De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Dagobert 1, 2 of 3? Wil de echte Dagobert opstaan?
om het T.V.spelletje "Wie van de drie?" van de AVRO uit de jaren 60 tot 80 aan te halen.

Aan deze pagina wordt nog gewerkt!



Hoewel vrij onbekend heeft men zelfs afbeeldingen en beelden van Koning Dagobert. Deze zijn net zo verzonnen als zijn vermeende geschiedenis (in Nederland?).



De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!



Het missiegebied van Bonifatius dat nog omvangrijker was dan dat van Willibrord. Het kwam slechts tot stand door onjuiste plaatsnamen in dat missiegebied op te nemen, zoals Dokkum, Utrecht, Dorestad, Fulda en Echternach. Het missiegebied van Bonifatius en Willibrord beperkte zich tot Frans-Vlaanderen, waar Tournehem, Duinkerke, Audruicq en Epternacum lagen. Over Fulda kunnen we slechts meedelen dat het ten tijd van Bonifatius geen klooster bevatte en zeker geen tradities rond om Bonifatius. Volgens de traditie stichtte Bonifatius in 744 de benedictijnerabdij in Fulda. Vreemd blijft het dan dat hij als abt of bisschop in de lijsten van abten of bisschoppen in Fulda ontbreekt. Fulda wordt pas in 1150 voor het eerst vermeld door monnik Eberhard. In het jaar 1150 heeft die Eberhard in het -toen daar bestaande- klooster documenten verzameld om het verleden en de juridische rechten van het klooster vast te leggen. Van deze Annalen van Fulda is aangetoond dat het vervalsingen zijn uit 12e eeuw, opgesteld ten faveure van het bisdom. Ze zijn net zo vals als de Koorkap van Bonifatius die in het Catharijne-Convent in Utrecht bewaard wordt en die uit de 12de eeuw stamt.
Een van de meest intigrerende personen uit de vroegste geschiedenis (van Nederland?) is koning Dagobert geweest. Maar welke Koning Dagobert? Daarmee worden nog steeds de meest gebruikelijke fouten gemaakt, aangezien weinig bekend is over de verschillende 'Dagoberten'. Dagobert zou in Utrecht een kerkje gebouwd hebben dat, na vervallen te zijn, door Willibrord herbouwd zou zijn geworden.
De meeste historici lijken te accepteren dat de schenking aan Keulen was gedaan door koning Dagobert I (623-638/639), dus ongeveer zestig jaar voordat Willibrord aankwam op het continent. Die datering is echter minder zeker dan tot nog toe aangenomen, en wel om twee samenhangende redenen. Ten eerste is het goed mogelijk dat in Bonifatius' tijd al niet meer bekend was welke koning de kerk had geschonken, en ten tweede lijkt uit de beschikbare gegevens Dagobert Il (676-679) minstens zo'n goede kandidaat te zijn als schenker. Dat het Dagobert III (ca.699-715/716?) ten slotte geweest zou zijn, lijkt uitgesloten.
Overigens is van dat kerkje van Dagobert bij opgravingen op het Domplein in Utrecht NIETS gevonden. Lees meer over Oud-Utrecht.

De visie van Albert Delahaye.
Omtrent de Frankische koning Dagobert is weinig met zekerheid bekend. Tegenwoordig wordt de 'heilige' Koning Dagobert meestal geïdentificeerd met Dagobert II, hoewel niet iedereen daarvan overtuigd is. Die identificatie ligt nauwelijks voor de hand wanneer de hagiografische teksten over de martelaar als uitgangspunt genomen worden. De oudste daarvan dateert misschien van het einde van de negende eeuw, maar eerder uit de tiende of elfde eeuw. De auteur van die Vita Dagoberti beschikte duidelijk over weinig informatie over de held die hij moest beschrijven, afgezien van diens naam en titel. Daarom gebruikte hij verhalen over elke koning Dagobert die hij kon vinden. De meeste van die verhalen handelen over Dagobert III en diens tijdgenoten. Het is in elk geval duidelijk (zie de teksten hieronder) dat Dagobert als Koning van de Franken in Frankrijk en alleen in Frankrijk thuis hoort. Er is geen enkele tekst die het aannemelijk maakt dat hij in Nederland resideerde. En met de ten onrechte in Nederland geplaatste Koning Dagobert, verdwijnen ook andere Frankische vorsten uit Nederland, met als ultimo Karel de Grote,



Een brief van Bonifatius.
Op een zeker moment in de laatste jaren voor zijn dood op 5 juni 754 schreef Bonifatius een veelbesproken brief aan paus Stephanus 11 (752-757) om diens steun te vragen in een conflict met de bisschop van Keulen omtrent de Kerk te Utrecht. De brief begint met een summier overzicht van de geschiedenis van die Kerk in de voorafgaande halve eeuw zoals Bonifatius die zag. Nadat paus Sergius (687-701) Willibrord tot bisschop had gewijd, zou hij hem de opdracht hebben gegeven om de Friezen te bekeren. Gedurende de vijftig jaar dat Willibrord zich van die taak had gekweten, zou hij onder andere een kerk hebben gebouwd in Utrecht, die gewijd was aan de heilige Salvator, en daar zijn bisschopszetel in geplaatst. Na de dood van Willibrord zou koning [sic] Karloman aan Bonifatius de opdracht hebben gegeven om zorg te dragen voor deze zetel en er een bisschop te benoemen.
Het Kerkje van Dagobert in Utrecht.
Bonifatius schrijft in die brief ondermeer: "Nu heeft echter de bisschop van Keulen zich de zetel van genoemde bisschop Clemens [dit is Willibrord], die door paus Sergius gewijd werd, toegeëigend en hij zegt dat deze aan hem behoort wegens de fundamenten van een door de heidenen verwoest kerkje, dat Willibrord, met de grond gelijk gemaakt, aangetroffen had binnen de burcht Utrecht en dat hij eigenhandig van de grond af weer heeft opgebouwd en gewijd ter ere van Sint Maarten. Hij [de Keulse bisschop] beweert, dat de burcht Utrecht door de vroegere koning van de Franken Dagobert, samen met die verwoeste kerk, aan het Keulse diocees was gegeven, onder die voorwaarde dat de bisschop van Keulen het volk van de Friezen zou bekeren tot het christendom en hun prediker zou zijn. Maar dat heeft hij niet gedaan".


Het spijt me voor de Grote Winkler Prins, maar het gangbare verhaal over de Friezen, Franken en Saksen is van A tot Z een fabel wat betreft de plaatsing van de oude Friezen “van Cadzand tot de Weser”. Inhoudelijk klopt het een beetje, al zal de aandachtige lezer zelf wel de onzekerheden en de tegenspraken bemerken met betrekking tot dit “schuivend” volk. Tacitus, die het eerst over de Friezen bericht, plaatst hen met duidelijke woorden in Vlaanderen. De Wisurgis van de klassieken was niet de Weser, maar de Wimereuz in Frans-Vlaanderen. Er bestaat geen enkele tekst over enig verband of contact tussen Friezen en Juten. Dit is een van de vele uit de duim gezogen beweringen. Dagobert, die nooit enige bemoeienis met Nederland heeft gehad, wordt er met de haren bijgesleept om toch een link te kunnen leggen over enige volledig lege eeuwen.

Wat weten we uit de klassieke teksten? In rood de plaatsen volgens de visie van Albert Delahaye.

  • Blijkens betrouwbare gegevens had Trajectum al een kerk onder de koningen Chlotarius I (511 - 561) en Theodeberthus (595 - 612). St. Bonifatius spreekt over een kerk onder koning Dagobert (629 - 630). Beda zegt, dat koning Pepijn aan St.Willibrord als plaats voor zijn zetel de beroemde burcht Wiltaburg aanwees, de stad van de Wilten, die in de Gallische taal Trajectum werd genoemd, in het Engels Aettreocum. De hier geschetste voorgeschiedenis is voor Utrecht totaal onaanvaardbaar; het bestaan van de stad is niet eens ten tijde van St.Willibrord archeologisch bevestigd, nog minder twee eeuwen tevoren. De Gallo-Romaanse naam Trajectum kan in Nederland niet hebben bestaan.

  • 622 na Chr. Koning Dagobert bij de Wimereux en de Schelde.
    In die dagen vormden de opstandige Saxones een groot leger... tegen koning Dagobert of Chlotarius. Dagobert (Dagobert I, zoon van Chlotarius II, uit het huis van de Merovingers, was koning van de Franken tussen 623 en 639) verzamelde een sterke krijgsmacht, trok de Renus (Schelde) over en aarzelde niet de strijd tegen de Saxones aan te binden... (Daar hij het alleen niet kon klaren, riep hij zijn vader te hulp). Die snelde spoedig toe en drong het Ardenner Woud binnen, nadat hij de Renus was overgestoken. Daar kwam Chlotarius ook heen met een machtig leger... Toen zij aldus verenigd waren en blij in de handen klapten, trokken zij naar de rivier de Wisera (niet de Weser maar de Wimereux), waar zij hun tenten opsloegen.

  • 625 na Chr. Dagobert bij de Schelde.
    Hij (koning Dagobert) ging terstond op weg, stak de Renus (Schelde) over, en door het Ardenner Woud, waar koning Chlotarius zich toen ophield, kwam hij tot bij Langolarium. Bronnem: Gesta Dagoberti, HdF, II, p. 583. Chroniques de St. Denis, HdF, Hl, p.282.
    Langolarium is Longueville, Longfossé of Longuerecque, alle op ca. 15 km zuidoost van Boulogne. In Frankrijk bestaat een overdaad van mogelijkheden om deze plaats te lokaliseren. In de buurt van de Duitse Weser is de naam niet terug te vinden.

  • 629 na Chr. Handelaars van de Saxones op de markt te Parijs.
    Koning Dagobert geeft aan de abdij van St. Denis te Parijs het recht van een markt in te stellen, en bepaalt wat de onderscheiden plaatsen, vanwaar de handelaren komen, moeten betalen. Genoemd worden de handelaars van : Rouaan, Wicus Portus (Quentovicus), de Saxones, de Ungarii, de Longobardi). Bron: Diplomata Chlotarii, HdF, IV, p. 627.
    De herkomst van deze Saxones staat niet vermeld. Daar zij al op verschillende plaatsen in Frankrijk waren gevestigd, kan natuurlijk niet aan Duitse Saksen worden gedacht.
    De Ungarii waren de bewoners van Unchair, op 21 km west van Reims. Bij deze markt in Parijs met een toestroom van regionale handelaars kan bij de naam van Longobardi natuurlijk niet aan het noorden van Italië worden gedacht. Het waren de Langobardi van Lompret.

  • 630 na Chr. Koning Dagoberti (weer) bij de Wimereux.
    Koning Dagobert streed tegen Bertold, de aanvoerder van de Saxones. Hij raakte met hem slaags toen hij de Renus was overgestoken. Zijn vader was op jacht te Langolaria. Hij snelde Dagobert te hulp; aan de rivier de Wisera (Wimereux) zette hij zijn tenten neer. Bronnen: Aimoini gesta Francorum, HdF, III, p. 126. Gesta Dagoberti, HdF, II, p. 580; MGS, II, p. 404. Fredegarii chronicon, MGS, ü, p. 158. Hist. regum Francorum S. Dionisii, MGS, IX, p. 397.
    De tekst lijkt veel op de vorige uit 622 en de volgende uit 630, zodat het waarschijnlijk is dat het op hetzelfde feit betrekking heeft, door de schrijvers op verschillende jaren geplaatst.

  • 630 na Chr. Dagobert strijdt tegen de Saxones.
    Koning Dagobert viel de Saxones door een oorlog aan. Zijn vader Chlotarius snelde hem te hulp. Nadat Bertoldus, de aanvoerder van de Saxones, was gedood, behaalde hij (Dagobert) de overwinning. Hij trok het hele land door en liet geen enkele Saks in leven die groter was dan zijn zwaard. Bron: Sigeberti Gemblacensis chronica, MGS, VI, p. 323.

  • 630 na Chr. Dagobert tegen de Winidi en de Slavi.
    In die tijd werden Frankische handelaars, die het land van de Slavi binnentrokken, door de Slavi beroofd en vermoord... Koning Dagobert zond troepen... om het volk van de Winidi te bestrijden... De Franken van Austrasië belegerden de Winidi, die in de burcht van Vogastes waren gevlucht... maar deze braken uit en namen de vlucht.... hierdoor nog stoutmoediger geworden, vielen zij Thoringia (land van Doornik) en het nabijgelegen land van de Franken aan, zodat hun koning... die over de Slavi heerste, zich in wanhoop naar andere Slavi begaf. Bron: Aimoinus, De gestis Francorum, HdF, IH, p. 129.

    Plotseling komen nieuwe namen te voorschijn, hetgeen vanzelfsprekend niet betekent dat er inmiddels een invasie of migratie van een Slavisch volk uit het oosten zou hebben plaatsgehad, maar dat een oude of nieuwe naam opeens naar voren springt die voorheen nog niet in de geschreven bronnen was vastgelegd. De Slavi, meestal Sclavi genoemd, moeten gelokalseerd worden bij de “Sliviacas Oras” (de Slavische kust) ten zuidwesten van Calais. Een relict van de naam was bewaard gebleven in de plaatsnaam Saint-Martin-des-Sclives, een oud dorp bij Sangatte, dat tijdens de bezetting van de streek in de 16e eeuw is verwoest. De naam Sliviacas heeft dezelfde migratie-tocht gemaakt van de meer dan duizend andere plaats-, streek- en riviernamen vanuit Frans-Vlaanderen naar Friesland en het naburige Duitsland. Hij is namelijk de voorloper van Schleswig. De dubbelnaam Holstein is een doublure van het Frans-Vlaamse Houtland.
    De Winidi waren de bewoners van Winnezeele, op 7 km noordwest van Cassel. De plaatsnaam Wingles, op 8 km noordwest van Lens, heeft vermoedelijk dezelfde afleiding.

    Austrasië was het oostelijk deel van het Frankische Rijk. Vogastes is Woesten (B.), op 8 km noordwest van leper. Blijkens de tekst is de koning van de Winidi bedoeld. Hij regeerde ook over de Slavi of een deel ervan. Hij was het niet eens met de aanval van de Winidi op het land van Doornik. “Andere Slavi” : jammer genoeg geeft de schrijver geen nadere plaatsbepaling.

  • 631 of 632 na Chr. Dagobert tegen de Winidi.
    In het derde jaar der regering van Dagobert werd hem bericht, dat een leger van de Winidi (Winnezeele) Toringia (Doornik) was binnengevallen. Hij vertrok met zijn leger van de stad Mettis (Metz?) in het rijk van de Austrasii, stak de Ardenna over, en toen hij bij de stad Magancia was gekomen, wilde hij de Renus (Schelde) oversteken... De Saxones zonden gezanten naar Dagobert... zij beloofden hem de Winidi te weerstaan en de grenzen van de Franken aan die kant te zullen bewaken. Bron: Fredegarii chronicon, MGS, II, p. 158; HdF, II, p.588.

    Bedoeld is hier het Ardenner Woud, ofschoon men ook kan denken dat de schrijver meer nadruk legt op het gebergte. Magancia is Maing, op 7 km zuid van Valenciennes aan de oostzijde en vlakbij de Schelde gelegen, hetgeen weer een bewijs vormt dat Renus als Schelde moet worden opgevat. Uit de gehele tekst blijkt trouwens duidelijk dat koning Dagobert vanuit Metz in noordwestelijke richting trok, en dat het niet aan de huidige Rijn was waar de Saksen hem tegemoetkwamen. Dit gebeuren is ook niet in Noord-Duitsland te plaatsen. Zouden de Saksen uit Noord-Duitsland 'even' naar Doornik getrokken zijn om er een potje te vechten? Ook als men van Toringia Thüringen maakt, wat enkele traditionalisten wel eens opperen, blijft het een onmogelijk verhaal.

  • 642 na Chr. Koning Dagobert legt de Winidi een schatting op.
    Dagobert werd door de Saxones tegen de Winidi geholpen, en legde hen (Winidi) een jaarlijkse schatting van 500 koeien op. Bron: Sigeberti Gemblacensis chronica, MGS, VI, p.324.
    De Winidi vormden een agrarische gemeenschap, wat met praktisch alle Germaanse stammen het geval was. Tacitus verhaalt van sommige stammen, dat zij principieel wars waren van handel. Aan de voortdurende conflicten en oorlogen tussen de verschillende stammen onderling en hun invallen in Francia hebben hoogstwaarschijnlijk ook sociaal-economische problemen ten grondslag gelegen.

    Enkele in de teksten genoemde plaatsen en details waaruit duidelijk blijkt dat Dagobert in Frankrijk thuis hoort en niet in Nederland:
  • Magancia, waar koning Dagobert in 631 het land van Doornik binnentrok, is Maing op 6 km noordwest van Valenciennes. De opvatting Mainz is foutief; komt daar nog de fout van Thüringen bovenop, dan heeft men een prachtig voorbeeld, hoe door foutief opgevatte plaatsnamen de historische reconstructies bepaald zijn geworden.

  • Mettis, vanwaar koning Dagobert in 631 tegen de Winidi optrok, die het land van Doornik binnenvielen, is Massy, Seine-et-Loire. De eerdere opvatting Metz is onjuist gebleken.

  • Dorestadum, de beroemde zeehaven, voor het eerst ca. 670 door de Geograaf van Ravenna genoemd als de hoofdstad van de Fresones, waar in 687 Pepijn de Fresones versloeg, waar in 695 St. Willibrord koning Dagobert en zijn hofmeier Karei Martel ontving, en waar St. Bonifatius ca. 715 landde om zich bij St. Willibrord te voegen. De plaats wordt na 850 korte tijd genoemd als centrum van de missie van het bisdom Traiectum en verdwijnt rond 870 volledig uit de bronnen, niet omdat zij door de Noormannen vernield was, maar omdat zij door de regressie (het terugtrekken van de zee) en de sluiting van de kust haar functie als haven verloor. Het was niet Wijk bij Duurstede, dat vanaf de 3e eeuw meters onder water lag. De juiste plaats is Audruicq op 19 km noordwest van St.-Omaars, op 9 meter hoogte gelegen, wat uitermate geschikt was toen de “PLaine Flamande” ongeveer tot boven toe vol water stond.

  • Adegem (op +8 m boven zeeniveau); 840, kopie 491 volgens Gysseling (ed. DB, p. 134). Volgens De Seyn bestond de plaats reeds ten tijde van St. Amandus, die deze van koning Dagobert ontvangen had en aan de St.Pietersabdij van Gent schonk. Dit is legende.

  • Koning Dagobert streed tegen de Saxones bij het Ardenner Woud, de Renus (Schelde) en de Wisera (Wimereux) volgens de Gesta regum Francorum.
  • Koning Dagobert stak de Renus (Schelde) over en trof zijn vader te Langolarium (Longueville ten zuiden van Boulogne) volgens de Gesta Dagoberti.
  • Francia Rinensis, wat betekent Francia aan de Renus (Schelde), noemt de Geograaf van Ravenna als Gallia Belgica.

  • 628. Na de dood van Chlotharius, koning van de Franken, verkreeg zijn zoon Dagobert de heerschappij van het rijk. Van hem ontving Eligius zoveel vriendschap dat zijn geluk de afgunst van velen opriep. Eligius is Eloy, bisschop van Noyon/Doornik.

  • De Parijse abdij die hier genoemd wordt is die van St. Denis. Zij kreeg in 629 van koning Dagobert bepaalde marktvrijheden voor de aanvoer van goederen. De oorkonde vermeldt Rouaan en Quentovicus als plaatsen van afkomst dier goederen. Wanneer Pepijn de Korte in 753 en zijn zoon Karloman in 768 dit marktrecht voor het gebied van Parijs bevestigen, noemen zij de twee plaatsen niet meer, doch zeggen wel dat het geldt ’’voor alle handelaars zowel Saksen als Friezen” . Ook hier was de streek ten noorden en oosten van Boulogne bedoeld.

  • Ca.630. De muntvondst te Escharen (N.B.) bestaat uit een aantal munten van overwegend franse steden. Er was een munt bij met de naam NIOMAGO. Met behulp van die ene munt maakt D.P.Blok (De Franken in Nederland) van Nijmegen een “Merovingisch steunpunt met enige handel”, wat H.Jansen (Geschiedenis van de Middeleeuwen) kritiekloos volgt, die bovendien de munt een eeuw te vroeg plaatst. B.Stolte tenslotte blies de zaak nog verder op, door van Nijmegen een belangrijk handelscentrum” te maken. Dit alles steunde op die ene munt van Noyon! Aan de achterzijde van de munt staat een vreemd opschrift, waarvan het slot is: ILIGO dat Eligius of Eloy was, muntmeester van Dagobert en bisschop van Noyon, derhalve uit de zevende en niet uit de zesde eeuw, wat men ervan maakte. Het Bronnenboek vermeldt deze munt niet meer met de uitvlucht “ omdat hierover nog betrekkelijk weinig gepubliceerd is” , naar waarheid echter om deze blundering van de Nederlandse historici verborgen te houden, die de verwarring tussen Noyon en Nijmegen tot in de kern raakt. Zie kader in de linker kolom. Voorheen had men deze munt met het grootste voorbehoud benaderd; niemand was er eigenlijk van overtuigd dat het een Nijmeegse munt was. Maar toen de karolingische traditie van Nijmegen in twijfel werd getrokken, werd een poging gedaan om die twijfel meteen van tafel te vegen door het uit de duim zuigen van een “Merovingisch steunpunt” te Nijmegen.

  • 640 - 659. St. Eloy, ca. 588 bij Limoges geboren, was in zijn jeugd goudsmid en emailleur. Nog jong trok hij naar Parijs, waar zijn kunstwerken een zekere faam verwierven. Hij werd muntmeester van koning Chlotarius II, daarna van koning Dagobert I. Deze droeg hem verschillende diplomatieke missies op en stelde hem tenslotte tot zijn eerste minister aan. In 639 werd Eloy tot bisschop van Noyon gewijd; als zodanig was hij een der voornaamste raadgevers van koning Dagobert I. Dat Dagobert te Noyon resideerde, blijkt dus uit het leven van St.-Eloi.

  • ca. 650. De munten van Niomaqo met het opschrift Iligo - EIoy van Noyon.
    De munten van Niomaso uit de tijd van koning Dagobert zijn lang voor Nijmegen aangevoerd, enerzijds om staande te houden dat Nijmegen al residentie was onder de Merovingers, anderzijds om met deze munten enige duistere punten van Utrecht recht te praten. Het Bronnenboek van Nijmegen heeft de Niomagomunten als een baksteen laten vallen, sinds aangetoond is dat op de achterzijde de naam van lligo - Eloy staat, bisschop van Noyon en muntmeester van koning Dagobert, Het verdonkeremaant derhalve weer een bewijs, dat de Nederlandse historici zich grandioos en fundamenteel vergist hebben bij het lokaliseren van de karolingische en zelfs de merovingische residentie Noviomagus te Nijmegen, en wil desondanks staande houden dat er geen sprake is van verwarring tussen de twee steden. Het durft nog de drogreden aan te voeren voor deze overslag dat er nog te weinig over deze munten is gepubliceerd, om zo voor het publiek verborgen te houden dat de munten ten onrechte voor Nijmegen werden aangevoerd. We moeten het Bronnenboek met gelijke munt betalen en derhalve beschuldigen van wetenschappelijk bedrog.

  • Bonifatius schrijft in een brief van 752-753 aan paus Stephanus II, dat reeds ten tijde van koning Dagobert (623-639) er een kerk in Traiectum was. Een oorkonde van koning Pepijn uit ca.753 bevestigt, dat Dagoberts voorgangers, de koningen Chlotarius II (613-628) en Theodebertus II (595-612), reeds voorrechten aan de kerk van Traiectum verleend hadden. Deze gegevens zijn volstrekt onmogelijk in Utrecht te plaatsen, zeker nu de archeologie heeft aangetoond dat Utrecht in de 7de en 8ste eeuw nog niet bestond. Zie de inhoud van deze brief hieronder.

  • Amandus begaf zich van Barisis (overschrijffout van Parijs?) naar Compiegne en reisde over Melicocq (11 km noordoost van Compiegne en 15 km zuidwest van Noyon) in de pagus van Noyon naar bisschop Aicharius, die toen aan het hoofd stond van het bisdom Noyon (en Doomik), en vroeg hem nederig of hij aan koning Dagobert, zodra hij naar hem toe zou gaan, wilde vragen om hem aanbevelingsbrieven te verlenen.

  • In deze tijd zond Ebroinus, hofmeier van Frankenkoning Theoderich (Neustrie), boden met brieven naar Aldgils, koning van Freis (Vlaanderen)... om uitlevering van bisschop Wilfried, levend of diens hoofd. De koning wierp in het publiek de brief in het vuur. ... Toen de eerbiedwaardige bisschop in Freis verbleef, won hij veel volk voor God (Wilfried genoot de bescherming van koning Dagobert II). Dit gebeuren is onmogelijk in Nederland of in Friesland te plaatsen.

  • Dagobert (III) en Karel Martel in Frisia: 695.
    Hiema drongen zij (de jonge Martel en de nog jongere Dagobert) per schip door in de gebieden van de Fresones (Vlaanderen) zoals hen gevraagd was door de eerbiedwaardige bisschop Willibrord. Ze kwamen aan op de plaats Dorestacus (Audruicq), waar zij in ere door Willibrord ontvangen werden. Ze dreven de koning Radboud, die in de wreedheid volhardde, buiten de gebieden van de Fresones (Vlaanderen) naar Denemarca (=Normandië, de mark van de Danii). Uit deze tekst blijkt onmiskenbaar dat Radboud 'koning' van de Fresones was die in Vlaanderen woonden en niet in Nederlands Friesland.

  • Ook gaf dezelfde voortreffelijke vorst Pepijn (II) hem in een oorkonde met de dagtekening van de 6e der Nonen van maart (= 2 maart) in het vierde jaar van koning Dagobert (III): de in de pagus Mosariorum gelegen en naar de daar voorbijstromende rivier Suestra genoemde “villa” (landgoed), die door de toewijding van Plectrudis en het geld van voortreffelijke mannen was gesticht. En omdat beide plaatsen (nl. Aefternacum en Suestra) hem geschikt leken om er het kloosterleven te vestigen, liet hij in elke plaats een klooster bouwen.
    Hier worden de klooster van Aefternacum en Suestra genoemd in relatie met de pagus Mosariorum (de streek van de Moeze, niet de Maas). Waren dit Echternach en Susteren?


  • Bonifatius verdedigt de zetel van Willibrord: 752-753

    Ruim 10 jaar na Willibrords verscheiden werd diens bisdom bedreigd door de pretenties van een bisdom ‘Colonia’, hetzij dat van Colonia Agrippina (Avesnes-sur-Helpe), nog uit de Romeinse tijd daterend; hetzij dat van Keulen, gesticht tegen het eind van de 7e eeuw. Van de laatste zijde pretendeerde men, reeds ca.630 -dus wel voor het ontstaan van het Keulse bisdom zelf!- de streek van Traiectum (Tournehem) als missiegebied te hebben toegewezen gekregen. In rood de plaatsen in de visie van Albert Delahaye.

    Hierover richtte de toen 80-jarige Bonifatius de volgende brief aan paus Stephanus II, 752-757]:

    Ten tijde van paus Sergius kwam een priester van bewonderenswaardige onthechting en heiligheid, uit het geslacht van de Saksen, Willibrordus genaamd, naar de plaats van de heilige apostelen (Rome). Hij werd met een andere naam Clemens genoemd. De voornoemde paus wijdde hem tot bisschop en zond hem uit om aan het heidens volk van de Fresones (Vlaanderen) op de kust van de (Atlantische) Oceaan het geloof te verkondigen. Deze predikte er gedurende 50 jaren en bekeerde het genoemde volk voor het grootste deel tot het geloof in Christus. Hij brak er de afgodsbeelden af, bouwde er kerken en vestigde er zijn bisschoppelijke zetel en een kerk ter ere van de Salvator op de plaats van de burcht die Traiectum (Tournehem) heet. Op deze zetel en in de Salvator-kerk (tweede patroon Martinus) die hij gebouwd had, verbleef en predikte hij tot op hoge ouderdom, terwijl hij een hulpbisschop had aangesteld om hem in het ministerie bij te staan. Na een lang leven voleindde hij daar zijn dagen en overleed hij er in de vrede van de Heer. Karloman, de vorst van de Franken, beval mij die zetel aan om er een bisschop aan te stellen en te wijden, wat ik gedaan heb.
    Maar nu heeft de bisschop van Colonia deze zetel van de voornoemde bisschop Clemens... aan zich getrokken met de bewering dat die hem toebehoort, omdat er nog de fundamenten lagen van een kerkje, door de heidenen verwoest en tot de grond toe afgebroken, dat Willibrord in de burcht van Traiectum (Tournehem) aantrof, en op welke fundamenten hij met eigen handen een nieuwe kerk optrok, die hij ter ere van St.Martinus consacreerde. Men voert aan dat reeds lang voorheen Dagobert, de koning van de Franken (623-639), de burcht van Traiectum (Tournehem) met de verwoeste kerk aan het bisdom van Colonia gegeven had onder de voorwaarde dat de bisschop van Colonia het volk van de Fresones (Vlaanderen) tot het geloof bekeren moest en zijn prediker zou zijn, wat deze echter niet heeft gedaan. Hij heeft er niet gepredikt; hij heeft de Fresones niet tot het geloof in Christus bekeerd, maar het volk van de Fresones is heidens gebleven totdat de eerbiedwaardige paus Sergius van de Stoel van Rome de voornoemde dienaar Gods bisschop Willibrord naar dit genoemde volk zond, die dit volk dan ook, zoals ik gezegd heb, tot het geloof in Christus bekeerde.
    Nu wil de bisschop van Colonia de zetel van de prediker Willibrord aan zich trekken, met de bedoeling dat het geen zetel is, staande onder de paus en met de opdracht te prediken onder het volk van de Fresones (Vlaanderen).

    Bron: Tangl, S.Bonifatii et Lulli epistolae, 1955, nr 109.

    Omtrent eis en eiser in dit geschil rijzen ettelijke vragen.

    Zoals zal blijken, is de identiteit van het huidige Keulen met het (Colonia-) Agrippina uit de Romeinse geschreven bronnen onmogelijk langer vol te houden. Wat dan eveneens geldt voor het gelijknamige nog uit de Romeinse tijd stammende bisdom. Beide zijn te localiseren te Avesnes-sur-Helpe. Voor de Romeinse nederzetting aan de Rhein daarentegen ligt de discontinuiteit -dankzij o.a. dikke kleilagen tussen Romeins en Romaans- zelfs archeologisch vast, ook al is daar de onderbreking aanmerkelijk korter geweest dan bij de stroomafwaarts volgende vestigingen. En zo die Romeinse stad al Colonia geheten mag hebben, het epitheton ‘Agrippina’ kwam en komt haar beslist niet toe. Het aloude bisdom te Avesnes echter schijnt nog in de 7e en zelfs 8e eeuw een kwijnend voortbestaan geleid te hebben, terwijl tegelijkertijd Keulen (voor het eerst) een bisdom kreeg.
    Tegen deze achtergrond -en tevens in aanmerking genomen dat Avesnes 150 km en Keulen 350 km van Traiectum (Tournehem) verwijderd is- lijkt de meest acceptabele optie deze:
  • dat de afspraak met Dagobert I uit ca.630 is gemaakt door het bisdom te Avesnes; en dat ook de klacht uit ca.750 door een late bisschop van datzelfde bisdom werd ingediend; zodat het jonge bisdom Keulen, dat wel wat beters te doen had dan een vele dagreizen ver missiegebied op te eisen, geheel vrijuit zou gaan. - Minder fraai zou het er uitzien voor de kerk van Keulen (die beslist te laat kwam om met Dagobert I een afspraak te maken waarbij zij geen belang had), indien zij van het zieltogende bisdom Avesnes het desbetreffende document had weten te bemachtigen teneinde daarmee het ‘exempte’ Traiectum (Tournehem) in het gareel te krijgen.
  • De aanleiding daartoe had dan kunnen liggen bij het recent pauselijk besluit van 747-748, de bisdommen Luik, Traiectum... en Keulen onder een aartsbisdom Moguntiacum te brengen. Dat Keulen zelf die rol van aartsbisdom ambieerde, staat vast. En dat het, door Willibrords bisdom in een suffragane positie te dringen, de kans op vervulling van die wens zou vergroten, is eveneens duidelijk. Zoals echter in de paragraaf over Bonifatius zal blijken, was de tijd voor zo’n oplossing nog niet rijp.
  • Naast de afwijzing van de door ‘Colonia’ gemaakte aanspraken biedt de brief van Bonifatius nog op verschillende andere punten waardevolle informatie. Zie hiernaast.

  • Het eerste punt daarbij is, dat tot enkele generaties voor Willibrords komst de plaats Traiectum al kerkelijke voorgeschiedenis had gehad van geruime tijd. Dit feit is voor Utrecht zo ontoepasselijk, dat Nederlandse historici zich in duizend bochten hebben gewrongen om het te verklaren. Wat nooit gelukt is, zodat prof.dr.D.P.Blok in 1968 de knoop maar doorhakte door de genoemde koning Dagobert een residentie in Nijmegen te geven. En dat het zijn bedoeling was om hiermee de puzzel van Utrecht op te lossen, laat hij rechtuit blijken in zijn boek over de Franken. Het lag voor de hand dat hij deze gewichtige stelling baseerde op die ene munt van Noyon, het centrale scharnier van alle Hollandse mythen.
    Maar wat niet voor de hand had mogen liggen, is: dat andere historici hem blindelings in dit bedenksel zijn gevolgd.

    Het tweede punt is Bonifatius’ mededeling dat Willibrord twee kerken in zijn zetelstad bouwde, een toegewijd aan de Salvator, de andere toegewijd aan St.Martinus. Blijkens de vele akten die het bisdom altijd in verband met de Martinus-kerk noemen, moet aangenomen worden dat dit de bisschopskerk is geweest. En blijkens akte van 1 jan. 722 werd Eperlecques soms, - onder de naam Nifterlake- ook tot het gebied van het ‘castrum’ Traiectum (Tournehem) gerekend. De abdijkerk aldaar had als (tweede) patronaat de H. Maagd Maria. In latere teksten wordt de abdijkerk als een Drievuldigheidskerk beschreven, doch dan moeten we opletten! Want dit is een influistering vanuit Echternach, dat inderdaad het kerkpatronaat van de H.Drievuldigheid al gekozen had voordat ook maar iemand nog aan een identiteit met Willibrords eigen abdij dacht. Maar toen het zover was, ging men niet alleen schenkingsakten vervalsen, maar ook andere historische documenten verdraaien om aan die identiteits-pretentie een schijn van waarheid te geven. Wanneer we dan ook in enige oorkonde over de authentieke abdij een Drievuldigheids- kerk of Drievuldigheids-altaar tegenkomen, staat voor ons vast dat het document door Echternachse handen ging! Opgemerkt dient hier nog, dat destijds vaak de Salvator (Christus zelf) als eerste patroon werd gekozen voor een kerk die men echter naar een (tweede) patroonheilige ging noemen.
    Zo wordt in tekst -bij uitzondering- de kerk waar de jonge Ludger nachten in gebed doorbracht en die ontegenzeglijk de bisschoppelijke Martinuskerk was, als Salvator-kerk aangeduid; terwijl omgekeerd -volgens de regel- de abdijkerk waar bisschop Frederik geinstalleerd werd en bij het graf van Bonifatius bad, naar haar tweede patronaat (de H.Maagd) wordt genoemd. Voorts zou uit de volgorde waarin Bonifatius de bisschopskerk het laatst noemt, nog kunnen worden afgeleid dat de abdijkerk (als onmiddellijk benodigd) het eerst -n.l. kort na de aankomst van Willibrord en gezellen- tot stand is gekomen en de bisschopskerk pas later. Dit zou het feitelijk ontstaan van de abdij niet leggen bij de officiele schenkingen (ca.717) laat staan bij de schriftelijke vastlegging daarvan (anno 722), doch reeds bij het begin van de missionering zelf.

    Het derde punt is, dat Bonifatius -als langdurige en naaste medewerker- in deze aan de paus gerichte laudatio voor Willibrord niet rept van diens ‘roemruchte’ expedities: geen woord over de zwervende en dolende missionaris waartoe Willibrord gemaakt is door de gangbare geschiedschrijving, die hem rondsleepte over noord-westelijk Europa, van Vlaanderen tot Helgoland, van Thuringen tot Zeeland, van Luxemburg tot Friesland. Dat beeld is volslagen onjuist. Bonifatius zegt in klare woorden dat Willibrord altijd op de plaats van zijn zetel geresideerd heeft. Of moeten we met Wampach: naast Beda en Alcuin, nu ook Bonifatius bij de ‘overslag-plegers’ indelen die alleen maar vermelden wat hen te pas kwam?! Toch houden we ons aan Bonifatius, die zoveel met Willibrord te doen had en diens karakter het best kon onderkennen omdat dit nogal van het zijne verschilde.

    Hiernaast een versimpelde afbeelding van het oneindige missiegebied van St.Willibrord, die onder de prediking onder de Friezen er één was uit een lange rij, zowel tevoren als erna. In de linker kolom hierboven een afbeelding van het missiegebied van Bonifatius, dat nog groter was dan dat van Willibrord.




    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.