eten? Maar hiermee toon je geen grootschalige handel aan, laat staan dat er een militaire strategie achter zou zitten!
    6. De grote hoeveelheid gevonden hout en leer bij Velsen worden blijkbaar gekoppeld aan omvangrijke handel. Opmerking: dat er nergens anders zo'n grote hoeveelheid hout en leer is gevonden heeft alles te maken met de hier genoemde natte omstandigheden, waardoor hout en leer beter geconserveerd is. Zie de volgende opmerking.
    7. Door de natte, goede conserveringsomstandigheden zijn er ook overblijfselen bewaard gebleven van kade- en beschoeiingswerken, scheepsresten en andere constructies en vondsten die de wetland-archaeology van Nederland benadrukken. Opmerking: Hier lees je de juiste reden van de goede conservering van overblijfselen. De wetland-archeologie is een bevestiging van de transgressies (zie daar).
    8. Een klein militair kamp met een begraafplaats van zo'n 400 personen en zo'n 30 ruitjeshuizen. Opmerking: 400 personen over ruim 200 jaar gerekend (het bestaan van dit fort) is slechts 2 doden per jaar. Bewijs je daar handel of een militaire strategie mee?
    9. Het door Cobulo aangelegde kanaal en de 'vermoedelijke' brug en één bronzen ruitermasker uit 80-125 n.Chr. 'waarschijnlijk' bedoeld om indruk te maken, worden ook nog vermeld. Opmerking: Bewijs je hiermee handel of een militaire strategie, wat toch de subtitel en de bedoeling van dit artikel was?
    10. Ter hoogte van Voorburg is een insteekhaven uit de 2e en 3e eeuw gevonden. Deze was cruciaal voor de bevoorrading van het leger. Het archeologisch onderzoek heeft voldoende argumenten opgeleverd om aan te nemen dat de Romeinse haven van Voorburg-Arentsburg een rol speelde bij de doorvoerroutes richting Brittannia.Opmerking: Die argumenten had ik nu graag gelezen. De doorvoerhaven naar Brittannia lag immers, zoals in het kader aangetoond, in Boulogne-sur-Mer.
    11. Twee vindplaatsen in Den Haag verwijzen ondubbelzinnig naar de aanwezigheid van het Romeinse leger bij de kust in de 2e en 3e eeuw na Christus: Scheveningseweg en Ockenburgh. Vondstcomplexen vol militaria zijn het. Paardenskeletten rondom het fort maken aannemelijk dat het onderdak bood aan een kleine ruitereenheid. Die voerde waarschijnlijk bewakingstaken uit middels patrouilles langs de kust en door de duinen. Dat had vermoedelijk te maken met de dreiging van piraten en plunderaars die het gebied vanuit zee benaderden. Iets soortgelijks zal bij de Scheveningseweg het geval zijn geweest, maar daar zijn nog te weinig gegevens van voorhanden om er gedetailleerde uitspraken over te doen. Opmerking: De aanwezigheid van het Romeinse leger hoeft niet aangetoond te worden, maar wordt hiermee handel en militaire strategie aangetoond? De Romeinen moesten wel elke dag eten, wat hierboven al vermeld werd, maar zat daar een militaire strategie achter en handel?
    12. In Naaldwijk bevond zich in de late 3e en vroege 4e eeuw na Christus een nederzetting, waarin op grote schaal metalen objecten zijn omgesmolten. Aangezien het terrein bij de opgravingen bezaaid was met grote fragmenten van Romeinse standbeelden, inscripties op brons plaat, zware stukken van meubelbeslag en andere vondsten, lijkt de bron van deze objecten niet al te ver van de vindplaats gezocht te moeten worden. Maar uit wat voor soort nederzetting waren ze afkomstig? In een van de inscripties op bronsplaat wordt de Romeinse vloot, de Classis Augusta Germanica, genoemd. Bovendien is bij de opgravingen een grote concentratie baksteenstempels gevonden (met het stempel met de afkorting CGPF, Classis Germanica Pia Fidelis, afbeelding 9). De vondsten verwijzen naar een belangrijke versterking in de omgeving van Naaldwijk. Opmerking: het lijkt gezocht te moeten worden is hier het cruciale bewijs in deze tekstfragmenten.
    13. De grootschalige akkerbouw en veeteelt zouden op Voorne-Putten aangetoond zijn. Het overschot van de oogst was voor de handel. Op Goedereede is geïmporteerd aardewerk gevonden en er wordt vermoed dat Goedereede een rol speelde in het scheepvaartverkeer. Ellewoutsdijk leverde marginale hoeveelheden gerst, haver, paardenboon, vlas en huttentut voor olie. Belangrijk was de veeteelt, vooral schapen en geiten, vermoedelijk wol voor de Romeinse lakenindustrie. Zout, kalk en vis uit Aardenbrug zouden ook die handel aantonen.Opmerking: In Zeeland waren in de Romeinse tijd nauwelijks bewoners. Hoe groot was dat overschot van de oogst op Voorne-Putten? De auteur gaat hier ook af op een bericht uit 1752. De Romeinen haalden hun graan niet voor niets uit Brittannia. Zout en laken werden verworven in Frans-Vlaanderen waar Textilia (bekend van het Friese laken, dat overigens niet van wol werd vervaardigd) lag en de zoutpannen van De Panne. Meer informatie over het hier genoemde Domburg en Colijnsplaat en de Nehalennia altaren vindt u hier.
    14. In Aardenburg verschenen pas rond 170 n.Chr. de eerste soldaten. Een tweede fort werd rond 190 gebouwd. Rond 220 weer verbouwd. Rond 240-245 is het fort verlaten of verwoest. Rond 260 is een nieuw fort gebouwd dat circa 285-290 weer verlaten werd. Er zijn veel sporen gevonden van ambachtelijke of industiële activiteiten. Opmerking: Hiermee wordt slechts een fragmentarische aanwezigeheid van de Romeinen aangetoond waar zeker geen militaire strategie achter zat.
    15. Met dit castellum in het Zeeuwse Aardenburg eindigt in het Rijksmuseum van Oudheden de tweehonderd kilometer lange 'Romeinse' kustlijn, van de noordelijke kuststreken en de limes, tot en met het land van Nehalennia.Opmerking: Die 200 kilometer is schromelijk overdreven. Van Velsen naar Aardenburg is slechts 150 km (over zee), van Velsen naar Nehalennia (Domburg en Colijnsplaat) is slechts 130 km (over zee).

    Commentaar:In dit artikel wil de schrijver aantonen dat er een militaire strategie en handel aan de Noordzee bestaan heeft. De bewijzen voor deze opvattingen blijken te bestaan uit fragmentarische vondsten uit zeer verschillende perioden tussen 15 n.Chr.(Velsen 1 van 15-28 n.Chr.; Velsen 2 rond 39 n.Chr.) tot ca. 290 n.Chr. (Aardenburg). Over deze periode van ruim 275 jaar worden vijftien (15!) zaken opgenoemd die de handel en militaire strategie zouden aantonen. Bij enkele van deze 'bewijzen', zoals munten en aardewerk wordt steeds terecht dan ook 'vermoedelijk' geschreven. Een crematiegraf op Texel volgens Romeins gebruik moet een bewijs vormen van Frieze soldaten in het Romeinse leger, wat bewezen wordt met enkele zilveren munten uit de derde eeuw. De woorden woorden als 'vermoedelijk' (11x), 'waarschijnlijk' (7x), 'mogelijk' (4x), 'lijkt' (3x), aannemelijk en 'te weinig gegevens' geven de rest van de twijfel al aan. Een aantal traditionele opvattingen worden dan wel tegengesproken, andere tradities blijven hoe onlogisch ook, voortbestaan. Zie het kader rechtsboven.


Archeobrief 2015


  1. Archeobrief nr.4, december 2015.
    Nijmegen vóór Karel de Grote. Kantekeningen bij de bewoningscontinuïteit van de oudste stad (door Joep Hendriks en Arjan den Braven).
    'Bij de interpretatie van historische bronnen wordt soms te lang vastgehouden aan oude aannames' schrijven zij. 'Veel aannames uit het verleden zijn gedaan op basis van eerste inzichten na afloop van het veldwerk, maar doordat definitieve publicaties uitbleven zijn deze aannames voor derden nauwelijks controleerbaar'. 'Er zijn weinig aanwijzingen voor het veronderstelde Merovingische machtscentrum op het Valkhof in de zesde en zevende eeuw'.
    Commentaar:In dit artikel worden terechte vragen gesteld over Nijmegen als oudste stad. De citaten hierboven geven precies het probleem van de geschiedenis van Nijmegen aan. De auteurs tonen aan dat er een groot gat bestaat in bewoning tussen de vijfde en achtste eeuw, dat slechts opgevuld werd met veel aannames en een weinig kritische houding van de historici. De 'weinige aanwijzingen' die genoemd worden, blijken te bestaan uit de historische aanname van een voortzetting van de laat-Romeinse castellum-structuren en verwijzingen naar een grafveld in Wijchen en in Lent. Toen Albert Delahaye deze aannames eens ging onderzoeken, bleef er niets van over. Nijmegen schermt met een aangenomen en nooit met feiten bewezen Merovingische en Karolingische geschiedenis, want ook Wijchen en Lent bewijzen niets voor Nijmegen.

    Iedereen die Nijmegen nog als oudste stad beschouwd, moet toch echt dit artikel eens lezen. Wat krijgt Albert Delahaye hier weer eens onweerlegbaar gelijk.

  2. Archeobrief nr.4, december 2015.
    Friezen op de kwelder bij Marssum. Enkele citaten uit dit artikel: Bij dit onderzoek werden direct ten noorden van een deels afgegraven terp uit de ijzertijd tot en met de middeleeuwen, waar vermoedelijk tot 1810 Andringastate heeft gestaan, lagen aangetroffen met daarin vondstmateriaal uit de ijzertijd, Romeinse tjd en vroege middeleeuwen. Deze lagen waren afgedekt door een overslobbingspakket van 1,4 meter! Op sommige percelen zal gewoond zijn. We weten helaas niet in wat voor huizen men woonde en of er sprake was van verhoogde percelen, wat overigens in dit vlakke kweldergebied wel voor de hand ligt dat een deel van het jaar regelmatig overstroomde.
    Commentaar:Als een gebied jaarlijk overstroomt blijkt het voor bewoning ongeschikt. Vandaar dat men er ook geen sporen van huizen aantreft. De historici en archeologen die de transgressies blijven ontkennen kennen hun eigen literatuur blijkbaar niet. Het is overduidelijk dat zoals op veel plaatsen in Nederland Romeinse en vroeg-miideeeuwse sporen onder een overslibbingspakket worden aangetroffen.

  3. Archeobrief nr.4, december 2015.
    Specialisten aller archeologische materialen verenigt U. Onder het hoofdstuk 'Forum' doet het interim-bestuur van SAMPL (Specialisten Archeologisch Materiaal PLatform) de oproep om hun vakgebied beter voor het voetlicht te brengen. Gezien alle verbeterpunten is er toch heel wat mis in de archeologische wereld. Beter onderzoek, betere communicatie, meer discussie, verhogen van kwaliteit van onderzoek, bevorderen kennisoverdracht en uitwisseling tussen specialisten zijn enkele aanbevelingen om te komen tot de oprichting van SAMPL. Een van de initiatiefnemers om te komen tot SAMPL is Stijn Heeren. Commentaar:bekijkt men de aanbevelingen om te komen tot SAMPL, dan blijkt er dus toch heel wat mis te zijn in de archeologische wereld. Dat blijkt ook wel uit het feit dat men elkaars werk en bevindingen nauwelijks kent. De ene archeoloog spreekt een ander soms radikaal tegen. Meer informatie vind je op
    www.sampl.nl.
    Hopelijk heeft deze nieuwe club ook de nodige veranderingen in de huidige archeologie tot gevolg. Als ze hun uitgangspunten volgen zal dat zeker kunnen gebeuren, zeker als de discussie op een hoger niveau wordt getild. Wellicht komt er dan ook een eind aan de eindeloze overdrijvingen van archeologen, waarbij zaken die allang bekend zijn als nieuw en opzienbarend worden gepresenteerd en men vooral de interpretatie van vondsten eens met historici en andere deskundigen gaat bediscussieren.


  4. Archeobrief nr.4, december 2015.
    Romeins marskamp in Duitsland ontdekt. Ten zuiden van Hannover zijn resten van een groot Romeins marskamp ontdekt voor zo'n 20.000 soldaten dat ongeveer drie dagen in gebruik zou zijn geweest. Het is het eerste bekende Romeinse kampement op de Noord-Duitse laagvlakte, dat zou dateren van rond het begin van de jaartelling. Er wordt meteen een vergelijking gemaakt met het marskamp in Ermelo dat uit de tweede eeuw zou dateren.
    Commentaar:Bij het marskamp in Ermelo blijft nog steeds de onopgeloste vraag waar de tussenliggende kampen dan wel gelegen hebben. Zie bij
    Ermelo. Die moeten er gezien de afstand tot de Rijn zeker geweest zijn. Ook dit Noord-Duitse kamp ligt op ruim 100 á 180 km van de bekende Duitse kampen. Dat is meerdere dagmarsen. Aangezien de Romeinen elke dag een kamp bouwde, zeker in vijandelijk gebied, is de vraag waar die tussenliggende kampen zijn? Als die niet gevonden worden, zal ook dit missien toch een inheemse nederzetting zijn geweest, zoals ook W.A.van Es dacht bij het kamp in Ermelo? Het kan aangelegd zijn op Romeinse manier door veteranen die het bouwen van kampen in Romeinse dienst leerden. Dat er Romeinse relicten zijn gevonden bewijst nog niet dat het door Romeinen is gebouwd.

  5. Archeobrief nr.4, december 2015.
    Archeologische vondsten in Barneveld. In Barneveld zijn opmerkelijke archeologische vondsten gedaan uit de ijzertijd en de middeleeuwen. Dit gebied (bedrijventerrein Harselaar) was lange tijd onbewoond en had een drassig karakter. Uit de ijzertijd brak een periode van zo'n 500 jaar van bewonign aan. Uit die tijd zijn drie boerderijen gevonden. Daarna trad er vernatting op en pas in de tiende of elfde eeuw woonden er weer mensen.
    Commentaar:De ijzerijd is de periode vanaf ongeveer 600 vóór Christus. Daarna trad vernatting op, noem het maar transgressies, en pas in de 10e of 11e eeuw kwam er weer bewoning. Dit beeld van Barneveld is representatief voor heel veel plaatsen in Nederland. Tussen de ijzertijd en de 10e of 11e eeuw was er, op de Romeinse aanwezigheid in een smalle strook langs de Rijn, nauwelijk of geen bewoning. De Romeinen hebben tijdens hun aanwezigheid een constante strijd moeten voeren tegen wateroverlast, wat wel uit diverse opgravingen blijkt. Uiteindelijk hebben ze die strijd rond 260 n.Chr. opgegeven en laag Nederland verlaten.

    Archeobrief 3, september 2015
  6. Vroegmiddeleeuwse koninkrijken in beeld: de pracht van de macht, p.25-31.
    De laatste jaren wordt de betrouwbaarheid van de historische aanwijzingen voor de opkomst en expansie van middeleeuws Frisia echter in twijfel getrokken. In de discussie over de opkomst en ontwikkeling van vroegmiddeleeuws koningschap in Noordwest-Europa moet geconstateerd worden dat Nederland tot op heden nauwelijks een rol heeft gespeeld. Traditioneel richt het onderzoek zich vooral op het Frankische gebied, zuidelijk Scandinavië en Angelsaksisch Engeland. Dat Nederland buiten beeld blijft, is in de eerste plaats verklaarbaar door het vrijwel ontbreken van historische gegevens. Ook koninklijke ontvangsthallen zijn hier afwezig. In deze periode zouden achtereenvolgens Aldgisl en zijn vermoedelijke opvolger Radbod (overleden 719) een palatium in Utrecht hebben gehad en van daaruit een als 'Frisia Magna' aangeduid gebied hebben gecontroleerd. Aangenomen wordt verder...... Nu wil men een ander beeld schetsen en wordt getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de historische aanwijzingen. Daarvoor worden diverse munt- en siervoorwerp-vondsten opgevoerd, zoals die van Wijnalbum. Zie hier voor het ware verhaal van Wijnalbum.
    Commentaar:Het artikel is doorspekt met aangenomen opvattingen, die nimmer te bewijzen zijn. Zo zouden gouden munthangers of zilveren fibulae juist door personen met een lagere sociale status gedragen worden. Hoe weet men dat? Dat het een onbewezen aanname is blijkt wel uit de bewoordingen als hiervoor dik gedrukt en woorden als 'wanneer we ervan uitgaan', 'aannemelijk', 'vermoedelijk' (8x op ca.6 blz.tekst) en de term geëxtrapoleerd. (ofwel de Nederlandse situatie vergelijken met die uit omringende gebieden, zoals Engeland of Noord-Frankrijk. Dat gaat dus niet op, aangezien de situatie in Engeland of Noord-Frankrijk niet te vergelijken zijn met Nederland wat uit de eerste zinnen al blijkt).
    Het in het schema gegeven getrapt systeem van persoonlijke relaties (figuur 2) is eveneens een onbewezen hypothese.
    Toch trekt de auteur de enig juiste conclusie als hij schrijft: "De realiteit is helaas minder eenvoudig, aangezien de verspreiding van archeologische vondsten niet zonder meer een afspiegeling vormt van de historische realiteit ". Toch beweert de auteur dat op grond van de fibula van Wijnaldum 'een koninkrijk herkenbaar is'. Hij zet er dan wel het woord 'vermoedelijk' bij, dus twijfelt aan zijn eigen opvatting.
    Aan de rol van Aldgisl en Radbod als koningen wordt dan wel getwijfeld, maar het lijkt de auteur 'een interessante gedachte' ze als aanvoerders van het latere Frisia te zien, 'hoewel historische gegevens ontbreken'. Commentaar:Zo schrijft men dus geschiedenis in Nederland.

  7. Archeobrief 3, september 2015, p.32-36. Oud goud en een nieuw gezicht in het Fries Museum in Leeuwarden. In dit artikel wordt vooral ingegaan op de Friese schatten uit de periode 400-1000. Het blijkt echter te gaan over gouden sieraden die dateren uit de zesde en zevende eeuw. Nog verder wordt het artikel beperkt tot de fibula van Wijnaldum en de goudschat van Dronrijp. Uit de chemische samenstelling blijkt de goudschat van Dronrijp uit verschillende soorten goud te bestaan: de korrels komen niet van de baar en de baar niet van de gesp. De oude theorie blijkt dus niet te kloppen.
    Commentaar:Deze goudschatten worden gedateerd in de zesde/zevende eeuw, waarmee de hiervoor genoemde periode van 400-1000 beperkt wordt tot feitelijk maar een halve eeuw!

    1. De Fibula van Wijnaldum is in Engeland onderzocht en vertoont veel gelijkenis met de schat uit het zevende-eeuwse koningsgraf van Sutton-Hoo. Men vermoedt dat dit het scheepsgraf van de Angelsaksische koning Raedwald is. En deze koning zou geregeerd hebben tussen 599 en ca.624 n.Chr. In een 9e-eeuwse vermelding in de Anglo-Saxon Chronicle wordt Rædwald genoemd als een bretwalda. Hij is de belangrijkste kandidaat voor de koning die begraven is in het beroemde scheepsgraf van Sutton Hoo. In deze zinnen worden liefst vier voorbehoudens genoemd, waarop de datering dan zou zijn gebaseerd.
      Commentaar:Maar hoeveel gelijkenis vertoont de fibula van Wijnaldum (zie afbeelding hierboven links) met de goudschat uit Sutton-Hoo? Vergelijk het zelf met de afbeeldingen hieronder! (Klik op de afbeelding voor een vergroting). Van de fibula van Wijnaldum is vastgesteld dat het almandijn afkomstig is uit India. De Friese fibula heeft een exotisch tintje. Is het ook in India gemaakt?

      - -

    2. Middeleeuwse scheepsresten in Nederland. De vroege middeleeuwen 500-1050. , p.6-24.
      Het relatief geringe aantal vroegmiddeleeuwse scheepsvondsten wordt verklaard door het feit dat de bevolking in grote delen van Nederland in de laat Romeinse tijd sterk afnam.
      De vondsten tonen aan dat de 'rijke scheeptraditie' nogal tegenvalt. Zie het kaartje linksboven. Klik op het kaartje voor een vergroting. Dit kaartje is figuur 5 in dit artikel.
      Enkele citaten uit dit artikel:
      1. Er gaapt een gat van eeuwen tussen het oudste gedateerde Romeinse vaartuig (300) en de eerste vroegmiddeleeuwse scheepsresten (Solleveld, Oegstgeest. 612).
      2. Een tijdelijke en niet overal opgetreden ontvolking kan het ontbreken van scheepsvondsten niet voor het hele land verklaren. En toch zijn er met uitzondering van Domburg geen vondsten bekend uit het zuiden van Nederland.
      3. De herkomst van het scheepshout geeft mogelijk ook globaal aan waar de schepen zijn gebouwd. Dat is dus in veel gevallen buiten onze huidige landsgrenzen.
      4. Veel scheepshout is hergebruikt in putten, beschoeiingen en kades.
      5. De meeste schepen hebben verschillende afmetingen en vormen, waarmee georganiseerde scheepsbouw wordt tegengesproken.
      6. Het noorden van Nederland blijkt een nat landschap te zijn, waar in de natte bodem hout bewaard bleef.
      7. de scheepswrakken gevonden worden onder een (soms dikke) laag afzettingsediment (zeeklei). Dat laatste bevestigt de Transgressies onweerlegbaar.
      8. de scheepsresten worden bijna alleen teruggevonden in westelijk, dus laag Nederland. Slechts enkele in Drente en langs de IJssel bij Deventer. Zie kaartje hiernaast (klik op het kaartje voor een vergroting). Let ook speciaal op de aangegeven hoogten beneden NAP.
      9. als knooppunten in het handelsnetwerk worden het Almere (zie daar), Dorestad (zie daar), Medemblik (zie daar), Texel (zie daarvoor de Goederenlijst uit 870), Wieringen (zie daar) en Stavoren (zie bij Friezen en Medemblik) genoemd. Daar is het een en ander op aan te merken. Zo is op Texel, in Medemblik, in Stavoren geen enkel scheepswrak gevonden, in Dorestad en in het hele Zuiderzeegebied slechts één. Hoezo knooppunten?
      10. Rechtstreekse oversteek van Brittannië naar de monding van de Rijn is gedocumenteerd voor Willibrord in 690. Met een verwijzing naar Alcuinus 'Vita Sancti Willibrordi'. Daar heeft Albert Delahaye het nodige over geschreven. Zie bij Willibrord en bij Renus.
      11. In ons land zijn nog geen scheeps-wrakken uit de periode tussen grofweg 300 en 600 aangetroffen.
      12. de vroegste vondst van een boomstamboot is in Utrecht gevonden (in 1930, zie de Utrecht I). En deze boomstamboot wordt gedateerd op na ca. 1019. De jongste representanten (Utrecht 5, Oss) stammen uit de 12e of begin 13e eeuw.
      13. Vroegmiddeleeuwse scheepsresten zijn in de ons omringende landen al even zeldzaam als in Nederland.

      Uit het overzicht van vondsten van scheepsresten blijkt die rijke scheepstraditie nogal tegen te vallen.

    3. We lezen in dit artikel nog een aantal opvallende constateringen van de auteurs, zoals: In de roemruchte havenstad Dorestad met de internationale handel (wat men voor Wijk bij Duurstede houdt) is slechts één scheepswrak gevonden met tpq (terminus post quem!) datering halverwege de 8e eeuw. TPQ-datering is een relatieve datering waarbij de chronologie van objecten ten opzichte van andere bevindingen wordt vastgesteld.
      Commentaar:De datering wordt dus niet op het object zelf vastgesteld, maar indirect. Hier ongetwijfeld uit de veronderstellingen dat Wijk bij Duurstde het vermaarde Dorestad was.

    4. De migranten die in West- en Noord-Nederland neerstreken, worden Friezen genoemd, naar het oude Frisia.
      In de bijgevoegde noot 8 wordt verwezen naar E.Seebold : Wer waren die Friesen - sprachlich gesehen? En wat schrijft Seebold zelf? "Wenn Sie mit dieser Erwartung hierhergekommen sind, dann werde ich sie wahrscheinlich enttäuschen -denn zu mehr als einer Arbeidshypothese wird es nicht reichen". Het is dus een hypothese ofwel een niet te bewijzen opvatting! Er wordt dus niet aangetoond waar dat oude Frisia lag. In zijn werkhypothese wijst Seebold op de sterke overeenkomst tussen het Fries en Engels als naburige talen, maar kan het niet verklaren (omdat hij slechts vasthoudt aan Friezen in Friesland en niet aan Friezen aan het Kanaal. Ook ten aanzien van de Saksen blijft Seewald op Duitsland gericht en weidt er dusdanig over uit dat hij zelf ook totaal de weg kwijtraakt. Bij hem worden de Saksen dan ook 'Seekriegern'.
      Commentaar:Zie je het al voor je? Zeekrijgers uit midden-Duitsland, in plaats van aan de Litus Saxonicum aan beide zijden van het Kanaal.
      Toch komt Seebold tot de conclusie dat de Friesen zowel in de Romeinse tijd als in de tijd van de predikers nagenoeg op dezelfde plaats verbleven. Dat is zeer terecht opgemerkt. Maar was dat in Friesland of in Frans-Vlaanderen?
      Seebold besluit zijn dissertatie met: "Wenn Sie mir nun die Pistole auf die Brust setzen und sagen: 'Nun beantworte deine selbstgestellte Frage: We waren die Friesen - sprachlich gesehen?' ... Ich weiss es nicht".

    5. Seebold maakt ook de denkfout door aan te nemen dat met Euten (Euci) de Friezen bedoeld zouden zijn. Naast Saksen en Franken worden in deze tekst de Saxones Euci (variant: Eudecii; Bron: Variorum Epistolae, HdF, IV, p. 59) genoemd. De driedeling Friezen, Franken, Saksen zit er bij hem zo vast in dat hij zelfs van de Saxones Euci dan maar Friezen maakt die hier niet genoemd worden. Maar de Euci waren geen Friezen, maar de bewoners van Heuchin in Pas-de-Calais.
      En hoe die oude volkeren spraken is slechts op te maken met 'hineininterpetieren' en het aanhalen van klassieke teksten als de Beowulf. Seebold noemt het ook steeds 'eine Annahme' en met een aanname kun je niets bewijzen. Overigens is de Beowulf geen Friese of Engelese tekst, maar een Saksische. Zie daarvoor wat Joël Vandemaele er over geschreven heeft.
      Aan het eind van zijn verhaal merkt Seebold nog op dat 'Friesen un Sachsen eine gemeinsame Herkunft zugeschreiben wird', met verwijzing naar H.Halbertsma (zie daar). En daar zat hij op het goede spoor, maar doordenken op eigen bevindingen is er ook bij Seebold niet bij. De klassieke Friezen en Saksen verbleven namenlijk in dezelfde streek in Frans-Vlaanderen, waar de Litus Saxonicum en de vele Friezennamen de juiste plaats aangeeft. Zie verder bij Friezen en Saksen.


    6. Enkele andere punten waarin dit artikel onjuiste informatie geeft, zijn;
      1. de genoemde Cokingi zijn geen Friezen, maar zijn verdreven door de Friezen (noot 25: Bron: Annales Beriniani). Dat Cokingi voor 'Koggemannen' staat is een aanname.
      2. De rechtstreekse oversteek van Brittannië naar de monding van de Rijn is gedocumenteerd voor Willibrord in 690. Daarvoor wordt verwezen naar Alcuinus, Vita Sancti Willibrordi. Zie daarvoor bij Sint Willibrordus.

    7. Over de Friezen gesproken....
      In het Nederlands tijdschrift Spiegel Historiael Nr 5 jg. 33, mei 1998, lezen we wat uit de pen vloeide van Jos Bazelmans : Zijn de Friezen wel Friezen? Deze van Tacitus en deze van de Frankentijd. Waarschijnlijk niet.... Van dat 'waarschijnlijk niet' heeft Albert Delahaye aangetoond dat het 'zeker niet' moet zijn. Zie bij de Friezen.

  8. Archeobrief 2, juni 2015.
    Romeinse stadsmuur in Nijmegen. In Nijmegen-West zijn delen van een derde eeuwse stadsmuur en -gracht gevonden. Deze liggen ongeveer 150 meter ten westen van de bekende gracht uit de tweede eeuw. In dit deel van de Romeinse stad was nog niet eerder onderzoek gedaan.
    Commentaar: Ook hier ontbreken de bewijzen dat het om het Noviomagus van de Bataven dat gesticht zou zijn ca.104 n.Chr. gaat! De naam Noviomagus is in Nijmegen nooit ergens aangetroffen in Romeinse relicten.

  9. Archeobrief 1, maart 2015.
    Luxe servies? Terra sigilatta ten noorden van de limes bestaat voornamelijk uit losse scherven. Deze zijn vaak bewerkt (voorzien van een gaatje) en waarschijnlijk gedragen als hanger. Dit artikel is bedoeld als een eerste aanzet tot de herziening van de traditionele kijk op de rol van Romeinse importen buiten het Romeinse Rijk.
    Commentaar: Uit dit artikel blijkt dat veel Romeinse scherven bewerkt zijn en bijvoorbeeld voorzien van een gaatje. Het is een gebruikelijke gang van zaken als een inheemse cultuur in contact komt met een koloniale cultuur. Men verwierf objecten van de kolonisten door handel of ruilen. We kennen het voorbeeld van de spiegeltjes en kralen in Afrikaanse culturen, die geruild werd tegen voor hen minder interessante eigen objecten, maar die hier in musea terecht kwamen.

  10. Archeobrief 1, maart 2015.
    Middeleeuwse nederzetting tussen Elst en Valburg. Tussen Elst en Valburg zijn resten van een middeleeuwse nederzetting gevonden, vermoedelijk een boerderij uit de tiende tot de veertiende eeuw. Merkwaardig is vooral de vondst van een skelet. Deze persoon was ook erg onzorgvuldig begraven, met zijn armen en benen omhoog. Naast middeleeuwse sporen en vondsten kwamen bij de opgraving ook voorwerpen uit de Tweede Wereldoorlog aan het licht, waaronder een bord van een Amerikaanse soldaat en een lege Engelse munitiekist.
    Commentaar: De ruime marge tussen 10e en 14e eeuw en de vondst van voorwerpen uit W.O.2 maken de vondst zo twijfelachtig dat er geen conclusies aan verbonden kunnen worden.



Archeobrief 2014


  1. Archeobrief 4, december 2014.
    Archeologische impressies en reconstructies. In het spanningsveld tussen feit en interpretatie. De schoolplaat met zijn woeste Germanen of plunderende Vikingen werd gezien als voorbeeld hoe het niet moest. Reconstructies en impressies hoorden volgens de gangbare opvattingen zeker niet thuis in wetenschappelijke publicaties, maar ook niet in de betere publieksboeken. Commentaar: Uit dit artikel blijkt dat schoolplaten en andere tekening te vaak gebaseerd zijn geweest op interpretaties van interpretaties. Ze geven vaak een verkeerd beeld van de veronderstelde werkelijkheid, maar gan wel een eigen leven leiden. Als voorbeeld kunnen we de schoolplaat van Isings nemen, waarbij St.Willibrord afgebeeld wordt op een paard. (Zie afbeelding hiernaast). Deze afbeelding is ook gevolgd in het standbeeld van St.Willibrord in Utrecht. Ook de op deze plaat afgebeelde kerk is puur verzinsel en geeft een totaal verkeerde beeld van die tijd (8ste eeuw). St.Willibrord was een Benedictijn en die had geen paard. Het paard was slechts in bezit van de machthebbers. Maar dit beeld werd 'noodzakelijk' om het grote missiegebied van St.Willibrord te verklaren. Zonder paard was dat omvangrijke missiegebied van Denemarken tot Luxemburg niet te bereizen.

  2. Archeobrief 3, september 2014.
    De laat-Romeinse goudschat van Echt. Belangrijk is dat ieder spoor van (laat-)Romeinse bewoning in het opgegraven vlak ontbreekt. De twaalf gouden munten of solidi komen uit verschillende perioden tussen 364 en 411. De begraver van de schat was hoogstwaarschijnlijk een Germaanse krijger. Dez schat in Echt is de eerste schat in Nederland met een combinatie van gouden munten en hakzilver. Andere schatten met hakzilver zijn vooral bekend uit gebieden buiten het Romeinse Rijk. Het gebruik van hakzilver is in de Romeinse context ontstaan bij de betaling van soldaten en lijkt vooral verbonden met de ultieme poging om greep te krijgen op de grensverdedigign in de Nederrijnse regio. Commentaar: Van een grensverdediging in het Nederrijnse regio was in de vijfde eeuw geen sprake. Volgens enkele historici is er nooit sprake geweest van een grensverdediging, maar was de Rijn een bewakkte transportroute. Zie hierboven Archeobrief nr.1 maart 2008. De grens van het Romeinse Rijk lag toen al bijna anderhalve eeuw op de route van Boulogne-sur-Mer via Bavay naar Keulen. Zie ook hieronder Archeobrief 2 van juni 2014.

  3. Archeobrief 3, september 2014.
    De Apenstert. Een middeleeuwse straat in Zutphen. De straat met de naam Apenstert is gelegen tegenover de Broederkerk (in het oude centrum van Zuthpen). In de opgraving werden veel vondsten gedaan die bijna allemaal uit de dertiende eeuw dateren. De oudste resten dateren waarschijnlijk uit de Karolingische tijd en omvatten onder meer Hessen-Schorten en Badorfaardewerk. Het gros van het prestedelijke aardewerk dateert echter uit de periode tussen circa 1000 en 1125. Met name het Pingsdordaardewerk is goed te dateren. Feitelijk kan deze nieuwe aarden wal alleen op de plek gelegen hebben van de latere midden-dertiende eeuwse bakstenen stadsmuur. Scheepsresten zijn dendrochronologisch in 1235 gedateerd. Zilveren munten uit de nestlagen dateren van 1226-1228 tot 1256-1271. Resten van na de 13de eeuw zijn vrijwel niet aangetroffen op het terrein.
    Commentaar: Ui de hierboven aangehaalde citaten uit dit artikel blijkt duidelijk dat de geschiedenis van Zutphen beslist niet verder teruggaat dan de tiende eeuw. Badorf aardewerk wordt doorgaans gedateerd tussen de 8ste en 10de eeuw en kan ook pas nadien in de grond gekomen zijn. Het Hessen-Schortens-aardewerk werd in de loop van de achtste eeuw bijna volledig door kogelpotten verdrongen, tenmiste volgens A.Verhoeven in 'Middeleeuws gebruiksaardewerk', p.251. Hij baseert dat op zijn opvatting dat vanaf de 8ste eeuw de bewoners van West- en Midden-Nederland begonnen met het maken van kogelpotten. Waar dan die opvatting op gebaseerd is blijft een onbeantwoorde vraag. Maar op p.251 schrijft Verhoeven ook: "In de streek tussen Maas en Rijn start de massale productie van kogelpotten vanaf de 11de eeuw en in Elmpt vanaf de 12de eeuw". Pingsdorf aardewerk is te dateren tussen de 10de en 13e eeuw. Zie bij
    aardewerk. Dat de oude aarden wal vervangen werd door een stadsmuur zien we ook bij andere steden, zoals Amersfoort (zie daar), nadat de plaats stadsrechten heeft gekregen. Voor Zutohen was dat in 1227. Zie bij Zutphen. Bij afbeelding 12 wordt dan nog wel de negende eeuwse ringwalburg genoemd, maar die datering blijkt gebasserd op de schriftelijke bron van aanvallen van de Normannen op Zutphen, waarna de bewoners een wal tegen verder plundering zouden hebben opgeworpen. Maar in de betreffende tekst wordt Zutphen nergens genoemd, maar gaat het om de Isla dat niet de IJssel was maar de Lys in Frans-Vlaanderen. Bovendien zal de aardenwal de Noormannen niet weerhouden hebben. In Archeobrief 4 van december 2013 wordt al een voorbeschouwing over deze opgraving gegeven. Daar lezen we dat "In het centrum van Zutphen zijn de resten van dertiende eeuwse houten straten zijn blootgelegd. De Apenstert is een straat die sinds het bombardement van Zutphen in de Tweede Werldoorlog niet meet bestaat. Vandaar dat de straatresten niet door riolen en leidingen waren verstroord." Hiermee wordt duidelijk aangegeven dat de oudste straten in Zutphen niet verder teruggaan dan de 13e eeuw en dat deze houten straten ofwel deze knuppelpaden, het moerassige gebied, het Zuid-veen, bevestigen.

  4. Archeobrief 3, september 2014.
    Nieuwe exposities: Limburgs Museum en DOMunder.Een dertiende eeuwse kelder werd in het Limburgs Museum geïnterpreteerd als een Joods badhuis, een mikwe. In 2013 bleek dat de interpreaties van mikwee niet klopt. Het geeft aan dat archeologen ook mensen zijn en er wel eens naast kunnen zitten. Onder het Domplein van Utrecht is de enige originele castelmuur van Nederland te zien.
    Commentaar: het toegeven van een foute opvatting gebeurt in de archeologie helaas maar bij hoge uitzondering. In hoeverre zijn in het verleden ook elders onjuist interpretaties tot stand gekomen die nog steeds gelden als waarheid. Zie bij
    Citaten. De enige originele castelmuur geeft aan dat de rest dus niet origineel is, ook in Nijmegen niet.

  5. Archeobrief 3, september 2014.
    De driedubbele bodem van Flevoland. Een Romeinse wachttoren in het Kotterbos?
    Op drie plaatsen kwamen uit de ondergrond liggende boomstammen tevoorschijn. De C14-dateringen gaven een Romeinse datering aan. Ergens op de overgang van de late ijzertijd naar de Romeinse tijd vonden overstromingen plaats, waarbij het veengebied moet zijn opgeruimd en de Wormer-afzettingen zijn aangetast. Het is gissen naar de oorzaak van deze 'agressieve' meervorming. Op het erosieve niveau heeft zich een dik pakket gyttja (Flevomeer laag) ontwikkeld. Over de omvang van het veengebied kunnen we alleen maar speculeren. Zoals gezegd, voorlopig is dit allemaal echt nog speculatie. Commentaar: Het vraagteken in de titel blijkt er zeer terecht te staan. Er is sprake van een hoge mate van speculatie, zoals in het artikel ook erkend wordt. De in het artikel genoemde klassieke bronnen gaan niet over Nederland, maar over het gebied waar de Romeinen aanwezig waren en dat was in Gallia, zoals enkele schrijvers ook letterlijk schrijven. In de tijd van de gneomde Drusus was er nog geen enkele Romein in Nederland en al helemaal niet in de Flevopolder. Ten tijd van Germanicus evenmin. In de teksten wordt duidelijk beschreven dat Drusus "Ter bescherming van de provincies liet Drusus overal versterkingen en wachttorens bouwen, langs de Mosa, de Albis en de Wisurgis. Langs de oever van de Renus liet hij meer dan vijftig forten aanleggen. Bononia en Novesium liet hij door bruggen verbinden". Bron: Aelius Spartianus, lV, 12. Deze ene tekst weerlegt de hele traditionele opvatting over de tijd van Drusus. Het artikel geeft wel aan hoe opvattingen uit soeculaties ontstaan en vervolgens een eigen leven als waarheid gaan leiden. Overstromingen? Agressieve meervorming? Toch Duinkerke 1? Zie bij
    Transgressies. Helaas wordt daar niet verder op ingegaan, maar eindigen de schrijvers met de vaststelling dat het allemaal nog speculatie is.

  6. Archeobrief 2, juni 2014.
    Recent stadskernonderzoek in Deventer. Uit enkele historische bronnen valt op te maken dat de missionaris Lebuinus in 768 zijn eerste kerkje stichtte, waarschijnlijk in of bij een al bestaande nederzetting. Hoe lang die nederzetting toen al bestond en hoe deze eruit zag is moeilijk te beantwoorden. Vondsten uit de laat-Romeinse en de periode voor de achtste eeuw ontbreken vooralsnog in het centrum van Deventer. In de tweede helft van de negende eeuw was vrijwel het gehele gebied in het huidige stadscentrum in gebruik. Aan het einde van de 9e eeuw werd dit geheel omgeven door een aarden wal. De gebruiksfase vanaf de late achtste of vroege negende eeuw is waarschijnlijk aan de Karolingische agrarische nederzetting toe te schrijven. De ontwikkeling van Deventer speelde zich tot 1200 af binnen deze wal. In de tiende eeuw verschenen de eerste huizen in houtskeletbouw. Vanaf de tweede helft van de elfde eeuw verschenen de eerste gebouwen in tufsteen. De vroegste bakstenen huizen stammen uit de 13de of de 14de eeuw. Helaas heeft de eeuwenlange bewoning op de locatie geleid tot verstrooiing van een groot deel van de sporen, waardoor het herkennen van structuren wordt bemoeilijkt.
    Commentaar: let op de onderstreepte woorden zoals die in de tekst voorkomen. De historische bronnen die hier genoemd worden gaan niet over Deventer, maar over Daventria en het gebied langs de Isla dat onjuist als de IJssel werd opgevat. Deventer wordt in deze bronnen nergens genoemd. Daventria was de Franse plaats Desvres. St.Lebuinus was dezelfde persoon als St.Lievin in Frans-Vlaanderen wat door M.Coens is aangetoond aan de hand van feitelijke bewijzen. De plaatsing van Lebuinus in Deventer en daarna ook een inval van de Noormannen is een mythe. Zie bij
    St.Lebuinus en bij Deventer. Deventer blijkt niet ouder te zijn dan de tiende eeuw.

  7. Archeobrief 2, juni 2014.
    Te mooi om waar te zijn! Een vroegmiddeleeuwse muntschat op het Domplein. In de in 1949 teruggeworpen vulling van een opgravingssleuf werden tussen 2011 en 2014 Romeinse munten, mantelspelden en stukjes middeleeuws raamlood gevonden. Het bleek ook te gaan om 33 tremisses munten van het zogenaamde pseudo-Madelinus type, imitaties van goudstukken uit Dorestad, geslagen tussen 675- en 750. Negen sceatta's van het stekelvarkentype worden wat jonger gedateerd dan de tremisses. Muntslag in Utrecht? In het verleden is overigens wel getwijfeld of de tremissen met de vermelding TRIECTO FIT in Maastricht of in Utrecht werden geslagen. Het merendeel van de munten van het Domplein is echter zonder context in de oude sleufvulling aangetroffen. Er kan dus geen sprake zijn van een muntschat. Ook de verschillen in goudgehalte en stempels en de aanname dat sceatta's en tremisses niet samen kunnen voorkomen, pleiten tegen een muntschat.
    Commentaar: Bij kritische lezing van dit artikel blijkt het inderdaad te mooi is om waar te zijn. Er is sprake van een ruime mate van 'whisfull thinking'. Er is dus geen sprake van een muntschat, zeker niet omdat het een vondst in een oude sleufvulling betreft. Let ook op de vermelde stukjes middeleeuws raamlood wat duidelijk wijst op de late middeleeuwen.

  8. Archeobrief 2, juni 2014.
    Romeinse schat in Echt. Een unieke goudschat uit het begin van de vijfde eeuw werd gepresenteerd in het Limburg Museum in Venlo. De schat bestaat uit een nog niet eerder in Nederland aangetroffen combinatie van gouden munten en kapot geknipt zilveren vaatwerk (zie afbeelding: klik op de afbeelding voor een vergroting). De jongste munten zijn geslagen onder keizer Constantijn (407-411) en zijn nog stempelfris, Dit betekent dat de schat kort na 411 moet zijn begraven.
    Uit mededeling van RAAP blijkt dat deze schat niet als één geheel is gevonden, maar in verschillende jaren tussen 1990 en 2014. Op de vondstlocatie, een onbewoonde plek aan het uiteinde van een landtong omgeven door drassige laagten, zijn geen andere sporen uit de laat-Romeinse tijd gevonden. De goudschat is compleet geborgen en bestaat uit 12 gouden munten (solidi), een gouden ring, een zilverbaar en 9 stukken verknipt en verbogen zilver afkomstig van diverse stukken vaatwerk, waaronder 3 grote borden. Een van de schalen is van exceptionele kwaliteit. De stukjes zilver golden ook als betaalmiddel.
    Commentaar: Dat de schat in 411 in de grond gekomen is blijkt een aanname op basis van het 'stempelfris'. Maar een aanname vormt geen bewijs. Deze munten, ring en verknipt zilver kunnen ook veel later verborgen of verloren zijn. Het is in elk geval ook zo dat er rond 411 geen Romeinen meer in Nederland waren. Het einde van het Romeinse Rijk wordt traditioneel op 406 gehouden. Om welke keizer Constantijn gaat het? Aangezien op munten geen jaartallen staan is het de vraag welke Constantius of Constantinus bedoeld wordt: Constantius 1 (293-306), Constantius 2 (337-340), de Oosterse keizer Constantius 2 (350-361), Constantius Gallus(351-354) Constantinus 3 (407-411) of Constantius 3 (421-421)? Zie voor meer over deze schat: Archeobrief 3 van sept.2014.

  9. Archeobrief 1, maart 2014.
    Villa Buria ontdekt? Bewoningsporen uit de Karolingische tijd. Uit deze sporen blijkt dat de invloed van water groot is geweest. Het lijkt aannemelijk dat de houten structuur aan het einde van de negende of het begin van de tiende eeuw is geplaatst. Onder een afzettingspakket kwamen resten van een houten palenrij tevoorschijn. Uit de C-14 dateringen op dezelfde monster kwamen twee dateringen van 680-890 en 890-1020 na Chr.
    Commentaar: De invoed van water? Een afzettingspakket? Toch
    transgressies? In hoeverre zijn de C14-dateringen overtuigend? Tussen 680 en 1020 zit ruim 340 jaar.

  10. Archeobrief 1, maart 2014.
    Nieuw leven voor de Limes. uit dit artikel blijkt de bedoeling van de voordracht van de Limes bij de UNESCO als Cultureel Erfgoed: toerisme en dito inkomsten!
    Commentaar: Wordt hiermee een bestaand vooroordeel van die zuinige Hollanders weer eens bevestigd? Is de Limes waarvan boven de grond helemaal niets te zien is, Nederlands Cultureel Erfgoed of eerder van Italië en Rome? Is de Tweede Wereldoorlog en de hongerwinter ook Cultureel Erfgoed van Nederland? Is een bezettingsmacht die slechts ellende voor de plaatselijke bevolking bracht, te beschouwen als Cultureel Erfgoed? Welke culturele prestaties zijn hier geleverd door Nederland? Lijkt me toch niet helemaal juist.



Archeobrief 2013


  1. Archeobrief 4, december 2013.
    Romeinse scheepsresten in Nederland. In dit interessante artikel wordt ingegaan op de in Nederland gevonden scheepsresten. Daaruit blijkt dat er geen twee schepen aan elkaar gelijk zijn gevonden. Ook de typen van de schepen zijn verschillend van boomstamkano's tot gallei en platbodemvaartuigen. De scheepswrakken zijn gevonden in Velsen, Vechten, Woerden, Zwammerdam, De Meern, Kapel Avezaath, Druten en Alblasserdam. Het hout van de schepen blijkt ook afkomstig uit verschillende gebieden, zoals Vlaanderen, de Ardennen en de Rijn/Maas delta. De schrijvers menen dat de schepen zijn gebouwd door inheemse scheepsbouwer (gezien de soms slorige uitvoering) al dan niet in opdracht van het leger en hebben gediend voor de bevoorrading van de Romeinse forten. Ook wijzen sommige details op een meditarrane manier van scheepsbouw. Uit een overzicht (afb.13) blijkt dat de schepen allemaal tussen ca.100 en 200 na Chr. zijn te dateren, aan de hand van omgevings of inventarisvondsten.
    Commentaar: Er zijn geen twee schepen die in Nederland gevonden zijn aan elkaar gelijk. Dat toont onweerlegbaar aan dat er geen Romeinse uniformiteit achter zat, maar dat elke schipper zijn eigen schip maakte of liet maken, afhankelijk van het beschikbare materiaal. In noot 2 wordt verwezen naar Tacitus Historiae, IV.16. waarin sprake is van een vloot van 24 schepen bemand met Bataven, matrozen en soldaten. Lees je deze tekst echter zorgvuldig dan staat er toch iets anders dan hier beweerd wordt. Uit deze tekst van Tacitus die gaat over de opstand van de Bataven, is niet op te maken dat het over schepen van de Rijnvloot in onze streken gaat. Natuurlijk wel als je de traditionele vertaling van Renus=Rijn volgt. Maar dat staat nu vooral ter discussie. Zie verder bij
    de Renus. Dat er juist in West-Nederland veel scheepswrakken zijn gevonden bevestigt de transgressies en het plotselinge vertrek van de Romeinen. In enkele scheepswrakken zijn nog veel gebruiksvoorwerpen gevonden. Die heeft men niet meegenomen of de kans niet gehad die mee te nemen. Over een schip geladen met basaltblokken (De Meern 4) wordt opgemerkt dat niet duidelijk is of die basaltblokken moeten worden opgevat als lading of dat ze gebruikt zijn om het schip te laten afzinken.

  2. Archeobrief 3, september 2013.
    De Gelderse Limes herzien. Een nieuwe identificaties van Romeinse plaatsnamen in Gelderland. (door Jan Verhagen).
    Enkele citaten uit dit artikel: Behalve de Romeinse versterkingen in Nijmegen zijn er in Gelderland tot nu toe slechts twee castella langs de Rijn gelokaliseerd. Het betreft het gedeeltelijk nog in de bodem aanwezige fort in Arnhem-Meinerswijk en een Romeinse puinmassa in de waterplas de Bijland bij Herwen, die hoogstwaarschijnlijk afkomstig is van een castellum met de naam Carvio ad molem. Er kunnen dan ook vraagtekens worden geplaatst bij deze vele potentiële castellum-Iocaties. De meeste zijn gebaseerd op Romeinse baggervondsten, maar die worden op allerlei plaatsen langs de Rijn gedaan. Willems heeft aangetoond dat de bewoning in de Betuwe zich hoofdzakelijk tot de oeverwallen beperkte en het is aannemelijk dat daar ook de verbindingswegen overheen liepen, omdat de kommen een groot deel van het jaar onbegaanbaar waren. Manco's in de bestaande identificaties zijn voor alle deeltrajecten van de Peutingerkaart tussen Katwijk en Bonn de ratio's berekend. Hierbij blijkt dat er drie deelafstanden problematisch zijn: Rindern-Altkalkar, Vechten-Rijswijk en Xanten-Birten. De identificatie van Levefano met Rijswijk (Wijk bij Duurstede) is niet mogelijk. De identificatie van Caruone met Kesteren is niet houdbaar. Ook de identificatie van het castellum Meinerswijk met Castra Herculis staat op losse schroeven. Van een militaire bezetting uit die tijd (laat Romeinse tijd) zijn helemaal geen sporen teruggevonden. Nieuwe identificaties van Levefano en Caruone. Conclusie is uiteindelijk dat er een fout zit in de Peutingerkaart in het trajectdeel tussen Fletione en Levefano en de afstand tussen deze twee plaatsen. Voor zo ver dit een beeld oplevert, lijkt het erop dat de militaire en burgerlijke bewoning niet meer gescheiden voorkomen, maar bij elkaar zijn gelegen, binnen één omvattend grachtsysteem. Het Valkhof komt hierin dus - voor zover bekend - overeen met andere plaatsen uit de reeks. Een met deze nieuwe identificatie samenhangend probleem is de afstand van 8 leugae op de Peutingerkaart tussen Nouiomagi en Castra Herculis. Dit komt niet overeen met de werkelijke afstand tussen Nijmegen Waterkwartier (Ulpia Noviomagus) en Nijmegen-Valkhof/Hunerberg, die 1,5 à 2 kilometer bedraagt. Dit kan dus alleen als de 8 leugae van de Peutingerkaart een fout vormen. Vóór 1979 waren de baggervondsten de eerste mogelijke aanknopingspunten voor castell, maar het koppelen van de Romeinse namen aan huidige plaatsen was een soort blindemannetje spelen.

    Commentaar: wat Verhagen in dit artikel feitelijk aantoont is dat de Peutingerkaart een falsum is, dat het vele fouten bevat en niet op Nederland past. Daar kunnen we het geheel mee eens zijn. Zie bij de Peutingerkaart. Op een mistige en onnavolgbare wijze probeert Verhagen de vindplaatsen van Romeins langs de Rijn in overeenstemming te brengen met de plaatsen op de Peutingerkaart. Dat lukt blijkbaar alleen met letterlijk knip- en plakwerk. Hij moet daarbij twee keer knippen (zie schaar) en vijf keer plakken door plaatsen te verschuiven (de rode lijnen). (Zie afbeelding hiernaast. Klik op de afbeelding voor een vergroting). Verhagen blijkt het hier helemaal met Albert Delahaye eens te zijn die niet alleen altijd beweerd heeft dat de toepassing van de Peutingerkaart op Nederland een farce is, maar dat ook bewezen heeft. Verhagen gooit in elk geval de traditionele opvattingen aardig overhoop en is het ten aanzien van het koppelen van de Romeinse namen aan huidige plaatsen als een soort blindemannetje spelen volkomen eens met Albert Delahaye die dat ook altijd aangegeven heeft.

  3. Archeobrief 2, juni 2013.
    Macht en prestige. Het paltscomplex te Zutphen. De oogste van de opgravingen (1993-1999) loog er niet om: een door de Vikingen verwoeste Karolingische hof en nederzetting, een ringwalburg, een groot tufstenen paleisachtig gebouw met bijgebouwen en versterkingen. De nederzetting in Zutphen werd door de Vikingen -vermoedelijk in 882- verwoest. Graaf Everhard van Hamaland hertog van Neder-Lotharingen van 886-898 wordt beschouwd als bouwheer. Een exacte datering is op archeologische gronden nog steeds niet te geven. Een dergelijk gebouw komt vóór de tweede helft van de twaalfde in adellijke burchten in Nederland en het voormalige Duitse-Roomse Rijk niet voor. Maar het zou ook een bisschop van Utrecht geweest kunnen zijn, blijkt elders in de tekst. Daar wordt dan het jaar 1046 genoemd. De toenemende Gelderse invloed in Zutphen spreekt duidelijk uit een reeks vervalste oorkonden die de Utrechtse leenband moesten ontkennen en de nadruk moesten leggen op de oorsprong van Zutphen als eigen goed.
    Commentaar: dat de Vikingen in 882 in Zutphen geweest zouden zijn is net zo onbewezen als ze in Nijmegen waren. Het vermoedelijk zegt voldoende. In de oorkonden uit 882 wordt nergens Zutphen genoemd. Ook het verwoeste Karolingisch hof is net zo duister als de palts van Karel de Grote in Nijmegen. Dat Graaf Everhard hertog van Neder-Lotharingen was geeft al aan waar Hamaland lag, namelijk in Lotharingen en niet in Nederland. Zie hier voor informatie over
    Hamaland. Groothedde schrijft dat een exacte datering is op archeologische gronden nog steeds niet te geven. De vraag is dan waarop zijn de dateringen dan gebaseerd? Op de schrijftelijke bronnen? Maar die staan zonder uitzondering in Franse Kronieken en gaan over Frankrijk. En van de oorkonde uit het jaar 1046 weet heel historisch Nederland dat een falsum is. De conclusie is gewoon zoals Groothedde zelf al vaststelt: het geheel is gebaseerd op vervalste oorkonden en een dergelijk gebouw komt voor de 12de eeuw nergens voor.

  4. Archeobrief 1, maart 2013.
    Zoelen en Zaltbommel Het grafritueel op twee inheems-Romeinse grafvelden. Het algemene beeld van het inheems-Romeins grafritueel zoals door W.A. van Es in 1981 is beschreven in De Romeinen in Nederland, is sindsdien weinig veranderd. Zowel Van Es als Hessing (1993) stellen dat het inheems- Romeinse grafritueel in Noord- en West-Europa waarschijnlijk deels teruggaat op de grafrituelenn in de ijzertijd. Grafvelden lagen buiten de nederzettingen langs uitvalswegen, duidelijke zichtbaar. Over de indeling en ontwikkeling van grafvelden is weinig bekend. In de meeste Romeinse graven worden goederen aangetroffen die worden geïnterpreteerd als giften of persoonlijke bezittingen. Het grafveld in Zaltbommel lijkt in gebruik te zijn geweest vanaf 50 tot circa 200 na Chr. In Zoelen zijn geen graven aangetroffen uit de eerste eeuw, wel uit de tweede of het begin van de derde eeuw. Tot nu toe roept het onderzoek meer vragen op dan het antwoord geeft. Het is tijd voor meer systematisch onderzoek.
    Commentaar: Ook hier blijkt weer dat de archeologie enkele vooringenomen standpunten zal moeten herzien. Waar zijn de nederzettingen bij deze grafvelden? Geen graven uit de eerste eeuw in Zoelen? Ging er toen niemand dood of verbleven er toen nog geen Romeinen? In noot 5 wordt verwezen naar 'Opgravingen te Tiel-Passewaaij' (p.71-86) waarbij gesteld wordt dat graven "Wellicht als een claim op het land kan worden geïnterpreteerd". Liefst 4 voorbehoudens in één zin: 'wellicht', 'als', 'kan' en 'geïnterpreteerd'. In het betreffende hoofdstuk in dit boek met de titel 'Begraven Bataven: het dodenritueel in de veranderde wereld van Tiel-Passewaaij' is ook sprake van veel vooringenomen opvattingen. Allereerst zal eens bewezen moet worden dat de Bataven zich daar gevestigd hadden. Dat wordt in dit hoofdstuk in elk geval niet aangetoond. Een vergelijking met de rituelen rond de begrafenis van een lid van het Nederlands Koninklijk huis tonen al duidelijk aan in welke bochten de schrijvers zich wringen om krom te praten wat gewoon rechts is. Daarnaast geven woorden als 'is plausibel', 'het lijkt erop', 'de interpretatie van archeologische resten' e.d. de nosige twijfel aan om stellige conclusies te kunnen trekken. De conclusie van Aarts en Heeren (de auteurs) is dan ook (en ik citeer): "Het is duidelijk dat onze kennis als geheel wordt beperkt door het feit dat we primair zijn aangewezen op de materiële resten van begraving". "Over de rituelen die aan een begraving vooraf gingen worden we niet veel wijzer". Het is wel verhelderend om te zien hoe groot de omvang van de gemeenschap was, berekend naar het aantal graven. het gaat dan om een gemeenschap van gemiddels 50 personen over ruim 200 jaar. Het is nu te begrijpen waarom Heeren van mening veranderde dat de Betuwe te weinig legionairs kon leveren voor het Romeinse leger (zie bij
    Bataven).

  5. Archeobrief 1, maart 2013.
    Tussen wal en schip? Handel en scheepvaart in Romeins West-Nederland. Het onderzoek zou leiden tot radikaal nieuwe inzichten in het transport. Goedereede-Oude Oostdijk. De nederzetting kan gedateerd worden vanaf 80 tot omstreeks 225. Grote hoeveelheden op de draaischijf vervaardigd keramiek te dateren tussen 85 en 150. Al deze goederen werden vermoedelijk per schip aangevoerd. Jammer genoeg zijn geen scheepsresten aangetroffen in Goedereede. In Goedereede zijn geen aanwijzingen gevonden voor een militaire bezetting.
    Commentaar: in dit artikel wordt ingegaan op mogelijke handelsverkeers netwerken over de grote rivieren en via de zee. Maar bij gebrek aan zeewaardige schepen, wordt bij handel over zee de nodige vraagtekens gezet. Daarom wordt het kanaal van Corbulo ook weer opgevoerd om het reizen over zee te ontlopen. Maar dat kanaal (als het al in Nederland gelegen heeft) had geen verbinding met Goedereede. Dat de Romeinse legioenen bevoorraad moesten worden staat buiten kijf. De manier over water was ook het meest logisch, maar dat gebeurde dus vooral door de plaatselijke bevolking en plaatselijke schippers, gezien de grote verschillen tussen de gevonden scheepswrakken (zie hierboven in Archeobrief 4 van december 2013, Archeobrief 3 van september 2015 en Archeobrief 1 van maart 2016).



Archeobrief 2012


  1. Archeobrief 4, december 2012.
    De Beerput van Haarlem. Helaas zijn er tot op heden alleen sporen aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan landbouwactiviteiten en nog geen huisplattegronden en erven. De naam Haarlem (Haralem, Harloheim) doet een oorsprong in de Frankische tijd vermoeden. Harloheim betekent: huizen (haima) op een open plek van een op zandgrond (ham) gelegen bos (la). In Haarlem zijn geen bewoningsresten uit de Merovingsiche tijd gevonden. Uit de Karolingische periode zijn de enige aanwijzingen een paar aardwerkfragmenten uit de achtste eeuw. De teller staat momenteel op maar liefst zeven stuks. Helaas zijn deze scherven niet gevonden in Karolingische, maar in laatmiddeleeuwse sporen. De oudste middeleeuwse sporen dateren uit het begin van de twaalfde eeuw. Pas in de tiende eeuw zijn er duidelijkere aanwijzingen voor bewoning. Tot op heden zijn er echter geen archeologische resten bekend die wijzen op bewoning in de periode na de Romeinse tijd tot aan de elfde eeuw.
    Commentaar: Het is wel duidelijk dat de geschiedenis van Haarlem pas begint in de elfde, misschien zelfs twaalfde eeuw, zoals veel andere plaatsen in (laag-)Nederland. De genoemde plaats 'Haralem' uit een Franse oorkonde (de goederenlijst van het oude bisdom van St.Willibrord uit 870, zie daar), heeft geen betrekking op Haarlem, maar op het Noord-Franse Hardelot op 8 km ten zuiden van Boulogne. En slechts zeven aardewerkscherven vormen geen enkel bewijs voor bewoning. Die kunnen er ook terecht zijn gekomen in verplaatste grond, waarmee de bodem in veel laag gelegen gebieden in de loop der eeuwen werd opgehoogd.

  2. Archeobrief 4, december 2012.
    Archeologie: een geotechnische uitdaging. Op de plaats waar de Markthal werd gebouwd liggen ook de wortels van Rotterdam. Omdat onder Markthal ook een parkeergarage kwam, is een diepe bouwput gegraven (de doorsnede van die bouwput ziet u op de afbeelding hiernaast, klik op de afbeelding voor een vergroting). Op een diepte van 4,0 tot 7,5 meter beneden NAP is in de boringen een terp-achtige ophoging zichtbaar (grijs). Deze terp behoort bij de negende- tot twaalfde-eeuwse nederzetting Rotta. Nog iets dieper zijn houtskoolresten gevonden, die wijzen op bewoning in de Romeinse tijd. Voor het onderzoek naar de bewoning en de terpophogingen van de nederzetting Rotta zijn in de grote bouwput zes opeenvolgende boerderijen uit de periode 925 tot circa 1060 na Christus opgegraven.
    Commentaar: Op de afbeelding zijn de verschillende ontgravingsdiepten van de bouwput van de Markthal in Rotterdam te zien. Duidelijk zijn de verschillende lagen te herkennen. Let speciaal op de Romeinse tijd. Die bevindt zich op ruim 6,5 meter diepte. Daarboven de terp Rotta, volgens de tekst uit de periode 925 tot 1060 na Chr. Na de Romeinse tijd is er dus een laag klei afgezet van zo'n 6 (zes!) meter dik (zie de schaalverdeling links). Hoe kwam die klei boven op de Romeinse laag? Wat voor Rotterdam geldt, geldt ook voor meer plaatsen in westelijk Nederland. En dan willen sommige historici de
    transgressies (zie daar) nog blijven ontkennen.

  3. Archeobrief 3, september 2012.
    In deze Archeobrief een uitvoerig artikel over Archeologisch onderzoek op het Plechelmusplein in Oldenzaal. Enkele citaten uit dit artikel:
    Over de vroegste geschiedenis van Oldenzaal in de periode tussen circa 700 en 1100 weten we niet veel meer dan in enkele geschreven bronnen staat. Aangenomen wordt dat de oorsprong terugreikt tot in de Karolingische tijd.
    De naam Aldenselen of Aldenzele wordt in deze vorm voor het eerst genoemd rond 900 in de levensbeschrijving van de heilige Liudger van Altfried. Mogelijk is de vorm Audenzeel ouder, maar deze wordt genoemd in een onechte brief van bisschop Liudger van Münster aan bisschop Rixfried van Utrecht die tussen 806 en 809 zou zijn geschreven. In ieder geval is er rond 900 al sprake van een oude zele of oude zaal. Bij die oude zaal kan gedacht worden aan een zaalgebouw met een representatieve functie die een periodiek onderkomen van de graaf van de gouw Twente vormde, maar deze omschrijving kan ook duiden op de koningshof en latere bisschoppelijke hoofdhof. Historische bronnen maken overigens nergens melding van Oldenzaal als grafelijke zetel en zelfs over de graven van Twente zijn nagenoeg geen historische gegevens bekend. Deze grondwerken hebben overwegend voor 1990 plaatsgevonden en afgezien van verhalen over menselijk bot en schedels waarmee gevoetbald werd, zijn er geen goede archeologische waarnemingen of onderzoeken uitgevoerd. Menselijk bot uit één van de grafkuilen onder de fundering kon C14-gedateerd worden tussen circa 1022 en 1155. Verondersteld werd dat deze fundering een restant was van een tiende- of elfde-eeuwse voorganger van de twaalfde-eeuwse Romaanse kerk. Dierlijk botmateriaal uit een van deze vloerlagen is gedateerd tussen circa 900 en 1147, maar de grootste kans bestaat op een datering tussen circa 950 en 1050. Daarmee kan dit bouwwerk als de kerk van Balderik worden aangemerkt.
    Het artikel besluit met: Veel van wat in het bovenstaande is gemeld en geïnterpreteerd is nog vrij hypothetisch.

    Commentaar:Plechelmus is in Oldenzaal volkomen misplaatst. Het is een van de meest amusante fabels tussen de Nederlandse mythen. Volgens een tekst uit 1640, die waarschijnlijk berust op een legende uit de 14e eeuw, liet bisschop Balderik van Utrecht (10e eeuw !) een groot deel van het lichaam van St. Plechelmus, waaronder diens hoofd, naar Oldenzaal overbrengen. De waarheid is dat een van de abdijen van Gent echte of onechte relieken, waarschijnlijk de laatste, van de heilige aantrof te Aldensele (Oudezeele) op 4,5 km van Cassel. Het is een typisch voorbeeld, hoe ware of vermeende relieken tot historische aberraties leiden. De hier genoemde geschreven bronnen zijn Franse Kronieken en hebben totaal geen betrekking op Nederland, maar op Frankrijk. In een tekst uit 690 wordt vermeld dat Wiro met Plechelmus en Otger naar Francia terugkeren en er gaan prediken in het (latere) bisdom van St.Willibrord.(Bron: De S.Wirone, AS, mei, II, p. 312). En Francia is geen Twente! Hypothetisch in het besluit van dit arikel betekent een als voorlopige waarheid aangenomen maar nog te bewijzen veronderstelling.
    Oudezeele, in Vlaanderen, is volgens sommige teksten uit kalenders en missalen de plaats waar St. Plechelmus begraven werd. Pas in de 16e eeuw werd beweerd dat bisschop Balderik van Utrecht een deel der relieken van St. Plechelmus vanuit St.-Odiliënberg naar Oldenzaal overbracht. De verbinding van Plechelmus met Oldenzaal is een der merkwaardigste gevolgen van de legenden rond St.-Odiliënberg. In St.-Odiliënberg kwam de legende van de HH. Plechelmus, Wiro en Otger terecht, slechts berustend op het feit dat de abdijkerk eens relieken van deze heiligen kreeg en zo een totaal valse geschiedenis aangemeten heeft gekregen. De drie heiligen hebben in het missiegebied van St.Willibrord vertoefd. Toen St.Willibrord eenmaal in Utrecht werd geplaatst en St.Odiliënberg als het klooster Susteren werd beschouwd, volgde de rest vanzelf. St.Odiliënberg was evenmin de plaats die bisschop Hunger in 858 als toevluchtsoord kreeg.
    De hele legende berust op een verkeerde interpretatie van de naam Aldensele. Het sale of sele of seele (zeele) in plaatsnamen heeft betrekking op de bodem waarop men leeft. Het sele (of zele of zeele: let op de uitspraak, niet op de schrijfwijze) is verwant aan selo wat 'akker' of 'dorp' kan betekenen. Oldenzaal is feitelijk een onjuiste 'vertaling' van Aldensele, waar Plechelmus dan ook onjuist terecht kwam. De plaatsnaam Oldenzaal hoeft niet eens gedoubleerd te zijn van Aldensele of Oudezeele, maar kan als zelfstandige naam ontstaan zijn zoals meerdere plaatsnamen op -sele bestaan. Vergelijk Borssele, Dudzele, Vormzeele (Voormezele), Herzeele, Wetersele, Moortsele, Mellingasele en Zermezeele. M.Gysseling stelt dan wel dat -sele of -sale van groot vertrek of hoofdgebouw komt (wat ook in andere toponymische woordenboeken wordt gevolgd) en noemt daarbij in villa Salehem (dat
    Zelhemzou zijn: zie daar), Dat zou dan een pleonasme zijn, immers -sale- betekent hetzelfde als -hem-, wat beide voor 'woonplaats' staat.
    Momenteel heerst in Oldenzaal toch het heilig geloof dat dit het oude Aldensele van St.Plechelmus was. En heilig geloof is zelfs door de sterkste feiten niet aan het wankelen te brengen.
    Het is overigens wel opvallend dat bij dit artikel geen noten of verwijzingen naar literatuur gegeven worden. Of is dat bewust gebeurd? Van de verschillende opvattingen is dan ook niet de bron na te gaan. En zo'n bron zegt natuurlijk ook niet alles. Vaak is het ook maar een mening van een onderzoeker. Wat in ek geval blijkt dat de oudste sporen uit de tiende eeuw, zelfs elfde eeuw, geen enkele relatie met Plechelmus uit de zevende eeuw aantonen.

  4. Archeobrief 3, september 2012.
    Nieuws! Oppidum Atuatuci gevonden.
    Op 1 juni is tijdens een persconferentie in het Gallo-Romeins Museum in Tongeren bekendgemaakt dat zeer waarschijnlijk het oppidum van de Atuatuci oftewel Aduatuci is gevonden. Uit de onderzochte vondsten en hun context kon worden geconcludeerd dat Caesar door uitgebreide plunderingen een eind maakte aan de opmerkelijke rijkdom aan goud in de vorm van munten en sieraden in Zuid-Nederland en België. Er werden hoogteversterkingen en tempels geplunderd en de buit was zo groot dat de goudprijs in Italië dramatisch daalde. Een hoogteversterking ten zuiden van de rivier de Samber in Thuin (Henegouwen) is geïdentificeerd als het oppidum - de centrale versterkte plaats - van de stam der Atuatuci. Caesar geeft in zijn De Bello Gallico een gedetailleerd verslag van de inname van deze nederzetting. Het terrein dat nu als de door Caesar beschreven plaats is geïdentificeerd, beslaat 13 hectare. Enkele grote concentraties loden slingerkogels getuigen van de Romeinse belegering. Bij de versterking zijn drie goudschatten gevonden die in de vroege jaren vijftig voor Christus zijn begraven. Bovendien komt de topografie van de fortificatie te Thuin opvallend goed overeen met de uitvoerige beschrijving die Caesar geeft van het oppidum van de Aduatuci. Thuin is nu de eerste locatie in de Lage Landen die direct met de Romeinse verovering door Caesar verbonden kan worden.
    Commentaar: Als Thuin het Atuatuci uit de bronnen is, is het in elk geval niet Tongeren wat de algemene opvatting was. Lange tijd werd het Plateau van Caestert (tussen Luik en Maastricht) ook als mogelijke locatie beschouwd, wat met dit nieuws nu ook vervalt. Dat verplaatst niet alleen het Oppidum Tungrorum naar het zuiden, maar ook de verblijfplaats van de Eburonen. Thuin ligt op 120 km zuid-west van Tongeren en onder de taalgrens en dan gaan we toch meer richting Gallia waar Julius Caesar verbleef gezien zijn boek De Bello Gallico (over de Gallische Oorlog)! ook het standbeeld van Ambiorix staat dan verkeerd in Tongeren, maar dat weten we al langer.

  5. Archeobrief 3, september 2012.
    Enschede al in de achtste eeuw bewoond. Langs de Zuiderval in Enschede zijn potscherven met een duidelijke potrand gevonden die dateren op zijn vroegst uit de twaalfde eeuw. Maar er zijn ook scherven aangetroffen zonder duidelijke vingerafdrukken die veel ouder zijn en dateren uit de achtste eeuw. Uit de voorlopige resultaten blijkt dat Enschede al veel eerder bewoond was dan tot nu toe werd gedacht. Tot nu was in de regio alleen uit Oldenzaal zo'n vroege bewoning bekend.
    Commentaar: Ziet U hoe de archeologie fout op fout maakt? 1. Wat bewijs je met een scherf van een verplaatsbaar relict? Zegt dat iets over wanneer die achtste eeuwse scherf in de grond is gekomen? Die kan ook later bijvoorbeeld in de genoemde twaalfde eeuw geweest zijn. 2. Als in diezelfde grondlaag zowel scherven uit de twaalfde eeuw als uit de achtste eeuw gevonden worden, wat bewijst dat over de datering? 3. Bovendien wat bepaald uit welke tijd een scherf komt? Vingerafdrukken? Of juist geen vingerafdrukken?
    De resultaten worden dan wel 'voorlopig' genoemd, maar hebben hun vaststelling als 'zekerheid' zeker al gevonden in de historische literatuur, die te vaak de naschrijverij bestaat. Over die vroege bewoning van Oldenzaal en Plechelmus lees je hierboven dat het eveneens een mythe is.


  6. Archeobrief 2, juni 2012.
    Soldaten in zout en wind. De kustverdediging langs de Noordzee en het Kanaal in de Romeinse tijd (door Wouter Dhaeze). Zie afbeelding hiernaast. (Klik op de afbeelding voor een vergroting. Let hierbij vooral op het getijden- en veengebied). Enkele citaten uit dit artikel: Op het continent vonden de eerste raids van Noord-Germaanse stammen al plaats vanaf de eerste eeuw na Christus, maar tot en met het midden van de derde eeuw was dit eerder sporadisch. Vanaf het midden van de derde eeuw vestigden zich echter steeds meer Germanen binnen de grenzen van het Romeinse Rijk, in het mondingsgebied van de grote rivieren en in de Betuwe. Over de tactiek van de raiders is erg weinig gekend. Over de grootte van de Germaanse vloten is op enkele uitzonderingen na geen informatie beschikbaar. Het grootste probleem is dat er slechts weinig gegevens voorhanden zijn. De meest aannemelijke lezing is dat de Litus Saxonicum een tegen de Saksische raiders opgerichte verdedigingsgordel betrof. De 'Saksische Kust' betrof de woonplaats van de Saksen en niet een verdedigingsgordel. Volgens Dhaeze gingen de Saksen dus hun eigen kusten aanvallen! Zie bij de Saksen. In Oudenburg werd in de periode 260-280 opnieuw een fort gebouwd, deze keer met een stenen ommuring. Dit wijst op het verhoogde geostrategische belang van de noordkust van Gallia Belgica, want het kustgebied van Germania Inferior was door vernatting en bevolkingsafname minder interessant geworden voor het Romeinse gezag en de grens was gedeeltelijk naar het zuiden verlegd. Tijdens de vierde eeuw bevonden zich langs de Nederlandse kust wellicht geen militaire installaties meer. Het had geen zin om het kustgebied van Germania Secunda te verdedigen omdat het grotendeels verlaten was vanwege de vernatting. "Volgens een aantal onderzoekers was er tijdens de laat-Romeinse periode in Katwijk-Brittenburg nog wel een Romeins fort gelegen. Zij baseren zich op de gravure van Ortelius waarop onder meer het volgende kan worden onderscheiden: een verdedigingsmuur met halfronde torens langs de flanken en dubbele halfronde torens op de hoeken, met in het midden van de ruïne een vierkant gebouw met steunberen (een dubbelhorreum). Deze interpretatie is echter vatbaar voor kritiek. Voor de dubbele torens op de hoeken bestaan er geen Romeinse parallellen. Een toewijzing van deze structuren aan de laat-Romeinse periode is ook twijfelachtig omdat er in de Brittenburg geen vondsten uit die periode bekend zijn".
    Commentaar: Je vraagt je af waarop Dhauze zijn opvattingen baseert. Dhaeze gaat in dit artikel er blijkbaar nog steeds vanuit dat de Rijn een verdedigde grens was, wat door anderen al weerlegd is. Zie bij een bewaakte transportroute in in Archeobrief 1van maart 2008. Hij sluit met de kustverdediging langs de Noordzee aan op dit uitgangspunt. Echter, voor een kustverdediging ontbreken de feitelijke bewijzen. Daar kun je met kleine forten die hij noemt uit heel verschillende perioden helemaal niets bewijzen. Dat de raids vanuit de Betuwe plaats vonden is uiteraard een farce. In het midden van de derde eeuw ca.260 verlieten de Romeinen juist Nederland vanwege wateroverlast. Dat bevestigt Dhaeze ook ten aanzien van het verleggen van de Romeinse grens, maar die werd teruggelegd op de lijn Boulogne-sur-Mer, via Bavay naar Keulen. Daar viel Oudenburg geheel buiten. Overigens maakt Dhaeze hier weer de klassieke fout door onder Gallia Belgica ook delen van Westelijk België te laten vallen. Gallia Belgica viel geheel ten zuiden van de taalgrens. Germania Inferior viel geheel ten zuiden van de Maas. Daar hoorde Romeins Nederland niet bij. En waar Dhaeze germani Secunda plaats is volkomen onjuist. Germania Secunda, beter is de term Germania Superior) lag in Duitsland en Frankrijk ten westen van de Rijn, geheel ten zuiden van Trier en Mainz. De opvatting van Dhaeze over Katwijk-Brittenburg is terecht. Het werd ook eerder door andere historici benoemd. Dat het de Romeinse plaats Lugdunum zou zijn geweest is een nog nooit bewezen hypothese.

  7. Archeobrief 1, maart 2012.
    Velsen 2. Van onder het stof naar stof voor discussie. Professor A.E. van Giffen en dr. W. Glasbergen determineren in 1946 de Velsense vondsten en concluderen dat deze uitzonderlijk zijn: het betreft een vindplaats uit de periode tussen 40 en 50 na Christus, ofwel een inheemse Friese nederzetting waar veel vroeger dan gebruikelijk al Romeinse importen belanden, of een Romeinse militaire basis uit de periode van de offensieve richting Germania. Op grond van diverse uitrustingsstukken is duidelijk geworden dat het hier een militair complextype betreft. Het komt echter niet van een afronding in een eindverslag of publicatie. In 1970 wordt opnieuw onderzoek uitgevoerd. Daarbij werd verwezen naar een beknopt overzichtsartikel in Westerheem 1972. Daarin lezen we: "bij latere opgravingen zijn zo overweldigend veel Romeinse archeologica (w.o. verscheidene militaire uitrustingsstukken) geborgen, dat met recht verondersteld mag worden, dat er bij Velsen een belangrijk Romeins legerkamp moet gelegen hebben. Maar ook: "Aanvankelijk waren het losse vondsten, vooral afkomstig uit zand van een Duitse tankgracht, zoals b.v. de terra sigillata bodemscherf met stempel INGENVI uit La Graufesenque. Later, in 1953, kwamen de vondsten hoofdzakelijk uit de bouwput van de tunnel onder het Noordzeekanaal. In geen van beide gevallen kon gesproken worden van een duidelijke „Romeinse laag" en vrijwel algemeen gold de indruk, dat een groot deel der vondsten uit een „verspoeld milieu" afkomstig was". Bij vondsten uit de dirty sands worden ook fenomenen waargenomen die doen vermoeden dat sporen zijn achtergebleven. Een restant van een grachtdoorsnede en de instulping door een vermoedelijke wal worden herkend. Het is zeker dat dit fort (Velsen 2) een bouwfase of een verbouwing heeft gekend die we dendrochronologisch kunnen dateren in de winter van 42 op 43 na Christus, een datum die keurig in het al bekende muntbeeld past. Er werd een eikenhouten plank gebruikt als fundatie voor een toren of poort in de wal van het fort. Van dit spoor is het alleen niet duidelijk of het tot de oudste fase hoort, omdat het tot nog toe niet te koppelen valt aan andere sporen. Ook al is hier alles verspoeld tot ver onder het toenmalige oppervlak, dit litteken is betekenisvol achtergebleven. Ondanks alle goede zorgen bleek een aantal (bijzondere) vondsten tot op heden onvindbaar. Het is een aantrekkelijke gedachte een verband tussen beide locaties te zien als onderdelen van het slagveld rond castellum Flevum in 28 na Christus. het artikel besluit met : "Er is voldoende reden om aan te nemen dat hiermee de (voormalige) fortterreinen van Velsen zijn bedoeld".
    Commentaar: zoals de titel van dit artikel al aangeeft is er wat Velsen 2, maar ook voor Velsen 1, de nodige stof voor discussie. Veel opvattingen blijken gebaseerd op minimale archeologische vondsten en maximale interpretaties. Zie de onderstreepte worden in de hierboven aangehaalde citaten. Het 'verondersteld mag worden' en het 'moet gelegen hebben' en 'doen vermoeden' en een 'vermoedelijke' wal geven dat wel aan. Laten we het maar houden op die 'aantrekkelijke gedachte'.

    Wat is er nu precies gevonden volgens dit artikel? Stukken van een ijzeren helm, fragmenten plaatharnas (lorica segmentata) en schubbenpantser (lorica squamata), die tot hetzelfde object hebben behoord. Twee grote brokken ijzerroest, die een structuur vertonen van een greep en de kling van een pugio of dolk. Ook zijn tussen de spijkers vele punten van drie- en viervleugelige pijlen gevonden, waaronder één punt die nog in een houten schacht is gevat. Tussen de spijkers zijn nu ook enkele ijzeren grepen gevonden en een doosje met wat schamele donkere restjes. Bij nadere beschouwing blijkt het ingedroogd hout waarin diverse kleine ijzeren nageltjes zitten. In Velsen 1 zijn nog enkele scherven terra sigillata gevonden en loden slingerkogels, waarvan overigens ook een variant in gebakken klei is gevonden. Daarbij wordt ook aangegeven dat "Ondanks hun wat primitieve uiterlijk is het uiteraard de vraag of we deze kogels uitsluitend als inheems mogen beschouwen". Er zijn ook enkele menselijke botten gevonden met een hakspoor op de ellepijp.
    Alles bij elkaar is dit nog niet eens voldoende om er de aanwezigheid van slechts één legionair mee te kunnen aantonen, die daar blijkbaar zijn einde heeft gevonden. Daarbij zou het materiaal ook allemaal van een inheemse inwoner geweest kunnen zijn, die het Romeinse materiaal via ruilen of 'gevonden' in bezit kreeg, of die de ene Romeins gedood heeft en bruikbare stukken meegenomen heeft. Zo is een zwaard niet gevonden, wat toch wel tot de uitrusting van de Romeinse soldaat behoorde.


  8. Archeobrief 1, maart 2012.
    Het vroeg-Merovingische grafveld van Lentseveld. Omdat het veldwerk nog maar recentelijk is afgerond, kan hier nog niet uitgebreid op de resultaten van het onderzoek worden ingegaan. Toch is het al vrij goed mogelijk een beeld van het grafveld te schetsen op basis van de graf typen, graf constructies, skeletten en de bij giften. In totaal zijn er vijftig inhumatiegraven en twintig crematiegraven aangetroffen. Over de datering van de crematiegraven bestond aanvankelijk enige twijfel, aangezien de verbrande botresten zijn bijgezet in urnen van handgevormd aardewerk, die vormtechnisch in sommige gevallen best uit de late bronstijd zouden kunnen stammen. C14-dateringen van een drietal crematiegraven wijzen evenwel uit dat ze uit dezelfde tijd als de inhumatiegraven dateren: tussen circa 475 en 600 na Christus, ofwel de vroeg-Merovingische periode. Het is nog de vraag in welke mate de studie van de bij giften hierbinnen een scherpere fasering kan aanbrengen. Het cremeren van de overledenen mag ten zuiden van de Rijn uitzonderlijk genoemd worden. Het nieuw ontdekte grafveld is duidelijk ouder dan het grafveld van de Azaleastraat en onderstreept het vermoeden dat Lent na het vertrek van de Romeinen bewoond is gebleven. Grafvelden uit de zesde eeuw zijn vrij schaars in Nederland.

    Commentaar: uit dit artikel blijkt allereerst dat van Bataven niets gevonden is. De perioden die genoemd worden zijn de ijzertijd (c.800-500 v.Chr.), de vroege Merovingische tijd (c.475-600 na Chr.) en de nieuwe tijd (ca.1850-heden). Ziet U ook het gat tussen 500 vóó Chr. en 475 na Chr. en het gat na 600? Niets Romeins of Karolingisch! En dan wil men dit grafveld graag als dat van Nijmegen beschouwen. Wordt daarom Lent momenteel Nijmegen-Noord genoemd?
    Ondanks dat men erkent dat det veldwerk nog maar recentelijk is afgerond en er niet uitgebreid op de resultaten kan worden ingegaan, heeft men de conclusies al klaar. Hoe kan dat? Dat grafvelden uit de zesde eeuw vrij schaars zijn in Nederland toont aan dat er toen nauwelijks bewoning was. Vindt men een grafveld uit die periode, dan blijkt het uitzonderlijk groot en opzienbarend nieuws te zijn.


Archeobrief 2011


  1. Archeobrief 4, december 2011.
    In deze Archeobrief staan enkele artikelen over begraven in de ijzer- en bronstijd, zoals 'Rijke graven uit de late bronstijd en vroege ijzertijd', 'Een rijk inhumatiegraf in het grafveld Slabroekse Heide' , Een rijk graf in een urnenveld uit de late bronstijd te Maastricht-Ambyerveld', "Een bijzondere vrouw uit de ijzertijd?", 'Sierlijk begraven in het Betuwse deel van Nijmegen' en 'Het prinsessengraf van Zutphen'.

    Een graf van persoon die enkele versierselen of sieraden meekreeg, wordt al snel een vorsten- of prinsessengraf genoemd of het graf van een plaatselijke leider. maar is dat juist? Nico Roymans en Richard Jansen geven in het Forum hun opvatting over de term 'vorstengraf'.
    Roymans verklaart daarover het volgende: "Verbazingwekkend is dat de opgravers dit graf in de media presenteren als zijnde van een 'vorst' of 'vorstin'. Waar deze interpretatie op is gebaseerd, blijft volstrekt onduidelijk. Aan de grafgiften valt waarlijk niets 'vorstelijks' te herkennen en uit de positie van het graf binnen het urnenveld valt evenmin een hoge sociale status af te leiden, eerder het tegendeel." Roymans gebruikt zelf echter de term 'importbruid' bij het graf als alternatieve interpretatie. Janssen vindt dat er niets mis is met deze historisch gegroeide term. Hij stelt wel het volgende: "Voor alle duidelijkheid, in de ijzertijd is er geen sprake van een vorstendom met aan het hoofd een vorstelijke familie inclusief prinsen en prinsessen. Het is dus juist te stellen dat het gebruik van het woord 'vorstengraf' een reeks aannames impliceert over de structuur van samenlevingen in de ijzertijd. Maar dat doet de term 'importbruid' ook. Deze interpretatie is ook gebaseerd op een aantal aannames. Roymans betoogt verder: "De in de bundel van Jansen en Van der Laan gemaakte associatie van het recent opgegraven inhumatiegraf te Uden met een vorst of vorstin mist iedere wetenschappelijke basis. Maar ja, wat is wetenschappelijk? Jansen schrijft het volgende: "In het wetenschappelijk discours moeten we ons er uiteraard van bewust zijn dat zulke termen beladen zijn en discussie hierover is essentieel. De wetenschappelijke discussie hierover is dan zeker ook nog niet uitgewoed". "Met het primaire doel van publieksbereik is de term 'vorstengraf' dan ook zeker geen verkeerde", vindt Jansen.
    Commentaar: Het gaat in deze Archeobrief steeds over 'rijke'graven waaraan een bepaalde opvatting wordt gekoppeld. Nico Roymans en Richard Jansen geven in het Forum hun opvatting. Een graf van persoon die enkele versierselen of sieraden meekreeg, wordt al snel een 'vorsten- of prinsessengraf' genoemd of het graf van een plaatselijke leider. Het is zoals Jansen het verwoord 'een historisch gegroeide term'. Feitelijk zit er een andere reden achter om de term 'vorstengraf' of 'prinsessengraf' te gebruiken. Dat geeft Roymans prima weer als hij schrijft: "Vrijwel iedere archeoloog doet zijn best om via de media een zo breed mogelijke maatschappelijke aandacht te krijgen voor de resultaten van zijn opgravingen. Archeologen blijken daarbij steeds meer bedreven in de kunst van het 'verleiden' van de media met aansprekende verhaallijnen over hun ontdekkingen. 'Echter, er zijn grenzen aan dit spel en die worden soms overschreden omwille van de mediaaandacht, schrijft Roymans. "Die grens komt in beeld wanneer verhalen worden gepropageerd die strijdig zijn met breed gedragen wetenschappelijke inzichten". Aardig dat Roymans dit schrijft, maar wat deed hij zelf bij zijn ontdekking van sporen van een veldslag bij Kessel? Het werd in De Wereld Draait Door op 9 december 2015 groots gepresenteerd als een verslag van Julius Caesar, terwijl dar geen enkel bewijs voor was
    (zie daar). Het presenteren van een graf als opzienbarend en om een zo breed mogelijke aandacht te krijgen heeft alles te maken met het verwerven van subsidie, zoals vaak blijkt bij discussies over het nut en de kosten van opgravingen. Daar doet Roymans dus zelf actief aan mee, hoewel het dan weinig wetenschappelijk hoeft te zijn.

    In dezelfde Archeobrief worden Merovingische graven te Lent Merovingische graven in Nijmegen-Noord genoemd. Ziet U de link? Zo werkt dat in de archeologie. Lent wordt tegenwoordig Nijmegen-Noord genoemd. Men legt een associatie tussen Lent en Nijmegen om vooral de geschiedenis van Nijmegen aansprekender te maken en een gat van Nijmegen op te vullen met vondsten in Lent, Wijchen en elders. Maar als Nijmegen dan zo belangrijk was, waarom werden die Merovingiërs dan niet in Nijmegen begraven?

  2. Archeobrief 3, september 2011.
    Romeinen en Germanen verleggen grenzen. Oost-nederland in de laat-Romeinse tijd. Zie kaartje hiernaast (klik op de kaart voor een vergroting).
    Het beeld van de Germanen wordt nog steeds sterk bepaald door een beperkt aantal, vaak politiek gekleurde bronnen en de interpretatie daarvan door negentiende-eeuwse geleerden. Bijna honderdvijftig jaar (na Julius Caesar) zou Tacitus dit thema verder uitwerken en gebruiken als spiegel voor de verwijfde Romeinse elite. Zijn Germania had, vanaf zijn herontdekking in de zestiende eeuw, grote invloed op het denken van de Duitse intelligentsia. Vooral door Pruisen en tijdens het keizerrijk werd de martialiteit van de Germanen van stal gehaald. Bekende historici als Theodor Mommsen stonden in een lange historische traditie van vorsers die klassieke teksten minutieus uitplozen in de hoop gebruiken en stamnamen en hun geografische situering te reconstrueren. Het zijn echter wel deze historici die het huidige beeld van Germanen grotendeels hebben bepaald. Het is opvallend dat dit beeld zo lang is blijven bestaan. In de afgelopen decennia zijn weliswaar verschillende studies verschenen waarin kritisch naar de rol van Germanen gedurende de laat-Romeinse tijd en de volksverhuizingen wordt gekeken, maar nog altijd grijpen historici en archeologen terug op het conflictmodel. (Archeologisch onderzoek van grote historische verhalen geeft soms een genuandceerder beeld.) Uit de archeologie zijn er verschillende voorbeelden van dramatische gebeurtenissen die zich gedurende de laat-Romeinse tijd afspeelden. Zo groeven archeologen bij Krefeld-Gellep de resten op van een slagveld waar Romeinen en Franken slaags waren geraakt, wisten Romeinse troepen een enkele keer een Frankische roversbende in de kraag te grijpen omdat deze beladen met buit niet snel genoeg weg kon komen, en vonden archeologen in een waterput van een Romeinse villa de stoffelijke resten van de bewoner. Er zijn veel overblijfselen uit de Romeinse tijd in de bodem van Oost-Nederland verborgen. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van het Romeinse leger in Oost-Nederland zijn schaars. Niet uit te sluiten is bovendien dat via familieleden regelmatig goederen en ideeën hun weg vonden naar de dorpen. Hoe is deze paradox - aan de ene kant handel en krijgsdienst en aan de andere kant overvallen en plunderingen - nu te verklaren?
    Een inventarisatie van de beschikbare archeologische gegevens leert dat de Volksverhuizingen, zoals die vaak in geschiedenisboeken worden omschreven, een veel minder grote invloed hebben gehad op de lage landen dan altijd gedacht. Dit wil overigens nog niet zeggen dat ze nooit hebben bestaan, maar is eerder een pleidooi om deze complexe periode in de geschiedenis van het Romeinse rijk te bestuderen vanuit een regionaal perspectief.
    Commentaar: dat het beeld dat wij van de Germanen hebben nog steeds sterk bepaald wordt door de interpretaties door negentiende-eeuwse geleerden, is zeker zo, maar vergeet daarbij vooral niet de zeventiende eeuwse 'geleerden'. Het is nog steeds zo dat bij de beschrijving van de historische gebeurtenissen de naschrijverij hoogtij viert. Men grijpt nog steeds terug op wat historici in het verleden allemaal beweerden zonder die bevindingen eens kritisch te onderzoeken.
    Het grootste probleem met Romeinse relicten wordt, zoals hierboven aangegeven, veroorzaakt doordat men van de veronderstelling uitgaat dat Romeinse relicten altijd door Romeinen werden achtergelaten. Waarom niet door anderen? Was het buit? Of verkreeg men het door handel of ruilen, wat ook in dit artikel wordt geconstateerd. Zie bij Archeobrief nr.1, maart 2016. over Handel aan de Noordzee. Met bewoningsresten uit de Romeinse tijd en enkele scherven van Romeins aardewerk kan men niet aantonen dat de de Romeinen in Oost-Nederland zijn geweest, net zo min als in Noord-Duitsland. Daar zijn Romeinse kampen voor nodig en die zijn er nooit gevonden. De hierboven genoemde paradox is eenvoudig te verklaren doordat het niet over dezelfde stammen gaat. Germanen is een verzamelnaam van allerlei stammen die niet tot het Romeinse Rijk behoorde. De ene stam werkte gewillig met de Romeinen samen, een andere stam beslist niet, wat de geschiedenis op veel momenten ook wel aangetoond heeft. Dat geeft ook de opmerking over de nooit bestaan hebbende 'Volksverhuizingen' al aan. Het is wel duidelijk dat de Romeinen nooit in de Noordelijke Nederlanden en Noord-Duitsland zijn geweest, welk misverstand is ontstaan in de 16e eeuw doordat men het boek Germania van Tacitus (zie daar) op Duitsland projecteerde. Germania van Tacitus was Frans-Vlaanderen.


    Een vergelijkbare mythe is de plaatsing van de Varusslag in Varsseveld. Zie bij Varusslag. Daar is geen enkel bewijs voor dat daar ooit zo'n omvangrijke veldslag heeft plaatsgevonden, ook al meent men dat met een afgrijselijk megalomaan monument aan te willen tonen. Volgens een verzonnen etymologie van een paar notabelen zou de naam Varsseveld zijn afgeleid van Varus' veld. Het zou de plaats zijn van de slag in het Teutoburgerwoud. Het was een leuke publiciteitsstunt om (de noodlijdende industrie in) Varsseveld in de schijnwerper te plaatsen. Het monument dat de Varsseveldse industrie Vereniging voor zichzelf heeft opgericht en dat in 2019 is gerestaureerd, draagt nog steeds een helm ter herinnering aan deze mythe. Niet alleen Varsseveld zou eigenlijk Varusveld zijn, maar het nabijgelegen Harreveld was ook nog eens Hermansveld. Hoeveel bewijs wil je hebben? Daar kun je slechts om lachen. Maar het geeft wel aan hoe mythen ontstaan en vervolgens tot ware geschiedenis worden verheven. En die eenmaal ingenomen opvattingen zijn er zelfs met de sterkste bewijzen niet uit te krijgen. Men verklaart het gewoon met 'feiten zijn ook maar meningen'. Zelfs als historici sommige oude opvattingen tegenspreken, blijven de oude opvattingen gehandhaafd. Zie de vele voorbeelden bij Citaten.

  3. Archeobrief 2, juni 2011.
    Grafheuvels uit de Romeinse tijd in IJsselstein. In IJsselstein werd een grafveld ontdekt uit de Romeinse tijd. En wat bleek? Ook zou het kunnen zijn dat onder sommige grafheuvels nooit een graf heeft gelegen (liefst in vier van de zes!). De grafheuvels zijn in één keer opgeworpen en niet in meerdere fasen en zijn opgebouwd uit siltige kleigrond. Tijdens de opgraving waren de grafheuvels in het veld op een hoog niveau goed zichtbaar door de aanwezigheid van een kleiafzetting van de Hollandse IJssel. Dit kleipakket. van zeker 20 centimeter dik, is binnen het hele onderzoeksgebied afgezet. Het heeft het bestaande reliëf van het landschap gevolgd en is dus ook over de grafheuvels afgezet. Op de locatie van een grafheuvel was dit kleipakket duidelijk hoger aanwezig dan op het omringende terrein. Het is grotendeels onbekend hoe de bovenzijde van de grafheuvels, en daarmee het verdwijnen van de graven in vier van de zes heuvels, heeft plaatsgevonden. Mogelijk spelen natuurlijke factoren hierin een rol, waarbij door een zeer geleidelijk proces van wind- en watererosie de bovenzijde is geërodeerd. Door de overstroming van de Hollandse IJssel kan het vondstmateriaal verspreid zijn geraakt.
    Commentaar: Het ontkennen van transgressies
    (zie daar) die dus na de Romeinse tijd hebben plaatsgevonden, wordt hier weer geloochenstraft. Een afzetting van een laag van 20 cm gebeurt niet in een jaar, maar duurt enkele eeuwen, wat in het artikel ook genoemd wordt. Het is ook duidelijk dat de grafheuvels die uit siltige kleigrond zijn opgebouwd pas na de Romeinse tijd ontstaan zijn. .

  4. Archeobrief 2, juni 2011.
    Ontdekkingen in de periferie van de (post)middeleeuwse wereld. Rond 1850 bestond ongeveer de helft van Nederland uit zandvlakten, heidevelden en moerassen. In termen van kennisvorming over het verleden is hier zeer zeker nog een wereld te winnen. Cirkelvormige greppelstructuren worden vaak in eerste instantie als de overblijfselen van een grafheuvel geïnterpreteerd. Op het tweede gezicht blijkt al snel dat een prehistorische ouderdom uit te sluiten is, want vaak tekenen de sporen zich zeer scherp af. Het waarderende onderzoek in 2009 wees uit dat de cirkels waren ingebed in veel jongere, mariene afzettingen, gevormd na 1200 na Christus. Voor de cirkels van Kloosterzande wordt gedacht aan vummen, stapelingen van rijshout, dat gebruikt kan zijn voor de bedijking van het werpland. Het klooster Noordhof stond rond 1200 na Christus voor de opgave een uitgestrekt getijdenlandschap af te sluiten en in te polderen.
    Commentaar: ook hier weer een bevestiging van de transgressies
    (zie daar) en ook hier weer een bevstiging dat de bedijkingen pas vanaf de 13e eeuw plaats vonden. Het wordt toch wel eens tijd dat de historici zich eens over die te winnen wereld gaan buigen. De geschiedenis van Nederland begint zoals ook weer wordt aangetoond pas werkelijk na het jaar 1200. En juist in die tijd ontstaan de mythen over het verblijf van St.Willibrord en andere predikers in Nederland.


  5. Archeobrief 2, juni 2011.
    Archeologie op de Grote Markt in Groningen. In Groningen hebben zes opgravingscampagnes plaats gevonden met interessante vondsten uit de vroege geschiedenis van de stad. De oudste grondsporen in de zandbodem zijn twee greppels uit de tiende eeuw. Het is gewoonlijk doorspekt met keitjes, botresten en scherven van kogelpot- en Pingsdorf-aardewerk. In één van de ophogingslagen werd een terra sigillata-scherfje uit de eerste eeuw na Christus gevonden. Ten noorden van deze kuilen konden midden op de markt enkele tientallen vierkante meters intact keitjesplaveisel op grond van een sterk gesleten munt, vermoedelijk een Salische koning, bij benadering gedateerd worden in de elfde eeuw. Het meest opvallend was wel het relatief grote aantal metaalvondsten in de kuilvullingen: twee munten (imitaties van Straatsburger penningen) uit de vroege tiende eeuw, acht schijffibula's uit de negende tot elfde eeuw, drie kleine gelijkarmige fibula's uit de negende of tiende eeuwen een knoop uit dezelfde periode. Een leerlooierij in de tiende of elfde eeuw op deze plek ligt niet voor de hand. Uit eerder onderzoek is gebleken dat het grafveld onder de Martinikerk teruggaat tot in de achtste eeuw; het is mogelijk nog van voorchristelijke oorsprong. De oudste fase van het opgegraven grafveld bestaat uit één, hooguit twee lagen middeleeuwse bijzettingen in sterk samengedrukte puinloze zandgrond. Het kisthout van deze bijzettingen is over het algemeen geheel en het bot vrijwel geheel vergaan en van grafgiften of kledingresten was geen sprake. We moeten het op een enkele uitzondering na zonder dateringen stellen. De orientatie van deze bijzettingen wijkt iets af van die van een jongere middeleeuwse fase daarboven. Een bijzondere vondst uit deze fase was een kistbijzetting met een bekapte boomstam als deksel. De kapdata van de gebruikte bomen wijzen op een begrafenis tussen 1037 en 1043. Tot deze fase hoort ook een fragment van een sarcofaag van roodgekleurd zandsteen uit de elfde of vroege twaalfde eeuw. In de meeste gevallen was (in de graven) geen spinthout aanwezig, zodat de datering een terminus post quem is. In één geval bleek dat er wel 130 jaar verschil kan liggen tussen een spinthoutdatering en een terminus post quem-kernhoutdatering van twee planken van dezelfde kist. Tot nu toe heeft de opgraving geen aanwijzingen opgeleverd voor een voorchristelijke fase van het grafveld. Beide begraafplaatsen waren gelijktijdig in gebruik in de achtste eeuw. In de tussen-liggende ruimte zijn tot nu toe geen sporen van begravingen waargenomen.
    Commentaar: de oudste sporen stammen uit de tiende eeuw! Die datering heeft men vastgesteld aan de hand van scherven van kogelpot- en Pingsdorf-aardewerk, dat echter tot in de 13e eeuw werd gemaakt en wellicht nog langer gebruikt werd. Zie bij
    aardewerk. Zoals uit elke aflevering van 'Tussen Kunst & Kitsch' blijkt bezitten mensen in de 21e eeuw nog voorwerpen uit de 17e en 18e eeuw. Wat nu voorkomet is in het verleden ook zeker voorgekomen. De dateringen tussen negende tot elfde eeuw geven een wel erg ruime marge aan. Dat er een scherf uit de Romeinse tijd is gevonden wil toch ook niet zeggen dat er Romeinen in Groningen verbleven. Ondanks alles wat beweerd wordt over het grafveld, blijkt het uiteindelijk slechts uit de elfde of twaalfde eeuw te stammen. Eeen terminus post quem datering is een datering waarbij de chronologie van gebeurtenissen of objecten ten opzichte van elkaar wordt vastgesteld, wat noopt tot behoedzaamheid.

  6. Archeobrief 2, juni 2011.
    Vroeg-middeleeuws Leidsche Rijn. Toen de Engelse missionaris Willibrord omstreeks 695 het voormalige Romeinse fort van Utrecht inrichtte als uitvalsbasis voor zijn missiewerk, was het gebied stroomafwaarts van de Rijn behoorlijk dicht bevolkt. Tot het einde van de achtste eeuw dan, want vanaf die tijd daalde de stilte neer over het dorp en de rest van Leidsche Rijn, om pas weer na twee eeuwen te worden doorbroken.
    De vondsten van een goudschijffibula, munten waaronder 27 zilveren sceatta's, een gouden tremissis, drie Merovingische en vijf Karolingische denarii en een styca, duiden op een behoorlijke welvaart van enkele dorpsbewoners. Waren op het hoogtepunt van de nederzetting aan het begin van de achtste eeuw tenminste zes boerderijen bewoond, in de decennia daarna raakte een deel daarvan in onbruik. Rond 750 waren er nog drie in gebruik, maar enige decennia later werden ook die verlaten. Opmerkelijk is dat dit ook geldt voor alle andere onderzochte vroegmiddeleeuwse nederzettingen in Leidsche Rijn. Waarom werd dit zo aantrekkelijke woongebied in korte tijd de rug toegekeerd? Mogelijk gaat het daarbij om een combinatie van verschillende factoren. Een van de belangrijkste daarvan is dat de Rijn in deze periode aantoonbaar minder water afvoerde en als gevolg daarvan sterk ging meanderen. Daardoor kwam de rivier in korte tijd verder van de nederzetting af te liggen. Daarentegen vonden er wel veel vaker grote overstromingen plaats, zo blijkt uit archeologisch onderzoek op verschillende plaatsen in Leidsche Rijn. Wat de oorzaak ook geweest moge zijn, het staat vast dat in het begin van de negende eeuw de oude stroomrug in Leidsche Rijn werd verlaten. En daarmee kwam dus ook een eind aan het dorp dat door landbouw en handel in de zevende en achtste eeuw tijden van grote welvaart had gekend. De hoogtijdagen van de nederzetting lagen in de jaren dat Willibrord zich in het oude Utrechtse castellum vestigde om de Friezen, waarmee de bewoners dus sterk verbonden lijken te zijn geweest, tot een nieuw geloof te bekeren. Was dat het begin van het einde, of waren het meer klimatologische veranderingen die het leven op de stroomrug veranderden en daarmee het dorp de das omdeden?
    Commentaar: in dit artikel draait het dus om de aanwezigheid van St.Willibrord in Utrecht. Maar daarvan is archeologisch nooit iets gebleken
    (zie daar), evenmin van de genoemde plunderingen van de Vikingen, (zie daar). De kern van bovenstaande is de vraag hoe de dateringen van bewoning zijn vastgesteld? Op grond van munten kan men geen bewoning vaststellen, net zo min als met gevonden munten. Grondsporen en palen? Maar 'veel opgravingen leveren raadsels op' staat in de tekst. De genoemde kogelpotten geven ook een ruimere datering aan, zelfs tot in de 13e eeuw (zie hierboven). De verwijzing naar de Basisrapportage Archeologie 18 levert toch een andere beeld op. Daarin zijn de volgende tijdsindelingen te lezen: 1. Sporen van de late ijzertijd/vroeg-Romeinse nederzetting:25 voor Chr.- 20 na Chr., 2. Sporen van de Inheems-Romeinse nederzetting 20 tot 50 na Chr., 3.Sporen van de vroeg-middeleeuwse nederzetting: 475 tot 550 na Chr., 4. De laatmiddeleeuwse sporen, a. Late Middeleeuwen fase 1: 1100 na Chr.-1300 na Chr., b.Late Middeleeuwen fase 2: 1350-1400 na Chr.
    De sporen uit de vroege middeleeuwen blijken op basis van het aardewerk en de fibula en de dendrochronologische datering van de brugpalen gedateerd te zijn tussen 475 en 550. Vervolgens lezen we: "De nederzetting ligt zo’n 400 meter ten noordoosten van de vroegmiddeleeuwse nederzetting die eerder werd aangetroffen. Tussen beide ligt een restgeul van de Rijn. Ten tijde van de bewoning op beide percelen is deze waterloop aan het verlanden, maar nog wel watervoerend. Dit blijkt uit de C14-datering van de veenlaag. De onderkant van de laag in de restgeul wordt gedateerd tussen 425 en 597, de top dateert tussen 699 en 775 na Chr. (van Dinter 2005)". Er blijkt dus geen enkele sprake te zijn van bewoningssporen uit de tijd van St.Willibrord.
    Ook in de verwijzing naar de Basisrapportage Archeologie 26 zoeken we juist de tijd van St.Willibrord. Over St.Willibrord worden slechts enkele traditionele algemeenheden vermeldt, zoals zijn 'kerstening van de Friezen' en 'Op het Domplein werd daarna een nieuwe kapel gesticht door Willibrord, vlak nadat hij in 695 tot aartsbisschop van de Friezen was gewijd; deze zou de St.-Salvator- of Oud-Munsterkerk gaan heten en dat het 'aannemelijk is dat de Oude Rijn in ieder geval rond 780 nog steeds goed bevaarbaar was. De biograaf van Willibrord, de Angelsaksische monnik Alcuin, beschrijft in dat jaar namelijk hoe het mogelijk was om vanaf de Noordzee via Utrecht en Dorestad (Wijk bij Duurstede) tot in Keulen te varen'.'Nu vermeldt Alcuinus niet Utrecht en Dorestad, maar juist andersom Dorestad en Trajectum. In Nederland liggen Utrecht en Wijk bij Duurstede dus verkeerd om.
    Voor de dateringen worden in dit rapport de dateringen ook gebaseerd op de veenlaag, precies zoals in de Basisrapportage Archeologie 18. Naschrijverij? We lezen er 'Gekalibreerd levert dit een datering tussen 425 en 597 na Chr. (97% zekerheid, 2 sigma). Ook de ruim 20 cm hoger gelegen top van deze veenlaag is gedateerd. Dit leverde een ouderdom op van 1615 ± 33 BP, ofwel 659-775 cal na Chr. Verder moet worden opgemerkt dat zich onder de gedateerde veenlaag nog een 30 cm dikke laag gyttja bevond. Het gestoken monster uit deze laag bevatte helaas niet genoeg materiaal voor C14-datering. De aanwezigheid van de laag geeft echter aan dat de restgeul al enige tijd (vermoedelijk meerdere decennia) aan het verlanden was op het moment dat de veengroei begon en dat de verlanding vermoedelijk al in (het begin?) van de vijfde eeuw is begonnen'. Er is dus geen enkel strikt bewijs van bewoning in de tijd van St.Willibrord gevonden. Ook de vermelde sporen van vondstmateriaal uit de late Merovingische en uit de Karolingische periode, inclusief wat aardewerk van na 750 na.Chr. geven geen enkele bevestiging van bewoning in de tijd van St.Willibrord. Het wordt dan ook op p.44 een interpretatie genoemd. Bekijkt men feitelijk waarmee die bewonig wordt aangetoond dan gaat het om vondsten van verplaatsbare relicten, zoals enkele munten, wat scherven en enkele sieraden. Het dendrochronologisch onderzoek van een plank geeft een geschatte kapdatum van rond 750 n.Chr., enkele palen en paalpunten werden gedateerd op 647 en 662 na.Chr. Op het Oudkerhof zijn de vroegste sporen die bestaan uit enkele eikenhouten palen, dendrochronologisch rond het jaar 806 zijn gedateerd. Maar zoals iedereen weet geeft dendrochronologisch onderzoek een kapdatum aan. Dat is geen gebruiksdatum, zeker niet als het om hergebruik gaat. Dan kan er eeuwen tussen zitten, zker in tijden dat men zuinig omging met het beschikbare bouwmateriaal.

    Degene die nog twijfelen aan bovenstaande raad ik aan de Basisrapportage Archeologie 18 en 26 eens na te lezen. Deze zijn te vinden op www.erfgoed.utrecht.nl. Succes met lezen!

  7. Archeobrief 2, juni 2011.
    In Archeobrief 2 lezen we enkele opvallende Cirkelredeneringen.
    1. Nieuwe inzichten in Romeinse grafrituelen. We lezen hier: "De vondst van een zegeldoosje bevestigt dat er bewoners waren die konden lezen en schrijven".
      Commentaar: dus als een klein kind met een pen speelt, kan die dan lezen en schrijven?
    2. Chaukische aardewerkscherf in Velsen. Het archeologisch depot van de provincie Noord-Holland in Wormerveer blijkt over een Chaukische aardewerkscherf uit Velsen te beschikken. De ontdekking in het depot geeft een duidelijke relatie aan tussen de Romeinen in Velsen en de Chauken. Dit volk, dat leefde in een gebied van Oost-Groningen tot aan Denemarken.
      Commentaar: hier is dus sprake van een cirkelredenering. Hoezo duidelijke relatie? Met één scherf? Men gaat van de onbewezen veronderstelling uit dat de Chauken in Velsen verbleven. Een daar gevonden scherf wordt dan vervolgens Chaukisch verklaard. Kan die scherf niet op een andere manier daar terecht zijn gekomen? Bijvoorbeeld met het ophogen van de grond wat in de late middeleeuwen regelmatig gebeurde om het drassige gebied toegankelijk te maken en te houden? Waar is de rest van de pot waartoe die scherf behoord heeft? Wat bewijs je met één scherf?


  8. Archeobrief 1, maart 2011.
    Verkokerde vakgebieden. Archeologen, classici en historici pompen verouderde kennis rond. (Jona Lendering).
    Lendering constateert dat "honderden misverstanden voortkomen uit het rondpompen van verouderde kennis. Driekwart van deze fouten kwam voor in publicaties van mensen met een doctorstitel".
    Over de vraag hoe de waarheid van een uitspraak kan worden getoetst, is in de afgelopen eeuw intensief gedebatteerd en de dubbele conclusie luidde enerzijds dat de waarheid afhankelijk is van de aannames waarmee het onderzoek wordt gedaan en anderzijds dat de juistheid van die aannames zich niet altijd laat controleren. Zolang je maar weet welke keuzes je maakt en je je er bewust van blijft dat anderen kunnen werken met andere aannames, kan er weinig echt verkeerd gaan. Het probleem is dat een onderzoeker menselijkerwijs niet altijd kán weten welke keuzes zijn gemaakt. De ellende is dat onder-zoekers niet altijd onderkennen wanneer ze bij die collega moeten aankloppen.
    Een voorbeeld is de Historischer Atlas der antiken Welt van Wittke, Olshausen en Szydlak, waarvoor elke zelfrespecterende oudhistoricus in 2007 de lieve som van 225 euro neertelde. De meeste kaarten maken die prijs waar, maar niet die van de Bataafse Opstand, waarop voor Hoek van Holland een 'Eiland van de Bataven' staat ingetekend met een 'Lugdunum Batavorum', en waarop de Bataven zijn verhuisd naar Zuid-Holland, de Cananefaten naar NoordHolland en de Friezen richting Drenthe. Deze (en minstens acht andere) fouten zijn te herleiden tot speculaties die in laatste instantie teruggaan tot in de zestiende eeuw ('Lugdunum Batavorum' is de verzonnen renaissancenaam van Leiden). Wie met deze atlas Tacitus' bloedstollende relaas over de gebeurtenissen van 69 en 70 leest, kan er geen touw aan vastknopen.
    In de vroege jaren zeventig realiseerden de wetenschapstheoretici zich dat fouten van dit type onvermijdelijk zijn. Er zijn 'known unknowns', waarbij de onderzoeker zijn onwetendheid kent en even naar het kantoor van een collega loopt, maar er zijn ook 'unknown unknowns' waarbij hij zijn onwetendheid niet herkent en verouderde informatie recyclet.
    Met de Slag in het Teutoburgerwoud wordt duidelijk hoe verouderde noties kunnen blijven hangen en hoe een discussie over de interpretatie van die gebeurtenis wordt bemoeilijkt. Dat de Rijngrens ontstond na de Slag in het Teutoburgerwoud hebben generaties Duitse gymnasiasten, voor wie Florus (Epitome 2.30) middelbare-schoolstof was, hun leven lang meegenomen en heeft zich vastgezet in Duitslands collectieve bewustzijn. De beslissendheid van de nederlaag van Varus werd hierdoor het zelden echt beredeneerde uitgangspunt van elke wetenschappelijke analyse. Archeologen dateerden alle Romeinse voorwerpen op de oostelijke Rijnoever automatisch vóór 9. De Slag in het Teutoburgerwoud kan heel goed ingrijpende gevolgen hebben gehad, maar dat valt niet te beargumenteren aan de hand van het Floruscitaat, dat niets meer is dan een mening uit de tweede eeuw, toen de limes inderdaad liep langs de Rijn. We zouden bijvoorbeeld graag weten of de Romeinen de limes herkenden, maar we hebben geen enkele bron die een strategisch besluit vermeldt, we hebben geen enkele auteur die de achterliggende strategie uitlegt, zelfs geen tekst waarin het woord 'limes' wordt gebruikt zoals wij het toepassen. Wie een bron leest, moet nagaan wat er stond in de bronnen van de bron.
    Hardnekkig houden de historici vol dat de Romeinen Germanië tot aan de Elbe wilden veroveren, hoewel er nog steeds geen fort is gevonden voorbij de Weser. Terwijl geen archeoloog de Elbe-hypothese nog kan verdedigen, pompen oudhistorici deze informatie vrolijk rond. De betekenis van de Slag in het Teutoburgerwoud zou sterker ter discussie kunnen staan. Ze is in elk geval geen keerpunt in de Europese geschiedenis en het is de laatste jaren denkbaar geworden dat de Romeinen na het jaar 9 op de oostelijke Rijnoever zijn gebleven. De noodzakelijke discussie wordt echter bemoeilijkt doordat archeologen verouderde kennis van historici overnemen en historici archeologische inzichten negeren.

    Commentaar: Uit dit artikel van Jona Lendering blijkt duidelijk dat archeologen, classici en historici zijn blijven hangen in de opvattingen van de 17e eeuwse schrijvers. Wat krijgt Albert Delahaye hier weer gelijk. Dat die fouten vooral voorkomen bij mensen met een doctorstitel is zeer gegrijpelijk. Iemand die geschiedenis studeert leert namelijk slechts de traditionele opvattingen. Dat blijkt wel uit de literatuur van afstudeerprojecten waar de boeken van Albert Delahaye steevast ontbreken. Dat kan ook niet anders, immers je kunt je doctorstitel wel vergeten als je met afwijkende opvattingen aankomt. Een promotor is per definitie iemand van de oude stempel. Die laat een promovendus niet hun oude opvattingen onderuit halen. Dat is ook de belangrijkste reden dat verouderde kennis maar rondgepompt blijft worden. Daarbij komt dan de onuitroeibare naschrijverij. Men schrijft voorgangers na, citeert uit publicaties van voorgangers en meent dat die voorgangers het wel bij het juiste eind gehad zullen hebben, aangezien hun opvattingen -bij het verschijnen van hun publicaties- niet tegengesproken werden. Van dit verschijnsel van klakkeloze naschrijverij zijn op deze website talloze voorbeelden te vinden. Type het woord 'naschrijverij' in de zoekopdracht en lees de gegeven hoofdstukken na. Geschiedschrijving moet gebaseerd zijn op bronnenonderzoek en niet op naschrijverij van wat ooit eens beweerd werd. De opmerking van Lendering 'Wie een bron leest, moet nagaan wat er stond in de bronnen van de bron' zou gemeengoed moeten zijn, maar is dat helaas te vaak niet. Zie bij
    Het Bronnenboek van Nijmegen. Voor de opmerkingen van Lendering over het Teutoburgerwoud verwijs ik naar de Varusslag.

  9. Archeobrief 1, maart 2011.
    Romeinse wegen in Nederland. (Paul van der Heijden). Klik op de kaart voor een vergroting: links de Limesweg, rechts de Maasweg.

    Lees ook de boeken van Van der Heijden over
    de Romeinse wegen en over de Romeinen langs Rijn en Noordzee, waarin hij enkele traditionele opvattingen toch weer tegenspreekt, maar, opvallend, ook zichzelf tegenspreekt. Van der Heijden vergelijkt de wegen en plaatsnamen van 3 Historische bronnen met elkaar: de Peutingerkaart, het Reisboek van Antoninus en de Kosmografie van Ravenna.
    Uit deze vergelijking had hij al kunnen opmaken dat er van zijn opvattingen niet veel klopt. Er zijn grote verschillen tussen die 3 bronnen vast te stellen, zowel in de plaatsnamen als in de tussenliggende afstanden. Zo wordt alleen op de Peutingerkaart Noviomagi genoemd en ontbreekt deze naam op de twee andere bronnen. Hetzelfde geldt voor Castra Herculis. En zowel op de Peutingerkaart als bij de Kosmograaf ontbreekt dan weer de naam Traiecto. Zo kunnen we nog meer verschillen noemen. Hoeveel zekerheid bieden al deze verschillen?

    Enkele citaten uit dit artikel: (feitelijk is het hele artikel het lezen waard, immers het toont onweerlegbaar aan waarom er zoveel scepsis over bestaat). De Limesweg is tot en met 2008 liefst 71 keer archeologisch aangetoond. Hoewel sommige auteurs nog altijd verwoede pogingen doen om deze weg te zoeken in heel andere gebieden, is de weg de laatste twintig jaar op tientallen plekken ook archeologisch aangetoond. Het goede nieuws is dat al deze archeologische vondsten inmiddels zijn geïnventariseerd, althans voor het gebied van Vechten tot aan de Noordzee.
    In de opbouw van de wegen zijn wel grote verschillen in de agger, de verharding, de primaire en secundaire bermgreppels. De agger komt in allerlei verschijningsvormen voor: als simpele aarden ophoging, als ophoging met beschoeiing, als zware bekisting van houten balken, maar soms ontbreekt hij ook helemaal. Hetzelfde geldt voor de verharding van de weg: vaak bestaat deze uit een of meerdere lagen grind, maar er zijn ook schelpen en keramisch materiaal gebruikt. Ook bij bermgreppels is op het eerste gezicht weinig eenduidigheid te bespeuren: sommige wegen hebben zowel primaire als secundaire greppels, maar dat vormt een uitzondering. Primaire greppels komen vooral voor bij wegen met een onbeschoeide agger. Maar de vorm en diepte ervan varieert, en op veel plekken is er slechts een greppel aan één kant of ontbreken ze in het geheel. Het lijkt erop alsof primaire greppels niet behoren tot de standaarduitrusting van de weg, maar vooral zijn ontstaan bij herhaaldelijke reparaties. De secundaire bermgreppels komen het meest voor op de (middel)hoge oeverwallen en dienen in deze relatief intensief gebruikte gebieden waarschijnlijk als markering voor de limesweg. De onverharde strook tussen weg en secundaire bermgreppels werd mogelijk gebruikt als ruiterpad en veedrift. Opvallend is dat niet werd gekozen voor het rechtreeks volgen van de oever van de Rijn. De breedte van de strook varieerde echter van een paar meter tot enkele tientallen meters. De inventarisatie heeft ook belangwekkende conclusies opgeleverd over de datering van de aanleg en onderhoudscampagnes. De limesweg is aangelegd tussen de tweede helft van de jaren tachtig van de eerste eeuw... tot circa 225.
    Als we onze blik richten op de limesweg tussen Vechten en het uiterste oosten van ons land, constateren we een bijna pijnlijk contrast met de archeologische rijkdom uit het westen. De weg is slechts op twee plekken met archeologische zekerheid aangetoond, namelijk aan de Grote Molenstraat ten noorden van Elst en bij het opgegraven castellum in Arnhem-Meinerswijk. Probleem hierbij is bovendien dat deze twee tracés moeilijk tot dezelfde weg kunnen hebben behoord, want deze zou dan een enorme omweg hebben moeten maken. Als we de Peutingerkaart moeten geloven, voerde de belangrijkste weg over Nijmegen en daarmee ook via EIst. Dat is ook logisch, gezien de omvang en reputatie van Nijmegen. Maar ongetwijfeld liep er ook een weg langs de zuidoever van de Rijn, die via Arnhem-Zuid bij Millingen weer uitkwam op de hoofdweg naar Xanten. Mogelijk zijn deze twee wegen in de verschillende redacties van de Peutingerkaart samengevoegd. Het zou in ieder geval de verwarring verklaren over de niet kloppende afstanden op de Peutingerkaart, en daarmee ook de blijvende scepsis over de identificatie van het op de kaart genoemde Castra Herculis.

    De situatie in Nijmegen is van een heel andere orde. Daar zijn inmiddels diverse wegen gevonden, die ons een beeld geven van de fijnmazige infrastructuur rond de stad en de achtereenvolgende legerkampen. Geen van die wegen was geplaveid. Het is echter niet eenvoudig om bij dit ruime aanbod de belangrijkste doorgaande weg aan te wijzen. Probleem daarbij is dat de locatie van de twee (of drie) hier gevonden mijlpalen altijd onzeker is geweest. In noot 8 lezen we: Opvallend is dat Nijmegen in het Reisboek van Antoninus niet voorkomt.

    De zuidroute: Harde archeologische bewijzen van een weg zijn echter (nog) niet gevonden, met uitzondering van een waarneming uit 1976 tussen Ewijk en Beuningen in het Land van Maas en Waal. AWN-Ieden troffen daarbij twee evenwijdige greppels aan op circa zes meter afstand van elkaar. De greppels waren tot circa 65 centimeter onder het Romeinse niveau uitgegraven. Omdat men geen wegverharding aantrof, waagde men zich er niet aan om de greppels toe te schrijven aan een Romeinse weg. De datering van de weg kan niet worden gegeven vanuit archeologische informatie.

    De Maasweg: (zie het kaartje rechts). Deze Romeinse snelweg liep van Nijmegen naar Maastricht. De route gaat in een vrijwel rechte lijn zuidwaarts vanaf het Nijmeegse Valkhof naar Cuijk, dat op de Peutingerkoar: is aangeduid als Ceuclum. Klik hier voor Cevelum. De Maasweg liep voor de wachtpost langs en is archeologisch ook onderzocht. Hij is circa zes meter breed, had twee greppels en blijkt al vroeg te zijn aangelegd, namelijk in de eerste decennia van de jaartelling. Deze laatste mededeling blijkt gezien noot 21 gebaseerd te zijn op mondelige informatie van Harry van Enckevort. Wat bewijs je met mondelinge informatie? Opvallend is dat ook hier geen wegverharding is gevonden. Hoe is dan vastgesteld dat het Romeinse weg betrof? Volgens de gangbare opvatting lag de Maasovergang in de eerste eeuw bij Mook en bestond deze wellicht uit een doorwaadbare plek. De facto zijn er niet zo heel veel aanknopingspunten: enkele waarnemingen uit de negentiende eeuw, een handjevol archeologische bewijzen, AHN-opnames, toponiemen en archeologische resten van Romeinse nederzettingen (vooral grafvelden) in het algemeen. Over het uiterlijk en opbouw van de Maasweg door Limburg zijn slechts weinig gegevens voorhanden. Vanaf Ittervoort loopt het tracé van de Maasweg over Belgisch grondgebied via de plaatsen Maasbracht, Dilsen (vermoedelijk te identificeren met Feresne op de Peutingerkaart), Maasmechelen en Lanaken. Het is nog een punt van discussie of de hoofdweg van daaraf naar Tongeren voert via Maastricht of via Bilzen (of misschien wel allebei). Op de Romeinse wegenkaart van Nederland gaapt een groot gat in Noord-Brabant. Het is aannemelijk dat die noord-zuidverbindingen er wel waren, maar dat de zandgronden van Brabant en de Kempen geen fundament enjofverharding van het wegdek noodzakelijk maakten. Er zijn vanuit Vlaanderen immers zeker aanwijzingen van wegen die noordwaarts lopen. Ondanks vele theorieën is men er nog niet in geslaagd om deze ook archeologisch volledig te traceren. (Ook België ontbreekt op de Peutingerkaart. red.)
    (De nog genoemde wegen van Tongeren naar Keulen en van Xanten naar Heerlen, waarop het nofdige is aan te merken, vallen buiten het bestek van dit betoog. red.)
    Van der Heijden besluit met zijn conclusies, waarvan we er enkele citeren:
    1. De grote variatie aan verschijningsvormen van de Romeinse wegen heeft de archeologen al decennialang zand in de ogen gestrooid. Wie louter op zoek was naar het ideaalbeeld van de Romeinse weg, werd maar al te vaak teleurgesteld.
    2. De grote variëteit aan wegen, breedtes, diktes enzovoort past in het algemene beeld van wegen in het Romeinse rijk.
    3. Kijken we terug naar ons overzicht van de geschiedenis van de wegenbouw in Nederland, dan komen we een vervelend hiaat tegen. De wegenbouw blijkt niet helemaal parallel te lopen met de uitbouw van de limes. Waar de eerste castella reeds verrezen in de vroeg-Romeinse tijd en later werden uitgebreid onder Caracalla en Claudius, ontbreekt elk spoor van een weg uit die tijd. Het lijkt er dus op dat het transport van en naar de castella en wachttorens langs de Beneden-Rijn bijna een eeuw lang louter plaatsvond per schip.
    4. Ook vanaf halverwege de derde eeuw lijkt het wegenstelsel aan betekenis in te boeten. De limesweg is kennelijk niet meer gebruikt voor transport over lange afstand, er zijn althans geen sporen van grootschalige reparaties. Dat geldt zowel voor de Limesweg als voor de Zuidroute. Dat betekent wellicht dat vanaf halverwege de derde eeuw het transport in het rivierengebied vooral (zo niet uitsluitend) plaatsvond per schip.

    Commentaar: In dit artikel is Paul van der Heijden zeer openhartig en noemt verschillende zaken die ook enkele van zijn eigen opvattingen ondergraven. Dat er een Romeinse weg dwars door Nederland liep is het probleem niet en dat staat ook niet ter discussie. De Romeinen zijn er immers geweest en legden overal wegen aan, zeker in sompige gebieden zoals West-Nederland toen was. Maar was het de Limesweg die op de Peutingerkaart staat? Indien je de genoemde plaatsen en hun onderlinge afstanden narekent (bij een Leuga van 2,2 km), klopt er al weinig van de door Van der Heijden genoemde Limesweg. Opmerkelijk is dat Van der Heijden hier sommige auteurs noemt die de weg elders zoeken. Zou hij daarmee Delahaye, Flament, Pierson, Kirk, Kreijns of Rozemeijer bedoelen? Maar met de Peutingerkaart valt feitelijk niets te bewijzen. Uit onderzoek van verschillende historici en onderzoekers, ook elders op de Peutingerkaart, blijkt dat de kaart vol fouten zit en er dus niets mee te bewijzen valt. Het is een falsum. Zie verder bij de Peutingerkaart.
    Ook geeft Van der Heijden aan dat de gevonden stukjes weg wel erg van elkaar verschillen. Daar zit zeker geen Romeinse uniformiteit of eenduidigheid achter. Alles is verschillend: de verharing, de breedte, de datering, de beschoeiing, de bermgreppels. De weg is ook niet in één stuk aangelegd, maar in verschillende perioden tussen (zoals Van der Heijden noemt) de tweede helft van de jaren 80 in de eerste eeuw en de jaren rond 100, 125, 168 tot circa 225. De Maasweg zou in de eerste decennia van de jaartelling zijn aangelegd. De vraag is dan ook of het niet gewoon stukken van middeleeuwse wegen kunnen zijn? Uit de veronderstelde wegen in Nijmegen is geen bewijs te leveren dat het om Romeinse wegen zou gaan. Juist in de belangrijkste Romeinse plaats zouden de wegen niet verhard zijn geweest?

    Maar wat blijkt? Van de veronderstelde Limesweg is pas de helft teruggevonden: het stuk tussen Vechten en de kust. En wat terugevonden is bestaat uit vele verschillende stukje. Het was beslist niet één weg! De gevonden stukken vormen ook geen doorlopende weg, hoewel die indruk wel wordt gewekt op de erbij getoonde kaartjes.
    Er is in dat stuk geen enkele eenduidigheid gebleken en geen enkele standarisatie waar de Romeinen toch erg van hielden. Daarnaast is van de onderste weg, door Van der Heijden onjuist Zuidroute genoemd, nog helemaal niets teruggevonden zoals hij ook aangeeft. Van der Heijden schermt dus slechts met een kwart bewijs van de Peutingerkaart. En met 25% valt er niets aan te tonen, zeker niet als die 25% nog uit meerdere onzekerheden bestaat. Overigens is 'zuid'route een onjuiste benaming. Op de Peutingerkaart zijn totaal geen windrichtingen af te leiden. Alle wegen lopen op de Peutingerkaart van links naar recht, terwijl ze in werkelijkheid soms pal noord-zuid lopen, zoals -als voorbeeld- de weg van Tervanna (Therouanne) naar Samarobriva (Amiens).
    Enkele onderzoekers hebben recent een aantal opmerkelijke wijzigingen in de tradities voorgesteld. Zo zou Castra Herculis Nijmegen zijn en zou Carvone niet Kesteren zijn (?). Zie verder bij de Limes waar de nodige vraagtekens over zijn. Die vraagtekens vind je ook op bijgaande kaart, waarop de onderste weg zelf ook van de nodige vraagtekens is voorzien. Van der Heijden schermt dus maar met een kwart kaart om zijn gelijk aan te tonen.
    Over de onjuiste afstanden op de Peutingerkaart kunnen we als voorbeeld de afstand tussen Noviomagi en Cevelum (niet Ceuclum) geven. De vermelde afstand van 3 mijl (is 6,6 km) komt verre van overeen met de werkelijk afstand van 15 km. Die onjuiste afstand wordt vervolgens verklaard als een schrijffout, maar daarmee geeft men de valsheid van de kaart toch toe?

    Uit de dateringen van de aanleg van de wegen komt een ander probleem naar voren, wat Van der Heijden in zijn conclusie ook al concludeerde. De wegen zijn pas aangelegd nadat de verschillende forten zijn gesticht. Zie daarvoor het overzicht van de Limes Germanicus. Van der Heijden geeft als verklaring dat dat het lijkt dat de Rmeinen dan per schip naar Nederland kwamen. Kwamen de Romeinen dan al in 19 vóór Christus in Nijmegen en in 40 na Chr. in Valkenburg terwijl ze nog niet in Xanten of Keulen waren geweest? Hoe kwam Julius Caesar dan in het land van de Eburonen (Limburg?) en in Atuatuca (Tongeren?), als er nog geen wegen waren aangelegd? Of bestonden er al wel wegen of voetpaden van de plaatselijke bevolking en kwam men daarlangs in onze streken?




Archeobrief 2010



  1. Archeobrief 4, december 2010.
    De Muntschat van Amby. Nieuw licht op de relaties tussen Eburonen en Bataven. Met deze muntschat zijn de Eburonen letterlijk en figuurlijk op de kaart gezet, meent de schrijver Jan Vredenbrug. De genoemde goudstaters zijn niet van de Eburonen maar werden ook in Noord-Frankrijk gevonden, waar ze rondom Amiens ‘Statères Ambiani’ en rond Soissons ‘Statères Suessions’ genoemd worden. Zie afbeeldingen hiernaast (klik op de afbeelding voor een vergroting.
    Commentaar: Ik verwijs hierbij naar het artikel over de muntschat van Amby waarin de nodige opmerkingen te vinden zijn. Dat de Eburonen hier op de kaart zijn gezet is verre van juist, De muntschat toeschrijven aan de Eburonen is een drievoudige cirkelredenering. 1. Dat de Eburonen in Zuid-Limburg woonden is een hypothese, een nooit bewezen veronerstelling. 2. Dat in het aan hen toegeschreven gebied dan een muntschat wordt gevonden die aan de Eburonen wordt toegeschreven is een volgende hypothese. 3. Wie zegt dat een Eburoon deze muntschat heeft verloren of verstopt? Dat het een Keltische schat wordt genoemd is feitelijk een volgende hypothese. Wat is Keltisch? En hoe zien Keltische munten eruit?
    Van een nieuw licht op de relatie tussen Eburonen en Bataven is geen sprake. Die relatie bestond al langer, tenmiste als je beide volkeren in de juiste streek in Noord-Frankrijk plaatst.
    Uit de studie van Albert Delahaye blijkt dat de Eburonen in de omgeving van Evry en Baurain woonden. Hun plaatsing rond Tongeren en Maasticht is een gevolg van het misverstaan van Renus en Mosa waartussen ze woonden. Dat Julius Caesar daar al een dikke eeuw voordat er ook maar één Romeins geweest is blijkt een van de grootste misverstanden te zijn. Julius Caesar is nooit zo ver noordelijk geweest. Atuaca Tungrorum werd opgevat als Tongeren (B.), een heilloze misgreep, die weer andere achter zich aan sleepte, waarvan de voornaamste was de totaal foutieve lokalisatie van de Eburones tussen Tongeren en Roermond, een stam waarmee Caesar de grootste moeite heeft gehad. Indien men zich al niet had gerealiseerd dat een Limburgse (!) stam helemaal niet past tussen al de andere opgesomde stammen die allemaal in Noord-Frankrijk verbleven, dan had men een andere zaak moeten opmerken, namelijk dat uit het hele boek van Caesar blijkt, dat hij nooit boven de lijn Cassel - Trier is geweest.


  2. Archeobrief 4, december 2010.
    Opgravingen op Plein 1944 in Nijmegen. In de Scheidemakershof is ongeveer 10 meter van een Romeinse weg opgegraven. Het is een secundaire weg die vermoedelijk vanaf de eerste eeuw na Chr, tot in de vierde of vijfde eeuw is gebruikt. De weg werd op grond van eerdere waarnemingen al vermoed, maar het is voor het eerst dat in Nijmegen een tracé over een grotere lengte volledig kon worden onderzocht.
    Commentaar: 10 meter weg? voor het eerst? Was Nijmegen dan toch niet zo'n belangrijke Romeinse plaats als altijd wordt aangeneomen? Het volledige onderzoek is uiteraard relatief als er zo'n ruime datering aan wordt gegeven. Vanaf de eerste eeuw houdt in dat die weg in de eerste eeuw dus nog niet bestond. Het is echter maar een vermoeden.

  3. Archeobrief 3, september 2010.
    Archeologie van de Noord-Zuidlijn in Amsterdam. Methoden en modellen. Rond 1200 na Christus ontstond er op de oevers langs de Amstel, bij de monding in het IJ, een kleine nederzetting. Opgravingsgegevens van de afgelopen decennia wijzen op kleine bebouwde percelen, waarbij onder de bewoners al in een vroeg stadium sprake lijkt te zijn geweest van specialisatie. Zo zijn er voor de eerste helft van de dertiende eeuw resten aangetroffen van een smidse en een leerlooierij. Vermoedelijk midden dertiende eeuw werd een dam in de Amstel aangelegd. Door de aanleg ervan werd het eenvoudig van de ene naar de andere zijde van de Amstel te komen. Belangrijker was echter, dat door aanleg van deze dam een handelsplaats kon ontstaan, met een binnenhaven (de Rokinzijde) en een redelijk beschutte zeehaven (het Damrak) . De natuurlijke omstandigheden hiervoor zijn pas in de twaalfde eeuw ontstaan, nadat door stormvloeden een verbinding tot stand was gekomen van de Amstel via het IJ en de Zuiderzee naar de Noordzee. Het ontstaan van Amsterdam houdt dan ook direct verband met de vorming van deze verbinding.
    Commentaar: in dit artikel wordt feilloos aangegeven dat Amsterdam niet ouder is dan de dertiende eeuw. Dat heeft voor de geschiedenis van Noord-Holland toch enkele consequenties zoals de plaatsing van St.Willibrord en de graven van Holland ter plaatse.

  4. Archeobrief 3, september 2010.
    Romeinse resten op voormalig Marinevliegkamp Valkenburg. Bij archeologisch onderzoek op het terrein van het voormalig Marinevliegkamp Valkenburg zijn resten gevonden van een Romeinse weg, een gebouwen een gracht. De Romeinse weg, die mogelijk naar het nabijgelegen castellum voerde, ligt op een dijk van plaggen, versterkt met palen van elzenhout, en heeft een aflopend talud. De exacte datering is nog onduidelijk, maar de plaggen bevatten scherven uit het begin van de tweede eeuw. Het is de derde weg die in Valkenburg is ontdekt. De eerder gevonden wegen dateren van rond 123-124 na Christus en een ervan is versterkt met eikenhuten palen.
    Commentaar: nog een stukje Romeinse weg, maar zeker niet van de 'Limes'.

  5. Archeobrief 3, september 2010.
    Een Romeinse graftoren in Hoogeloon uit het begin van de tweede eeuw wordt een voor Nederland unieke vondst genoemd. Destijds werd in die plaats ook de resten van Romeinse villa blootgelegd. Vermoedelijk woonde een ex-militair in de villa en was hij de opdrachtgever of eigenaar van de graftoren.
    Commentaar: een uniek vondst houdt in dat er nergens anders in Nederland een graftoren is gevonden. Waren er dan zo weinig Romeinen in Nederland? Dan volgen nog enkele speculaties die wel als geschiedenis zullen worden gehanteerd als niemand ze tegenspreekt, wat ook niet zal gebeuren.

  6. Archeobrief 3, september 2010.
    Middeleeuw gehucht bij Heiloo. Tijdens werkzaamheden voor het aanleggen van een gaspijpleiding van energiebedrijf Taqa zijn in een weiland tussen Heiloo en de snelweg A9 de resten van een middeleeuws gehucht gevonden. Op deze plaats bevindt zich een oude strandwal. Het was nog niet bekend dat hier een nederzetting heeft gelegen. De vondsten dateren volgens een eerste inschatting van omstreeks de tiende eeuwen bestaan vooral uit aardewerkscherven. Ook is een glis aangetroffen, een voorloper van de schaats.
    Commentaar: vondsten uit de tiende eeuw weerspreken het verblijf van St.Willibrord ter plaatse in de achtste eeuw. Hij zou er een kapel hebben gebouwd en een put hebben geslagen. Die put is er nog steeds te bewonderen en is in 2010 nog gerestaureerd. Echter de eerste vermelding van die put en de erbij horende legende beschreven door Jan Beke in zijn allerminst betrouwbare Chronographia, stamt uit de 14de eeuw. Voor meer informatie over de legende zie http://www.oudheiloo.nl/histwk.html. Voor de ware geschiedenis verwijzen we naar
    de kerken van Holland

  7. Archeobrief 3, september 2010.
    1500 jaar oude brug in Oegstgeest. Bij Oegstgeest zijn de resten van een brug uit de periode tussen 500 en 700 na Christus gevonden. De ontdekking werd gedaan tijdens onderzoek door de Faculteit der Archeologie van de Universiteit Leiden. Vorig jaar kwamen hier bij opgravingen in het kader van de veldopleiding van eerstejaars studenten al resten van een houten kade aan het licht. De vondsten behoren tot een nederzetting uit de Merovingische periode (500-700 na Christus). De brug verbond de beide oevers van een zijtak van de Rijn en is een van de oudste bruggen in West-Nederland. Alleen de houten pijlers zijn teruggevonden. Met de vondst is aangetoond dat ook na het vertrek van de Romeinen door de inheemse bevolking infrastructurele werken van betekenis werden uitgevoerd. De opgraving heeft verder meer inzicht in de bewoning op het terrein gegeven. Zo werd weer een deel van een gebouwplattegrond opgegraven. Daarnaast trof men een aantal waterputten aan, waarvan een was bekist met een hergebruikte houten ton. Op deze ton zijn twee kuipersmerken aangetroffen.
    Commentaar: het hier gestelde is wel erg hypothetisch. Enkele houten palen vormen nog geen brug. Was het geen vissershutje op palen? Bovendien is op de datering nogal wat aan te merken. De kuipersmerken geven in elk geval een latere datering dan de Merovingische tijd aan, toen dat gebruik van merktekens op houten vaten nog niet bestond. Als er af en toe wat avonturiers en waaghalsen in een gebeid verbleven (en dat zie je in alle tijden over de hele wereld) wil dat nog niet zeggen dat er een omvangrijke bewoning was. Daarmee is die 'brug' in Oegstgeest nog geen 1500 jaar oud!


  8. Archeobrief 2, juni 2010.
    De sarcofaag van Etersheim. Wat een weelde om een twaalfde eeuwse vondst. Sarcofagen van zandsteen met vroegchristelijke geometrische of figuratieve decoratie komen uitsluitend voor in het vroegere Friese gebied (Noord-Holland, Friesland, Groningen en het aangrenzende deel in Duitsland) vanaf de vroege elfde tot en met het einde van de dertiende eeuw. Over het gebruik van sarcofagen in de middeleeuwen zijn we niet goed geïnformeerd. In het kader van de vondst bij Etersheim is onderzoek gedaan naar zowel historische als archeologische bronnen. Enkele eeuwen geleden ging men er, op basis van de christelijke versierselen als kruis en kromstaf, van uit dat sarcofagen de graven waren van geestelijken: 'Zoo gelooven wij het begraaven, en wel bepaald het begraven in steenen doodkisten, ook als eene navolging van de begraving des Goddelijken Instellers van het Christendom te mogen achten. In het bijzonder bedoelt men hier de predikers die in de vroege middeleeuwen (zoals St.Willibord. red.) de heidense Friese gebieden trachtten te kerstenen. Inmiddels staat echter vast dat de hier bedoelde sarcofagen uit een latere periode stammen. Bezien we de hoge concentratie van sarcofagen in West-Friesland, dan stuiten we direct op een probleem. Er is immers zo goed als niets bekend over lokale adel of elite uit contemporaine bronnen: wie was de adel en waar woonden zij?
    De periode vanaf de elfde eeuw stond in het teken van grootschalige ontginningen van veengebieden en de eerste aanleg van dijken. De strijd met het water zal hevig geweest zijn in de kustgebieden langs de zich uitbreidende Zuiderzee. De ontginning van het veen bij Etersheim en de verdrinking van dit landschap hebben een causale relatie.
    Commentaar: er is geen enkel bewijs dat deze sarcofaag (of andere) sarcofagen iets te maken hebben met de predikers uit de 7e en 8e eeuw, zoals St.Willibrord. Van lokale elite dan? Ook daarvan ontbreekt elk bewijs.
    Ook hier wordt weer eens bevestigd dat de ontginningen in Noord-Holland pas plaats vonden vanaf de elfde eeuw. Tevoren was het een moers- en waddengebied waar bewoning vrijwel onmogelijk was. Daar woonde in elk geval niet het omvangrijke volk der Friezen, dat tegen de Romeinen en later tegen de Franken streed.



  9. Archeobrief 2, juni 2010.
      Archeologische vondsten in nieuw licht.
    1. In Geschiedenis Magazine 8 van 2009 besteedt Luit van der Tuuk aandacht aan de schat van Staffordshire. Gezien de uitzonderlijke rijkdom van de aangetroffen objecten, waren die afkomstig van een zeer welvarende elite die kennelijk schitterend uitgedost op het slagveld verscheen. Dit doet, zo schrijft Van der Tuuk, vermoeden dat de bovenlaag van Angelsaksisch Engeland veel rijker was dan men altijd heeft gedacht. Vroegere vondsten van vergelijkbare rijkdom werden veelal aan koningen toegeschreven, maar blijkbaar kon ook de elite over kostbaar gedecoreerde wapenuitrustingen beschikken. De Engelse vondsten vertonen veel overeenkomsten met voorwerpen uit het Friese terpengebied, onder andere uit Wijnaldum. Mogelijk is ook die 'koningsterp' minder koninklijk dan tot nu toe werd vermoed.

    2. Tijdens onderzoek bij de restauratie van de Laurentiuskerk in het Friese Raerd is een bronzen ornament ontdekt met daarop een primitief uitgevoerde voorstelling van Christus Zie afbeelding hiernaast (klik op de afbeelding voor een vergroting). Het ronde voorwerp, iets minder dan drie centimeter in doorsnede, is mogelijk een mantelspeld of onderdeel van een gesp. Op grond van de iconografie is het voorwerp waarschijnlijk te dateren in de achtste of negende eeuw. Uit tufstenen resten kon eerder al worden afgeleid dat Raerd rond 1100 reeds een kerk had. Nu lijkt het christelijke verleden van Raerd dus veel verder terug te gaan. Behalve het bronzen schijfje is er een metalen plaatje met gaten in de hoeken gevonden. Dit was mogelijk een stuk sierbeslag en is aangetroffen in dezelfde laag. Ook zijn fragmenten van de bovenzijde en rand van een bronzen klok gevonden. Aan de hand van de dikte en vorm van de resten is de klok waarschijnlijk te dateren in de elfde eeuw. De klok zou daarmee bij de vroegere tufstenen kerk gehoord kunnen hebben. Een andere opmerkelijke vondst uit de kerk van Raerd is een olielamp. Het gaat hierbij om een halve kloostermop met een uitsparing voor een metalen kommetje en roetsporen.
    Commentaar: a. mogelijk? werd vermoed? Te vaak worden rijke graven meteen toegeschreven aan vorsten of elite, terwijl iedereen deze sieraden zou hebben kunnen bezitten. Lees hierboven in Archeobrief 4, 2009, waar de La Tène-armbanden een ander verhaal vertellen.
    b. de conclusies zijn wel erg voorbarig. Op grond van iconografie zijn geen enkele conclusies te tekken. Als dit bronzen ornament in de 11de eeuwse laag is gevonden kan het ook 11de eeuws zijn. Bovendien is er geen enkel bewijs of aanwijzing dat in de achtste of negende eeuw Friesland al Christelijk zou zijn. De hiervoor gebezigde tradities rondom St.Willibrord of St.Bonifatius zijn gebaseerd op 17e eeuwse mythen.
    Voor de ouderdom van kloostermoppen verwijzen we naar de bevindingen van Cordfunke zie daar die stelde dat "baksteenformaten niet gebruikt kunnen worden om een verband tussen het formaat en de datering vast te stellen". Kloostermoppen kunnen in elk geval niet ouder zijn dan nadat er kloosters bestonden in Nederland en dan gaat het toch om na de 11e eeuw. Voordat je zo'n oude steen als 'olielamp' gebruikt ben je zo een paar decennia verder.


  10. Archeobrief 1, maart 2010.
    Vorstengraven! Een tweede 'vorstengraf van Oss'. Dit zogenaamde 'vorstengraf' bevatte uit Zuid-Duitsland geïmporteerde objecten, waaronder een ijzeren zwaard, waarvan het heft met goud was ingelegd, en fraai gestileerde paardenbitten. Dat het hier om een belangrijk persoon gaat, staat buiten kijf. Toch geeft het te denken dat hier in een grafheuvelgroep maar liefst drie vorstengraven liggen: zijn deze streekgenoten wellicht elkaars opvolgers? Het voorkomen van twee, en mogelijk zelfs drie van dit soort graven, zoals hier op de Maashorst, is echt uitzonderlijk en uniek voor Nederland.
    Commentaar: zie over 'vorstengraven' de opvattingen van Nico Roymans en Richard Jansen in Archeobrief nr.4, december 2011.


  11. Archeobrief 1, maart 2010.
    Een Odyssee langs de Overijselse Vecht. Geïntegreerde analyse van kleinschalige opgravingen.
    Even dachten de inwoners van het Achterhoekse dorp Varsseveld een claim to [ame te hebben als strijdtoneel van de beroemde Varusslag in 9 na Christus, maar tegenwoordig herinnert alleen het enigszins opportunistisch opgerichte monument aan de rand van het dorp nog aan dit achterhaalde denkbeeld. Wat weten we dan wel van de Romeinse tijd in Oost-Nederland?
    De oudste historische bronnen die ons iets vertellen over de bewoners van Oost-Nederland dateren uit de Romeinse tijd. Deze klassieke teksten bieden een globaal inzicht in de namen en, bij benadering, geografische positie van verschillende 'stammen' of 'tribale groepen'. Als bewoners van delen van de regio worden achtereenvolgens de Tubanti, Chamavi, Tvihanti en Salii genoemd. De namen van deze bevolkingsgroepen worden regelmatig in verband gebracht met de streken Salland (Salii) en Twente (Tvihanti). In de bronnen worden zowel de Chamavi als de Salii ook als Franken omschreven. Later doen ook de Saksen hun intrede.
    De bronnen zijn geschreven vanuit Romeins perspectief, waardoor het nauwelijks te bepalen is in hoeverre een bewoner van Oost-Nederland zich een Tubant, Chamaaf of Frank voelde. Daarnaast is het tot dusver niet mogelijk gebleken om bovengenoemde groepen op een overtuigende wijze te correleren aan een specifieke materiële cultuur of anderszins in het archeologische bestand herkenbare verschijnselen. Op deze regel is één uitzondering: op in Engeland gevonden wijstenen uit de derde eeuw na Christus komen we de Tvihanti tegen. Zie de afbeelding hiernaast (klik op de afbeelding voor een vergroting). Opvallend genoeg zijn vergelijkbare vondsten uit het veronderstelde herkomstgebied van de Tvihanti, Twente, niet bekend. Voorlopig werpen de historische bronnen meer vragen op dan ze beantwoorden, en zullen we de vraag wie er in de Romeinse tijd precies in Oost-Nederland woonden in het midden moeten laten. Bij kritische nadere beschouwing blijkt dat het gepresenteerde beeld aanzienlijk genuanceerd dient te worden, en er verschillende zwaktes bestaan in de onderbouwing daarvan. Zo is nog niet systematisch onderzocht in hoeverre bovengenoemde 'breuklijnen' in nederzettingen, grafvelden en materiële cultuur daadwerkelijk parallel optraden. Het standaardsjabloon voor de bewoning van Oost-Nederland is toe aan een kritische analyse. In de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie worden enkele niet adequaat gepubliceerde Oost-Nederlandse nederzettingsterreinen uit de Romeinse tijd expliciet genoernd. Zonder twijfel zal de toekomstige uitwerking en publicatie van deze belangrijke vindplaatsen, zoals Denekamp-De Borchert, Didam-Kollenburg en Wehl-Hessenveld, tot waardevolle nieuwe inzichten leiden. Het dient echter benadrukt te worden dat deze vindplaatsen slechts licht werpen op één dimensie van de bewoning: de lay-out en ontwikkeling van plaatsvaste, ruimtelijk gestructureerde en langdurig bewoonde nederzettingen. Vrij recentelijk is overtuigend aangetoond, dat in Oost-Nederland naast plaatsvaste dorpjes ook beduidend kortstondiger bewoonde en minder omvangrijke nederzettingen voorkwamen. Dit nieuwe inzicht maakt ons duidelijk dat het zogenaamd uniforme nederzettingsbeeld een simplificatie van de werkelijkheid is, en we feitelijk nog geen goed idee hebben van de werkelijke variatie in nederzettingtypes ten noorden van de Romeinse rijksgrens.
    Het Vechtdal vormt een tientallen kilometers lang, grotendeels door hoge dekzandruggen en rivierduinen geflankeerd lint, leidend door het landschap van noordelijk Overijssel. Gezien de landschapsstructuur en de hoge dichtheid van archeologische vindplaatsen, vormden de hogere zandgronden langs de Vecht duizenden jaren lang een intensief bewoonde 'corridor', die voor een belangrijk deel voerde door laaggelegen en moerassige gebieden. De uitgestrekte lage zandgronden ten noorden van het dal, op de grens tussen Drenthe en Overijssel, raakten in de loop van het Holoceen bedekt met hoogveen en zullen nauwelijks begaanbaar zijn geweest. Ook ten zuiden van het Vechtdal kwamen op veel plaatsen uitgestrekte veen-, broek- en woldgebieden voor. Langs delen van het dal komen stuifzanden voor, die grotendeels van middeleeuwse en postmiddeleeuwse oorsprong zijn.
    Commentaar: hier wordt weer de klassieke fout gemaakt door klassieke teksten zonder vorm van bewijs of welke aanwijzing dan ook op Nederland te betrekken. Het is met de historische bronnen niet te bepalen welke volkeren er in Oost-Nederland woonden. De onjuiste plaatsing van deze volkeren is het gevolg geweest van de misplaatsing van de Bataven in de Betuwe. Uit teksten van o.a. Ptolemeus blijkt duidelijk dat deze volkeren in Noord-Frankrijk /Zuid-België woonden. Tubanti of Thuianti, in verband met de Bataven genoemd, waren de bewoners van Thun-Saint-Amand, Thun-Saint-Martin of Thun-l'Evecque, alle drie in de omgeving van Kamerijk. De Thuianti worden in de 4e eeuw nog genoemd. Het moet als een ongepast grapje beschouwd worden, dat Blok (zie daar) er Twente van maakt, maar daarmee werd de al langer bestaande mythe wel bevestigd en nog wel door een professor. Met een wijsteen bewijs je ook niets over de herkomstplaats van de erop genoemde bevolkingsgroep.

  12. Archeobrief 1, maart 2010.
    Geologische geschiedenis stroomgebied Rijn beschreven. Het onderzoek van Gilles Erkens laat zien dat de sporen van de erosie (van de Rijn in Duitsland.red.) ook in de Nederlandse delta zijn terug te vinden. Vanaf zo'n 2.000 jaar geleden begon het geërodeerde materiaal via beken en zijrivieren in de Rijn te stromen. Daarmee werd de menselijke invloed in het hele stroomgebied merkbaar, want het slib -60 procent meer dan er eerder werd afgevoerd - werd in de hele delta afgezet. Het overspoelde de veenmoerassen in de Lage Landen, die sindsdien door de dikke slibafzettingen nauwelijks nog konden groeien. Rond het begin van de jaartelling werd er zo'n 2,5 miljoen ton klei per jaar afgezet.
    Commentaar: juist in de periode van zo'n 2000 jaar geleden betrokken de Romeinen het gebied langs de Rijn van zuid naar noord.



Archeobrief 2009



  1. Archeobrief 4, december 2009.
    Glazen La Tène-armbanden in het gebied van de Nederrijn. Anachronistische interpretaties? In de Nederrijnse regio speelden armbanden geen rol in de symbolische expressie van sociale hiërarchieën. Dit mogen we opmaken uit het massale voorkomen van de armbanden; deze massaproducten waren in iedere lokale gemeenschap en zelfs in ieder huishouden aanwezig, en hebben dus niets te maken met een elite-identiteit.
    Glazen La Tène-armbanden waren massaproducten die op grote schaal moeten zijn uitgewisseld. Deze uitwisseling heeft echter nog weinig aandacht gekregen in recente discussies. Men komt vaak niet verder dan simpele interpretaties in termen van 'handel'. Hoe moet men zich die ruilhandel voorstellen? We moeten ons hoeden voor anachronistische interpretaties en trachten te werken met meer neutrale concepten en ideeën over warenuitwisseling in traditionele samenlevingen. Gouden munten, kostbare sieraden, runderen en paarden zouden kunnen fungeren als uitwisselingsobjecten en betaalmiddel in de prestigesfeer. Daarnaast zijn er meer alledaagse transacties die in de subsistence sfeer thuishoren. Daartoe kunnen ijzeren werktuigen, eenvoudige fibulae, maalstenen en zout hebben behoord, zaken die in elk huishouden aanwezig waren en die op grote schaal moeten zijn uitgewisseld. Glazen armbanden kunnen waarschijnlijk tot de laatste categorie worden gerekend. Voor de regio van de Nederrijn zijn er geen aanwijzingen dat de intense uitwisseling van armbanden verbonden was met de opkomst van markten en een beginnende monetarisering van de economie. Wel heeft de Nederlandse archeoloog W.J.H. Willems gesuggereerd dat de armbanden primair als ruilmiddel zijn gebruikt en meer speciaal als een primitieve vorm van geld: uniforme, min of meer gestandaardiseerde waardeobjecten die als betaalmiddel een rol speelden in de zich tijdens de late ijzertijd intensiverende uitwisselingsrelaties. Ook meende hij dat de armbanden bewust in stukken werden gedeeld om op die wijze als ruilmiddel te fungeren. Deze hypothese stuit echt op belangrijke bezwaren, zoals het ontbreken van depotvondsten, die men bij een intensief gebruik als betaalmiddel zou verwachten. Ook het massaal voorkomen van fragmenten tussen het gewone nederzettingsafval pleit tegen een gebruik als primitief geld.

    Veel onderzoekers duiden de regionale onderscheiding in termen van een tegenstelling tussen Germanen en Kelten, maar het is de vraag wat de precieze inhoud was van deze macro-etnische labels in de preromeinse periode. Het is interessant te constateren dat de Nederrijnse armbandcirculatie zich concentreert in het gebied dat ten tijde van Caesar's veroveringen bewoond werd door de Eburones, welke door hem als Germani worden bestempeld.
    Commentaar: hoewel deze periode buiten ons kader valt, besteden we er toch aandacht aan om de denkwijze van de archeologie ook in andere perioden te duiden. In hoeverre objecten werden gebruikt als 'ruilmiddel' of 'betaalmiddel'is uit een enkele vondst niet op te maken. Hierdoor komt het begrip 'handel' in een andere contekst te staan. En dat geldt uiteraard voor de periode na de hier geschetste La Tène periode (ca.200-15 v.Chr.).
    Door de onjuiste plaatsing van Eburonen in Limburg, moet de laatste bevinding uiteraard aangepast worden. De La Tène-armbanden worden dan wel als Keltisch gekwalificeerd, maar dit is ook een anachronistische interpretatie.


  2. Archeobrief 4, december 2009.
    Merovingische nederzetting in Leiden. Aan de A44 in Leiden is door archeologen van de Universiteit Leiden een Merovingische nederzetting opgegraven. De vondsten omvatten een oude loop van de Rijn met een eikenhouten kadebeschoeiing van ruim honderd meter, huisplattegronden, waterputten, aardewerk en botten. Uit de Merovingische periode is in Nederland weinig bekend. Er zijn nauwelijks geschreven bronnen en ook weinig bodemvondsten. Vooral de ontdekking van de lange kadewand, gemaakt van eiken palen en vlechtwerk, is bijzonder. Het feit dat er veel hout is aangetroffen, wijst op een dichte bebossing rond Leiden, waar in de Romeinse tijd nog een open landschap was. Eikenhout werd ook gebruikt voor een waterput, gemaakt van een uitgeholde boomstam. Het vele hout dat is aangetroffen, is belangrijk voor de dendrochronologie. Voor de Merovingische periode was de jaarringenkalender nog niet compleet, maar de archeologen hopen dit gat nu te dichten.
    Commentaar: hoewel nog veel onbekend is, zoals aangegeven, is het eindoordeel al klaar. Men heeft al conclusies getrokken op grond van nog niet onderzochte archeologische vondsten. Wat er precies gevonden is en waaruit dan wel blijkt dat het om een Merovingische nederzetting zou gaan, blijft nog even in het ongewisse.


  3. Archeobrief 3, september 2009.
    Publiceren over archeologie. De omstreden oogst van Malta (door Jos Bazelmans).
    Enkele citaten uit dit artikel: het gaat om aard, doel en werkwijze van de archeologie, waarin de diepgravende ontwikkelingen in het vakgebied tot uitdrukking konden komen. (Het gaat hier nog even over het uitgeven van een nieuw tijdschrift, maar het geeft de achterliggende redenen goed weer.red.). In het kort: de universitaire archeologie in en van Nederland heeft sinds 1995 sterk in omvang ingeboet, zowel absoluut als relatief. (Buitenproportionele) bezuinigingen op de universitaire archeologie en de exponentiële groei van de commerciële archeologie verklaren deze ontwikkeling. Academische stemmen geven regelmatig uitdrukking aan een gevoel van ongemak, zorg, ontevredenheid en bedreiging. Is eenmaal tot opgraven besloten dan dient het onderzoek te gebeuren door gekwalificeerde archeologen. Wat betreft de moeilijk toegankelijke ('grijze') literatuur is er tussen 1961 en 2009 blijkbaar weinig veranderd. De nieuwe Eifgoedbalans 2009 van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geeft ons een reeks van verbazingwekkende cijfers die deze verandering zichtbaar maken en ons de mogelijkheid bieden een beter beeld te krijgen van 'the constantly growing "grey literature" . Volgens een recent onderzoek van de Erfgoedinspectie en de inspectie is slechts 22,5% van die rapporten goed van kwaliteit en gedefinieerd als 'wetenschappelijk verantwoord'. Een derde is onder de maat. Daar komt bij dat een veel groter aandeel ernstige gebreken laat zien op één of meer inhoudelijke onderdelen. Ook ontbreekt het immers nog aan inzicht in duurzaam behoud in situ en in de kwaliteit van het onderzoek in zijn verschillende vormen. De nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg zal sprake moeten zijn van een evenwichtige combinatie van een procedureel correcte afwikkeling van de archeologische 'conditie' enerzijds en de productie van aansprekend onderzoek over het verleden anderzijds.
    Commentaar: De centrale vraag bij archeologie is waar dient het voor: wat is het nut en wat de noodzaak? Gaat het om de aansprekend onderzoek ofwel de 'beeldvorming voor het publiek' of om 'inzichten te krijgen in het pre- en proto-historische gebruik van het landschap'', zoals Bazelmans het omschrijft? En vooral om: "Wat mag het allemaal kosten?" Dat is ook de belangrijkste reden dat archeologische vondsten zo breed worden uitgemeten in de media. En dat 'breed uitmeten' heeft alles te maken met het verwerven van subsidies. Het 'overbrengen van het verhaal' aan het grote publiek. Ook anderen die erover publiceerden komen met kritische opmerkingen over nut en noodzaak van de archeologie. Daen Raemakers wijst daarop in "Het einde van Malta? " (Archeobrief 3, 2008). Het gaat toch eigenlijk alleen maar over het verwerven van de benodigde subsidie. Ook de publicatie Erfgoedbalans 2009 van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed beschrijft hetzelfde als het grootste probleem. Wat het 'breed uitmeten voor het grote publiek' tot gevolg kan hebben, hebben we kunnen zien in De Wereld Draait Door van 9 december 2015. Archeoloog Nico Roymans kwam daarin even beweren dat hij bij het Nederlandse Kessel de plek ontdekt had waar de Romeinse veldheer Julius Caesar in 55 voor Christus twee veldslagen leverde. Dat had hij 'nieuw' ontdekt in 2015 met gegevens uit 1999! De terechte kritiek die daarop vervolgens kwam, maar ook het later erkennen van zijn eigen dwaling door Roymans zelf, heeft die beeldvorming niet kunnen veranderen. Voor de niet al te kritische Nederlander (en hoevelen van daarbuiten) was het kwaad al geschied en staat het sindsdien vast dat Caesar bij Kessel is geweest om veldslagen te leveren. 'Dat zei die professor toch en een professor zal het toch wel weten?' Andere onderzoekers bouwen er nadien al of niet bewust op voort. Zo onstaan en onstonden vele mythen.


  4. Archeobrief 3, september 2009.
    In het artikel over een Romeins blaasinstrument uit Alphen aan de Rijn lezen we de volgende opmerkelijke mededeling: Er zijn in de Nederlandse bodem maar zelden delen van Romeinse blaasinstrumenten teruggevonden en dat geldt eigenlijk voor het hele Noordwest-Europese deel van het Romeinse Rijk. Duidelijk is dat vrijwel alle thans bekende vondsten - in bredere zin langs de limes zijn aangetroffen in (semi-)militaire contexten. Het kan daarbij gaan om verspoelde of mogelijk ritueel gedeponeerde - vondsten in de Rijn bij het castellum van Maurik bijvoorbeeld; of om vondsten die direct geassocieerd kunnen worden met een castellum zoals de cornu uit Alphen aan den Rijn en het mondstuk uit Bunnik-Vechten; of om een vondst uit een nabijgelegen kampdorp of vicus zoals in Kesteren. Vreemde eenden in de bijt lijken Kesteren-Hoogveld en Wijk bij Duurstede-Wijkersloot. Daar is immers sprake van landelijke agrarische nederzettingen en lijkt de associatie met Romeinse militairen minder evident. Is het veronderstelbaar dat een afgezwaaide cornicen of tubicen zijn mondstuk heeft behouden als persoonlijk aandenken aan zijn diensttijd en dat de stukken als memorabilia in de landelijke nederzettingen zijn terechtgekomen? Dat is zeker niet uitgesloten, maar daarmee heeft de speculatie wel een hoge vlucht genomen.
    Commentaar: als Kesteren-Hoogveld en Wijk-bij-Duurstede geen militaire aanwezigheid heeft gehad, zijn het ook niet de plaatsen Carvo(ne) en Levefanum. Ook hier worden terecht de woorden 'veronderstelbaar' en 'speculatie' gebruikt.

    In Odyssee waarin de laatste ontwikkelingen binnen de onderzoeksprogramma's van de NOWO, Erfgoed Nederland en het ministerie van OCW worden gepresenteerd lezen we:
    1. "Dorestad, dat lag bij het huidige Wijk bij Duurstede". Was Dorestad dan niet Wijk-bij-Duurstede, maar lag het daar ergens in de buurt?
    2. Op het Kops Plateau in Nijmegen zijn van 1985 tot 1995 omvangrijke opgravingen uitgevoerd onder leiding van prof. dr. W.J.H. Willems. In het terrein werden de resten van drie opeenvolgende Romeinse legerplaatsen gevonden, waaronder zeer waarschijnlijk het hoofdkwartier van de veldheer Drusus. Ook van deze opgravingen zijn veel resultaten nog niet uitgewerkt. Op grond van niet uitgewerkte resultaten heeft men de opvattingen dus al wel klaar. Was het niet zo dat Willems concludeerde dat hij het Oppidum Batavorum van de Bataven er in elk geval toch niet gevonden had?
    3. Romeinse muntschat in Drente. Het ging om zilveren denarii uit de periode 68 tot 222 na Christus. Bij opgravingen werden nog eens 50 munten gevonden. Er kwamen op dezelfde plaats ook grafresten uit de urnenveldentijd (1200-500 voor Christus) tevoorschijn en aardewerkscherven van de trechterbekercultuur (3400-2800 voor Christus), de tijd van de hunebedbouwers. De Romeinse munten uit de eerste drie eeuwen na Christus zijn gevonden in een prehistorisch grafveld. Volgens provinciaal archeoloog Wijnand van der Sanden is het geld waarschijnlijk als gesloten geheel, bijvoorbeeld in een leren buidel begraven, al is deze niet teruggevonden. Waarom dit gebeurde is niet bekend, maar mogelijk gaat het om een afkoopsom die de Romeinen aan de lokale bevolking betaalden om onrust in het gebied te voorkomen, of gaat het om soldij van iemand die in het Romeinse leger heeft gediend. Het waarom wordt beantwoord met enkele speculaties, waarvan het gevaar is dat deze weer zullen leiden tot historische zekerheden. De meest logische reden zal niet een afkoopsom of soldij zijn, maar een gestolen buit. Waarom begraaf je het als je het 'eerlijk' verworven hebt?
    4. Plankje met oudste tekst uit Nederland. Het schrijfplankje van Tolsum leverde en levert nog steeds enkele speculaties op. het wordt gedateerd op 29 n.Chr. Dat het van een Bataafse soldaat geweest is, is pure speculatie. Het vormt ook geen enkel bewijs dat de Romeinen lang na de Varusslag nog ver over de limes kwamen. Het is immers volstrekt onbekend hoe dat plankje in Tolsum kwam.

  5. Archeobrief 2, juni 2009.
    De Holdeurn een Romeins industrieel complex.
    Ongeveer vijf kilometer ten zuiden van het grote militaire complex op de Nijmeegse Hunerberg, richtte het Tiende Legioen in de tijd van de Flavische keizers (69-96 na Christus) een potten- en pannenbakkerij op. Het legioen voorzag hiermee in de eigen behoefte aan keramisch bouwmateriaal, serviesgoed en grover gebruiksaardewerk. Het lijkt erop dat de ovens in het begin van de tweede eeuw buiten gebruik zijn gesteld, nadat het Tiende Legioen naar het Donaugebied was overgeplaatst. De Nijmeegse legioensvesting werd daarna nog tientallen jaren in stand gehouden door kleinere detachementen. In het laatste kwart van de tweede eeuw werd de Holdeurn nieuw leven ingeblazen. Detachementen van het Neder-Germaanse leger produceerden er toen alleen nog bakstenen en dakpannen voor de herbouw in steen van de meeste forten in deze provincie. In de loop van de derde eeuw werden de ovens voorgoed gedoofd. Commentaar: de hier gegeven jaartallen sugeren een andere verhaal dan de traditionele opvattingen. Het tiende Legioen kwam pas in het jaar 71 naar Nijmegen en vertrok rond 104 n.Chr. Daarna is het een onbewezen aanname dat er kleinere detachementen verbleven in Nijmegen. En als de ovens in de loop van de derde eeuw voorgoed werden gedoofd, zijn er ook geen Romeinen meer geweest. Dat het 'aanemelijk' is geweest en 'het zou kunnen' zijn geen sterke argumenten om als bewijs te dienen.

  6. Archeobrief 2, juni 2009.
    De archeologie van Noord-Brabant tot 1200.
    De hoeveelheid opgetekend bodemarchief in Brabant is extreem hoog. Over Noord-Brabant zijn meer proefschriften geschreven dan over enige andere provincie. Uit de brons- en ijzertijd, waren bijna uitsluitend grafheuvels en urnenvelden bekend. Neolithisch, Romeins en vroegmiddeleeuws Noord-Brabant waren nog vrijwel onontgonnen terreinen, los van enkele Romeinse topvondsten (de graven van Esch, de onvermijdelijke Peelhelm) en een serie Merovingische grafvelden waarvan veel vondsten, maar nauwelijks analyses voor handen waren.
    De Noord-Brabantse archeologische onderzoekstraditie staat aantoonbaar op zichzelf. Met dat al blijft het een onmogelijke zaak om aan alle aspecten van het onderzoek gelijkelijk aandacht te besteden, en terwijl we hopen dat de meeste lezers veel van hun gading kunnen vinden in het boek, zullen anderen veel missen wat hun dierbaar is. Zij zouden meer laatpaleolithisch vuursteen hebben willen zien, meer Romeins prachtmateriaal, meer topstukken uit de Merovingische grafvelden. Aan de andere kant hadden wij zelf er graag nóg meer neolithicum in willen stoppen en nog veel meer afbeeldingen hebben willen opnemen dan de circa vierhonderd die het boek nu bevat.
    Commentaar: voor het in dit artikel besproken boek "Onder heide en akkers" verwijzen we naar de eigen
    recensie. De subtitel van het boek had dan ook beter kunnen luiden: "De archeologie van Noord-Brabant tot het jaar 300, met nog enkele fragmenten uit de periode tot 1200". Opmerkelijk is de foto en tekst over Pastoor Willem Binck die 'een oogje in het zeil hield' bij opgravingen in Alphen. Over hem en zijn opvattingen lese je meer bij de geschiedenie van Alphen.

  7. Archeobrief 2, juni 2009.
    Romeinen buiten de Limes. Een slagveld aan de rand van de Harz.
    Het is bijna altijd moeilijk om het verloop van een ge-beurtenis te reconstrueren aan de hand van archeologi-sche vondsten en sporen. Dat geldt zeker voor een ge-beurtenis waarvan niets is overgeleverd in historische bronnen. Het zeer omvangrijke vondstmateriaal bevestigt met zekerheid de aanwezigheid van een sterke Romeinse militaire strijdmacht. De klassieke structuur van het Romeinse leger was echter in de derde eeuw al grotendeels verdwenen en er dienden voornamelijk huursoldaten uit de provincies en de randgebieden van het Romeinse Rijk. Verder moet bij de interpretatie van de vondsten rekening worden gehouden met het feit dat de Germanen in die tijd gebruik maakten van Romeinse wapens. Het is daarom aan de hand van de wapens zelf nauwelijks te bepalen of zij door 'Romeinen' of Germanen zijn gebruikt. Met de ontdekking van dit slagveld is in Nedersaksen weer een belangrijke vindplaats gelokaliseerd die informatie kan geven over verhoudingen tussen Romeinen en Germanen, over hoe zij met en naast elkaar leefden en over de tegenstellingen. Het Romeinse kamp in Hedemunden aan de Werra markeert de aanvang van de pogingen van de Romeinen om greep te krijgen op Germania Magna, kort voort het begin van de jaartelling. De vindplaats Kalkriese is verbonden met de nederlaag van het Romeinse leger in 9 na Christus (de z.g.Varusslag. red.), dat zich na de wraaktochten van de jaren 15 en 16 na Christus geheel uit dit deel van Germanië terugtrok. Commentaar: pas deze bevindingen nu eens toe op de
    Varusslag (zie daar) en je krijgt een heel andere verhaal. Dat de Romeinen zich achter de Rijn terugtrokken is dan wel lang de algemene opvatting geweest, maar wordt door meerdere vondsten tegengesproken. Bovendien wordt ook het idee dat de Rijn een bewaakte grans was steeds meer losgelaten en houdt men het op een bewaakte transportroute. Zie daarvoor Archeobrief 1 maart 2008.

  8. Archeobrief 2, juni 2009.
    Archeologie en educatie.
    Archeologie is vanaf het begin af aan omgeven door een sfeer van exclusiviteit en avontuur. De eerste 'archeologen' waren wat oudere, welgestelde heren-verzamelaars die zich zo'n kostbare hobby konden veroorloven. Toen de archeologie in de twintigste eeuw een echte wetenschap begon te worden, raakte het zijn exclusieve imago nog niet zo maar kwijt. Integendeel, wie archeoloog wilde worden moest daarvoor jarenlang studeren aan de universiteit. Datzelfde gold ook voor de musea en depots waarin archeologen hun schatten uitstalden en waar het publiek bij hoge uitzondering een kijkje kon nemen.
    De eerste Nederlandse archeoloog die met deze 'tradities' brak, was Jan Hendrik Holwerda (1873-1951). Holwerda, die in de herinnering voortleeft als de archeo-loog die het allemaal zo goed bedoelde maar er o zo vaak naast zat. Holwerda's publicaties kregen veel inhoudelijke kritiek van zijn weinige vakgenoten, maar vonden juist grote aftrek bij het brede publiek.
    Na Holwerda heeft het onderwijs aanzienlijk minder aandacht gekregen vanuit de archeologie. Dat is overigens vandaag de dag in veel gevallen nog steeds het geval. Wie de kerndoelen voor het vak geschiedenis in het basisonderwijs of de basisvorming er op naslaat, zal daar tevergeefs naar het woord 'archeologie' zoeken. In de
    de Canon van Nederland, die eveneens als een leidraad voor het geschiedenisonderwijs dient, moet de archeologie het slechts stellen met de hunebedden en de Romeinse limes. Een dankbaar hulpmiddel waren vroeger de historische schoolplaten van de hand van J.H. Isings. Op iedere kijkplaat was een historische gebeurtenis of de sfeer van een bepaalde periode uitgebeeld. In de platen had de illustrator zoveel mogelijk informatie verwerkt over de kleding, gebruiksvoorwerpen en bouwstijlen van die tijd. In de jaren zeventig werden de schoolplaten echter verbannen naar de rommelzolder of voor een habbekrats verkocht op de vlooienmarkt. Hun rol werd overgenomen door het moderne medium van schooltelevisie en kwam er ook meer aandacht voor 'zelf doen en ervaren', zoals op educatieve boerenerfjes (zoals Amersfoort (zie daar)) en themaparken zoals Archeon. Commentaar: feitelijk spreken bovenstaande bevindingen voor zich. Nog steeds hebben archeologen een exclusief imago dat ze graag in stand houden. Het 'schoenmaken blijf bij je leest' is nog steeds een alom gebruikte opmerking als een 'buitenstaander' kritische en logische vragen stelt. Dat heeft ook Albert Delahaye mogen ervaren. Zolang het onderwijs en de de Canon van Nederland uit blijven gaan van verouderde opvattingen, zal ook daarin niets veranderen. Het "Romeintje of Vikinkje spelen" en de Limes voordragen als Cultureel Erfgoed (hoezo cultureel? hoezo Nederland erfgoed?) zijn voorbeelden dat men nog steeds niet de noodzaak van gedegen onderwijs inziet. Er is toch ook niemand die bedenkt om eens 'slavernij-tje' te gaan naspelen of de 'holocaust' voor te dragen als Cultureel Erfgoed?

  9. Archeobrief 2, juni 2009.
    Opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 2 van juni 2009.
    1. De Veluwe is een landschap dat ontstaan is door mensenhanden (p.32). Ook het beeld dat de malebossen altijd bos zijn geweest en konden overleven dankzij de afstand tot bewoonde gebieden, klopt niet.
    2. Een derde of vierde-eeuwse scherf, die al in 1963 was gevonden op de Aardjesberg bij Hilversum is opnieuw in de belangstelling gekomen. Tot voor kort werden de ingekraste tekens op de scherf aangezien voor runen. Nu stelt men vast dat het gaat om de Romeinse letters A en L en een klein kruisje. De letters komen overeen met het type dat in de derde en vierde eeuw werd gebruikt, terwijl er geen gelijkenis is met runentekens.
    3. Het Groninger Instituut voor Archeologie, het Drents Museum en het IJstijdenmuseum in Buitenpost gaan gezamenlijk een conferentie in Groningen organiseren om te komen tot een betere samenwerking tussen professionele en amateurarcheologen. Het is daarbij de bedoeling de spanningen en tegenstellingen uit het 'Tjerk Vermaning-tijdperk' achter zich te laten en de verhoudingen te normaliseren.
    4. In Boxtel vindt een grootschalig onderzoek naar de kerkheuvel van de Sint-Petruskerk plaats. Hiervoor is een projectgroep opgericht, waarvan historicus Arnoud-Ian Bijsterveld deel uitmaakt. De kerk werd in de vijftiende eeuw op een bestaande, kunstmatig opgeworpen heuvel gebouwd. Het is tot nu toe niet bekend met welk doel deze hoogte is opgeworpen. Er kan een eerdere kerk hebben gestaan, of misschien een kasteel van de heren van Boxtel. Omdat de archieven niet voldoende informatie leverden, is de heuvel een jaar geleden met grondradar onderzocht. De verstoringen van de bodem maakten het echter moeilijk om uit de gegevens conclusies te trekken.
    5. De resten van fort Fectio worden het best bewaarde castellum in Nederland genoemd.
    Commentaar: komt men eindelijk tot bepaalde conclusies zonder vooringenomenheid? Zie hier voor
    Tjerk Vermaning en voor Arnoud-Jan Bijsterveld.

  10. Archeobrief 1, maart 2009.
    Utrechtse fundamenten Nieuw licht op het castellum en bisschoppelijk paleis.
    Het Romeinse castellum is omstreeks het midden van de eerste eeuw na Christus gebouwd en is in de twee daarop volgende eeuwen meerdere malen herbouwd. Het laatste casteûum, de directe voorganger van de bis-schoppelijke burcht, is in de late tweede eeuw of in het begin van de derde eeuw in tufsteen gebouwd en na het midden van de derde eeuw weer verlaten. De bisschoppelijke burcht ontstond in de vroege middeleeuwen op de plaats van het voormalige Romeinse castellum en vormt de oudste kern van de stad Utrecht. Het bisschoppelijk paleis wordt in een kroniek uit 1017 voor het eerst vermeld. Uit bronnen kunnen we afleiden dat de oudste delen van het paleis zich bevonden hebben in de westelijke vleugel aan de Lichte Gaard. Daar bevonden zich het winterhuis en de zaal van de bisschop, welke al in kronieken uit de elfde en twaalfde eeuw worden genoemd. Het onderzoek aan de Lichte Gaard toont aan dat een deel van dit gebouw over de afgebroken Romeinse castellummuur heen gebouwd was. Een gelukkige vondst van een aantal scherven Pingsdorf-aardewerk helemaal onderin de uitbraaksleuf van de castellummuur dateert de sloop van deze muur en de bouw van dit deel van het paleis op zijn vroegst in de tiende eeuw. Hiermee is de sloop van de Romeinse muur, de bouw van een nieuwe muur en de bouw van het paleis te koppelen aan een bron die vermeldt dat bisschop Balderik, na op de vlucht te zijn geweest voor de Noormannen, in 925 naar Utrecht terugkeerde en de muren van de burcht herstelde. Het keizerlijk paleis wordt gedateerd in de eerste helft van de elfde eeuwen de bouw ervan kan zijn samengevallen met de bouw van de nieuwe dom van bisschop Adelbold (1010-1026) na de stadsbrand van 1017, waarbij ook het bisschoppelijk paleis werd verwoest. Helaas zijn er geen vondsten gedaan die uitsluitsel kunnen geven over een datering in de tiende of in de elfde eeuw.
    Commentaar: hier komen archeologische bevindingen in tegenspraak met tekstuele gegevens. Het is wel duidelijk dat het middeleeuwse bisschoppleijk paleis rechtstreeks op de Romeinse resten is gebouwd. Daar zit niets tussen. De genoemde bron uit 1017 is (ook volgens M.Gysseling) vals en bestaat uit een kopie uit 1294. Dat was precies de tijd dat in Utrecht de gedachte ontstond dat het wel eens het Trajectum van St.Willibrord zou kunnen zijn. In 1301 vroeg ook Utrecht relieken van de heilige aan in Echternach met het argument 'dat men er nog geen had'. Utrecht ontving de volgende relieken van Willibrord: een stuk van een rib, een stuk van het pallium (ereteken van een aartsbisschop) alsmede stukken van het kazuifel, van een sandaal en van het doodskleed. Later onderzoek stelde vast dat de stukken niet ouder waren dan de twaalfde eeuw. Ze konden dus nooit van St.Willlibrord (uit de 8ste eeuw) geweest zijn.

  11. Archeobrief 1, maart 2009.
    Jupiter Ammon, opmerkelijk bronsdepot in Nijmegen.
    De opgravingen van 2008 hebben, behalve veel laatmiddeleeuwse en jongere zaken, een rijke oogst aan Romeinse ommuringen van graftuinen, askisten, sarcofagen en crematiegraven opgeleverd. Dit was overigens geheel volgens verwachting, want al eeuwenlang zijn in de omgeving graven gevonden en gedocumenteerd. De oogst van alle inspanningen bestaat uit 78 stukken brons met een gezamenlijk gewicht van bijna 18 kilo. In brons gegraveerde letters, reparatiestukken. gesmolten brons, bladeren, een stuk arm en andere beeldfragmenten maken deel uit van dit depot. Parallellen voor deze vondst zijn er niet in Nijmegen. De voorlopige conclusie luidt dat we te maken hebben met de nalatenschap van een persoon die op zijn vroegst in de late derde eeuw, toen Ulpia Noviomagus al grotendeels verlaten was, de stad heeft afgestroopt op zoek naar brons.
    Commentaar: ziet U hier ook het gat tussen de Romeinse en de laatmiddeleeuwse vondsten? Zolang men in Nijmegen Romeins vindt, en dat vindt men er genoeg, wordt er niets Merovingisch of Karolingisch gevonden, dat er immers boven moet zitten.

  12. Archeobrief 1, maart 2009.
    Opgravingen in de Nieuwstad in Zutphen: de eerste resultaten.
    De middeleeuwse wijk Nieuwstad ligt, net als de gehele oude binnenstad van Zutphen, op een hoge zandrug van pleistoceen dekzand. Lang voordat Zutphen zich hier als stad ontwikkelde, was de plek al bewoond. De oudste vondsten die bij de opgravingen zijn gedaan, zijn potscherven en vuurstenen van de wikkeldraadcultuur (vroege bronstijd, circa 1800 voor Christus). Verder zijn scherven gevonden uit de vroege ijzertijd (800-450 voor Christus), uit de laat-Romeinse tijd en vroege middeleeuwen (vanaf 300 na Christus). Ook zijn er grondsporen van bouwsels gevonden, maar die zijn nog niet gedateerd. De vondsten en sporen zitten in een bruine akkerlaag. Het agrarische karakter verdween met de stichting van de Nieuwstad door de Gelderse graaf Otto II (1229-1271), rond 1250. Deze stads stichting volgde op de succesvolle economische en demografische ontwikkeling van Zutphen, dat als 'vrije' stad met stadsrechten uit 1191/1196.
    Commentaar: ziet u ook hier weer een gat tussen de laat-Romeinse tijd en de 12e eeuw? Overigens kreeg Zutphen pas in 1227 stadsrechten. Zie verder bij
    Zutphen.

  13. Archeobrief 1, maart 2009.
    Romeinse latrines in Nijmegen.
    In het centrum van Nijmegen zijn resten gevonden van het tijdens de Bataafse Opstand (69-70 na Christus) verwoeste Oppidum Batavorum, waar in de eerste eeuw de eerste veteranen van de in Germania Inferior gelegerde legioenen waren gehuisvest. De opgraving legde elf percelen van deze stedelijke nederzetting bloot, waardoor de lay-out van de privéhuizen en de achterliggende erven onderzocht kon worden. Naast talrijke afvalkuilen, greppels en andere sporen zijn ook vele beerputten aangetroffen. Het identificeren van deze beerputten was niet gemakkelijk. Het hout waarvan ze zijn gemaakt, is in de zandbodem volledig vergaan, waardoor andere criteria, zoals de aanwezigheid van restanten van beer, de vorm en de diepte, voor de interpretatie leidend waren. De ruimtelijke analyse wijst uit dat er twee groepen kunnen worden onderscheiden. Een aantal beerputten lag binnenshuis. Op basis van de stratigrafie blijken deze tot de oudste bewoningsfase behoren, met andere woorden tot de Augusteïsch-Tiberische periode. De huisplattegronden zijn allemaal hetzelfde en het is dan ook niet verrassend dat de toiletten telkens op dezelfde plaats gesitueerd zijn. Het is niet ondenkbaar dat de veteranen de Romeinse ideeën over de indeling van huizen hebben meegenomen en in onze streken in de praktijk hebben gebracht. De tweede groep toiletten is gesitueerd op de achtererven. Het materiaal dateert deze beerputten in de Claudisch-Neronische periode.
    Beerputten zijn natuurlijk niet alleen gebruikt als toilet, maar ook als afvalvergaarbak. Net als bij de middeleeuwse beerputten kunnen er naast beer en soms ook persoonlijke bezittingen die tijdens het toiletgebruik verloren zijn, allerlei voorwerpen als aardewerkscherven, botmateriaal en ander afval in gevonden worden. Keukenafval kan er rechtstreeks in gedumpt zijn, of via watergoten zijn afgevoerd naar de beerput. In Nijmegen zijn er aanwijzingen gevonden dat de beerputten geleegd werden: de oorspronkelijke beer- en afvalvullingen ontbreken nagenoeg volledig.
    Commentaar: hier wordt dus eindelijk erkend dat het vooral veteranen waren die in Nijmegen verbleven. Van het hier genoemde Oppidum Batavorum is in Nijmegen nog nooit iets teruggevonden, of zoals archeoloog W.Willems het in 1989 al stelde: "We hebben op dit ogenblik zo'n 9000 m2 van 'Holwerda's Oppidum Batavorum' opgegraven, maar zoals eigenlijk wel te verwachten was: we hebben het niet gevonden. Alles wat we tot toe hebben gevonden wijst erop dat het tussen 12 vóór en 70 n.Chr. op het Kops plateau een komen en gaan van Romeinse legeronderdelen is geweest. En als er hier al Bataven zijn geweest dan hoorden die dààrbij!" Hoe men zonder bee- en afvalvulling die putten toch specifiek kan dateren is uiteraard een vraag. De genoemde perioden Augusteïsch-Tiberisch (27 v.Chr.-37 n.Chr.) en Claudisch-Neronisch (41-68 n.Chr.) zijn wellicht daarom zo ruim gesteld. Maar volgens Paul van der Heijden waren tussen 10 v.Chr. en 70 na Chr. geen Romeinen aanwezig in Nijmegen. Zie bij
    'Romeinen langs de Rijn en Noordzee' (p.61-62).

  14. Archeobrief 1, maart 2009.
    Enkele opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 1 van maart 2009.
    1. Keltische muntschat bij Maastricht. De gouden munten zijn waarschijnlijk afkomstig van de Eburonen, een aan de Kelten verwant volk dat leefde in Belgisch Limburg en Zuidoost-Nederland. Er zijn in de buurt van de vondst geen bewoningssporen aangetroffen. Mogelijk is de schat begraven tijdens de oorlogen die Caesar voerde tegen de Eburonen en volksstammen in het Rijngebied.
      Opmerking.Waarschijnlijk? Mogelijk? Geen bewoningssporen? Verwant aan de Kelten? Voor een meer realitische opvatting verwijzen we naar
      de schat van Amby.
    2. Romeins slagveld ver over de limes ontdekt. Dit jaar is het tweeduizend jaar geleden dat de Romeinen een vernietigende nederlaag leden in de zogenaamde Varusslag. De pogingen om de Germanen te onderwerpen werden uiteindelijk opgegeven en in de jaren 16-17 na Christus werd de Romeinse veldheer Germanicus teruggeroepen van zijn veroveringstochten. Historici en archeologen gingen er tot nu toe vanuit dat de Romeinen zich daarna definitief verschansten achter de limes en dat de grote expedities in Germaans gebied voorbij waren. Onlangs is echter in het Duitse plaatsje Kalefeld bij Göttingen een slagveld gevonden dat dateert van rond 200. Een Romeins legioen van ongeveer duizend man leverde hier strijd in een pas door een heuvelrug. Tussen de vele vondsten bevonden zich onder andere een pijlpunt met een dateerbaar stuk houten schacht en een munt van keizer Commodus (177-192). De ontdekking bij Kalefeld laat zien dat het omstreeks 200 onrustiger was langs de limes dan tot nu toe werd aangenomen. In Nederland is het Romeinse marskamp bij Ermelo (ca.165) ), ingericht voor zo'n zesduizend man, het enige voorbeeld van grote militaire activiteit over de limes. Ook dat grote kamp past niet goed binnen het bestaande beeld van betrekkelijke rust langs de grens.
      Opmerking. Lees meer over de Varusslag en het kamp in Ermelo. Zouden historici nu eens enkele vaste opvattingen uit het verleden los gaan laten?
    3. Ten toonstellingen: Macht en mystiek in de middeleeuwen. Het Stedelijk Museum Alkmaar organiseert deze tentoonstelling in het kader van de landelijke manifestatie 'Verleden van Nederland'. Egmond speelde een belangrijke rol in de vaderlandse geschiedenis in een periode die loopt van 726 tot 1573. Het begin wordt gemarkeerd door de kerstening van de Egmonden door Adalbertus in 726 en het einde door de vernietiging van de abdij en het kasteel van Egmond door Diederik van Sonoy in 1573.
      Opmerking. Het jaar 726 is voor de abdij van Egmond (zie daar) een mythe, net als St.Adelbert (zie daar). De abdij is in de 12e eeuw gesticht vanuit Gent en bevolkt met abt en monniken uit Gent. Zo kwam ook het Cartularium van Radboud er terecht, dat daarvoor in bezit was van de St.Bertijnsabdij te St.Omaars en daar is geschreven.
    4. Dorestad. Wereldstad in de Middeleeuwen. Dorestad was in de middeleeuwen een bloeiende handelsplaats aan de Rijn, waar nu Wijk bij Duurstede ligt. Rond het jaar 800 liepen daar de succesvolste kooplieden van de Lage Landen rond. Bezoekers kunnen er door het decor van de stad en de haven lopen en kunnen zien hoe er in deze metropool van de vroege middeleeuwen werd gewoond en gewerkt. De expositie omvat onder andere gebruiksvoorwerpen, wapens en prachtige sieraden.
      Opmerking.Uit deze tekst en deze tentoonstelling spreekt een grote mate van speculatie. De bedoelde handelsplaats blijkt nergens uit. Er zijn slecht hutjes van vissers (en heel veel visgraten) en veel kapot (gegooid? -het lag allemaal opvaalend dicht bij elkaar) aardewerk gevonden. Die 'prachtige sieraden' is welgeteld één beschadigde en niet komplete gouden broche, verkregen door roof? De wapens bestaan uit een viertal zwaarden. En waar die handel van die succesvolste kooplieden uit bestond is speculatie. Daarvan is ook elders nooit iets van gebleken. Zie verder bij de roversplaats Munna en bij het echte Dorestad.



Archeobrief 2008


  1. Archeobrief 4, december 2008.
    De schat van Roermond. In 1968 is uit de Maas bij Roermond een zilverschat opgebaggerd, die pas na vervoer per schip op een loskade in Goes werd opgemerkt. De schat bleek te bestaan uit 883 zilveren munten en 21 zilveren sieranden en uit de negende eeuw te stammen. Er zijn in totaal 1134 munten bekend die waarschijnlijk tot deze schat van Roermond behoren. Onder de munten zijn 1083 denarii, 49 obolen, een penny en een Romeinse munt. Het aantal obolen is groot in vergelijking met andere schatten uit die tijd. De Romeinse munt van Severus Alexander (222-235) behoort zeer waarschijnlijk niet bij de schat, de penny van koning Coenwulf van Mercia daarentegen kan dat gezien de datering wel doen (796-821) en is daarmee de oudste munt uit de schat. De sluitmunten zijn drie obolen van Lodewijk de Jongere, koning van Aquitanië en zijn geslagen tussen 853-854. Op grond hiervan heeft de schat een terminus post quem van 853; hij moet na 853 gedeponeerd zijn.
    De versiering (op de sieraden) staat symbool voor deze renovatie maar heeft soms ook christelijke symboliek in zich. Mogelijk waren sommige van de stukken deel van een cingulum militiae. Ze gaven daarmee niet alleen de rijkdom van de drager aan, maar stonden ook symbool voor zijn macht en maatschappelijke functie. De meeste vergelijkbare sieraden zijn gevonden buiten het Karolingische Rijk. Voor de stijlen in de versiering uit de negende eeuw zijn vanuit een kunsthistorische benadering verschillende indelingen opgesteld. Vanwege het gebrek aan absolute dateringen en het vaak kritiekloos overnemen van de terminus post quem van munten als datering voor sieraden zijn deze indelingen echter niet erg betrouwbaar. Bij het dateren van de hele schat moet er onderscheid gemaakt worden tussen het moment van de productie van de onderdelen, de periode van verzamelen en het tijdstip van depositie. Het tijdstip van depositie is voor deze hele vondst gelijk, maar het moment van productie van de munten en sieraden uit de schat hoeft dat niet te zijn (is dat zeker niet). Er kan eerder gestopt zijn met het verzamelen van de ene of de andere groep. Bovendien moet er rekening gehouden worden met de omlooptijd. Exact dateren van deze verschillende momenten is erg lastig. In de negende eeuw is een toename van schatten te zien in het Karolingische Rijk, die mogelijk verband houdt met de onrust veroorzaakt door Vikingaanvallen. Het is goed mogelijk dat ook de depositie van deze schat in die context moet worden bezien.
    Commentaar: dit is een van de problemen bij de archeologie. Men laat iets wat er niet bij schijnt te passen (de Romeinse munt) buiten beschouwing om tot de gewenste datering te komen. Als er een Romeinse munt uit de 3e eeuw bij zit, dat is 6 eeuwen na de rest, kan de hele schat ook veel later verloren zijn gegaan. Voor de datering van de sieraden heeft men wel de juiste conclusie getrokken. Het erbij betrekken van de Vikingaanvallen is ook een voorbeeld van onjuiste conclusies trekken. Waarom zou iemand zijn muntschat bij Roermond verbergen als er in de verre omgeving van geen enkele plundering van de Noormannen sprake is?


  2. Archeobrief 4, december 2008.
    Tien jaar limes in Leidsche Rijn. Door Erik Graafstal.
    In een zeer wetenswaardig en openhartig artikel schets Graafstal het volgende beeld. Hij noemt daarin de volgende zaken:
    1. De regio is waarschijnlijk min of meer continu bewoond geweest vanaf de middenbronstijd. De hele ontwikkeling en contractie van de nederzetting is tot in de vierde eeuw te volgen in de ruimtelijke analyse van de muntvondsten van de Hoge Woerd door Fleur Kemmers.
    2. De ontdekking van de Romeinse weg in 1997, de limes-weg kwam te voorschijn op een volstrekt onverwachte locatie.
    3. Drie van zulke bovenlokale bouwcampagnes tekenen zich af in clusters van dendrodateringen rond 90-93 en met name 99-100 en 124-125, jaartallen die we verder westwaarts ook kennen uit Woerden, Alphen, Roomburg en Valkenburg.
    4. Voor de laatste twee series ligt het erg voor de hand een verband te leggen met de aanwezigheid van twee opeenvolgende keizers in onze regio: Trajanus, die in 98 in Keulen resideerde, en Hadrianus, die in 122 de Rijndelta passeerde. Misschien was het dus wel de 'rusteloze keizer' zelf die na eigen inspectie opdracht gaf tot de werken welke enkele jaren later resulteerden in de zware wegbekistingen van eikenhout die we uit Valkenburg en Leidsche Rijn kennen. We komen met de eerste planmatige wegaanleg hooguit een handvol jaren vóór 90 uit (de oudste jaarringdatering is uit 89)·
    5. Al tijdens de eerste campagnes op de Heldammer stroomrug struikelden de onderzoekers over verspoelde beschoeiingen, omgevallen kades en dichtgezette oeverdoorbraken. De kwestie van watermanagement stond dan ook van aanvang hoog op de onderzoeksagenda. Waren de aangetroffen structuren een reactie op events in het riviergedrag of getuigden zij van proactieve maatregelen met een visie op waterbeheer? Tien jaar onderzoek rond het 'natte front' van onze limes heeft daaromtrent wel een beeld opgeleverd.
    6. Cruciaal in dit verband zijn de zeven (!) campagnes die zijn geinvesteerd in de reconstructie van het complexe landschap rond de opgegraven schepen De Meern I en 4. Van de betreffende rivierbocht, zijn migratie stroomafwaarts, zijn (minstens) zes oeverdoorbraken en zijn uiteindelijke verlanding tegen het midden van de derde eeuw kan inmiddels de complete film over honderden meters en tweehonderd jaar worden afgedraaid - een uniek document van landschapsontwikkeling en menselijke reacties. Ook van twee volgende rivierbochten is inmiddels een gedetailleerde reconstructie in de tijd mogelijk.
    7. Het beeld dat hieruit naar voren komt, is er meestentijds een van kleinschalig, reactief optreden tegen de effecten van plotselinge events of van erosie die tot een kritiek punt was voortgeschreden. Dit geldt zelfs voor de grote herstelcampagne van Hadrianus in 125: in drie opeenvolgende rivierbochten werden roekeloos krappe bypasses geconstrueerd om catastrofale rivierdoorbraken te omzeilen.
    8. Anders is het beeld voor de campagne van Trajanus. Zo werd in het jaar 100 in de eerste rivierbocht een wigvormige krib in de concave oever gebouwd, kort daarna versterkt met een vermoedelijk opzettelijk afgezonken schip (De Meern 4), dit alles ongetwijfeld in een poging om dreigende erosie van de weg te voorkomen.
    9. Een vergelijkbare kribconstructie, uit 90/91, is vastgesteld in de volgende rivierbocht. Deze werd in 100 over enkele honderden meters van een zware beschoeiing voorzien, afgewerkt met een basalttalud.
    10. Het meest opmerkelijke onderdeel van de Trajaanse campagne is de vervanging van een 20 meter lange wegsectie door een 'moerasbrug', die op deze plek geen andere functie kan hebben gehad dan die van een doorlaat voor overstromingswater.
    11. Dat water moet voor die tijd regelmatig in een laagte hebben gestagneerd tegen het dijkvormige weglichaam. De campagne van 100 concentreerde zich, althans in Leidsche Rijn, op het waterfront van de limes en geeft tekenen van een visie op duurzaam waterbeheer.
    12. Het onderzoek in Leidsche Rijn leverde gaandeweg een nieuw beeld op van de Nederlandse limes als een kwetsbare bundel van militaire infrastructuur, die allereerst blootstond aan natuurgeweld en bovendien ingebed was in een netwerk van waterwegen die zich verraderlijk vertakten in het ontoegankelijke milieu van de Nederlandse rivierdelta.
    13. Zeker in de eerste fase valt de Romeinse militaire ontplooiing in de Rijndelta te karakteriseren als een bewaakte transportcorridor.
    14. Het is fascinerend om te zien hoe de hele evolutie van de limes tot een gesloten grenssysteem in deze microregio verborgen blijkt te liggen. Sterker nog: hoe bepaalde fasen juist in de 'leegte' tussen de forten goed leesbaar zijn. De eerste stap lijkt de vestiging rond 10-20 na Christus van Rome-getrouwe groepen, die van meet af krijgsdienst verrichten.
    15. De aanleg van de eerste forten in de Rijndelta rond 40 gaat vergezeld van een keten van wachttorens. De dispositie daarvan onthult de functie van het gehele systeem: continue bewaking van een cruciale transportader. Daarmee dringt de al langer geplande invasie van Britannia (43) zich op als historische context.
    16. Kijken we naar de dateringen van de rurale sites, de wachttorens en de limes-weg, dan is de teneur dat het systeem pas omstreeks de jaren tachtig een verandering ondergaat, en niet zozeer na het magische jaar 69 van de Bataafse Opstand.
    17. Pas vanaf 85 n.Chr. zien we in Zuid-Duitsland en Noord-Engeland de eerste aanzetten tot de vorming van de gesloten grensbewakingssystemen, waarvan 'perimetrale' wegen een belangrijk element waren.
    18. De aanleg van de limes-weg markeert vermoedelijk dus een cruciaal moment in de ontwikkeling van 'onze' grenssector.
    19. De verdere onderhoudsgeschiedenis van de weg en aanliggende micro-installaties blijkt een prima graadmeter voor de activiteit rond onze limes: we zien een ongekende inzet van middelen onder Trajanus, een monumentale afronding onder Hadrianus, een rustige, zo niet stille Antonijnse zomer, dan weer een opleving in het onderhoud vanaf 168, en tenslotte een bezetting van enkele kleinere posten tot ver in de Severische tijd (193-235).
    20. Een aantal lijnen uit deze evolutie zullen worden uitgewerkt in het kader van het door NWO medegefinancierde onderzoeksproject 'Een duurzame grens?', dat zich richt op de ontwikkeling van de limes in West-Nederland tussen 40 en 140. De Utrechtse bijdrage moet uitmonden in een aantal artikelen. Het eerste biedt een functionele classificatie van wachttorens in vroege Romeinse frontiersystemen en stelt de gangbare interpretatie van een reeks lineaire ontplooiingspatronen in Noordwest-Europa ter discussie.


    Commentaar: dat limes in de kop van dit artikel schijngedrukt is, is veelzeggend, maar begrijpelijk als je het hele verhaal leest. De LIMES bestond in feite helemaal niet. De gangbare interpretatie wordt ter discussie gesteld. Vervolgens wordt gesteld dat de regio waarschijnlijk en min of meer continu bewoond geweest is, ofwel twee voorbehoudens in een enkele zin. Het 'ligt het voor de hand' en 'een verband te leggen' en 'misschien' zijn geen bewijzen, maar speculaties. Hier lees je dus duidelijk dat de aanwezigheid van Traianus en Hadrianus in Nederland nooit bewezen opvattingen zijn.
    En lees je de laatste alineas dan kan toch geen enkele historicus de transgressies meer ontkennen die zich dus ook al in de Romeinse tijd voordeden! Ook hier wordt weer vermeld dat de Rijn geen rijksgrens vormde maar een bewaakte transportroute was. De eerste vestiging van Rome-getrouwe groepen rond 10-20 na Chr. is gezien het woord 'lijkt' dus speculatie. Het waren dus in elk geval geen legionairs. Pas omstreeks de jaren tachtig (80) ondergaat het systeem verandering. Tevoren stelde het dus blijkbaar weinig tot niets voor. Dat zijn toch andere bevindingen dan de traditionele opvattingen ons willen doen geloven. Vandaar de slotopmerking dat de gangbare interpretaties (het zijn dus maar interpretaties!) ter discussie worden gesteld. Kreeg de auteur van dit artikel daar nooit commentaar op? De gangbare interpretatie van de limes blijkt dus ter discussie te staan.


    Zet je alles over de 'limes' uit dit artikel op een rijtje dan zitten er verschillende gaten in, niet alleen in de ontwikkeling van de 'forten' zelf, maar ook in de 'bezetting' ervan.
    Zie de grafiek hiernaast (een nieuwe grafiek hieronder).
    1. Rond 10-20 n.Chr. lijkt er aanwezigheid van Rome-getrouwe groepen. Dus geen militairen?
    2. Rond 40 worden de eerste forten aangelegd, waarmee een eerdere aanwezigheid van Romeinse legionairs wordt weersproken.
    3. Pas vanaf 85 zien we de eerste aanzetten tot een limes-weg rond 90-93.
    4. Rond 99-100 ten tijde van Traianus zien we een ongekende inzet van middelen. Bewijs je daarmee dat Traianus ter plaatse was?
    5. met een afronding onder Hadrianus rond 124-125. Wordt daarmee bewezen dat Hadrianus hier ook bij was?
    6. In 168 weer een kleine opleving van onderhoud. Tussen 125 en 235 zouden er enkele kleinere posten bezet zijn geweest.
    7. En wie was er na 235 aanwezig? Welk legeronderdeel was er toen en zijn daar bewijzen voor? Daar geeft W.A.van Es antwoord op. Zie daar.


  3. Archeobrief 4, december 2008.
    Riemer Knoop is minder somber over het archeologisch bestel. Een reactie op het artikel van hoogleraar Daen Raemakers in
    Archeobrief 3 van 2008 (zie daar).
    De auteur heeft vast nog heel veel andere nuttige dingen te doen, dus er moet wel een groot probleem zijn. Wat is er volgens de klokkenluider aan de hand? We gooien geld weg aan nutteloos onderzoek; wat er wel serieus wordt gedaan levert het verkeerde resultaat op, want een telefoonboek gespecialiseerde studies is voor opdrachtgevers niet interessant, terwijl die studies volgens Raemaekers bovendien kwalitatief ondermaats zijn wegens een chronisch gebrek aan middelen, gevolg van de misvatting dat archeologisch onderzoek zou kunnen worden gecalculeerd als ware het het bestek van een bouwproject.
    De waarneming dat er veel geld besteed wordt aan onderzoek dat geen of weinig inzicht in het verleden oplevert is op zichzelf juist. Daar zijn ze namelijk helemaal niet voor bedoeld. Van de gemiddeld 2500 projecten die er jaarlijks in de Nederlandse archeologische monumentenzorg worden uitgevoerd, hoeft de overgrote meerderheid - in 2002 kwam de Archeologiebalans van de ROB op 85 procent - helemaal geen betekenisvolle inzichten over het verleden op te leveren. (Maar is dat erg? concludeert Knoop).
    Raemaekers tweede grote steen des aanstoots, is dat we als we al aan wat serieuzere wetenschappelijke publicaties toekomen, er de verkeerde producten geleverd worden. Want welke opdrachtgever zit er nou op een 800 pagina' s dik pak specialistische diepgraverij te wachten? We moeten juist aardige publiekboekjes maken! Nou, ik ben daar een beetje van, en ik kan de collega's vertellen dat het maken van een aardig publieksboekje niet de wereld kost. Met een paar tienduizend euro' s kom je een heel eind. Alleen vergt het wat overtuigingskracht, geloof in nut en noodzaak, verbeelding en creativiteit om te zorgen dat zoiets er komt. Talrijke voorbeelden uit de praktijk vallen kennelijk buiten het blikveld van onze Groninger somberaar.
    Met het derde punt van Raemaekers requisitoir heb ik zelf direct te maken, en die handschoen neem ik graag op. Hij stelt dat het niveau van de weten-schappelijke publicaties die er dan uit-eindelijk komen geen wezenlijke bijdrage levert aan het doel van de archeologie: betekenisvolle beeldvorming over het verleden.
    Als nu prof. Raemaekers constateert dat het resultaat niet aan zijn verwachtingen voldoet, moet hij dat niet in de Archeobrief zetten, maar zijn onderhandelaar in het onder de stichting ressorterende College van Deskundigen ter verantwoording roepen, of er desnoods zelf in gaan zitten.
    Commentaar: er blijkt dus nog heel wat mis in de wetenschappelijke archeologie en men is het over enkele cruciale zaken nog lang niet eens. Maar waar wel in de historische wetenschappelijke wereld? Er is nog genoeg werk aan de winkel.

  4. Archeobrief 4, december 2008.
    Enkel opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 4 van december 2008.
    1. Vondst fundering werpt nieuw licht op bisschoppelijk paleis Utrecht. Utrecht was sinds de komst van Willibrord in 695 een belangrijk geestelijk centrum, waar de Duitse keizers een eigen paleis hadden. Het nu gevonden bisschoppelijk paleis werd gebouwd rond 1020, nadat een brand in 1017 het kerkelijk centrum van de stad had verwoest. Uit de nieuwe datering blijkt dat bisschop Adelbold de bouwheer was. Bij de opgraving zijn ook resten gevonden van de Romeinse castellum-muur. Deze blijkt niet in de negende eeuw te zijn gesloopt door de Noormannen, zoals werd aangenomen, maar pas veel later door de bouwers van het bisschoppelijk paleis. Opmerking: hier wordt dan eindelijk de mythe van de Noormannen losgelaten. Nu die van St.Willibrord nog (zie daar).
    2. Sinds kort zijn in Velp ook duidelijke sporen van vroege permanente bewoning bekend, zowel uit de Romeinse tijd als uit de vroege middeleeuwen. De meest spectaculaire vondst is een zeer grote boerderij uit de Romeinse tijd op het bouwterrein Elsweiden in Velp-Zuid. Opmerking: wat deden die Romeinen daar over de Rijn in gevaarlijk Germaans gebied? Viel het toch wel mee met die woestelingen en hun invallen?
    3. In Nijmegen-West zijn op de hoek van de Kanaalstraat en de Waterstraat resten van een Romeinse muurtoren ontdekt. Het is voor het eerst dat in Nijmegen een dergelijke toren wordt gevonden. De verdedigingswerken in Nijmegen bestaan uit een stadsmuur met muurtoren en daarachter een aarden wal, en verder een 10 meter brede gracht. Het geheel is aangelegd in de jaren rond 170 na Christus. Opmerking: voor het eerst? Uit 170 na Chr.? Dus wa Nijmegen daarvoor niet die belangrijke Romeinse plaats?
    4. In de zomer is begonnen. met het onder-zoeken van de Oude Rijn van Katwijk aan Zee tot Woerden. De mogelijkheid in de bodem te 'kijken' is hier van groot belang, omdat in het gebied rondom Alphen aan den Rijn en Bodegraven Romeinse resten zijn te verwachten. Hier lag een castellum en er zouden in de Oude Rijn dan ook wrakken van vrachtschepen kunnen liggen. Onder het slib zouden die goed bewaard kunnen zijn gebleven. Opmerking: zijn die Romeinse resten dan nog niet gevonden, dus onbekend? 'Onder het slib' impliceert dat er slib is afgezet. Was er toch sprake van transgressies?
    5. Muur en gracht in Doetinchem. Aan de zuidzijde, de stadskant, is de laatste fase van de stadsgracht te zien. De meeste vondsten stammen uit de tweede helft van de negentiende eeuw en hebben te maken met het dichtgooien van de gracht. Op de bodem van de gracht is een ijzeren bijl van een type dat voorkomt van de vijftiende tot de achttiende eeuw gevonden. Tussen gracht en walstraat is een deel van de oude stadsmuur opgegraven. De muur was opgebouwd uit grote bakstenen of kloostermoppen. De muur is gelegen op een aantal ophogingslagen met daarin aardewerk uit de elfde en/of twaalfde eeuw. Tussen de lagen is een duidelijke houtskoollaag zichtbaar, die mogelijk het gevolg is van een brand. Daaronder bevinden zich nog twee greppels die haaks op de stadsgracht lagen. De onderste laag bestaat uit een zeer lemig pakket dat is aangebracht op de natuurlijke, zandige ondergrond. Opmerking:ook hier weer geen oudere vondsten in locu ouder dan de elfde/twaalfde eeuw. Ook hier wijst het lemig pakket op transgressies, ofwel langdurige overstromingen.
    6. Richard [ansen, onderzoeker en docent aan de Faculteit der Archeologie van de Universiteit Leiden, is door de gemeente Oss per 1 augustus in deeltijd aangesteld als gemeentearcheoloog. Opmerking: deze aanstelling kan van belang zijn (geweest?) bij de publicaties van Jansen over de geschiedenis van Oss, zoals zijn boek over 'Het vorstengraf van Oss", nu zijn broodheer. Blijft zijn onafhankelijkheid wel gegarandeerd?


  5. Archeobrief 3, juni 2008.
    De IJsseldelta: een witte vlek ingevuld. Voorafgaand aan het onderzoek gaven slechts enkele losse vondsten een vage indicatie. Duidelijk was wel dat onder het afdekkende pakket van klei en veen veel oudere sporen en vondsten bewaard zijn gebleven. De prehistorische bewoning in het gebied heeft plaats gehad in kleine en middelgrote kampementen en nederzettingen. De bewoningsperiode uit de midden en late brondstijd is onderzocht aan de hand van de nederzettingssporen.
    Commmentaar: ook hier weer een bewijs van de transgressies en het afzetten van klei en veen na de bronsperiode.

  6. Archeobrief 3, juni 2008.
    Het einde van Malta?Door Daen Raemaekers. Zie voor een reachtie van Riemer Knoop
    Archeobrief 4 van 2008.
    Het verdag van Valletta (Malta) heeft een aantal samenhangende problemen veroorzaakt.
    Welke problemen bedreigen het huidige bestel? 1.Er wordt geld besteed aan onderzoek waarvan duidelijk is dat het vaak geen of weinig inzichten in het verleden oplevert. 2.Het onderzoek leidt zelden tot het gewenste resultaat. 3.De uitvoerders wordt vaak te weinig tijd geboden om meer dan een oppervlakkige uitwerking uit te voeren.
    Zonder alle rapporten gelezen te hebben durf ik te beweren dat het uitgesloten is dat alle projecten een bijdrage kunnen leveren aan de essentie van de archeologie: beeldvorming van het verleden. Er wordt werk uitgevoerd op locaties waarvan de wetenschappelijke waarde beperkt dan wel onduidelijk is. Er wordt veel geld gestoken in projecten die weinig nieuwe inzichten opleveren en dat bij de projecten die voor de beeldvorming van het verleden wel belangrijk zijn vaak te weinig geld ter beschikking staat om een uitwerking op niveau te realiseren. Een Nederlandstalige circa achthonderd pagina's dikke publicatie vol specialistenhoofdstukken over aardewerk, metaal, huisplattegronden, graven etcetera. Is dit het product waar de verstoorder op zit te wachten? Ik denk dat de projectontwikkelaar meer behoefte heeft aan een dunne veelkleurige publicatie geschreven voor het grote publiek. Samenvattend concludeer ik dat veel geld wordt besteed aan projecten waar weinig uitkomt, in de regel een verkeerd product wordt geleverd en dat onvoldoende geïnvesteerd wordt in de wetenschappelijke meerwaarde die van nieuw archeologisch onderzoek mag worden verwacht.
    Commentaar: het belangrijkste van archeologie blijkt dus beeldvorming te zijn met weinig wetenschappelijke waarde. projectontwikkelaars die verplicht zijn archeologisch onderzoek te verrichten worden door Raemaekers blijkbaar gezienals 'verstoorders'.

  7. Archeobrief 3, juni 2008.
    Op herhaling: het Dordte probleem. Dordrecht, de oudste stad van Holland, is ontstaan langs de Thuredrit. Iedereen is het hier over eens, maar over ligging, stroomrichting en ontwikkeling van het inmiddels bijna mythische riviertje woedt een bij vlagen heftige discussie. In de twaalfde eeuw lag Dordrecht in een uitgestrekt veengebied. Mogelijk werd al in de negende eeuw begonnen met de ontginning van het goed ontwaterde bosveengebied. Alle verschillende auteurs - en het zijn er vele - zijn het er over eens dat de Thuredrith het riviertje is, waarlangs aan weerszijden de stad Dordrecht is ontstaan. De stad Dordrecht ontleent mogelijk haar naam aan de rivier, hoewel er talloze alternatieve verklaringen voor bestaan. Een van de meer recente etymologische verklaringen voor de naam Thuredrith wordt gegeven door Van Osta (1996). Zij gaan ervan uit dat de waarschijnlijk Germaanse -drecht of ·drith namen de betekenis hebben van 'het trekken/iagen van vaartuigen door een waterloop'. In het geval van DordrechtjThuredrith zou dit uiteraard slaan op het riviertje de Thuredrith: een doorvaart tussen Merwede en Dubbel (overigens niet te verwarren met de -trecht of -tricht namen. Deze namen zijn afgeleid van het Latijnse woord trajectum, in de betekenis 'overtocht' of 'veer'). Pons (1997) ziet hierin een argument voor zijn stelling dat de Thuredrith nooit meer is geweest dan een smal kronkelend veenstroompje. De schepen konden in dergelijke stroompjes niet meer zeilen en moesten gejaagd of getrokken worden. Ook de geografische spreiding van de -drecht namen maakt duidelijk dat zij zich beperken tot de voedselrijke veengebieden.
    Commentaar: het Dortse probleem bevat ook opvattingen over andere -drecht en trajectum plaatsen. Dat -trecht en -trichtnamen zijn afgeleid van het Latijnse Trajectum is een opvattingen die uiteraard ook weer ter discussie gesteld wordt. De oudste vorm van U-trecht is niet Trajectum, maar Utret en uitrek. Utrecht heette gewoon UIT-REK, een strook land, buiten gelegen, in eerste instantie nog als eiland bestaand. Dezelfde uitgang -rek vindt men in tal van andere nederlandse plaatsnamen terug: Dordrecht, Zwijndrecht, Woensdrecht. In al deze gevallen betekent het achtervoegsel -rak, -rek of -rik hetzelfde. De volksetymologie maakte er “oversteek, overzet over water” van, wat al geheel voor de hand lag per definitie van de naam, want een rak ligt altijd bij water.

  8. Archeobrief 3, juni 2008.
    Enkel opmerkelijke bevindingen uit Archeobrief 3 van juni 2008.
    1. In Leidsche Rijn bij Utrecht is een wrak gevonden van een tot nu toe onbekend Romeins scheepstype. De opgegraven resten vertonen sterke gelijkenis met de hedendaagse punter, een traditioneel, Hollands vaartuig, waarvan de oorsprong tot dus verre onduidelijk was. Scheepsarcheologen spreken van 'een van de belangrijkste scheepsarcheologische vondsten in ons land ooit'. De jongste vondst is gedaan in een dicht geslibde rivierbedding in de nabijheid van het Romeinse fort dat op de Hoge Woerd ten noorden van De Meern was gelegen. Het fort was bezet tussen circa 40 en 270 na Christus, maar de rivier begon al rond 230 ernstig te verlanden. Mede op grond daarvan én op basis van vondstmateriaal in de omringende rivier-afzettingen, kan het schip worden gedateerd omstreeks het jaar 200 of iets later. Commentaar: ook hier is weer sprake van verlanding, dus van transgressies. Het is duidelijk dat hier geen sprake is van een Romeins scheepstype, maar van een inlands scheepstype. Dat rond 270 na Chr. de Romeinen uit Nederland vertrokken wordt ook hier weer eens bevestigd.
    2. De afdeling provinciaal-Romeinse archeologie van de Radboud Universiteit in Nijmegen staat sinds jaar en dag bekend om haar onderzoek naar Romeins Nijmegen en de limes in Nederland. Zij biedt hoewel geen eigen voltijds opleiding. De afdeling bevindt zich momenteel in onzekere tijden. Na het onverwachte overlijden van prof.dr. Jan Kees Haalebos in 2001 vond al een gevoelige reductie in de formatie plaats, doordat de leerstoel slechts in deeltijd (60 procent) nieuw bezet werd. Gezien de financieel precaire positie van de faculteit Letteren heeft het bestuur aangegeven dat de leerstoel niet opnieuw bezet zal worden. Maar het verlies van een eigen leerstoel provinciaal- Romeinse archeologie is natuurlijk zeer schadelijk voor het imago van de universiteit in de oudste stad van Nederland. Als Romeinse archeologie ergens in Nederland thuishoort, is het daar wel. Commentaar: het is (ook in het verleden) wel meer voorgekomen dat het historisch besef in Nijmegen vrij laag is. Men schermt graag met de titel oudste stad, maar het mag blijkbaar geen geld kosten.

  9. Archeobrief 2, maart 2008.
    Een paradehelm uit Romeins Woerden. In Woerden zou het Romeinse castellum Laurium gelegen hebben. De hoeveelheid Romeins materiaal die bij de zoekacties tevoorschijn kwam, bleek uiterst gering. Ook voorwerpen van steen werden aangetroffen. zoals een hele en een halve molensteen van zandsteen, een mogelijk kapiteel, een mogelijke trommel van een zuil en twee fragmenten van forse zandstenen hanen met resten van polychrome bepleistering. De ouderdom en herkomst van deze stukken zijn helaas niet te bepalen - van Romeinse herkomst lijken ze echter niet. Een Romeinse datering heeft wel een blok tufsteen met bewerkingssporen, dat J .K. Haalebos als grafsteen determineerde, maar dat ook een wijaltaar kan zijn. De vondst van een grafsteen zou bijzonder zijn, omdat over de ligging van de Woerdense grafvelden momenteel niets bekend is. Voor het vaststellen van de ouderdom van de Woerdense helm is de datering van de typen Niederbieber en Weiler-Guisborough van belang. Ons baserend op de studie van Waurick (1988) komen we uit op een datering in de late tweede of eerste helft van de derde eeuw; een datering vroeger in de tweede eeuw is echter niet uitgesloten.
    Over de bezetting van het castellum in Woerden zijn enkele gegevens bekend als het kamp na de Bataafse opstand (69 na Christus) weer wordt opgebouwd. De legereenheid die dan in Laurium gestationeerd is, kennen we van naam dankzij een grote hoeveelheid overgeleverde baksteenstempels en door de inscriptie van een klerk die zijn naam (Lucius) en zijn eenheid (XV Vol) heeft ingekrast op de schouder van een kruik. Het gaat om het regiment met de naam cohors XV Voluntariorum (civium Romanorum pia fidelis Domitiana). Het is niet zeker of deze cohort al direct vanaf 70 in Woerden huisde, maar in elk geval is deze in 89 in de provincie Germania inferior als keizer Domitianus de hier gelegerde troepen de eretitels pia fidelis Domitiana verleent. Rond het midden van de tweede eeuw verlaat de cohort Woerden en wordt deze verplaatst naar Leiden-Roomburg. De nieuwe eenheid die het kamp voor onbekende tijd gaat bemannen, is de cohors III Breucorum, die oorspronkelijk in Bulgarije of Noord-Griekenland was gelegerd. We kennen deze cohort door de vondst van een altaarsteen gewijd aan Sol Elagalbalus en Minerva, die in de tweede helft van de tweede eeuw wordt gedateerd. Tot wanneer de cohort in Woerden is gelegerd, is onbekend. Gezien de datering van de helm in de late tweede of eerste helft van de derde eeuw, is het aannemelijk dat de eigenaar heeft gediend in de cohors Hl Breucorum of in een andere, onbekende cohort die rond deze tijd tevens in Laurium gelegerd kan zijn. Gezien de toewijzing van de helm aan een ruiter gaat het hierbij vermoedelijk om een onderdeel van ruiters (ala) of een gemengde ruiter- en infanteristeneenheid (cohors equitata). Co hors Hl Breucorum was - in principe echter een infanteristeneenheid (cohors peditata). Nu kwamen binnen deze eenheden ook ruiters voor. Het gaat dan specifiek om de centuriones en de praefectus cohortis, die elk minstens één paard tot hun beschikking hadden. Waarschijnlijk was één van deze ruiters de eigenaar van de helm. Goed mogelijk is dat de eigenaar in het Bataafse of Cananefaatse gebied is gerekruteerd, maar zeker is dat niet. We denken dat de helm door een afgezwaaide soldaat als offer aan het water is toevertrouwd, als dank voor de bescherming die hij gedurende de dienstperiode van een voor ons onbekende godheid heeft mogen ontvangen. In dat geval sluit de helmvondst uit Woerden aan bij een gebruik dat we kennen van andere rivierlocaties en vooral uit de monumentale cultusplaats bij Empel, waar een groot aantal militaire stukken door oud-soldaten aan de Bataafse godheid Hercules Magusanus is gewijd.
    Commentaar: het aantal onderstreepte woorden en zinsdelen (zo'twintig) geven de hoeveelheid twijfel en onzekerheid over deze vondst en wat daarmee samenhangt wel aan. Met zo'n verhaal vol speculaties wordt dus niets aangetoond, nog minder bewezen. Over de god Hercules Magusanus zie
    de bijlage.

  10. Archeobrief 1, maart 2008.
    Bandkeramische graven en Merovingische pottenbakkersovens. Er zijn in Nederland slechts twee grafvelden bekend, namelijk dat van Elsloo (113 graven) en dat van Geleen-Haesselderveld West (vier graven). Merovingische pottenbakkersovens zijn in onze contreien een uiterst zeldzaam fenomeen.
    . Commentaar: De bevindingen van de auteurs dat Merovingische pottenbakkersovens een zeldzaam fenomeen zijn in onze contreien, staan haaks op de traditie, maar bevestigt de visie van Albert Delahaye onmiskenbaar. Zonder Merovingische bewoning is er ook geen Karolingische geweest. Van beide perioden is ons land niets terug te vinden van wat er volgens de traditie er wel geweest had moeten zijn.

  11. Archeobrief 1, maart 2008.
    Verstandskiezen: over selectie in binnensteden. Een veel besproken onderwerp de laatste jaren is het selectiebeleid: wat onderzoeken we wel en wat niet. Gouda: door wegzakken en permanente ophoging van de bodem zijn tot op grote diepte (zeker 4 meter) gestapelde archeologische resten te verwachten. Op een dieper niveau kunnen sporen van prestedelijke ontginningsactiviteiten aangetroffen worden en ook vondsten uit de Romeinse of vroegmiddeleeuwse tijd zijn niet uit te sluiten. Dit alles bevindt zich in een pakket van minimaal vier meter dik, onder grondwater, dus naar alle waarschijnlijkheid is het goed geconserveerd. De kans op sporen uit de Romeinse tijd of de vroege middeleeuwen is vrij klein, dus die periode zou uitgesloten kunnen worden van onderzoek. Maar als er wél sporen uit die periode aangetroffen zouden worden, dan zou dat de ideeën over de bewoningsgeschiedenis van de stad Gouda aanzienlijk kunnen veranderen: tot nu toe zijn er maar sporadisch sporen van vóór de middeleeuwen aangetroffen, en dan nog alleen buiten de binnenstad. In zo'n geval de sporen niet onderzoeken is niet uit te leggen en zeker niet wetenschappelijk verantwoord. Historische bronnen en historisch kaartmateriaal geven aan dat vanaf de veertiende eeuw op deze locatie een leprooshuis staat. Vanaf circa 1350 worden stadsmuren en andere verdedigingswerken aangelegd
    Commentaar: ook in Gouda gaat de geschiedenis niet verder terug dan de middeleeuwen, en dan houden we het maar op de 12de eeuw (hoewel dat jaartal nergens genoemd wordt) net als zoveel andere plaatsen die dan ontstaan.

  12. Archeobrief 1, maart 2008.
    Een duurzame Romeinse grens. Voor dit artikel verwijzen we naar de
    bespreking hierboven.

  13. Archeobrief 1, maart 2008.
    Erven testen in Oost-Nederland. Uit dit artikel van
    Roy van Beek e.a. blijkt dat hun opvattingen over de geschiedenis van Oost-Nederland in tegenspraak is met de traditie. Er zijn verrassend nieuwe inzichten vergaard, stellen de auteurs, inzichten die in flagrante tegenspraak zijn met de traditionele geschiedenis in Oost-Nederland, waar men toch steeds het grote volk der Saksen plaatste en prof.dr.D.P.Blok ook zo graag de Franken meende te moeten plaatsen. De auteurs geven aan dat de meeste sporen uit de negende tot de twaalfde eeuw dateren, dus ver na de Saksen of Franken, en dat oudere nederzettingen zeldzaam zijn. Het komt bovendien vrijwel niet voor dat op één archeologische vindplaats een doorlopende bewoningsgeschiedenis is te recontrueren. Er is dus beslist geen bewoningscontinuïteit vanuit de 4e eeuw, wat de traditie zo graag wenst.
    We lezen in dit artikel dat:
    1. vrijwel alle nederzettingen uit één boerderij bestonden,
    2. grote, ogenschijnlijk planmatige aangelegde nederzettingen niet zijn gevonden,
    3. voor geen enkel erf een oudere oorsprong dan de negende of tiende eeuw is aangetoond,
    4. de meeste erven zelfs nog later tussen de tiende en dertiende eeuw gesticht lijken te zijn.
    Dan blijft dus de vraag over "Waar woonden dan die omvangrijke volkeren van Saksen en Franken die men (prof.dr.D.P.Blok c.s.) zo graag in Oost-Nederland plaatst?"
    Commentaar: Dit kan slecht leiden tot die ene juiste conclusie, dat ook hier Albert Delahaye weer gelijk krijgt, niet van de historici, maar van de archeologen. De auteurs trekken ook zelf de juiste conclusie als ze terecht opmerken dat "alleen door een kritische analyse van archeologische, historische en landschappelijke informatie tot een betrouwbare bewoningsconstructie gekomen kan worden". Die kritische analyse heeft Albert Delahaye reeds gegeven, een betrouwbare bewoningsconstructie eveneens. Zie de opkomst van Nederland.

  14. Archeobrief 1, maart 2008, p.42 e.v. Mummie van Thorn is niet Quanjel. Volgens een oude traditie zou de arm in Thorn een lichaamsdeel van de heilige Benedictus zijn. C-14 onderzoek maakt dit niet alleen onwaarschijnlijk, de wonderen zijn de wereld uit, maar zelfs volstrekt onmogelijk. De arm is nu gedateerd op 1060, terwijl Benedictus zes eeuwen eerder leefde.
    Commentaar: Hoe aan een Middeleeuwse legende een einde komt door middel van moderne technieken.



Archeobrief 2007



  1. Archeobrief 4, december 2007
    Onder druk van het Dordtse water. Het middeleeuwse landschap is in de loop der tijd netjes afgedekt door een dikke laag rivierafzettingen, niet zelden met een dikte van meer dan 5 meter. Hoe zijn de dijken opgeworpen en hoe werden ze onderhouden? Op deze laatste vraag zal dieper ingegaan worden als dit najaar de mogelijkheid ontstaat om een middeleeuwse dijk te onderzoeken. De verwachting is dat na een aantal doelgerichte campagnes een beeld kan worden gevormd van de situatie en omstandigheden van vóór 1424, die geleid hebben tot de zo desastreuze overstromingen.
    Commentaar: en dan zijn er nog steeds historici die grootschalige overstromingen
    (transgressies) willen blijven ontkennen.


  2. Archeobrief 4, december 2007
    Verleden vormen. Er wordt veel gesproken over wat er nodig, mogelijk en wenselijk is omtrent het voor een groter publiek zichtbaar maken van archeologisch erfgoed.
    Commentaar: HIER WORDT NOG AAN GEWERKT.

  3. Archeobrief 4, december 2007
    Literatuur:
    1. Het Romeinse marskamp bij Ermelo.Bijna twintig eeuwen geleden trok een Romeins leger over de Veluwe. Ver voorbij de Romeinse rijksgrens, op de Ermelose Heide, sloegen ze een marskamp op waarvan de sporen vandaag de dag nog steeds in het landschap zichtbaar zijn. Soms werden de kampen maar een nacht gebruikt, maar toch werden ze volgens een vast stramien opgebouwd. Hoewel er een groot aantal van deze kampen moet zijn geweest, hebben archeologen er nog maar weinig ontdekt. Het marskamp bij Ermelo is tot nu toe zelfs het enige dat in Nederland gevonden is. Het boek over dit marskamp geeft specifieke aandacht naar het marskamp bij Ermelo. Zie verder bij het Marskamp van Ermelo
    2. Studiekring Eerste Millennium: de Peutingerkaart en de Lage Landen. Het thema van dit boek is de vraag: als enkele belangrijke Romeinse wegen (de routes door Patavia of zoals sommigen zeggen: Batavia) door Midden-Nederland en West-Nederland liepen, waar liepen ze dan precies (dus kloppen allerlei conventionele veronderstellingen wel?) en als ze niet in dat gebied liepen, waar dan wel?
      Dit boek brengt diverse visies op dit historische probleem bij elkaar. Hans Wijffels heeft de situatie in Nederland grondig onderzocht: hij stemt in met de globale lokalisatie van de genoemde trajecten, maar levert er een kritisch commentaar bij en ontdekt nieuwe mogelijkheden (hoofdstuk twee). Joep Rozemeyer laat de noordelijke Patavia-route - de Limesweg - vanaf Noviomagus (in dit geval Nijmegen) naar het zuiden afbuigen (hoofdstuk drie). Hans Kreijns komt met een derde Romeinse weg van Harenatio naar Straatsburg over de kop van Germania (hoofdstuk vier). Guido Delahaye treedt in het voetspoor van zijn vader Albert Delahaye en betoogt dat deze Romeinse wegen helemaal niet in Nederland hebben bestaan en dat ze in Noordwest-Frankrijk lagen (hoofdstuk vijf). Aan het begin van alle discussie op dit terrein staat de zogenaamde Peutinger-kaart (afgekort PK), de Tabula Peutingeriana, in combinatie met het Itinerarium Antonini en vaak ook de Kosmografie van de Anonymus van Ravenna. Deze drie bronnen vormen het kader dat ons de namen van veel plaatsen in de Romeinse tijd aan de hand doet. Dit boek start er ook mee (hoofdstuk een): Willem Bruijnesteijn van Coppenraet heeft deze bronnen aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen, gedurende vijf jaren en mede op basis van voorwerk van Maarten Nijssen, en het resultaat daarvan in 2006 gepubliceerd op een cd-rem met de titel De Romeinse Reisgidsen. Toch zijn er ook weer onderzoekers - in dit geval bijvoorbeeld de hoogleraren G. Heinsohn (Bremen) en A. Fomenko (Moskou), die de authenticiteit van deze bronnen met een korrel zout namen en nemen. Henk Feikema rapporteert hierover (hoofdstuk zes). Ad Maas zet in hoofdstuk zeven de vigerende visies in verband met de Romeinse rijkswegen in de Lage Landen op een rij, een samenvattend overzicht.
      Commentaar: onder de noemer 'Literatuur' worden boeken besproken die interessant zijn voor de lezers van Archeobrief. In het tijdschrift zelf volgt daar geen bespreking van wat uiteraard jammer is, zeker als deze boeken een ander verhaal vertellen dan wat traditioneel gehanteerd wordt. Lees meer over de valsheid van de Peutingerkaart.

  4. Archeobrief 3, september 2007
    In Archeobrief 3 van september 2007 staan meerdere artikelen betreffende de archeologie in Nederland, zoals: Het Groenlandse duin, Wie betaalt archeologisch beheer?, Archeologen in den vreemde, Waardering voor het verleden. Het selectiebeleid in de praktijk en De forensische archeologie. Een vak apart.
    Commentaar: Uit deze artikelen blijkt wel dat archeologie nog vele vragen oproept en allerminst een vaststaand gegeven is. Steeds worden archeologen geconfronteerd met nieuwe bevindingen waar het zoeken is naar een adequaat antwoord. Dat hierbij de nodige twijfel ontstaat en er veel gespeculeerd wordt staat wel vast.

  5. Archeobrief 3, september 2007
    Waar spoelen barnsteen en git aan? Het hedendaagse frequente aanspoelen van barnsteen, en mogelijk ook git, op de Noord- en West-Nederlandse kust is voldoende argument om ervan uit te gaan dat dit in de prehistorie niet anders was. Zeer interessant is dat gedurende de laatste tientallen jaren in westelijk Nederland regelmatig barnsteen in opgravingen gevonden is. In Noord-Nederland zijn nog geen barnsteen-verwerkende ateliers aangetroffen, terwijl zij daar wel verwacht kunnen worden gezien het historische aanspoelpatroon wat ook in de prehistorie gegolden zal hebben. Dat het einde van de grootschalige zeespiegelrijzing en transgressieve activiteit rond de IJzertijd een rol gespeeld zou hebben in een terugloop van barnsteenaanspoelen zoals Kars en Boon vermoeden, is mijns inziens onjuist: de kusten van na de ijzertijd zijn nog erosiever dan die ervoor. Waterbolk en Waterbolk hebben overtuigend aangetoond dat barnsteen nog steeds op noordelijke Neder-landse kusten aanspoelt. De vele verspoelde voorkomens in noordelijk Nederland zijn daaruit afkomstig, ook langs de Waddenzeekusten. In het Waddengebied was barnsteen zo algemeen dat het in de achttiende en negentiende eeuw verzameld en verkocht werd ten behoeve van de opkomende chemische industrie (terpentijn maken). Van de kustplaatsen worden de Waddeneilanden veruit het meest genoemd, maar ook enkele keren Scheveningen en verder Schouwen, Domburg, en Westkapelle. Men heeft zich slechts terloops afgevraagd of barnsteen ook uit andere bronnen afkomstig zou kunnen zijn. Die veenmoerassen zullen wellicht ook barnsteen aan de tertiaire Rijn hebben geleverd, die bij latere opheffing van het achterland weer geremaniëerd is geraakt. Het laatpleistocene-holocene barnsteen kan met de grote rivieren Rijn en Maas ons land binnengekomen zijn. Door het lage soortgelijke gewicht (tussen 1,05 en 1,096 kg/l) en chemische inertie in een waterige omgeving, kunnen stukjes barnsteen gemakkelijk in zee terecht komen en getransporteerd raken samen met ander materiaal met een vergelijkbaar soortelijk gewicht, vooral rolhout. Het algemene transport van drijf- en aanspoelmateriaal vindt namelijk plaats in noordelijke richting, als gevolg van de noordwaarts gerichte reststroom langs de kust. Gezien het voorkomen van sparrenhout (Picea sp.) in een aangespoeld rolhoutpakket uit een ontsluiting in Wassenaar-Backershagen van circa 4200 BP (de spar komt pas na de Romeinse tijd in Nederland voor; dit stuk hout moet dus uit het Bovenrijngebied afkomstig zijn) is het echter aannemelijk dat het in de prehistorie mogelijk is geweest barnsteen te vinden op Nederlandse kusten, hetzij in noordelijk Nederland als remaniëringsproduct van de stuwwalafbraak ('oude barnsteen') als wel in westelijk Nederland door 'directe' aanvoer vanuit het contemporaine achterland via de grote rivieren ('jonge barnsteen').
    Commentaar: dat barnsteen door Romeinse schrijvers genoemd wordt, werd (te) vaak gebruikt als argument dat de Romeinen aan de Oostzee geweest zijn, immers daar werd traditioneel alleen barnsteen gevonden. Uit dit artikel blijkt dat barnsteen ook aan de Noordzeekust gevonden werd, zelfs tot aan de kust van Zeeland en wellicht ook nog verder zuidwaarts. Ook aan de oostkust van Engeland wordt barnsteen gevonden. Barnsteen kan zelfs door de rivieren vanuit het achterland vervoerd zijn en in zee terecht zijn gekomen, zoals in het artikel wordt beschreven. Het argument van de aanwezigheid van de Romeinen aan de Oostzee gaat niet meer op. En lezen we hier nogmaals over transgressies?

  6. Archeobrief 3, september 2007
    Is de limes leefbaar? In Forum lezen we dit artikel van Maarten de Weerd dat een reactie is op een artikel van Van Ginkel in
    Archeobrief 4 van 2006.
    De 'limes' zou als beleefbaar monument bij uitstek geschikt zijn om de bewoners van Nederland te verwortelen in onze geschiedenis, onder meer door het aanleggen van fietsen wandelpaden liefst bovenop de oude heerbaan. De vraag is wel wat het 'nut' is van deze planologische ingreep: wat beleef je als je op de limes staat? Dat staat overigens los van de gedachte dat een bloeiend limestoerisme geld zou kunnen (moeten?) genereren voor meer archeologisch onderzoek. Het probleem is de limes zelf, die veel te zwaar wordt aangezet in de alom, ook door Van Ginkel, bediscussieerde de Canon van de Nederlandse geschiedenis. Mijn stelling is: de 'limes' bestaat niet, en de beleefbaarheid van wat wij van limesbouwsels bewaren en reconstrueren zet ons op het verkeerde been. De militaire infrastructuur (in ons land) die we limes noemen is niet een statelijke grens die territoria scheidt. Het is wel een buffer - aangelegd en tot ontwikkeling gekomen tussen 16 en 70 na Christus (en dan tot circa 270 in functie) - die alleen functioneerde als dat nodig werd geacht om de (vermeende) vijand weg te houden uit Gallia. Het is zeker niet zo dat alle legerkampen aan de limes altijd op volle sterkte waren bezet. Als we een dergelijk idee beleefbaar proberen te maken, riskeren we een valse identificatie met 'Rome' als een der aanstichters van onze beschaving. De discussie Van Cinkel/Strolenberg loopt het gevaar door anderen te worden misbruikt om ons burgers valselijk een historische verworteling (in een vermeend glorieus verleden) aan te praten om moderne politieke opvattingen te legitimeren. Als archeologen en planologen eendrachtig de limes beleefbaar zouden maken, ligt daarmee letterlijk in de grond verankerd wat wij denken dat de limes ooit was. Geen bijstelling of nuancering van (wetenschappelijke) inzichten is dan meer mogelijk.
    Commentaar: in dit artikel lezen we enkel interessante opmerkingen over de limes. De 'limes' bestaat niet en het was ook geen permanente bezette, statelijke grens tegen vermeende vijanden. Dat lezen/laen we ook al onder andere bij A.W.Byvanck dat 'er geen dreiging was van vijandige stammen'. Dat blijkt ook daar de Romeinen over die 'limes' ook villa's bouwden. Dat doe je toch niet in vijandelijk gebied? Ook bij de traditie dat de Romeinen de brengers van de beschaving waren, kun je vraagtekens zetten. De laatste opmerking is maar al te waar. Als eenmaal die limes beleefbaar is gemaakt, is een bijstelling niet meer mogelijk. Dat zien we ook ten aanzien van andere belevingen, zoals dat Nijmegen de oudste stad zou zijn, zie daar.

  7. Archeobrief 3, september 2007
    Forum Hardriani van Romeinse stad tot monument. Recensie van het boek.
    Het doel dat de redactie met de opzet van het boek voor ogen stond was niet alleen een publieksgericht, maar ook een wetenschappelijk behoorlijk compleet overzicht. De 34 hoofdstukken zijn geschreven door 30 auteurs met verschillende achtergronden. Waar zij in ieder geval in zijn geslaagd, is het bij elkaar brengen van informatie die voorheen alleen met de grootste moeite bij elkaar gezocht moest worden. Bijzonder waardevol en nuttig in dit opzicht zijn de lijst met bronnen en literatuur en het onderzoeksoverzicht achterin. In het derde hoofdstuk over de discussie over de Cananefaatse identiteit, etniciteit en de vermeende stamverwantschap met de Bataven komt beter uit de verf wanneer men eerst hoofdstuk vijf over Zuid-Holland in de vroeg-Romeinse tijd doorneemt. In dit hoofdstuk, waarin een overzicht geschetst wordt van de periode vanaf het einde van de Gallische oorlogen tot en met de Bataafse opstand van 69, worden de Cananefaten en Bataven in feite op heldere wijze en in een duidelijke context geïntroduceerd nadat ze in hoofdstuk drie al aan een stevige discussie zijn blootgesteld. Eveneens merkwaardig in de opbouw is het feit dat de hoofdstukken over de Romeinse tijd tot Hadrianus in het deel over de Prehistorie staan. Ten slotte kan gezegd worden dat Forum Hadriani weer helemaal in de belangstelling staat en dat het boek inderdaad biedt wat achter op de omslag wordt beloofd: een fraai overzicht van (het onderzoek naar) de geschiedenis van Forum Hadriani, behalve feitelijk soms ook fantasierijk.
    Commentaar: en dat fantasierijke is het gevolg van de nodige speculaties, waarin feitelijkheden vermengd worden met aangenomen opvattingen.

  8. Archeobrief 2, juni 2007. Het nationale 'Limes' project.
    Bestuurders, ontwerpers, archeologen en de Limes. In dit artikel vraagt Frank Stollenberg aandacht voor het nationaal limesproject, dat hij graag gerealiseerd zou zien. Evert van Ginkel is daar wat kritischer over.
    De Limes als nationaal project. Begin jaren negentig van de vorige eeuw werd steeds duidelijker dat de restanten van de limes bedreigd werden door allerlei ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek vertaalde zich dat in het initiatief om een breed gedragen limesproject op te zetten. De oorspronkelijke doelen waren behoud (bescherming en consolidatie) en begripsbevordering van de limes (onderzoek). De Romeinen zijn daarmee niet alleen een artefact uit een ver en onbekend verleden, maar krijgen een actuele betekenis in de samenleving van vandaag en morgen. Het programmabureau Limes wil de limes een publieke rol van betekenis laten spelen, dan moet er eerst veel aandacht zijn voor communicatie en het beleefbaar maken van de limes. Het opnemen van de limes in de
    de Canon van Nederland scheelt daarbij natuurlijk als de belangrijke slok op een borrel. Bescherming is mogelijk en wenselijk via Unesco en moeten boeken als van Willems en Bechert opnieuw geactualiseerd worden. Van GinkeI heeft natuurlijk gelijk als hij stelt dat dit nationale initiatief zich nog niet gelijk vertaald heeft in veel zaken die nu al tastbaar zijn.
    Naschrift Evert van Ginkel: Laat ik beginnen mijn waardering uit te spreken voor het uitvoerige antwoord van Frank Stollenberg op mijn artikel (zie daarvoor Archeobrief 4 van 2006) en voor de gelegenheid daarin een (kort) laatste woord te hebben. We zijn in onze kringen niet gezegend met een overvloed aan publieke discussie, openlijke kritiek en wederhoor, en het is goed dat de Archeobrief voor dit soort gedachtenwisseling forum kan en wil zijn. Ik heb betoogd, en blijf daar toch bij, dat we die toekomst al achter ons hebben. Wat Strolenberg als noodzakelijke 'experimentele fase' ziet waarin het proces nog steeds verkeert, is mij al te lang gaan duren. Ik zie na jaren van (kostbaar) praten en schetsen door ontwerpers en consultants nog geen enkel concreet resultaat, terwijl juist de archeologen niet stil hebben gezeten. Ik heb niet de indruk dat, nu anderhalf jaar geleden de bestuurders erbij zijn gekomen, er op dat terrein iets fundamenteel veranderd of verbeterd is. Strolenberg meldt dat er 'natuurlijk wel achter de schermen' van alles gebeurt en hij is beter ingevoerd dan ik, dus wie weet. Tot nog toe heeft men dat goed verborgen weten te houden. En dat de limes in de Canon is gekomen, is mooi, maar waarom meteen al zoveel fouten en omissies gemaakt in een kort stukje? Een tweedejaarsstudent van de VU of uit Nijmegen had daar korte metten mee kunnen maken.

    De 'limes' in Nederland heeft nooit iets voorgesteld. Het was geen bewaakte grens, is niet constant bezet geweest met legioenen en bestaat uit heel veel losse en onbewezen aannamen. Zie de kaart van de 'limes' hiernaast rechts, waarvan de onderste weg door Nederland nog nooit is teruggevonden. Klik op de kaart voor een vergroting.
    De kaart links geeft de 'limes' weer zoals die meestal wordt gepresenteerd. Het aantal legerkampen wordt met de dikke vierkanten te groots weergegeven. Van sommige hier voorgestelde 'legerkampen' is niets teruggevonden, maar is het gebaseerd op aannamen en speculaties. Zie het overzicht bij de Limes


    Commentaar: het nationale limesproject is een farce, een mythe. De Romeinen hebben totaal geen actuele betekenis meer in onze samenleving. De Romeinen waren de plunderaars en moordenaars van de klasieke oudheid (volgens Tacitus), waarbij slavenhandel, verkrachtingen, moord en doodslag hoogtij vierden. Dat wil je toch niet als nationaal erfgoed een podium geven! Bovendien bestonden de langs de Rijn aanwezige legioenen voor het grootste deel uit niet-Romeinen. Zie bij Archeobrief .
    De zogenaamde limes heeft nooit iets voorgesteld, maar wordt nu vreselijk opgeblazen tot monsterlijke proporties. Archeoloog W.A. van Es stelde al dat Romeins Nederland nauwelijks iets heeft voorgesteld en het is nimmer de eer van een colonia waardig geacht. Let ook op het kaartje links waar de plaatsen langs de Maas in Limburg aangegeven worden als burgerlijke nederzettingen. Dat die op de Peutingerkaart zouden staan is de zoveelste mythe.
    De laatste opmerking van Van Ginkel betreft de de Canon van Nederland, waarin de Limes een plek heeft gekregen in hoofdstuk 2 tussen de Hunebedden (hoofdstuk 1) en Willibrord (hoofdstuk 3). De auteur van die tekst is Marco Mostert die hier als nog minder dan een 'tweedejaars student' wordt gekwalificeerd (sic!). Het stuk bevat nog meer fouten dan Van Ginkel bedoelt, immers het is het traditionele plaatje waar zowiezo al het nodige op aan te merken is. Zie verder bij de Canon van Nederland


  9. Archeobrief 1, maart 2007. Het kanaal van Corbulo. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus maakte melding van dit kanaal, genoemd naar de Romeinse veldheer Corbulo.
    Omdat zijn legioenen nu niet meer tegen de Friezen en de Chauken hoefden te vechten, besloot hij, om zijn soldaten bezig te houden, tot de aanleg van een kanaal tussen de mondingsgebieden van de Maas en de Rijn. Deze 23 Romeinse mijlen lange Fossa Corbulonis moest ervoor zorgen dat transport van mensen en goederen niet langer over de Noordzee hoefde plaats te vinden. Voor de verbinding tussen de twee rivieren werd handig gebruik gemaakt van bestaande kreken in het uitgestrekte veengebied achter de strandwallen. Zo verbonden de manschappen van Corbulo de Oude Rijn met de Maas door een kreek ter hoogte van het Leidse castellum Matilo met een kreek te verbinden die nu als de Gantel bekend staat. Daarnaast werd Voorburg (de hoofdstad van de Cananefaten: het latere Forum Hadriani) bereikbaar vanaf de Rijn. Op het moment dat het kanaal gegraven werd heeft deze plaats echter nog niet de status die het circa 70 jaar later zou krijgen. In het plangebied is, ten oosten van het kanaal, een natuurlijk kreekloop aangetroffen. Van deze kreek is echter geen gebruik gemaakt. Het kanaal is ingegraven in het veen. De ingraving van het kanaal doorsnijdt de laatste kleiafzettingen van de kreek, wat waarschijnlijk betekent dat deze al verland was ten tijde van de aanleg van het kanaal. In 2005 is door RAAP een tweetal booronderzoeken uitgevoerd om vast te stellen of er inderdaad sporen van het kanaal op het terrein van de gemeentewerf aanwezig waren, en zo ja, de ligging en oriëntatie ervan zo goed mogelijk vast te stellen. Tijdens deze booronderzoeken werden inderdaad aanwijzingen voor de aanwezigheid van een geul aangetroffen, ten oosten van, en parallel aan de door het plangebied lopende strandwal. Op basis van de beschikbare kennis was het aannemelijk dat het inderdaad het voornoemde kanaal betrof. In het najaar van 2006 volgde een proefsleuvenonderzoek. Hoewel de uitwerking van het onderzoek nog in volle gang is, zijn sommige resultaten al beschikbaar. Het kanaal werd precies aangetroffen op de plaats die het booronderzoek voorspelde. Het is in totaal ruim 15 meter breed, en de bodem van de geul ligt op circa 3 meter onder NAP. In het profiel van de proefsleuf was duidelijk zichtbaar dat er twee fasen kunnen worden onderscheiden. Het eerste kanaal is op een gegeven moment dichtgeslibd. Bij de herstelwerkzaamheden hebben de bouwers van het kanaal om vooralsnog onbekende redenen besloten om het kanaal niet uit te baggeren, maar in het veen naast de oude geul, een tweede kanaal uit te graven. Aan de oostelijke zijde van dit kanaal is een beschoeiing aangetroffen die bestond uit dicht bijeen staande, ingeslagen, aangepunte palen. Deze zijn gemaakt van de knoestige, kromme en langzaam gegroeide eikjes, die op de strandwal naast het kanaal groeiden. De dendro-dateringen van drie van de palen van deze beschoeiing resulteren in een kapdatum van 50 na Christus. Traditioneel wordt als datering voor het kanaal van Corbulo het jaar 47 na Christus gehanteerd. Deze datering is gebaseerd op historische bronnen, en niet op een datering van (materiaal uit) het kanaal zelf, dus in hoeverre dit betrouwbaar is, is zeer de vraag. Het is wel op basis van diezelfde historische bronnen aannemelijk dat het kanaal ergens rond 47 na Christus zal zijn aangelegd. De datering van de beschoeiing van 50 na Christus is een duidelijke aanwijzing dat het dichtslibben van de geul uit de eerste fase vrij snel moet zijn gegaan.
    Commentaar: volgens de tekst van Tacitus (Ann. XI, 18 - 20), streed Corbulo, in 47 bevelhebber in Germania, tegen de Chauci, tegen de Canninefates bij de Renus, tegen de Fresones en liet een kanaal graven tussen de Mosa en de Renus, bedoeld om Drusus' werk te voltooien. Hij werd in 48 door keizer Claudius naar Rome teruggeroepen en kreeg opdracht naar het Midden-Oosten te vertrekken.
    In deze zin komen alle misvattingen samen: de Renus zou de Rijn zijn, de Mosa de Maas en de Chauci, Canninefates en Fresones leefden in Noord-Nederland. Van de Fresones staat door andere teksten vast dat zij in Frans-Vlaanderen woonden. Corbulo is nooit in Nederland geweest, zodat het baarlijke nonsens is zijn “gracht” terug te zoeken waar hij nooit een voet heeft gezet. In Frans-Vlaanderen is zijn bewaard gebleven in de plaats Corbehem, voorheen Corbelhem, op 5 km zuidwest van Douai. En vindt men nu een (stukje!) gracht terug, dan is dat meteen het kanaal van Corbulo. Het is hetzelfde verhaal als met de stukjes teruggevonden Romeinse wegen: het zijn meteen de wegen van de Peutingerkaart, ook al kloppen alle details niet. Leest men dit artikel nauwgezet, dan spreekt er slechts twijfel uit door te spreken over 'aanwijzingen', 'waarschijnlijk', 'aannemelijk' en het feit dat de beschoeiing uit ná 50 na Chr. stamt, terwijl het kanaal al in 47 zou zijn aangelegd. Met een kapdatum van 50 na Chr. ben je zo een tiental jaren verder voordat het hout ook werkelijk gebruikt zal zijn. Welk kanaal heeft men nu gevonden in Leidschendam? Het oorspronkelijke of het herstelde tweede kanaal? Het feit dat Renus en Mosa op 80 km van de kust samenvloeiden (volgens Julius Caesar) maakt een kanaal tussen Rijn en Maas geheel overbodig.


  10. Archeobrief 1, maart 2007. Opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 1 van maart 2007.
    1. Nijmeegse archeologen vinden Romeinse ketel in kelder. Bij opgravingen aan de kop van de Hertogstraat in Nijmegen hebben archeologen de resten gevonden van een Romeinse bronzen ketel. De kelder stamt uit 70 na Christus, ten tijde van de Bataafse opstand. De voorwerpen zijn in hun geheel uit de bodem gehaald om in een laboratorium verder te worden onderzocht. De Nijmeegse archeologen vermoeden dat de eigenaar van de ketel zijn kostbare voorwerpen in de kelder heeft verborgen tijdens de Bataafse opstand. Het huis is kort daarop, net als de hele Romeinse stad Oppidum Batavorurn, in brand gestoken, waarna de bewoners niet meer in staat zijn geweest om hun achtergelaten en waardevolle bezittingen op te halen. Commmentaar: de datering van deze ketel gebeurt niet op basis van technisch onderzoek, maar op schriftelijke bronnen, wat geheel onjuis is. De stad Oppidum Batavorum wordt hier Romeins genoemd, elders Bataafs. Wat is het nu? Als deze stad compleet is afgebrand is het verklaarbaar dat men hiervan in Nijmegen nooit iets heeft teruggevonden (sic!).
    2. Topvondsten in Cuijk. Op een paar meter afstand van twee elkaar oversnijdende Romeinse huis plattegronden werd in een donkere kuilvulling een pot met een halve kruik als deksel aangetroffen. Volgens een eerste schatting gaat het dus om twee à driehonderd munten. Met het uitprepareren van de munten is pas net een begin gemaakt. Er is nog maar één munt schoongemaakt en het gaat daarbij om een zilveren denarius die geslagen is onder keizer Elagabalus (218-222 na Christus). Afhankelijk van de preciese datering kan de reden gezocht worden in oorlogsdreiging en calamiteiten in de omgeving of religieuze beweegredenen. Het derde kwart van de derde eeuw was echter erg onrustig waardoor men alle reden had 'schatten' op veilige plaatsen te verbergen. Voorlopig blijft het speculeren. Commentaar:Ook hier tekt men weer conclusies op grond van één munt. Dat het in het derde kwart van de derde eeuw onrustig was is nergens op gebaeerd. De Romeinen vertrokken toen uit ons land, niet omdat er sprake was van 'invallende Germaanse stammmen', maar men kreeg natte voeten vanwege het opkomende water.
    3. Een planologische studie naar draagvlak voor cultuurhistorie. Martijn Duineveld typeert in zijn proefschrift de archeologische beleidswereld als gesloten en door experts gedomineerd. Experts hebben het voor het zeggen. Door beleid af te stemmen op wat burgers belangrijke cultuurhistorie vinden ontstaat draagvlak. Duineveld schaart zich naar eigen zeggen onder een beweging met de politiek-maatschappelijke ambitie om de invloed van de burger op het beleid van de overheid te vergroten. Dit is de reden dat draag-vlak niet gecreëerd moet worden - niet de burger moet bewegen, maar juist het beleid, moet afgestemd worden op de wensen van de burgers. In de eerste plaats denkt men oppositioneel over experts en niet-experts. Wetenschappelijke kennis wordt gezien als objectief ten opzichte van de werkelijkheid, daar waar lekenkennis als subjec-tieve ervaringskennis wordt geclassificeerd. In navolging van het constructivisme betoogt Duineveld dat de deskundige niet dichter bij de waarheid staat dan een niet-wetenschapper, immers alle geschiedenis is constructie. Ofschoon Duineveld erkent dat de politiek besluit, concludeert hij dat deze besluiten (deels) gebaseerd zijn op adviezen van professionals. Sinds Malta worden de amateurs buitengesloten en verandert de relatie tussen professionals en amateurs. Het archeologisch veld is gesloten waarmee de auteur ... alle factoren duidt waardoor ideeën, kennis, normen, waarden, dingen en mensen buiten bepaalde praktijken (disciplines, beleidsvelden, organisaties en netwerken) worden gehouden. In organisatorische zin komt dat tot uitdrukking in netwerken van invloedrijke personen met meerdere petten of achtereenvolgende invloedrijke functies. Openheid staat voor het tegenovergestelde. Over het stapelen van petten en de beperkte kring van invloedrijke personen in de archeologie heeft de auteur beslist een punt. Commentaar: De invloed van bepaalde personen en het stapelen van petten is nog steeds een veel voorkomend fenomeen binnen de historische en archeologische wereld. Is er ook hier sprake van 'machtsmisbruik' en reputatieverlies in de vorm van 'sschoenmaker blij bij je leest'?



Archeobrief 2006


  1. Archeobrief 4, december 2006.
    'Schatvondst' op een opgraving. Het Romeins bronsdepot van Nistelrode. (Richard Jansen en Annelies Koster).
    De gevonden objecten zijn uit de periode van het eind van de eerste tot het begin van de derde eeuw. De nederzetting, die slechts gedeeltelijk kon worden opgegraven, kent minimaal drie bewoningsfasen. Bewoningssporen uit de direct voorafgaande perioden ontbreken. Een continue bewoning vanaf de late IJzertijd en vroeg-Romeinse tijd kunnen we uitsluiten. Opvallend is het ontbreken van bewoningssporen uit de eerste eeuwen na Christus in de directe omgeving van de kuil. Depots in een nederzettingscontext kennen we slechts uit Weert, Oss, Nijmegen (twee) en recentelijk Voorburg, waarvan de laatste drie zijn gevonden in de urbane context van respectievelijk Ulpia Noviomagus en Forum Hadriani. Ook de depots uit Nijmegen en Voorburg zijn bescheiden in omvang: twee tot drie objecten en betroffen meestal eet- en drinkgerei. De meeste vondsten komen uit bronsateliers in Galli&3235;. 'Veteranen' die zich na een (verplichte) diensttijd in het Romeinse leger (opnieuw) vestigden in hun oude gemeenschap. De volgende boerderijen dateren pas van het einde van de zesde eeuw na Chr.
    Commentaar: er is dus veel voor te zeggen dat deze veteranen afkomstig waren uit Gallië. Dat ze zich vestigden in hun oude gemeenschap is speculatie. Volgens Tacitus vestigden de oud-gedienden en veteranen zich in 'lege' gebieden. Opvallend blijft dat veel nederzettingen 'uniek'worden genoemd, ofwel ze kwamen niet veel voor, wat een grote en omvangrijke bewoning tegenspreekt.

  2. Archeobrief 4, december 2006.
    Leven en sterven langs de Limes. In het artikel "Leven en Sterven langs de Limes" van Liesbeth Smits is het onderzoek naar grafvondsten beschreven. Het betreft onderzoek in crematieresten in vier Romeinse grafvelden te Valkenburg, Nijmegen, Moers en Krefeld.
    Conclusie van de auteur: Er is geen overschot aan verwachte weerbare jonge mannen in de grafpopulaties in de eerste eeuw, hoewel dit wel verwacht werd.
    Commentaar: De samenstelling van de grafveldpopulaties laat voor beide eeuwen (eerste en tweede eeuw) slechts accentverschillen zien en wijst op de burgerlijke bevolking uit de nederzettingen. Er bestond in de eerste eeuw geen overschot aan mannen in de weerbare leeftijd, de kindersterfte was hoog en de meeste volwassenen stierven tussen de twintig en veertig jaar oud.

    Het crematieonderzoek heeft informatie opgeleverd over het geslacht en de leeftijd van de hier begraven individuen en daarmee is een beeld ontstaan over de samenstelling van de grafveldpopulaties. De associatie van mannen, vrouwen en kinderen met verschillende graftypen toont dat in deze grafvelden voornamelijk de stoffelijke resten van de burgerlijke bevolking bijgezet werden en dat groepen militairen niet herkenbaar zijn aan de wijze van begraven, noch aan een overschot van jonge mannen in de populaties. Wel komen sommige graftypen vooral voor tijdens de aanwezigheid in het grensgebied van specifieke militaire eenheden uit verschillende delen van het Romeinse Rijk. Dit vormt een aanwijzing voor de overname van ideeën ten aanzien van de dodenbehandeling door de lokale bevolking en daarmee voor de integratie van de verschillende burgerlijke en militaire groepen in de samenleving. Het fysisch- antropologisch onderzoek van de grafveldpopulaties heeft in samenhang met de archeologische en historische context geleid tot een reconstructie van de bevolkingssamenstelling in het grensgebied gedurende de vroeg- en midden-Romeinse tijd, met inheemse groepen naast burgers en militairen uit onder andere Gallië en het Balkangebied.

    Commentaar: de grafvondsten bevestigen geenszins de overvloedig aanwezigheid van Romeinse soldaten, maar komen overeen met hetgeen Albert Delahaye altijd stelde: de Romeinse aanwezigheid in Nederland was er een van verkenning en vestiging van oud-legionairs op zoek naar eigen stukje grond om te wonen en het boerenambacht uit te oefenen. Deze conclusie sluit feilloos aan bij de bevindingen in het artikel "Een duurzame Romeinse grens"
    (zie hierboven), waaruit geenszins een overvloedige aanwezigheid van Romeinse legioenen blijkt.

  3. Archeobrief 4, december 2006.
    Terugblik op de limes: plannen en projecten. (Evert van Ginkel). Evert van Ginkel hield op de Reuvensdagen in 2005 (?) een betoog over de in zijn ogen uit de hand gelopen plannenmakerij rond de Nederlandse 'Limes'. In dit artikel schrijft hij daarover het volgende:
    Pogingen tot inbedding van de limes (worden gekenmerkt door) een gebrek aan interdisciplinaire samenwerking en de onduidelijkheid van de projectopdrachten. De conclusie van het rapport, opgesteld door RO-bureau De Lijn, is dat na het oplossen van die problemen doorgegaan kan worden op de ingeslagen weg: het benutten van 'de limes als identiteitsverhogende factor voor herontwikkeling' waardoor hij een rol kan spelen bij 'actuele maatschappelijke opgaven zoals de multiculturele samenleving, het watervraagstuk en nieuwe vormen van ontmoeten. Mijn conclusie is een andere. De verschillende limes-plannen zijn dan ook niet te beschouwen als onderdelen van een integrale limes-aanpak maar als losse kralen van verschillende materialen en kleuren aan een imaginair snoer. Het watermanagement en de multiculturele samenleving worden er niet door gediend.
    'Meer van hetzelfde!', zal hier en daar worden gesnoven, en dat is meestal niet onwaar. Presentaties van het Romeinse verleden in de openbare ruimte passen in een Nederlandse traditie van zo'n 40 jaar. Zo worden in de Limes Atlas (2005) allerlei buitenlandse projecten aangehaald die Nederland ten voorbeeld zouden moeten strekken. Dat ons Romeins erfgoed zeer fragmentair bewaard is gebleven, is een andere kwestie. Maar dat wil men nu juist liever niet horen: men vergelijkt liever onze unieke wetlandlimes met Hadrians Wall en het overstelpende Duitse aanbod aan tastbare resten, al is hij helaas voor de helft weggespoeld en voor de rest onzichtbaar. Ten opzichte van alles wat de afgelopen jaren aan verheven ideeën is geventileerd, vind ik het nationale ambitieniveau voor de limes niet erg groot. Mijn voornaamste bezwaren tegen het post-Romeins-militair-bureaucratische complex zijn en blijven:
    1. de limes benutten als sturende kracht in de ruimtelijke ordening is de oplossing voor een probleem dat niet bestaat.
    2. Er is geen maatschappelijke vraag naar een wedergeboorte van de limes, en ik denk dat het gebrek aan overtuigende argumenten daar mede debet aan is. Het onderwerp leeft niet, althans niet werkelijk, bij bestuurders, niet bij ontwerpers - de salonfähige groep die men zo graag wil verleiden om mee te doen - en al helemaal niet bij het 'brede publiek' dat in de rapporten zo innig wordt gekoesterd.
    3. De plannen worden gegenereerd binnen een bureaucratisch systeem dat zichzelf in stand houdt. De betrokken ambtenaren en adviseurs - van wie sommigen beroeps- of reputatiehalve al jaren in het circuit meedraaien - houden er hoogstens frustratie aan over als hun inspanningen geen concreet effect sorteren en benadelen ze zichzelf in functionele of financiële zin. Failure is not an option.
    4. Doordat veel van de plannen op nationaal niveau erg abstract of weinig realistisch zijn, leidt intussen het ene rapport vooral tot het volgende, en niet of nauwelijks tot onderzoek en concretisering.
    Mijn conclusie is dat het streven naar een ruimtelijk sturende rol van de limes onhaalbaar is gebleken. Er is geen goede reden voor en geen vraag naar. Die publieke belangstelling lijkt te steunen op de traditionele ('dominante' volgens sommigen) benadering van erfgoed, al valt daar wel meer over te zeggen en is nader, breder onderzoek beslist gewenst.
    Commentaar: de Limes voorstellen als Nederlands Cultureel Erfgoed is vergelijbaar met de slavernij opvoeren als Cultureel Erfgoed, Het zijn zwarte bladzijden uit de geschiedenis, de eerste door een buitenlandse militaire macht, de tweede door eigen handelen. Maar Erfgoed??? Wat ook hier weer duidelijk wordt aangegeven en afgekeurd is het fenomeen onder historici en archeologen van reputaties en professoraten, ofwel traditonalisme en inkomen.

  4. Archeobrief 4, december 2006.
    Opmerkelijke bevindingen in andere artikelen.
    1. Woerden: Het succes van archeologische monumentenzorg. De vondst van de roei-inrchting van de Woerden 7 leidde tot een nieuwe hypothese over de Rijntransporten. Tot dusverre werd aangenomen dat Romeinse vrachtschepen vanwege de sterke stroming op de Rijn uitsluitend stroomafwaarts konden varen, dus vanuit Duitsland in de richting van de Noordzee. Het ziet ernaar uit dat de roei-inrichting op de Woerden 7 een einde maakt aan deze hypothese. De Woerden 7 lijkt dusdanig veel op de Zwammerdam 6 dat gesproken kan worden van 'zusterschepen'. Vanwege het Nederlandse hout dat verwerkt is in de Woerden 7, moet er rekening mee gehouden dat beide schepen het resultaat zijn van meervoudige productie op een scheepswerf op Nederlandse bodem.Het blijft hier toch bij hypothesen, ofwel aangenomen maar nog te bewijzen veronderstellingen. Of het "Romeinse" schepen waren is eveneens speculatie, aangzien van standarisatie in de omvang en vorm geen enkele sprake is, wat zeer on-romeins is.
    2. Een gouden Kolbenarmring uit Deventer. Vroegmiddeleeuwse elite op het spoor. Van deze armringen zijn uit geheel Europa slechts 26 vondsten bekend, aangetroffen in graven, in schatvondsten en als losse vondsten. De vroegste ringen komen voor in Zuidoost-Europa en dateren uit de eerste en vroege tweede eeuw na Christus. De exemplaren uit Centraal en Noordwest-Europa, inclusief Scandinavië, behoren tot een jongere groep en dateren van de derde tot in de zesde eeuw. Gedurende de vijfde en zesde eeuw lijken de armringen zelfs uitsluitend door leden van koninklijke families - nu zowel mannen als vrouwen - te zijn gedragen. Voor de interpretatie van deze vondsten is het van belang dat ze een vrij korte tijdsspanne beslaan en samenvallen met een turbulente periode direct na de val van het West-Romeinse rijk. Aannemelijk is dat de goudvondsten met een opkomende elite verband houden. De Kolbenarmring van Deventer past goed in dit beeld en kan eveneens met regionaal leiderschap in verband worden gebracht. De interpretatie van dit specifieke stuk wordt echter bemoeilijkt, doordat het in gesmolten toestand als een vorm van schroot aan de grond is toevertrouwd - er vanuit gaande dat een aanzienlijke hoeveelheid goud niet werd verloren. Er zijn twee verklaringen mogelijk. In de eerste plaats kan de oorspronkelijke eigenaar in het huidige Deventer hebben gewoond en de armring op enig moment hebben omgesmolten om het goud voor de productie van andere kostbaarheden te gebruiken. Ter plekke van het Nieuwe Plantsoen is in dat geval een nederzetting uit de vijfde of zesde eeuw met een bovenlokale functie te verwachten. In de tweede plaats kan het stuk al in gefragmenteerde toestand van elders zijn aangevoerd. Op welk moment dit is gebeurd, is niet meer vast te stellen. Conclusie: veel speculatie en geen enkele overtuigend bewijs. Let speciaal op de onderstreepte woorden.
    3. In de Kennemerduinen hebben archeologen resten gevonden van drie nederzettingen uit de vijfde tot en met de negende eeuw. Volgens de betrokken archeologen is de hoeveelheid gevonden materiaal uniek voor het Nederlandse kustgebied. Op een plek met zandverstuivingen werd bij toeval een groot aantal aardewerkscherven en ander materiaal gevonden dat duidde op vroegere bewoning. Ook hier toont het 'unieke' weer duidelijk die uitzondering aan. Voor bewoning is meer nodig dan wat aardewerkscherven en ander materiaal (wat dan precies?). Aangezien daar geen verdere mededeling over gedaan werd, zal er iets verzwegen moeten worden.
    4. Een booronderzoek in 2004 op de Houtmarkt leverde verrassende nieuwe informatie op over de ronde versterking. Dat de versterking zijn oorsprong heeft in een Karolingische ringwalburg werd al vermoed na enkele opgravingen tussen 1995-2004. Het formaat ervan was echter boven verwachting. Door het booronderzoek en de synthese kon een gedetailleerder beeld gevormd worden van deze negende eeuwse fase. Een van de plaatsen waarmee Zutphen vanzelfsprekend vergeleken moet worden, is Deventer. Hoewel de ringwalburg hier ontbreekt, lijkt de verdediging van Deventer veel op die van Zutphen. Beide versterkingen zijn waarschijnlijk in de late negende eeuw aangelegd naar aanleiding van verwoestingen door Vikingen. De rapporten zijn zo gelijk van opzet dat ze uitnodigen tot vergelijken. De conclusies zouden tot een interessant synthetiserend verhaal samengevoegd kunnen worden. Wellicht kan dan een licht geworpen worden op de datering en fasering van de Karolingische burgen en op de organisatie van de aanleg hiervan. Hopelijk komen de auteurs nog tot zo'n gezamenlijke publicatie.
      let vooral op het WAARSCHIJNLIJK. Over de mythe van de Vikingaanvallen in
      Zutphen en Deventer zie daar. Dat rapporten veel op elkaar lijken heeft alles te maken met de onnavolgbare naschrijverij in de historische wereld. Men wil elkaar vooral niet tegenspreken, maar doet (gelukkig voor de kritische lezer) dat toch maar al te vaak!


  5. Archeobrief 3, september 2006.
    Op zoek naar het verborgen verhaal.
    (Ruurd Kok). Circa 1500 terreinen die wettelijk zijn beschermd op grond van de Monumentenwet zouden 'neusje van de zalm' van de Nederlandse archeologie moeten zijn. Deze archeologische terreinen zijn niet of nauwelijks te zien en alleen archeologen kennen het verborgen verhaal.
    Commentaar: de archeologie stoeft te vaak over het belang van die terreinen terwijl er niets van te zien is. Het is kenmerken voor archeologen. Te vaak euforisch iets in de media brengen terwijl het geen enkele betekenis heeft of ooit heeft gehad.

  6. Archeobrief 3, september 2006.
    De paden op en de stads- en dorpkernen in. De doelstelling van de archeologische monumentenzorg is het cultureel erfgoed veilig stellen en de verhalen over ons verleden behouden. De interdisciplinairde aanpak voor stads- en dorpskernen biedt meer kansen voor de presentatie van ons verleden als erfgoed.
    Commentaar: van belang daarbij is dan wel dat een historisch verantwoord verhaal wordt verteld en niet een verhaal gebaseerd op aannamen, mythen en legenden, zoals nu te vaak gebeurd.

  7. Archeobrief 3, september 2006.
    Archeologisch onderzoek op de agenda. (Theo Toebosch).
    Toen ik hoorde dat de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) meer dan 800 pagina's zou gaan tellen, was mijn eerste gedachte: 'Dan is er per definitie iets mis mee.' Ieder denkbaar specialisme kwam aan bod. Het deed me denken aan de SNA-bijeenkomsten in verband met de invoering van het Verdrag van Malta, waar iedereen vooral voor eigen parochie preekte, bang om anders buiten de boot te vallen. En ook nu hoorde je archeologen tegen elkaar zeggen dat ze de NOaA wel erg gedetailleerd vonden worden, maar dat ze toch maar hun best deden om er in vermeld te worden, omdat ze anders misschien geen subsidies van instellingen als NWO zouden krijgen.
    Wetenschappers leveren de verhalen over het verleden, die verhalen worden aan latere generaties overgeleverd en maken zo dus deel uit van het erfgoed. Vroeger vormden de Nederlandse archeologen maar een kleine gemeenschap en werd de onderzoekstraditie van de een op de ander doorgegeven. Dat kan nu niet meer. Historici schoten op tijd delen van een hoofdstuk af, omdat de archeologen niet op de hoogte bleken te zijn van de recentste inzichten in de vakliteratuur.
    Commentaar: het probleem wat hier geschetst wordt bestaat nog steeds. Historici en archeologen pompen veel verouderde kennis rond en blijken niet op de hoogte van elkaars opvattingen

  8. Archeobrief 3, september 2006.
    Onderzoeken van de Erfgoedinspectie brengen knelpunten in beeld.De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat in geen van de 24 rapporten de KNA-systematiek voor het inventariserend veldonderzoek volledig wordt gevolgd. Ten eerste bevat geen van de onderzochte rapporten een volledig geformuleerde archeologische verwachting. Toch blijkt uit de rapporten niet dat men zich hiervan bewust is, want in twintig rapporten wordt de keuze voor de toegepaste onderzoeksmethode op geen enkele wijze onderbouwd. En wanneer noch de verwachting is gespecificeerd, noch de keuze voor de methode is onderbouwd, volgt automatisch dat in geen van de rapporten een uitspraak wordt gedaan over de mate van betrouwbaarheid waarmee de gekozen methode de verwachte kenmerken kan aantonen. Afgezien van de tekortkomingen in de toepassing van de KNA-systematiek, blijkt het beschrijven van de vindplaatsen die wel bij de inventarisaties werden aangetroffen, ook voor verbetering vatbaar. Als vondsten wel worden overgedragen aan de depots,treden knelpunten op. Depothouders klagen over onvoldoende determinatie en slordig vondstverwerking. De overdracht van vondsten laat te wensen over. Maar deels liggen de oorzaken dieper. De verschillen in eisen die provinciale depots stellen hebben ook te maken met de onduidelijkheid over hun functie. Een ander zorgelijk punt is de conservering van kwetsbare vondsten. Vondsten moeten geconserveerd zijn voordat ze overgedragen worden aan het depot. De - soms aanzienlijke - kosten komen voor rekening van de opgravende organisatie, maar niet iedere organisatie blijkt daarin te voorzien. De depotbeheerders voeren regelmatig discussies met organisaties omdat materialen niet, of niet voldoende, geconserveerd zijn.
    Commentaar: er blijken dus nog heel wat knelpunten te bestaan in de archeologie. In hoeverre kunnen historici dan blind vertrouwen op de gegevens van de archeologie? Zo ontstaat in feite een geschiedenis die niet onderbouwd is met feiten. Daarvan kennen we in de 'vaderlandse' geschiedenis tal van voorbeelden. Slordige beschrijving van vondsten en slordige verwerking ervan komen blijkbaar vaak voor.

  9. Archeobrief 3, september 2006.
    Opmerkelijke bevindingen in Archeobrief 3 van september 2006.
    1. Kloosterkerk Vlaardingen ontdekt . In Vlaardingen zijn aan de Waalstraat de resten van een kloosterkerk ontdekt. Uit historische bronnen is weinig bekend over dit klooster dat vermoedelijk aan het begin van de vijftiende eeuw is gebouwd. Het is tevens het enige bekende middeleeuwse klooster in Vlaardingen. Met vermoedens en onbekende bronnen wordt helaas wel vaker geschiedenis geschreven.
    2. Classis Augusta Germanica. Een in 2004 bij opgravingen Naaldwijk aangetroffen fragment van een grote bronzen plaat uit de Romeinse tijd biedt volgens Ton Derks van de Vrije Universiteit Amsterdam nieuwe aanwijzingen voor de aanwezigheid Romeinse vlootbasis in het Westland. Het oppervlak van de bronzen geheel bedekt met een dikke laag roest. Het fragment, dat 24 bij 23 centimeter meet, moet deel hebben uitgemaakt van een veel grotere plaat, waarvan de rest de tand des tijds niet heeft doorstaan. Op het bewaarde deel is het begin van de twee laatste regels van een Latijnse tekst te lezen. Daaruit valt op te maken dat de plaat met inscriptie en het monument waarop deze oorspronkelijk was aangebracht, het werk was van de Rijnvloot van het Romeinse leger: de Classis Augusta Germanica. Sinds wannneer is de vindplaats van een relicht een bewijs van de aanwezigheid van de eigenaar. Zekerk niets als slechts een deel gevonden is. Waar is de rest? Als die elders gevonden wordt was dat dan de locatie van die vlootbasis?
    3. Op zoek naar de Kelten. In een samenwerkingsverband tussen het Limburgs Museum in Venlo en het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden zijn alle topstukken uit Nederland, België en het Duitse grensgebied bijeen gebracht in een tentoonstelling. Het geheel is uiteindelijk toch weinig tot de verbeelding sprekend. Het kleine tentoonstellingsboekje met summiere artefactbeschrijvingen laat de bezoeker ook met een ontevreden gevoel achter. Bij de tentoonstelling schreef Leo Verhart een rijkelijk geïllustreerd boek van veel van de in de tentoonstelling aanwezige vondsten. Volgens Verhart is de aanwezigheid van als 'Keltisch' te classificeren voorwerpen te vergelijken met de aan-wezigheid van McDonalds-vestigingen en Amerikaanse jeans in onze huidige samenleving. De vergelijking van Verhart met McDonalds en jeans is wel treffend. Archeologen zou zich dat een beter moeten realiseren. Is elke Romeinse munt door een Romein verloren en was die dan ter plekke aanweizg waar men de munt vond. Als ik een Belgische Euromunt vind, ben ik dan in België? Is die munt dan verloren door een Belg?
    Commentaar: in Archeobrief staan vaker opvallende opmerkingen die door de archeologie niet altijd of zelfs helemaal niet gevolgd worden. Is de vindplaats van een Romeinse altaarsteen waarop een plaatsnaam staat dan ook de naam van die plaats? Ieder weldenkend mens zal zeggen van niet per se. De archeoloog zegt dus van wel. Zie de voorbeelden van de Romeinse plaatsnamen in Nederland.

  10. Archeobrief 2, juni 2006.
    Nooit meer: Afzettingen van Duinkerke en Calais. (door Henk Weerts, Piet Cleveringa, Wim Westerhoff en Peter Vos).
    Ergens in West- of Noord-Nederland is een archeologische opgraving in volle gang. In het profiel is een opeenvolging van aardlagen aangekrast en geïnterpreteerd als Afzettingen van Calais en Afzettingen van Duinkerke. Het geologisch/stratigrafische begrippenapparaat is namelijk drastisch gewijzigd. Enkele citaten uit dit artikel:
    • Echter, het 'model' dat sinds de jaren zestig van de vorige eeuw de basis vormt voor lithostratigrafische begrippen, zoals de Afzettingen van Calais en Duinkerke, heeft de laatste decennia sterk aan betekenis ingeboet en is uiteindelijk onhoudbaar gebleken.
    • Toename van sedimentologische kennis en op processen gebaseerd denken heeft geleid tot belangrijke bijstellingen van het geologisch model voor de Holocene ontwikkeling in Nederland. Als gevolg daarvan is ook de lithostratigrafische interpretatie voor die Holocene afzettingen aanzienlijk gewijzigd.
    • De zo vertrouwde Afzettingen van Duinkerke en Calais bestaan niet meer, net als vele andere termen. Daarvoor in de plaats zijn nieuwe namen gekomen.
    • Waar de oude terminologie sterk samenhing met de -veelal veronderstelde- ouderdom van de afzettingen ligt bij de nieuwe indeling veel meer de nadruk op de eigenschappen van de afzettingen en het sedimentair milieu waarin ze zijn gevormd.
    • In 1998 is daarom besloten de bestaande lithostratigrafische indeling voor de afzettingen uit het Kwartair en Boven-Tertiair te evalueren en aan te passen voor gebruik in nieuw te ontwikkelen digitale ondergrondmodellen die de basis vormen voor verschillende vormen van toegepast geowetenschappelijk onderzoek.
    • De herziene lithostratigrafische indeling is daarom vooral gebaseerd op (fysische) macroscopisch waarneembare laageigenschappen waarbij (vaak subjectieve) ouderdomscriteria geen rol meer spelen.
    • Vooral de herziening van de classificatie van de Holocene zee en rivierafzettingen bleek daarbij rigoureus. In het kust- en rivierengebied worden nu drie formaties onderscheiden, puur op grond van hun lithologie die volledig is losgekoppeld van een (veelal veronderstelde) ouderdom.

      Men hanteert als nieuwe indeling de volgende formaties (zie afbeelding hiernaast: klik op de afbeelding voor een vergroting. Diepten in meters ten opzichte van NAP):
    1. De Formatie van Naaldwijk. Deze formatie bevat alle zee-afzettingen die zijn gevormd door de stijging van de zeespiegel als gevolg van het afsmelten van de ijskappen na de laatste ijstijd.
    2. De Formatie van Nieuwkoop omvat al het veen in de kust- en riviervlakte en het resterende veen op de waterscheidingen. Binnen de Formatie van Nieuwkoop worden twee laagpakketten en twee lagen onderscheiden: 1. Het Hollandveen Laagpakket bestaat uit bos-, riet-, zegge-, en soms mosveen. 2. De Basisveen Laag. Deze laag omvat al het veen aan de basis van de Formatie van Naaldwijk.
    3. De Formatie van Echteld. Deze omvat alle rivierafzettingen die in de riviervlakte van de Rijn en de Maas (benedenstrooms van het dal van de Niers) zijn gevormd in samenhang met de stijging van de zeespiegel
    De verleiding om de 'oude' Afzettingen van Duinkerke 0 tot en met III en Calais I tot en met IV te vervangen door het Laagpakket van Walcheren 0 - III respectievelijk Warmer I - IV ligt natuurlijk op de loer. Maar laten we die verleiding weerstaan. Met de nieuwe lithostratigrafische classificatie hopen wij een objectief instrument te hebben aangereikt, dat volledig los staat van een hineininterpretierte ouderdom. Je kunt aan een laag nu eenmaal niet zien hoe oud die is, daarvoor zijn altijd ouderdomsbepalingen nodig, absoluut dan wel archeologisch.

    Commentaar: in dit artikel vergelijken de auteurs twee verschillende zaken: de dateringen van de Duinkerke en Calais-transgressies en de eigenschappen van de afzettingen, ofwel de ouderdom wordt vergeleken met de grondsoort. Feitelijk staan zij slechts een naamsverandering voor, aangezien de namen Duinkerke en Calais afzettingen een ouderdom aangeven waarvan ze menen dat daaruit geen ouderdom te bepalen is. Vreemd is het wel dat de term 'transgressie' ofwel 'overstromingen door de zee' toch wel enkele keren genoemd wordt in dit artikel. Zij spreken liever van een lithostratigrafische indeling, gebaseerd op de grondsoort. De basiseenheid van een lithostratigrafische eenheid is een formatie, die verder wordt onderverdeeld in laagpakketten en lagen samengenomen in een groep. Het geheel is gebaseerd op boormonsterprofielen die een bepaalde interpretatie opleveren, wat de auteurs ook erkennen door te spreken over "Als gevolg daarvan is ook de lithostratigrafische interpretatie voor die Holocene afzettingen aanzienlijk gewijzigd." Met die afzettingen van zee en rivieren die in verschillende periodes en omstandigheden plaats vinden, menen de auteurs dat daar geen ouderdom van te bepalen is, aangezien dat per regio en tijd verschillend kan zijn. Met de afzetting op zich wellicht niet, maar wel met de vondsten in die afzettingspakketten. Als er onder bepaalde afzettingspakketten Romeinse relicten worden gevonden, is het zeker dat die pakketten na de Romeinse tijd afgezet zijn. Dat geldt ook voor de periode tussen 600 en 800. Conclusie: de termen Duinkerke en Calais transgressies kan gevoeglijk gehandhaafd blijven. Het gaat daarbij immers om de ouderdom van de afzettingen en niet over de grondsoort van die afzettingen. Bovendien: veen ontstaat uit plantengroei en dat vormt zich niet onder een afzettingslaag. Die afzettingslaag is er pas later overheen gekomen.
    Voor de beperking van boormonsteronderzoek in de archeologie: zie Archeobrief 4, 2009: 'Oppervlaktegrenzen bij archeologisch onderzoek'. Booronderzoek is in de archeologie het minst duur (dus wordt vaak gedaan), maar levert het minst op. Het zijn speldenprikken in het landschap, waardoor veel gemist wordt.
    Als men de transgressies wilt ontkennen, hoe verklaart men dan dat de Brittenburg momenteel ver in zee ligt en Romeinse relicten tot wel 7 meter onder het maaiveld worden gevonden?
    Feitelijk verandert er niets aan de opvattingen van Albert Delahaye betreffende de transgressies. Of het land nu 20 cm onder water staat of 20 meter (zie afbeelding van Holocene afzetting!), het is onbewoonbaar. Dat het niet overal in laag-Nederland op hetzelfde moment voorkwam doet weinig ter zake. Waar het land maar even droog viel nam de mens het meteen in bezit. Vandaar dat men ook overal wel min of meer sporen van bewonig terugvindt. Maar de veenvorming en het drassige landschap zijn niet te ontkennen verschijnselen. Dat veen bevindt zich meestal onder nieuwe afzettingslagen, die er dus nadien op afgezet zijn.
    Uitgebreide beschrijvingen van de formaties zijn te downloaden van de website www.dinoloket.nl (als de link niet werkt neem www.dinoloket.nl over in je browser) waar ook de nieuwe geologische overzichtskaart van Nederland te vinden is. Deze kaart bevestigt de transgressies zonder meer.
    Zie bij de transgressies.

  11. Archeobrief 2, juni 2006.
    Enkele opmerkelijke bevindingen:
    1. Nieuws: Archeologisch onderzoek in de gemeente Oosterhout heeft aangetoond dat er al in de achtste en negende eeuw bewoning in het centrum van Oosterhout heeft plaatsgevonden. Eerder archeologisch onderzoek had uitgewezen dat dit gebied al voor de tiende eeuw bewoning kende. In de dertiende eeuw is deze bewoning verdwenen en kreeg het terrein een openbare functie in de vorm van een begraafplaats en naderhand marktruimte. Nu blijkt dat er in Oosterhout daadwerkelijk bewoning was in de tijd van Karel de Grote. Naast bewoning uit de achtste/negende eeuw zijn ook vier huisplattegronden uit de elfde tot twaalfde eeuw aangetroffen. Mocht blijken dat deze oudste bewoning continu is voortgezet tot in de twaalfde eeuw, dan zou Oosterhout de eerste nederzetting in Brabant zijn waar de hedendaagse kern teruggaat tot in de Karolingische tijd. Op basis van de huidige vondsten is dit niet met zekerheid te zeggen (zo missen er nog bewoningssporen uit de tiende eeuw), nader onderzoek nabij de Markt zou dit in de toekomst moeten uitwijzen.
    2. Stenen des aanstoots. Door rotsvast te 'geloven in Vermaning' en willens en wetens doof en blind te zijn voor de werkwijze van de vakarcheologen, cultiveert het APAN-bestuur een sfeer van wantrouwen en een controverse tussen 'beroeps' en 'amateurs' die niet meer van deze tijd is. Aldus L.P. Louwe Kooijmans.Het gaat alles met elkaar dus niet om één archeologisch criterium, maar om een hele reeks onafhankelijke argumenten, op grond waarvan de 'belangrijkste vondstgroepen' Hoogersmilde, Eemster en Hijken in elk geval moderne namaak zijn, vals dus. Het is een discussie die in feite al vóór 1950 zijn beslag had gekregen. De artefacten van Vermaning vertonen geen verouderingsverschijnselen, zoals (kleur- of glans-)patina, vorstsplijting, drukkegelties. krassen, maar wel slijpsporen die op het natuurlijke materiaal ontbreken. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat ten minste het materiaal van Hoogersmilde technisch buitengewoon onbeholpen is gemaakt en ook qua samenstelling (aandeel vuistbijlen bijvoorbeeld) curieus is. Het materiaal zou bovendien na vele tienduizenden jaren Weichsel-ijstijd over niet meer dan twee m2 verspreid zijn geraakt, wat eveneens onbegrijpelijk is. Er is ook geen sprake van vondsten in situ, dat wil zeggen in de originele inbedding in stratigrafie of grondsporen. De onderzoeksomstandigheden in Hoogersmilde waren van dien aard dat aan de enkele als zodanig aangemerkte vondsten geen betekenis mag worden toegekend.
  12. Archeobrief 1, maart 2006. Themanummer Overzees erfgoed.
    Enkele opmerkelijke bevindingen:
    1. Oud Vlaardings DNA geeft geheimen prijs. Begin 2002 werd op de locatie Gat in de Markt in Vlaardingen een deel van een duizend jaar oude begraafplaats opgegraven. Uit twee schedels is een kies getrokken, die onderzocht zijn door DNA-deskundige prof.dr Peter de Knijff. Het Vlaardingse materiaal is met name interessant omdat het afkomstig is uit een periode dat Vlaardingen zich tot een belangrijke handelsplaats ontwikkelde. Uit diverse windstreken kwamen er na het jaar 1000 mensen naar Vlaardingen, die zich mogelijk vermengden met de plaatselijke bevolking. Op grond van de resultaten van het kern-DNA kon al worden bepaald dat de twee onderzochte Vlaardingse monsters niet afkomstig zijn van Vikingen. Daar wordt weer een mythe ondergraven. Daarnaast wordt nogmaals vastgesteld dat ook de geschiedenis van Vlaardingen, net zoals veel plaatsen in Nederland, niet verder teruggaat dan het jaar 1000. Ook hier waren het immigranten die naar deze streek kwamen. Of er al een plaatselijke bevolking was, wordt tenminste slechts 'mogelijk' genoemd.
    2. Romeins huis onder Leeuwardens kerkhof. Archeologen hebben tijdens opgravingen op het Oldehoofsterkerkhof in Leeuwarden restanten van een huis uit de Romeinse tijd gevonden. Het woonhuis dateert uit de tweede of derde eeuw na Christus. Volgens onderzoeksleider Oudhof is het huis gebouwd door Friezen of Germanen. De Romeinen zijn volgens de onderzoeksleider wel even in Friesland geweest, maar in de periode dat het huis werd gebouwd, bevonden zij zich ten zuiden van de Rijn. Nog twee mythen die weerlegd worden. Of er in de tweede of derde eeuw al Friezen in Leeuwarden leefden is een mythe. De Fresones leefde in die eeuwen aan de kust van Het Kanaal. Dat Romeinen een huis bouwden in vijandelijk gebied (volgens de traditie) is een farce.
    3. Resten Romeinse brug bij Stramproy. Bij graafwerkzaamheden aan de Tungelroyse beek in de buurt van het Midden-Limburgse Stramproy hebben archeologen de resten gevonden van een houten brug, die dateert van rond het begin van de jaartelling. Van de brug zijn, over een lengte van ongeveer 50 meter, nog twee rijen houten palen goed zichtbaar. De dwars latten van de brug zijn niet meer aanwezig. In de directe omgeving van de brug troffen de archeologen ook diverse metalen voorwerpen uit de Romeinse tijd aan, zoals Romeinse munten, kledingspelden (fibulae), een ijzeren bijl en zelfs een zeer zeldzame Keltische munt. Een Romeinse brug uit begin eerste eeuw betekent dat de Romeinen al in Stamproy zouden zijn geweest voordat ze in Keulen of Xanten waren en dat lijkt me niet juist.
    4. Nijmeegse archeologen misleid door vervalser. In 2000 haalde de ontdekking van vijf Romeinse voorwerpen in de Nijmeegse binnenstad het landelijke nieuws. Ze zouden het bewijs vormen dat reeds in de tweede eeuw christenen in het Romeinse Noviomagus woonden. De vervalste voorwerpen betreffen aardewerkscherven, glas resten en een loden plaatje waarop christogrammen zijn ingekrast. (Zie afbeelding hiernaast). Het aanvankelijke wantrouwen van de Nijmeegse archeologen na de eerste vondst in 1995 werd weggenomen toen er in latere jaren herhaaldelijk tweede-eeuwse christogrammen werden gevonden. Klassiek archeoloog Dé Steures bleef echter twijfelen aan de authenticiteit van de christogrammen, en hij wist de Nijmeegse archeologen over te halen een onderzoek te starten. De bevindingen van dat onderzoek zijn onlangs gepubliceerd in het Nijmeegse jaarboek Numaga. De Nijmeegse archeologen geven toe dat ze ondanks hun twijfels destijds niet kritisch genoeg zijn geweest. Welke motieven de Nijmeegse vervalser had, blijft vooalsnog onduidelijk. De Nijmeegse geschiedenis ken wel meer gevallen van vervalsingen. Zie verder bij Nep in Nijmegen
    5. In Rijswijk is een groot stuk van een mijlpaal uit de Romeinse tijd opgegraven, de achtste mijlpaal die ooit in Nederland is gevonden. Het gevonden fragment is geplaatst tijdens de regeringsperiode van keizer Caracalla en dateert uit het begin van de derde eeuw na Christus. Het bevat een zesregelige tekst, die in de rode zandsteen is uitgehakt. De mijlpaal stond langs een weg die van de stad Forum Hadriani naar het zuiden liep. De resten van deze stad bevinden zich onder het huidige park Arentsburgh in Voorburg. En groot stuk van een mijlpaal? Waar is de rest? Aangezien er met mijlpalen door het hele Romeinse rijk werd gesleept, is uit een vindplaats geen conclusie te trekken. Kwamen die mijlpalen in Zuid-Holland terecht door handelaars en om te gebruiken als bouwmateriaal?
    6. De zaak Vermaning en het einde van een vakgebied. De in situ-vondsten van Hoogersmilde en Hijken van Vermaning werden in I975 vals verklaard, omdat deze hoogglans ontbreekt. In 2004 signaleerde een team onder leiding van prof. Roebroeks, zonder op te graven, voor de vindplaats Eemster van Vermaning daarom toch weer het ontbreken van 'windlak' op de artefacten. Vals dus! De Vermaningvondsten werden echter vals verklaard. Daarna zijn alle andere gepresenteerde 'verse' vondsten met 'niet-geijkte' archeologische argumenten afgewezen. Men verklaart ze incerto facto (onzeker hoe ontstaan), plaatst ze in het Neolithicum, ziet er ploeg-retouche in en complete graafmachine maaksels. Soms kent men de vorm van retouche niet, en dan is het natuurlijk ook niks. Is het een teken van onvermogen van 'het vak' om met de werkelijkheid om te gaan? Of heeft de zaak Vermaning een onoverkomelijke hindernis opgeworpen? In het verleden stelde J.E.Bogaers al dat hij Vermaning wel geloofde, maar Delahaye niet. "Delahaye is Vermaning niet. Dat is toen een heel slechte, onfatsoenlijke kwestie geweest. Ik sta achter Vermaning, maar deze Delahaye? Die daast maar door, die gaat z'n gang maar." Maar hoe liep het af met Vermaning? Vondsten Tjerk Vermaning vals: AD/AC. 14-12-2004. Bogaers ging hier dus af als archeoloog: De vondsten van Vermaning bleken vals en Bogaers had ongelijk met zijn opvatting dat de vondsten van Vermaning echt waren. De vraag is of Bogaers de vondsten ooit zelf onderzocht had of dat hij slechts anderen klakkeloos napraatte, wat doorgaans zijn 'wetenschappelijk werk' was.


Archeobrief 2005


  1. Archeobrief nr.4, december 2005. Een bronzen beeldje van de Romeinse god Mars uit Helden.
    Het beeldje kan niet nauwkeuriger gedateerd worden dan de tweede tot derde eeuw." Wat de precieze betekenis van het beeldje voor de plaatselijke bewoners is geweest en hoe het ter plaatse is gekomen is onduidelijk. Dergelijke beeldjes waren over het algemeen in gebruik als wijgeschenken of objecten voor persoonlijke religie. Mogelijk was in het huis een huisaltaar aanwezig en was het daar geplaatst ter verering. In dezelfde kuil werd een werpbijl, een zogenaamde 'Francisca', gevonden. Op basis van de vorm kan de bijl tussen 400 en 440 na Christus gedateerd worden. De bijl behoorde tot de uitrusting van een soldaat en wordt bij archeologische onderzoeken voornamelijk aangetroffen als grafgift. De mogelijkheid bestaat dat beide voorwerpen toebehoorden aan een gepensioneerde soldaat, die zich had gevestigd in deze nederzetting.
    Commentaar: uit deze vondst van dit beeldje en de werpbijl uit twee verschillende eeuwen blijkt hoe onzeker archeologische opvattingen zijn. Betekenis? Wijgeschenk? Persoonlijke religie? Huisaltaar? Soldaat? Gepensioneerde soldaat? Zich gevestigd? Grafgift? Het is een schoolvoorbeeld van speculatie in de archeologie.


  2. Archeobrief nr.4, december 2005. Romeinse architectuur in Nijmegen. (Harry van Enckevort).
    Een gedegen wetenschappelijke analyse van zestig jaar opgraven in Nijmegen en een onderzoek naar de (inrichting van de) vier opeenvolgende Romeinse legerplaatsen in Nijmegen-Oost en de beide stedelijke nederzettingen Oppidum Batavorum en Ulpia Noviomagus, evenals van de aangetroffen bouwmaterialen is lange tijd grotendeels achterwege gebleven. Sinds het midden van de jaren negentig vind er in Nijmegen een interessante ontwikkeling plaats die onvermoede nieuwe mogelijkheden bied om inzicht te krijgen in de architectonische en bouwkundige aspecten van Romeinse gebouwen. Uiteindelijk moeten de analyses van individuele gebouwen resulteren in een beter begrip van de legerplaatsen en stedelijke nederzettingen en hun omgeving. De reconstructie van het omstreeks 12-10 voor Christus gebouwde, luxueuze woonverblijf (praetorium) van de Romeinse legeraanvoerder Drusus op het Kops Plateau. In een volgende stap is het omstreeks het jaar 100 gebouwde hoofdkwartier (principia) van de legerplaats van het Tiende Legioen gereconstrueerd. De tentoonstelling en de gelijknamige publicatie (Annelies Koster, Kees Peterse & Louis Swinkels, Romeins Nijmegen boven het maaiveld. Reconstructies van verdwenen architectuur, Nijmegen 2002) hebben laten zien welke kansen en mogelijkheden er zijn voor de uitwerking van gebouwen en de nieuwe visualiseringen van het Romeinse verleden van Nijmegen. Deze bevatten niet alleen opmerkelijk meer detail dan de al bestaande artist impressions, vogelvluchttekeningen en overzichtsmaquettes, ze hebben bovenal de Nijmeegse gebouwsporen als uitgangspunt en zijn tot stand gekomen vanuit een multidisciplinaire benadering, waarvan het eindresultaat, de beargumenteerde reconstructie, verifieerbaar is. Een belangrijk probleem van veel reconstructies van Romeinse gebouwen is dat zij in onvoldoende mate vanuit het bouwwerk zelf tot stand zijn gekomen. Vaak wordt de verschijningsvorm van op andere plaatsen onderzochte en beter geconserveerde gebouwen met een overeenkomstige functie, maar ook die van oudere reconstructies opgelegd aan het te reconstrueren bouwwerk zonder dat uitputtend getoetst wordt of dat op goede gronden geschiedt. De uitkomst van het reconstructieproces is dan in hoge mate voorspelbaar en bevestigt in hoofdzaak dat wat al bekend was, of datge-ne wat in bredere kring als aannemelijk is aanvaard.

    Commentaar: dat is precies het probleem met Romeins Nijmegen: talrijke als aannemelijk aanvaarde reconstructiies worden niet op goede gronden getoetst. Zo kan men wel blijven schermen met het Oppidum Batavorum, maar zolang het niet gevonden is
    (zie W.Willems) zijn het luchtkastelen.


  3. Archeobrief nr.4, december 2005. Nieuws en korte mededelingen.
    1. Oudste huis van steen gevonden. Archeologen van de gemeente Nijmegen hebben op het St. Josephhof de funderingen gevonden van het tot nu oudste stenen huis van Nederland. De funderingen dateren uit 40 na Christus. In de bouwput zijn ook antieke dakpannen en siervoorwerpen aangetroffen. Alles wijst erop dat kort na het begin van de jaartelling op deze plaats vooraanstaande mensen hebben gewoond. Het is voor het eerst dat er in Nederland resten van een natuurstenen fundering en een pannendak zijn gevonden. De archeologen vermoeden dat de muren van het gebouw van aangestampte leem waren. Het is niet met zekerheid te zeggen wat de functie van het gebouw was. Mogelijk was het een openbaar gebouw, maar het is niet uit te sluiten dat het om een luxe woning van een belangrijk ambtenaar gaat. En huis? Alles wijst erop? Voor het eerst? Archeologen vermoeden? Niet met zekerheid te zeggen? Mogelijk? Niet uit te sluiten? Belangrijke anbtenaar?

    2. Nijmeegse buurt zet Bataven op de kaart. Bataafs Kwartier, zo moet de buurt rondom het Nijmeegse St.-Josephhof voortaan gaan heten als het aan de buurtvereniging ligt. Voorzitter van de buurtvereniging Aldo Paula legde aan De Gelderlander uit: 'Hier lag de Bataafse stad Oppidum Batavorum. Iedereen heeft het maar steeds over de Romeinse stad Nijmegen, maar dit is een Bataafse buurt.' De nieuwe naam werd op zondag 4 september op feestelijke wijze ingewijd. De buurtbewoners schrikken daarbij niet terug om het oude beeld van de drin-kende en schransende Bataven in stand te houden met een heuse Bataafse Preuverij, waarbij ook een nieuw Bataafs biertje, 't Bataaf]e, ten doop werd gehouden. Blijkbaar voelen die buurtbewoners zich ook Bataven en menen zij het Oppidum Batavorum gevonden te hebben, terwijl archeologen het nooit konden vinden. Hier zie je een voorbeeld van hoe een mythe door niet deskundigen een zekerheid wordt. Het zal wel om het bier gegaan zijn, net als in Dokkum waar men Bonifatiusbier kan verkrijgen.

    3. Romeinse pronkhelm in Leidsche Rijn. In Leidsche Rijn is vorig jaar een uitzonderlijk stuk Romeinse bronssierkunst gevonden. Het gaat om een rijkversierde voor-hoofdsband van een helm uit de tweede eeuw na Christus, die is gevonden tijdens archeologisch onderzoek in de wijk De Woerd in Leidsche Rijn, vlakbij een Romeins legerkamp (castellum). Het stuk vertoont een uitzonderlijk vakmanschap en moet afkomstig zijn uit een topatelier. Opmerkelijk is dat dit kostbare pronkstuk opzettelijk lijkt te zijn dubbelgevouwen en weggegooid in een waterput. Dat zou kunnen wijzen op een offerhandeling. De rijkdom en de techniek van de versiering is verwant aan die van de zogenaamde paradehelmen. die grotendeels van versierd bronsblik waren gemaakt en meestal voorzien van een los vizierdeel. Bij de helm uit Leidsche Rijn ontbreekt het vizierdeel echter. Ook de voorstelling wijkt af van het gebruike-lijke beeldprogramma en is bovendien wat verfijnder dan de meeste stukken. De vorm van de voorhoofdsband, de rijkdom van de versiering en de voorstelling maken dat er gesproken kan worden van een raadselachtig en vooralsnog uniek stuk. In de Romeinse archeologische replica's is nogal vaak sprake van unieke stukken. Daaruit blijkt zondermeer dat de Romeinse aanwezigheid niet zo omvangrijk was als altijd aangenoemen wordt. Dan waren er beslist meer pronkhelmen gevonden die als offerstuk waren gedeponeerd.

    4. Forum Hadriani, verloren stad en Nijmegen, oudste stad van Nederland. Voor het eerst wordt in een grote overzichtstentoonstelling aandacht besteed aan Forum Hadriani, naast Nijmegen de enige Romeinse stad in Nederland met stadsrechten. Forum Hadriani was lange tijd de hoofdstad van het Romeinse district van de Cananefaten. Met een tentoonstelling in Museum Het Valkhof laat men bezoekers kennis maken met het roemruchte verleden van Nijmegen. De tentoonstelling is tot stand gekomen in samenwerking met het Bureau Archeologie van de Gemeente Nijmegen en vormt het feestelijke sluitstuk van de viering van het 2000-jarig bestaan van Nijmegen.
      Commentaar: Het zal toch ooit wel eens tijd worden dat men de mythe eens loslaat dat Nijmegen de oudste stad van Nederland is. 2000-jarig bestaan van Nijmegen? Dat betekent dus dat Nijmegen gesticht zou zijn in het jaar 5 na Chr. Was het dus niet 19 of 16 of 12 of 10 v.Chr. zoals altijd beweerd werd? Dat Nijmegen ooit standrechten gekregen zou hebben is eveneens een mythe. Daar is geen enkele bewijs voor. Lees daarover meer bij
      Nijmegen oudste stad? Het is gebaseerd op aannamen en veronderstelling van prof.J.E. Bogaers die dat overigens zelf ook tegensprak. Zie bij Bogaers en lees het zelf.
      Net als Nijmegen heeft ook Forum Hadriana nooit stadsrechten gekregen. Dat zijn nog steeds onbewezen hypothesen. Ook nu nog in 2020.



  4. Archeobrief nr.3, september 2005.Kiespijn: het gebruik van selectieagenda's de Nederlandse archeologie.
    De geest van Malta verschuift de subsidiearcheologie naar kostprijsarcheologie met een duidelijke resultaatverplichting. Waarom kiezen? Het gaat om Kwalitatieve normen die grenzen stellen aan wat archeologisch belangrijk moet worden beschouwd (bijvoorbeeld bepaalde archeologische perioden of kennisthema's: een selectieagenda) en Kwantitatieve normen die grenzen stellen aan wat als een bedreigende ingreep moet worden beschouwd (bijvoorbeeld de minimale grootte of diepte van een ingreep waaraan voorschriften worden gekoppeld).
    Ongeveer 45 procent van het Nederlands landoppervlak komt in aanmerking voor archeologisch vooronderzoek of maatregelen als bodemverstoring (bijv. voor woningbouw) dreigt. De archeologiebalans geeft een goed overzicht van de kennislacunes in de verschillende Nederlandse archeoregio's. Het gebruik van de balans voor selectiedoeleinden is echter omstreden. We kunnen simpelweg niet alles willen weten.

    Commentaar: de genoemde selectiedoeleinden vormen te vaak al vooringenomen opvattingen van wat men ergens wil vinden, waarop de vondsten worden aangepast. Sprekend was de opmerking van W.A. van Es, nog voordat er één schop de grond in gegaan was: "We gaan Dorestad opgraven".


  5. Archeobrief nr.3, september 2005. Ook in deze Archeobrief enkele opvallende zaken onder de noemer 'Nieuws' en of Forum.
    1. Het oudste Romeinse vrachtschip van Nederland ligt in Leidsche Rijn en dateert uit de jaren tachtig van de eerste eeuw na Christus. Dat verklaarde gemeentelijk archeoloog Erik Graafstal eind juni na afloop van drie dagen van intensief archeologisch onderzoek. Graafstal noemt de datering van De Meern 4 uniek. Uit de constructie kan worden afgeleid dat het schip een tussenvorm is van zowel mediterrane als van inheemse scheepsbouwtechnieken. Het schip is daarmee een voorloper van het zogenaamde ZWammerdamtype. Ook hier is weer sprake van uniek ofwel 'waar geen tweede exemplaar van bestaat' (volgens Van Dale). Maar hoeze Romeins met inheemse bouwtechnieken?

    2. Eerste Keltische muntschat van Nederland ontdekt op een akker in het Limburgse Echt van zeventien munten. Deze zijn van zilver, vermengd met koper en wat goud. De ontdekking van deze eerste Keltische muntschat uit ons land is van grote wetenschappelijke betekenis. Waarschijnlijk dateren de munten uit de periode tussen 50 en 20 voor Christus. Hoewel het om Keltische munten gaat, zijn ze geslagen door enkele Germaanse stammen, waaronder de Bataven. Waarschijnlijk gebruikten de leiders van deze stammen de munten om hun semi-militaire volgelingen te kunnen belonen voor bewezen diensten en trouw. Op de plek waar de eerdere munten waren aangetroffen, troffen de onderzoekers los in de bouwvoor nog negen nieuwe exemplaren van hetzelfde type aan. Er bestaat volgens de archeologen geen twijfel over dat het hier om een verploegde schat gaat. Twee munten plakten zelfs nog aan elkaar. Bovendien bleek uit het onderzoek dat op dezelfde plaats zich oudere graven uit de Vroege IJzertijd (ongeveer 700 voor Christus) en jongere graven uit de Romeinse tijd bevinden. Deze 'Keltische' muntschat was door Bataven geslagen? Het betreft de zogenaamde schoteltjes munten die ook in Noord-Frankrijk gevonden zijn en daar ‘Statères Ambiani’ en ‘Statères Suessions’ heten en vergelijkbaar zijn met de muntschat van Amby (lees meer).

    3. Paardenschedels in Haagse waterput. Haagse archeologen ontdekten begin mei bij de Uithofslaan een bijzondere dertiende-eeuwse waterput. Ter plekke is ook een deel blootgelegd van de fundamenten van de middeleeuwse 'uithofsboerderij', waaraan het huidige gebied zijn naam dankt. Er zijn sporen gevonden uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen. Ziet U ook hier weer het gat tussen de Romeinse tijd en de late middeleeuwen? dit gat is kenmerkend voor de Nederlandse archeologie, slechts hier en daar sporadische onderbroken met incidentele vondsten uit de periode van het gat.

    4. Archeologie, opgraven en erfgoed: de eindeloze discussie over 'Malta'. De discussie in de Nederlandse archeologische gemeenschap gaat al vele jaren over hetzelfde onderwerp: de invloed van 'Malta'. De discussie verloopt ook al jaren volgens een vast stramien van verwijten waarin persoonlijke grieven, generatieconflicten en zakelijke argumenten moeiteloos gecombineerd worden tot ongenuanceerde uitspraken. De universiteit klaagt over de kwaliteit van het veldwerk door bedrijven en de dreigende inkapseling in het Malta-bestel. De commerciële archeologie vindt dat de universiteit arrogant is en zich terugtrekt in haar ivoren toren, doof voor de werkelijkheid. Hoe aangenaam overzichtelijk zo'n tegenstelling ook is, het geeft geen inzicht in de huidige situatie. Volgens Alexander Verpoorte van de Universiteit van Leiden zijn twee aspecten van belang: het onderscheid tussen archeologie en erfgoed en de aard van archeologisch veldwerk. Ik vind het verhelderend om in het boek Heritage: management, inierpretatien, identity van Peter Howard te lezen dat 'erfgoed geen tak is van archeologie, architectuur, kunstgeschiedenis, geschiedenis, geografie of ecologie, die zich allemaal, tenminste gedeeltelijk, bezighouden met de studie van fenomenen die vaak als erfgoed beschouwd worden'. Erfgoed en archeologie staan voor twee perspectieven op het verleden. Archeologie is gericht op het verleden als zodanig. Erfgoed is gericht op de vraag hoe het verleden behouden en geïnterpreteerd kan worden in het licht van heden en toekomst. De discussies in de archeologie zouden zich niet moeten beperken tot het hier genoemde, maar vooral over de interpretaties van de vondsten moeten gaan. Zoals hierboven vermeld blijken Romeinse schepen door niet-Romeinen gebouwd te zijn. Hoe zit dat met verloren munten enzovoort?


  6. Archeobrief nr.2, juni 2005.Buitengewone graven in Haags duingebied.
    Het derde inhumatie graf spande de kroon. Losse klinknagels, verspreid over het vlak, kondigden al aan dat er iets bijzonders op handen was. Verder uitgraven bevestigde dat: op een dieper niveau bleken de klinknagels in patroon te liggen. Later bleek het om een aantal rijen boven elkaar te gaan. Tot nu toe zijn er geen parallellen hiervan uit Nederland bekend of als zodanig herkend! Klinknagels werden in deze periode alleen in de scheepsbouw gebruikt. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat het hier om scheepshout moet zijn gegaan. Even is gedacht aan een echt bootgraf, maar dat bleek niet het geval. Er wordt daarom nu van uitgegaan dat de kuil aan weerszijden met delen van een schip bekleed is geweest, misschien om op die manier een grafkamertje te creëren. Het bootvormige graf heeft enkele bronzen voorwerpen opgeleverd, die beschouwd kunnen worden als bijgiften. De belangrijkste is een groot versierd beslag dat ingelegd is geweest met drie knoppen, die helaas verdwenen zijn. Ook in dit graf was geen lichaam te bekennen, maar wel een aantal tandkapsels. De datering van het graf blijft vooralsnog onzeker. Het is in elk geval een latere bijzetting: onder het spoor kwam een urn tevoorschijn, die bij het graven van de grote grafkuil duidelijk be-schadigd is geraakt. Het brons plaatst de datering op zijn minst in de zevende eeuw, maar een iets latere datering mag voorlopig nog niet worden uitgesloten.
    Commentaar: ook hier weer een uniek graf, warvan geen parallellen bekend zijn in Nederland. Er wordt ook hier weer het nodige verondersteld en er blijft nogal veel onzeker.


  7. Archeobrief nr.2, juni 2005. Graven in Vlaardingen.
    Uit de summiere historische bronnen komt een beeld naar voren van een nederzetting, die vanaf het einde van de tiende eeuw een turbulente ontwikkeling doormaakt en zich in de elfde eeuw ontpopt als de belangrijkste plaats in het Westfriese graafschap dat vanaf 1101 Holland zou heten. Maar wat resteert daarvan in de bodem? De laatmiddeleeuwse bronnen zijn namelijk niet erg hoopgevend. Vlaardingen lag langs een kruising van waterlopen: de Oude Maas, de Merwede en de Vlaarding. Deze strategische ligging had veel voorspoed bezorgd, maar vanaf de twaalfde eeuw troffen diverse grote overstromingen Vlaardingen. Deze overstromingen deden historische schrijvers in de zestiende eeuwen later verzuchten dat Vlaardingen door het 'gestadig aankletzen der stroomen, zyne muren zoude hebben verloren en als uit zyne eerste plaatze zoude zijn verzet.' De voormalige Rotterdamse stadsarcheoloog Hoek vermoedde dat het oude Vlaardingen was verdwenen. Hij had namelijk bij archeologisch onderzoek ten zuiden van de kerkheuvel riviersedimenten aangetroffen met verspoeld aardewerk dat minstens terugging tot in de elfde eeuw. Aangezien de ophogingspakketten tot zeker vijf meter diepte reikten, was het noodzakelijk om eerst extra damwanden te slaan. Mede dankzij extra geld van de gemeente en een forse subsidie van de provincie werd het onderzoek mogelijk gemaakt. In het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie kwamen de oudste dij klagen uit het einde van de twaalfde eeuw aan het licht. Vroegmiddeleeuwse nederzettingsresten bleken er echter niet te liggen. Ook begravingen bleven achterwege.

    Vikingen in Vlaardingen? Uit het onderzoek bleek al snel dat het hout uit de graven voornamelijk uit hergebruikt schroothout bestaat. Ze zijn vergelijkbaar met de vrijwel even oude planken die in Tiel zijn gevonden en mogelijk afkomstig zijn van pakhuizen. Van een aantal planken, waarvan vermoed werd dat het om scheepshout zou kunnen gaan, werd de documentatie voorgelegd aan de scheepsbouwdeskundige K. Vlierman. Deze herkende dat een deel afkomstig is van schepen, die in de Vikingbouwtraditie zijn gebouwd. De resten blijken afkomstig te zijn van een Vikingschip dat rond 1009 ± 6 is gebouwd. Uit onderzoek kwam tevens naar voren dat het schip gemaakt is van Engels eikenhout. Vermoedelijk is het schip door Deense Vikingen gebouwd, die zich in Engeland hadden gevestigd. De planken waren verwerkt als deksel van een graf, dat op grond van een in het graf gevonden beuken plankje, kort na 1043 kan worden gedateerd. In hetzelfde graf kwamen resten van een Vikingschip uit circa 918 (± 6) aan het licht. Zeer waarschijnlijk gaat het om resten van een tweede, ouder Vikingschip. Het is pas voor de tweede keer dat er in Nederland resten gevonden worden van Engelse Vikingschepen. Het Tielse Vikingschip bleek gebouwd te zijn tussen 1008 en 1018 op een Londense werf. Wellicht dat het Vlaardingse schip daar ook gebouwd is.
    Een ander Vlaardings graf bleek eveneens resten van een Vikingschip te bevatten. Inmiddels dus het derde exemplaar. Nader houtonderzoek maakte duidelijk dat dit schip moet zijn gebouwd op het noordwestelijke vasteland van Europa, het oude Frisia. Tezamen met de vondst van delen van een vikingschip in de haven van Dorestad en klinknagels, die gevonden zijn in de Noord-Nederlandse terpen, ontstaat het vermoeden dat de Friezen schepen bouwden in dezelfde traditie als de Vikingen. Deze gedachte die Vlierman eerder opperde voor het restant van het Vikingsschip van Dorestad, krijgt daarmee nu meer vaste grond. Tussen de naden van de overlappende scheepsdelen van het Vlaardingse Friese Vikingschip kwam goed geconserveerd breeuwsel aan het licht. Handel zal de Westfriese graven meer voorspoed hebben gebracht dan plunderingen. Ook de spaarzame Vlaardingse munten die in Scandinavië zijn gevonden, doen vermoeden dat Vlaardingen was opgenomen in het internationale handelsnetwerk. In dat licht mogen we vermoedelijk ook de aanwezigheid van de resten van de Vikingschepen verklaren. Welvarend en gewelddadig in een kwelderachtige, boomarme omgeving. Dit geldt echter voor een groot deel van het kustgebied in Noordwest Europa, zodat een nadere herkomstbepaling niet mogelijk is. De vraag is hoe de Vikingschepen in Vlaardingen terecht zijn gekomen. Zouden ze afkomstig kunnen zijn van de plunderingen van de Westfriese graven, die hebben geleid tot de veldslagen in 1018 en in de periode 1046-1049 bij Vlaardingen? Dat lijkt niet waarschijnlijk. Vlaardingen beschikte over een eigen haven. Met behulp van 14C-datering kon alsnog worden vastgesteld dat de boomstamkist in de eerste helft van de elfde eeuw gedateerd kon worden.

    Commentaar: er wordt nogal veel verondersteld of aangenomen (zie de onderstreepte woorden). Dat er Vikingen in Vlaardingen zijn geweest is dus een mythe, een onbewezen hypothese. Ook hier spelen de overstromingen=transgressies de bewoners parten eb net ophogingspakketten tot zeker vijf meter zijn langdurige transgressies niet te ontkennen. Ook hier blijkt weer dat de geschiedenis van Vlaardingen niet verder teruggaat dan de 11e eeuw. De boomstamkist wordt dan wel in de eerste helft van de elfde eeuw gedateerd, maar hierbij gaat het om de kapdatum en niet over de tijd dat het hout gebrukt werd. Dat kan zo decennia later geweest zijn.


  8. Archeobrief nr.2, juni 2005. Gaapt er een gat tussen universiteiten enbedrijfsleven?
    Er blijkt geen overstemming te zijn hoe de universiteiten en het Nederlandse archeologische veld gaan samenwerken om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. De archeologische markt in Nederland lijkt niet tevreden met wat net afgestudeerde archeologen kunnen en weten. Marten Verbruggen, directeur van RAAP, maar ook Wilfried Hessing, managing partner van Vestigia, stellen dat de masters vermoedelijk pas na enkele jaren meer verantwoordelijk werk kunnen verrichten, zoals een opgraving leiden of een archeologisch advies opstellen. Voor Hessing is het geen vraag meer. Ja, er gaapt een gat tussen opleiding en praktijk. 'Er bestond altijd al een kloof, want een universitaire studie is geen beroeps-opleiding.' Er ontbreekt nogal veel aan de archeologische opleiding, vandaar dat er zes suggesties worden gedaan; 1. Meer geld. 2. Post-doc onderwijs uitbreiden. 3. Aparte HBO-opleiding archeologie. 4. Mentorschap. 5. Uitruil van medewerkers. 6. Samenwerken van universiteiten.
    Commentaar: Er blijkt dus nog heel wat mis in de archeologische wereld. Behalve gebrek aan kennis (punt 2, 3 en 4) is ook de samenwerking tussen universiteiten (punt 5 rn 6) dringend aan verbetering toe. Voordat dit alles gerealiseerd is kunnen we de archeologie, die vaak nogal boude uitspraken doet, niet al te serieus nemen.


  9. Archeobrief nr.2, juni 2005. In het Nieuws.
    1. Uitspraken van prof.dr.J.G.N.Renaud: "Veel schreef men van elkaar over". 'Pas na de komst van Van Es in 1965 vond de verwetenschappelijking van de archeologie plaats'. "Aanvankelijk wisten we van MIddeleeuws aardewerk vrijwel niets." 'Ik heb mijn archeologische scholing vooral in de praktijk genoten'. Dit zijn uitspraken van een toch wel als deskundig staande archeoloog. Deskundig? Op grond waarvan?
    2. Locatie aquaduct Romeins Nijmegen getraceerd. Restanten van een stenen aquaduct zijn in Nijmegen nooit aangetroffen. Amateur-archeoloog Brus uit Beek opperde dat wellicht een combinatie van aardwerken, dijken en geulen tussen Berg en Dal en Nijmegen overblijfselen zouden kunnen zijn van een Romeins waterleidingsysteem. Ook hier weer veel speculatie. Zie verder bij Nep in Nijmegen.

    3. Woerden 7 van Nederlandse werf. Het Romeinse roei-vrachtschip, de 'Woerden 7', opgegraven in Woerden in 2003, is van Nederlandse makelij! Zo heeft het houtonderzoek uitgewezen dat is uitgevoerd door Yardeni Vorst, archeoloog en houtspecialist. Uit haar onderzoek bleek dat het schip niet alleen uit Duits maar ook uit Nederlands hout was gebouwd. Voor meer informatie: www.woerden7.nl. Dus aan dit Romeinse schip was weinig Romeins te bespeuren.
    4. Nieuws en korte mededelingen in Archeobrief 3 van september 2005.Lees meer....
    5. Prinsenbeekse bodem geeft bewoningsgeschiedenis prijs. Op een voormalig fabrieksterrein ten zuidoosten van Prinsenbeek hebben archeologen van de gemeente Breda opvallend grote boerderijen en diverse waterputten gevonden die dateren van de tiende tot en met de vijftiende eeuw. Bij eerder onderzoek aan de overzijde van de A16, dat werd uitgevoerd in het kader van de aanleg van het HSL-tracé, werden drie losse erven met bootvormige huizen aangetroffen, die stammen uit de periode 800-1000 na Christus. De bewoning van dit deel van Noord-Brabant vertoont ook meerdere gaten. Er is geen Romeins gevonden en vroeg-middeleeuws.

    6. De Meern 1 in winter vergaan. Tijdens de opgraving in 2003 van het Romeinse schip 'De Meern 1' in Vleuten-De Meern is een flink aantal dierlijke botten gevonden. Onderzoekers van de ROB gebruiken de botvondsten voor een reconstructie van de voedselvoorraad aan boord. Onder de botten bevind zich het rechterdijbeen van een vrouwelijke kolgans. Deze vogel is een typische wintergast en verblijft in onze streken van september tot en met februari. Ook van vissen is skeletmateriaal teruggevonden. Twee snoekwervels zijn afkomstig van een flink exemplaar van ruim een meter lang. Grote snoeken laten zich het beste vangen tijdens de paaiperiode in januari en februari, wanneer zij ondiep water opzoeken. Voor beide dieren geldt dat deze vaak snel na de vangst worden opgegeten. Daarmee zijn de botten niet alleen een bron van informatie over het schippersmenu, maar zijn zij ook een belangrijke aanwijzing dat het schip in de winter moet zijn vergaan. De winter is ook de periode van stormen en overstromingen. Zijn dit aak aanwijzingen voor de transgressies?

  10. Archeobrief nr.1, maart 2005. Een naam op een gedenksteen is nooit de naam van de vindplaats.
    Bericht van de 'Tabula Leersumiana'. Enkele citaten uit dit artikel: Het Latijn van deze inscriptie is te fragmentarisch om er conclusies aan te verbinden. Fragmenten van dergelijke inscripties zijn in Nederland slechts sporadisch teruggevonden. Vreemd is dat dit in Leersum gevonden is, waar ten noorden van de Rijn geen militaire of stedelijke bewoning te vinden is. De bronzen inscriptie moet dan ook van elders afkomstig zijn. Achtergebleven kostbaarheden uit verlaten Romeinse legerkampen zijn weggehaald door nieuwsgierige en op buit beluste plunderaars.
    Commentaar: Hiermee wordt overduidelijk aangetoond dat de vindplaats niet de plaats van bestaan is. Hoe vaak wordt dit in de historische geografie wel zo onjuist toegepast? Met verplaatsbare relicten valt niets te bewijzen over herkomst, verlies of verbergen, laat staan dat er een plaatsnaam mee te bewijzen valt.
    In datzelfde nummer wordt (promotie Johan Nicolay) veldmeld dat "vondsten van Romeinse wapens en paardentuig niet vanzelfsprekend hoeven te duiden op de aanwezigheid van een legerkamp of militaire wachtpost in de directe omgeving van de vindplaats".
    Commentaar: Als men dit nu eens gaat toepassen in Nederland, dan zullen veel onbewezen mythen vanzelf verdwijnen.

  11. Archeobrief nr.1, maart 2005.
    Noord-Hollandse Friezen mogen er wezen. Het Frisia project is helaas in een pril stadium gesmoord met schaarse resultaten. Dat de Friezen voor Noord-Holland net zo belangrijk geweest zijn als de VOC, de dijken en de droogmakerijen wordt dan wel gesteld, maar wordt niet met feiten aangetoond. Voor zover we weten is er nooit een duidelijk beeld ontstaan van de Friezen uit de tweede tot vierde eeuw. De Friezen zouden de bedenkers zijn van de maritieme handel in Noordwest-Europa, lezen we. Een conclusie uit dit artikel is toch wel veelzeggend en hoopgevend: De Friezen bestaan genetisch misschien helemaal niet.
    Commentaar: Hier worden zaken uit de tweede helft van het tweede millennium vergeleken met de Friezen uit het begin van het eerste millennium. Vreemd blijft het dat van die handel zogoed als niets in teruggevonden, dan wat scherven. Het Frisia project is om die teleurstellende resultaten dan ook begrijpelijk gestopt.

  12. Archeobrief nr.1, maart 2005.
    In een artikel over prof.dr.P.J.R.Modderman wordt de volgende waarheid geschreven: "We dachten in die tijd nog dat we alles wel wisten, maar dat bleek al spoedig een misrekening".
    Commentaar: Toch worden de bevindingen uit die tijd (het gaat over de jaren voor W.O.2) nog steeds als vaststaande feiten gehanteerd. Veel bevindingen van bijv. prof.Holwerda zijn reeds lang achterhaald, maar men blijft Nijmegen nog steeds het Batavorum van de Bataven noemen, terwijl daar geen enkel bewijs voor is, zowel tekstueel als archeologisch niet.

    Het is dan ook niet verwonderlijk dat vaak het verwijt wordt gehoord dat "honderden misverstanden voortkomen uit het rondpompen van verouderde kennis". Uit onderzoek blijkt dat driekwart van deze fouten voorkwam in publicaties door mensen met een doctorstitel.

2004. Mijn abonnement gaat niet verder terug. Wie heeft er nog oudere jaargangen vanaf 1996? Ik houd mij aanbevolen ze over te nemen.

Er is maar een antwoord op bovenstaande: Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf!