De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Middeleeuwse geschiedenis van de Lage Landen. De Friezen.

Feitelijk is het een interessant boek met een grote schat aan informatie. In dit boek komen alle problemen die zich voordoen met betrekking tot de vroege middeleeuwen bij elkaar en vragen om een oplossing. Het is alleen jammer dat Luit van der Tuuk (verder LvdT) zich volledig focust op de oude tradities en blijkbaar geen weet heeft (tenminste het niet laat blijken) van de nieuwste ontwikkelingen op historisch gebied. Dat blijkt ook al uit zijn geraadpleegde literatuur, waarbij verwezen wordt naar titels uit 1926 nog afgezien van de interpretaties van G.H.Pertz (uit 1826 en 1829) en W.Levison (uit 1910).
Dat de boeken van Albert Delahaye (en andere kritische historici) vermeden worden laat zich raden. Dan zou er eindelijk eens over 'oude standpunten' gediscussieerd moeten worden en die discussies gaat men liever uit de weg. Dan is het vasthouden aan 'verouderde opvattingen' gemakkelijker en vind je het eigen gelijk eenvoudig bij gelijkgestemden.


Hij blijft zijn opvattingen onder de traditioneel gelijkgestemden zoeken en vermijd alles wat die opvattingen tegenspreekt. Als voorbeeld kan ik de traditie van St.Adelbert in Alkmaar noemen. LvdT haalt die kennis bij G.N.M.Vis die hij klakkeloos volgt, maar bespreekt nergens de opvattingen van W.A.Fasel en anderen, die de visie van Vis met goede argumenten weerlegd hebben. Lees de 17 feiten bij St.Adelbert en Alkmaar. Een zeer uitgebreide en alle feiten onthullende beschrijving van het Adelbert-probleem vindt U op de website van Kees IJpelaan.
Daar zijn meerdere voorbeeld van te geven in dit boek. Zie het kader hiernaast.

Eigenlijk is het niet eens noodzakelijk het hele boek uitvoerig te bestuderen. In de inleiding (p.10-14) geeft LvdT al de nodige voorbehoudens aan, waardoor de hele geschiedenis zoals hij die beschrijft aan de nodige twijfel onderhevig blijkt te zijn.

Hij merkt het volgende zelf al op: (commentaar in rood)
  • De Friezen van nu zijn niet dezelfde bevolkingsgroep als die van vroeger.
  • De geschiedenis van de Friezen is geen ononderbroken ontwikkeling geweest.
  • De Friezen vormden geen politiek eenheid. Zelfs verre van.
  • Het was een verbrokkeld gebied.
  • Het Friese gebied lag geïsoleerd en was gefragmenteerd in een reeks afzonderlijke gewesten.
  • Was het wel een etnische eenheid? Uit andere opmerking blijkt daarvan duidelijk geen sprake te zijn (zie hiernaast).
  • Is het etnische begrip 'Friezen' niet achterhaald? De vraag stellen is haar beantwoorden.
  • De Friezen uit de Romeinse tijd zijn niet dezelfde Friezen als die uit de middeleeuwen.
  • De Friezen van tegenwoordig hebben niets te maken met hun naamgenoten uit de vroegere geschiedenis. Dat was ook al de conclusie van Jos Bazelmans die in 1998 in Spiegel Historiael het artikel schreef: "Zijn de Friezen wel Friezen?" Dit artikel wordt ook genoemd in de literatuurlijst. Heeft LvdT het wel gelezen?
  • In de tiende eeuw was er van een Fries verleden al veel vergeten. Dit is de kern van het geografische probleem. In Nederland was niet veel vergeten, maar heeft men dit niet geweten, aangezien de Friezen voor de tiende eeuw niet in Nederland verbleven, maar in Vlaanderen.
  • Vroegmiddeleeuwse handschriften die over de Friezen verhalen zijn schaars. Is dat echt zo? Lees de boeken van Albert Delahaye eens door en je vindt er tientallen teksten over Frisia.
  • In de bronnen is het niet altijd even eenvoudig om feit en fictie van elkaar te onderscheiden. Daardoor was de afkomst van het Friese volk lange tijd in een sluier van mythen gehuld. Die mythen hebben zelfs de ware geschiedenis verdrongen.
  • Het is beter om uit te gaan van de oorspronkelijke schriftelijke bronnen en beschikbare archeologische gegevens om een beeld te krijgen van de geschiedenis van het Friese kustgebied. Inderdaad een juist uitgangspunt, al kunnen uit archeologische gegevens geen etnische conclusies getrokken worden (zie hiernaast).
  • In de oorspronkelijke schriftelijke bronnen worden de Friezen zowel als armzalige kwelderbewoners en als heidense barbaren afgeschilderd.

    LvdT besluit zijn inleiding met de volgende tekst: 'Daarbij zullen we ontdekken dat de Friezen een voorname rol bij de vroege ontwikkeling van Nederland speelden en zo aan de wieg van onze geschiedenis hebben gestaan. Gezien de verspreiding van de Friezen over grote delen van ons land is de beschreven geschiedenis in dit boek meteen in hoge mate een vroege geschiedenis van Nederland'.
    Hierin zitten een aantal onjuistheden en speculaties (onderstreept) die een geheel verkeerd beeld geven van de Friezen, maar ook van de vroege geschiedenis van dit armzalige kweldergebied.

    Toch merkt LvdT wel enkele zaken op die zeker belangrijk zijn, zoals:
  • We moeten beducht zijn voor aanpassingen (in teksten) van kopiïsten (p.123).

    De Romeinen, de Franken en de Noormannen noemden het Nederlandse kustgebied tussen Zwin (bij Brugge) en Wezer (bij Bremen) ‘Frisia’. Zeeland, Holland, Friesland, Groningen, Oost-Friesland: het viel allemaal onder die verzamelnaam. In ‘De Friezen’ brengt Luit LvdT de vroegste geschiedenis van de kuststreek tot leven. Op toegankelijke wijze legt hij uit hoe de Friezen een voorname rol hebben gespeeld in de Nederlandse geschiedenis. Dat water speelde een verbindingsrol voor de handel, en die handel zorgde ervoor dat zich in Frisia vrij snel een geldeconomie kon ontwikkelen, omdat betaling of afdracht in natura onpraktisch was. Het water leidde ook tot versnippering van territoria, zodat het lastig was in Frisia een ventraal gezag te vestigen. Door hun geografische positie konden de Friezen uitgroeien tot de vrachtvaarders van Noord-west Europa. Op het snijvlak van de geschiedenis en de archeologie schetst de auteur een beeld van een volk van boeren en kooplieden, maar ook van de Friese opstand, koning Radbod en Bonifatius.

    Aldus een korte schets over dit boek, zoals het op de achterkaft te lezen is. Hierover kunnen we één opmerking maken: het oude Frisia was niet het Nederlandse kustgebied, maar het kustgebied van Vlaanderen. Lees meer over de Friezen.
    Bij de samenstelling van dit boek heeft LvdT een helpende hand gehad van een twaalftal 'deskundigen'. Veel opmerkingen over dit boek vallen ook hen ten deel.

    Lees ook meer over de Friezen in het vorige boek van LvdT.



    Het klooster van Egmond.
    Veel, zo niet alles, van de geschiedenis van de Friezen van vóór de tiende eeuw wordt opgehangen aan het klooster van Egmond en het Cartularium van Egmond. Als we dan twee zaken vaststellen wordt dat probleem meteen opgelost.
    1. De abdij van Egmond is in de 12e eeuw gesticht, en niet omstreeks 950 wat altijd ten onrechte is aangenomen. Bisschop Andreas van Utrecht (Andries van Kuik, bisschop van 1128- 1139) en Petronelle gravin van Holland verzochten de abt van Gent om monniken af te staan voor een nieuw te stichten klooster in Egmond. Het klooster van Egmond werd aan het begin van zijn bestaan bevolkt met een abt en monniken die uit Gent kwamen.
    2. Het befaamde Cartularium van Egmond, dat in diezelfde 12e eeuw in de abdij van Egmond terecht kwam, had geen enkele voorgeschiedenis in Nederland. Het kwam hier nieuw binnen. Het is dan ook opvallend dat St.Willibrord en diens bisdom Utrecht er niet in genoemd worden. Het maakt tevens duidelijk waarom voor de 12e eeuw in Nederland Willibrord en diens bisdom onbekend waren. Al weten we niet precies hoe deze codex in Egmond terecht is gekomen, kan dat aan de hand van andere gegevens toch redelijke vastgesteld worden.

    Het opduiken van de codex in Nederland valt haarfijn samen met de stichting van het Gentse klooster te Egmond. In Egmond was ook een Evangeliarium aanwezig dat volgens een legendarisch verhaal tegen het einde van de 10e eeuw door Dirk I van Holland aan de abdij van Egmond zou zijn geschonken, wat niet waar kan zijn, aangezien het klooster toen nog niet bestond. De herkomst van deze codex is duidelijk, omdat hij een afbeelding bevat der abdijkerk van St.Riquier bij Abbeville, waardoor vaststaat dat de codex daar geschreven is. Overigens blijft het niet bij die ene afbeelding. De codex is geheel uit de school van St. Riquier (zie: Grote Winkler Prins, 1968, deel VII, kol. 320).

    En dan komt het allermerkwaardigste.
    Al had de abdij van Egmond de dokumentatie van het bisdom van St. Willibrord in huis, toch heeft zij met geen woord gezegd of zelfs maar laten begrijpen dat die dokumentatie op Friesland en Utrecht betrekking had. In de Annalen van Egmond, die in de 12e eeuw beginnen - weer datzelfde keerpunt! - maar later met allerlei toevoegingen werden aangevuld, staat geen woord over Willibrord of het oude bisdom Traiectum. Het kwam zelfs zo ver, dat de de abt van Egmond in 1156 de claims van Echternach op kerken in Noord-Holland waarvan Echternach meende die aan St.Willibrord toebehoord hadden (zie daar), categorisch afwees.
    De echte problemen begonnen pas, toen Utrecht in de 13e eeuw (en niet eerder!) een afschrift van het Cartularium van Egmond in bezit kreeg, dit aanvulde met een paar levensgrote vervalsingen, juist bedoeld om de band te leggen tussen het bisdom van Willibrord en Utrecht, en het geheel presenteerde als de ware en authentieke dokumentatie van Utrecht. Alle historici zijn erin getrapt; Otto Opperman had het half door. En toen deze rekonstruktie door Albert Delahaye gegeven werd, was de verbijstering zo groot dat zijn stelling als “onmogelijk” werd verworpen. Ten onrechte, want de valse akten, die gefabriekt werden om de link tussen Willibrord en Utrecht te leggen, zijn op een kilometer afstand als vals te onderkennen, reeds vanwege het simpele feit dat de meest cruciale vervalsingen niet in het oorspronkelijke Cartularium van Egmond staan.

    Het Cartularium van Egmond bevat een serie oorkonden, waarin schenkingen over goederen en rechten staan. De daarbij genoemde plaatsnamen vormen een lijst van ca.870. Bisschop Hunger van Tournehem was in 857 voor de Noormannen gevlucht. Hij keerde na verloop van tijd in zijn bisdom terug en zette zich aan het werk om weer orde op zaken te stellen. Daartoe riep hij groepen mensen op om te getuigen wat het bisdom in bezit had gehad. Het relaas van zijn onderzoek heeft een lange opsomming van plaatsen opgeleverd. De namen uit deze lijst uit c.870 en uit de oorkonden zijn verzameld en wat blijkt: zij liggen allemaal in Frans Vlaanderen. In Nederland is slechts een handjevol geïdentificeerd en dan nog hoe. Lees meer over de goederenlijst uit 870.

  • Het grootste probleem ten aanzien van de Friezen is hun geografische locatie. Is het Frisia (ook Fresia) uit de klassieke bronnen het huidige Friesland? Daar blijken geen aanwijzingen of bewijzen voor te zijn, wat ook door Luit van der Tuuk (verder LvdT) erkend wordt.

    De titel van dit boek levert al meteen twee vragen op. Wat verstaat LvdT onder 'de Lage Landen'? Is dat heel Nederland en België en zelfs een flink deel van Noord-Frankrijk en het westen van Duitsland, zoals Tom Buijtendorp dat stelde? Of is dat alleen de kust van Holland. Zelf schrijft LvdT er het volgende over: "mogelijk zijn de Noord-Friese ringwallen eerder gebouwd dan die in de Lage Landen" (p.221). Als je het zo stelt hoorde Noord-Friesland niet bij de Lage Landen. Wat dan precies de Lage Landen is, blijft vaag. Die vaagheid tref je ook elders in dit boek maar al te vaak aan. Een andere vraag is wat LvdT onder de Middeleeuwen begrijpt. De titel van dit boek vermeldt 'Middeleeuwse geschiedenis'. Maar LvdT begint met een hoofdstuk over de Romeinen. Hoort dat bij de Middeleeuwen? Volgens de algemene definitie is de Middeleeuwen de periode van ca. 500 tot ca. 1500. De Romeinse tijd hoort daar beslist niet bij.

    Wat LvdT precies onder de Friezen verstaat beschrijft hij als volgt: 'de Friezen uit de Romeinse bronnen zijn niet dezelfde als het volk dat we in de vroegmiddeleeuwse geschriften tegenkomen'. Vervolgens schrijft hij nog: "de Friezen van tegenwoordig in de provincie Friesland hebben weer niets met hun naamgenoten uit de vroege middeleeuwen te maken" (p.12). Ook lekker vaag.

    LvdT maakt blijkbaar onderscheid in drie aparte bevolkingsgroepen: Friezen uit de Romeinse tijd, de Friezen uit de vroege Middeleeuwen en de tegenwoordige Friezen in Friesland.
    Uiteraard zijn het verschillende mensen, er zit immers eeuwen tussen. Maar de Friezen in de Romeinse tijd en in de vroege middeleeuwen leefden wel in hetzelfde gebied en wel in het oude Frisia dat in Vlaanderen lag.

    De tegenwoordige Friezen die in Friesland wonen, zijn dus andere Friezen die niets te maken hebben met de Friezen uit de Romeinse tijd of die uit de vroege Middeleeuwen, schrijft hij nog. Daarin kan ik LvdT helemaal gelijk geven. Het zijn immers verschillende bevolkingsgroepen, maar hoe vaag kun je zijn.

    In de redenatie van LvdT kunnen we ons wel vinden, maar hij spreekt zichzelf hiermee wel faliekant tegen.
    Als de tegenwoordige Friezen niets te maken hebben met de oude Friezen, dan is het ook niet hùn geschiedenis die LvdT op hen plakt. Dan is het ook niet Friesland waar die oude geschiedenis zich heeft voorgedaan. Dat is de kern van het hele verhaal! Als de tegenwoordige Friezen niets te maken hebben met die van vroeger, is het ook niet de geschiedenis van de tegenwoordige Friezen, maar die van de vroegere Friezen. De beschreven geschiedenis is dan wel juist, maar de locaties van LvdT blijken onjuist te zijn. Dat het niet de geschiedenis van de tegenwoordige Friezen is ziet LvdT geheel juist, al heeft hij dat zelf nog niet begrepen.


    Volgens de redenatie van LvdT zouden de oude Friezen in Friesland uitgestorven zijn en dan zouden er nieuwe Friezen in Friesland gekomen moeten zijn. Waar die nieuwe Friezen dan vandaan kwamen, blijft eveneens vaag? Uit Groningen? Uit Drente? Ergens uit het oosten?

    LvdT schrijft ook nog (p.13): "Om het onderscheid met de huidige provincie Friesland te kunnen maken spreken we liever van de Friese kustlanden of kortweg Frisia (of Fresia), zoals het Nederlandse kustgebied in vroege bronnen wordt genoemd".

    Hiermee gaat LvdT al meteen weer in de fout. In geen enkele vroege bron wordt het Nederlandse kustgebied genoemd. Dat is zijn interpretatie, waar hij dan ook geen verwijzing bij geeft, waar hij dat in welke vroege bron gelezen heeft. Blijkbaar kent hij de tekst uit de Vita Vulframni (St.Wulfram) niet waarin duidelijk staat dat Frisia naast het land van de Morini ligt. En dat is dus in Frans-Vlaanderen en helemaal niet in het Nederlandse kustgebied. Dat is ook het Frisia waar Bonifatius vermoord is en het Frisia waar Karel Martel de nodige veldslagen tegen de Friezen leverde.

    Als LvdT ook nog erkent dat er geen sprake was van Friese machthebbers (Radbod - wordt door LvdT 'Frankische hertog', dan weer Friese koning genoemd-, Gerulf, Gerhart, Diederik en Dirk I worden genoemd, maar die horen thuis in Vlaanderen!) of een centraal bestuurlijk gezag (p.29), betekent het dat al die teksten over Frisia geen enkele betrekking hebben op Friesland. Dan zijn we eruit en kan de discussie gesloten worden.

    De geschiedenis van de oude Friezen blijkt ook helemaal niet te passen in Friesland, wat LvdT ook erkent met het gebruik van woorden als: 'waarschijnlijk' (komt 51x voor in de tekst), 'mogelijk' (69x), 'misschien' (55x), 'vermoedelijk' (42x), 'onbekend' (13x), 'aannemen of aannemelijk' (18x), 'verondersteld' (14x), 'goed denkbaar' (7x), 'zou kunnen' (150x), 'zou geweest zijn' (52x), 'aanwijzing' (21x) enzovoort.

    Hoeveel zekerheid spreekt hieruit?

    Dat de Friezen van tegenwoordig niet dezelfde zijn als die van vroeger, was ook al de conclusie van Jos Bazelmans, die in 1998 in Spiegel Historiael het artikel schreef: "Zijn de Friezen wel Friezen?" Ook andere historici hebben daarover geschreven: zie bij Citaten. Lees meer bij de Friezen

    Hun bevindingen zijn juist, hun conclusies niet. Men blijft vasthouden aan 'Friezen die in Friesland woonden'. Maak er 'Fresones die in Frisia woonden' en het probleem is opgelost.

    Ondanks deze bevindingen houden historici nog steeds vast aan de traditionele driedeling van Friezen, Franken en Saksen en komt men tot kaartjes als hierboven, die in alle historische atlassen te vinden zijn, maar zowel tekstueel als archeologisch nergens op gebaseerd zijn.

    Toch meent LvdT dat we een veelheid aan gegevens hebben die ons uit historische en archeologische studies ter beschikking staan. Naast teksten (zie daarvoor het kader hieronder) hebben we dus de archeologie. Is daarmee iets te bewijzen? Daarover schrijft Annemarieke Willemsen van de RMO in haar boek 'Gouden Middeleeuwen' het volgende: de traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen. Dan houdt toch alles op, zeker omdat LvdT het hiermee eens is, zoals op p.11 blijkt? (zie kader hieronder).

    In de inleiding van dit boek doet LvdT een zeer terechte uitspraak over etniciteit en archeologie (zie verder in de tabel), om zich vervolgens daar niet aan te houden. Alle Nederlandse archeologen zouden zich dit eens ter harte moeten nemen en ook hun vondsten dien overeenkomstig moeten determineren. Hoelang lezen we nog dat een Romeinse munt altijd door een Romein verloren is en dat de Romeinen daar dus geweest zijn?

    Het is onbegrijpelijk dat iemand als LvdT die zoveel bronnen geraadpleegd heeft, toch blijft vasthouden aan de traditionele opvattingen uit de vorige eeuwen. Onbegrijpelijk? Neen, eigenlijk zeer te begrijpen, zolang hij slechts gelijkgestemden volgt. En als hij die loslaat moet hij ook van zijn stokpaardje Dorestad afstappen. En dat gaat echt niet gebeuren! Dan wordt hij helemaal ongeloofwaardig.



    Met verwijzingen naar gelijkgestemden bewijs je niets!
    Om zijn gelijk aan te tonen bevat dit boek een zeer uitgebreide literatuurlijst van wel 208 titels en een aantal van 240 verwijzingen in noten. De boeken van Albert Delahaye worden hierbij -zoals gebruikelijk- niet genoemd. Het is natuurlijk weinig uitdagend te verwijzen naar gelijkgestemden als Blok of Cordfunke die hetzelfde beweren als jij, maar wat is dan het bewijs van hùn gelijk? "Ook al zijn alle geleerden het met elkaar eens, dan wil dat nog niet zeggen dat ze gelijk hebben". Wat schrijft Cordfunke zoal over de oudste abdij van Egmond, dan slechts een aangenomen geschiedenis op basis van gissingen. En wat beweert D.P.Blok zoal over Kinheim? Zie hieronder of lees eens zijn 'Lexicon' dat ook in de literatuurlijst genoemd wordt. Zie bij D.P.Blok. Het komt gewoon neer op naschrijverij van hen die het ook nooit bewezen hebben met klare feiten.
    Lees ook over de Franken bij D.P.Blok, De Franken. Dan houdt toch elke discussie op?

    Toch erkent LvdT dat die discussies wel degelijk bestaan. Enkele keren noemt hij dat ook, echter zonder daarop specifiek in te gaan, wat juist interessant zou zijn, zoals: "is al jarenlang onderwerp van discussie" en "er is lang geen overeenstemming onder onderzoekers" en "de migranten kunnen van meerdere streken afkomstig zijn"(p.44). Hier stipt LvdT het kernprobleem aan. Vraag is welke discussie en wie zijn die onderzoekers? Als je logisch nadenkt kom je vanzelf op Albert Delahaye die aangetoond heeft dat die migranten uit (Frans-)Vlaanderen kwamen, net als eeuwen later zo'n migratie nogmaals plaats vond, maar dan van textielarbeiders naar Leiden of Hugenoten naar Amsterdam, die daar welvaart en rijkdom brachten. Dat de migranten in Friesland uit (Frans-)Vlaanderen kwamen, heeft Delahaye aangetoond met de vele plaatsnamen die de migranten doubleerden in Friesland. Zie bij plaatsnamen. Honderden plaatsnamen in Friesland zijn doublures van die in (Frans-)Vlaanderen, zoals Lewarde, Abbeham, Harlinghem en Harquema. Zie de hele lijst in 'De Ware Kijk Op deel 1, p.445 t/m 465.

    LvdT vermeldt ook nog dat "Het gevolg is dat de huidige provincie Friesland door veel onderzoekers te veel als het zwaartepunt van het Friese gebied is beschouwd" (p.72) (let vooral op het 'te veel'). Door veel onderzoekers, dus niet allemaal? En "Toch bleven enkele onderzoekers, zoals de archeoloog Herre Halbertsma, nog lang voor een Friese continuïteit pleiten" (p.75). "Enkele onderzoekers meenden zelfs dat" (p.76) en "sommige onderzoekers veronderstellen" (p.79) of "gingen sommige onderzoekers ervan uit dat" (p.83). Daaruit blijkt toch weinig eensgezindheid? Het is juist van belang op die verschillen tussen onderzoekers in te gaan en niet bij voorbaat je eigen standpunt als de ultieme waarheid te beschouwen. Naast 'onderzoekers' gebruikt LvdT ook enkele keren 'historici', zoals in "door de meeste historici wordt verondersteld" met een vervolg in "desondanks nemen sommigen aan" (p.207) . Uit deze woorden spreekt toch al een hele disdussie! Ga daar dan verder op in, wil je geloofwaardig overkomen. Wat bedoelt LvdT met 'desondanks'? Dat zijn opvatting toch meer 'voor de hand ligt'? Wat 'nemen zij aan'? Dat de Vlie de rijksgrens ging vormen? Vond hij dat dan niet? Wie zijn die 'sommigen'? Van Vliet en Jongbloed? (noot 212). Zijn Van Vliet en Jongbloed dan onderzoekers en geen historici?
    Wat het verschil is tussen een 'onderzoeker' en een 'historicus' blijkt nergens. Zo noemt hij Johannes de Beka een historicus, elders een 'auteur', terwijl De Beka toch algemeen bekend staat als volkomen onbetrouwbaar, wat LvdT zelf ook bevestigt (p.99).

    Wat LvdT ook bevestigt zijn de transgressies, die Albert Delahaye al eerder vaststelde. Op p.75 schrijft hij "als belangrijkste reden wordt toenemende wateroverlast van de opdringende zee aangevoerd". Het gaat hierbij om het wegtrekken van de oorspronkelijke kustbewoners. Die 'wateroverlast' of 'hoge waterstand' of 'de invloed van eb en vloed' of 'de last van het water' wordt nog meerdere keren (in totaal zelfs meer dan 100x in allerlei gradaties) genoemd, waardoor de bevolking wegtrok of de terpen moest ophogen. Net als in Nederlands Friesland, deden diezelfde omstandigheden zich ook voor in Frans-Vlaanderen, het oude Frisia. In de omgeving van St.Omaars bestaat/bestond uit een groot moerasgebied, waar de 'iles Flottantes' nog steeds een begrip is. Het landschap (hoofdstuk 2 in dit boek) levert geen argumenten op om deze geschiedenis in Nederland te plaatsen. Het landschap in (Frans-)Vlaanderen komt daarmee geheel overeen. Lees meer over het ontstaan van Holland.

    Het zou de historische wetenschap verder helpen als juist de discussie eens wordt aangegaan over juist die verschillen in opvattingen. Dan moeten argumenten en feiten de doorslag geven en niet wat de meeste onderzoekers ervan vinden. Nogmaal: "Ook al zijn alle geleerden het met elkaar eens, dan hoeven ze nog geen gelijk te hebben". Voorbeelden te over in de geschiedenis.

    Onjuiste uitgangspunten. Enkele van die 'onjuiste uitgangspunten' zijn de voorbarige vertalingen van Renus in Rijn en van Wisera in Weser. Dat de Sincfal een voormalige inham bij Het Zwin was is wel correct, maar voor de Wisera (Wisurgis) uit de Romeinse en vroeg-middeleeuwse teksten moet je precies de andere kant op: niet naar het noorden, maar naar het zuiden. Het is, als je de teksten goed bestudeert, wel duidelijk waar de Friezen verbleven: in Vlaanderen waar ook de meer dan 300 plaatsen liggen die in verband met de Fresones en Saxones in de teksten genoemd worden. Waar liggen die plaatsen in Nederland of in Noord-Duitsland? Lees meer bij "plaatsnamen zijn de kapstokken van de historische feiten"

    De visie van Albert Delahaye.
    De mythe van Friesland was de eerste, tevens de belangrijkste omdat van deze alles over de zogenaamde vroegste geschiedenis van Nederland is afgeleid. Inmiddels is duidelijk genoeg dat uit de teksten over de Friezen blijkt, dat Albis, Amisia, Wisurgis en Lippia geen Duitse rivieren waren, doch de rivieren Aa, Hem, Wimereux en Lys in het noord-westen van Frankrijk. Door middel van deze rivieren doen de Friezen hun intrede in de geschreven geschiedenis. Immers, het was bij deze rivieren dat Drusus in 12 voor Chr. de Friezen onderwierp en bij Gesoriacum (=Boulogne-sur-Mer) een rij van forten aanlegde “om Gallia te beschermen” tegen invallen van de Germanen. Het is ronduit belachelijk deze gegevens in het noorden van Nederland of Duitsland te willen plaatsen, op 400 km afstand van het toen door de Romeinen beheerste gebied. Ptolemeus plaatst deze rivieren in het noordwesten van Frankrijk, nota bene met aanvaardbare coördinaten, die geen enkele historicus uit de 20e eeuw in twijfel kan trekken, omdat Ptolemeus door andere schrijvers wordt bevestigd. “Germania” van Tacitus doet ook op dit punt de deur dicht. Hij plaatst Frisia met zoveel omringende details in Frans Vlaanderen, dat over dit punt geen twijfel meer mogelijk is.
    In de berichten over de aanvallen van de Pepijnen op de Friezen en de veldtochten van K arel de Grote tegen Friezen en Saksen keert het kwartet van de rivieren regelmatig terug, en telkens is duidelijk, vooral door de tegelijkertijd genoemde plaatsen, dat het noord-westen van Frankrijk is bedoeld. In dit verband zijn de veldslagen van Pepijn en Karel Martel tegen de Friezen het vermelden waard. Zij vonden alle in Frans Vlaanderen plaats: in 687 bij Dorestadum - Audruicq; in 695 in het Carbonarisch Woud en bij Dorestadum - Audruicq (wat een kombinatie! indien men dit feit in Nederland wil leggen); in 714 op een niet genoemde plaats, die blijkens de kalender van St. Willibrord Cocia - Coyecques was, op 7 km zuid-west van Terwaan; in 717 bij Ambleteuse ten noorden van Boulogne en bij Inchy-en-Artois, op 12 km west van Kamerijk; in 734 bij de rivier de Burdina, de Bourre in de omgeving van Hazebroek, dezelfde streek waar St. Bonifatius de dood vond.
    Het feit dat alle veldslagen van de Friezen in Frans Vlaanderen geleverd werden, heeft de historici niet aan het denken gezet. Het moet rechtuit gezegd worden: het is onaanvaardbaar dat de Nederlandse Friezen zich iedere keer zonder uitzondering in Frans Vlaanderen gingen opstellen om daar de aanvallen af te wachten. Bovendien hebben de Friezen nooit het initiatief tot de strijd genomen. Het zijn altijd de Pepijnen die hen aanvielen, en de enige mogelijkheid is dat dit in hun eigen streek gebeurde. De Friezen accepteerden het gezag van de Franken niet en bleven zich er tegen verzetten, precies zoals ze eerder tegen de Romeinen deden. Het was ook de reden voor de moord op Bonifatius die als een vertegenwoordiger van het Frankische gezag werd beschouwd. Lees meer over Bonifatius. Bij het KLEJO-debat in Amsterdam (zie daar) is dit ook op tafel gelegd, maar geen van de vier professorale opponenten had er een antwoord op. Het gaf duidelijk hun gebrek aan kennis van de feiten aan. Ze bleven slechts de oude fabels herhalen; fabels uit de 17e eeuw. Veel verder kwam hun kennis niet. Lees meer over de Friezen, maar wel over de Fresones uit het klassieke Frisia.



    De namen van plaatsen in de geschreven bronnen.
    Er bestaat een lijst van meer dan 300 plaatsen, genoemd in de geschreven bronnen, die te maken hebben met de Friezen en Saksen. Waar liggen die 300 plaatsen in Friesland en Noord-Duitsland? Leeuwarden ligt in Friesland, maar is dit een doublure van Lewarde uit Frans-Vlaanderen? Bremen ligt inderdaad in Noord-Duitsland, maar het Brêmes uit de klassieke teksten, waar St. Willibrord een kerk “van wondere schoonheid” bouwde, is Brêmes op 13 km zuidoost van Calais. Op 10 km afstand ligt Hames-Boucres, voorheen Hammaburg. De Duitse namen Hamburg en Bremen, beide pas in de 9e eeuw ontstaan, zijn importnamen.
    Historische verplaatsingen.
    Veel opvattingen in de geschiedenis zijn gebaseerd op de plaatsnamen die in de geschreven bronnen worden genoemd. Localiseert men die plaatsen in de verkeerde streek, dan gaat ook de daarmee verbonden geschiedenis mee. Dit verschijnsel staat bekend onder de naam Deplacements Historiques, ofwel historische verplaatsingen. Met het verplaatsen van een plaats naar de verkeerde streek gaat ook de geschiedenis mee, zelfs naar gebieden waar die geschiedenis zich onmogelijk kan hebben voorgedaan.
    Zo kwam de moord op St.Bonifatius in Dokkum terecht, terwijl dit misdrijf zich in Dockynchirica voordeed. Dockyn-Chirica is Dunkerque (Duinkerke): Dock=dijk of duin (een bescherming tegen de zee); chirica=kerk (vergelijk: ecclesia, church). Lees meer over Dokkum.


    Wat schrijft LvdT zoal in dit boek?

    LvdT volgt in dit boek de traditionele opvattingen over de Friezen en plaats hen in het traditionele gebied aan de kust tussen Zwin en Weser. Zie het kaartje hiernaast, zoals LvdT het in zijn boek op p.28 geplaatst heeft. (klik op de afbeelding voor een vergroting). Zoals getoond woonden de Friezen in Friesland langs een smalle strook aan de kust en rond Utrecht (de donkere vlekken). Hoe LvdT aan dit laatste genoemdelocatie komt vindt U op p.28 in dit boek, maar dat is -we kunnen dat hier al aangeven/zie verder naar onderen- een volledige miskleun. De Friezen waren zeevaarders en handelaren die vele zeeën bevaarden, tenminste dat is het gangbare beeld. Toch zijn er enkele opvallende bevindingen die dit algemeen aanvaarde, maar onbewezen beeld tegenspreken. Zo schrijft LvdT in zijn voorwoord (p.7) dat dit boek maar als een geschiedenis van de Friezen beschouwd moet worden. Blijkbaar zijn er meerdere geschiedenissen over de Friezen. Er is veel gespecialiseerde literatuur verschenen waarin allerlei aspecten van de vroegste geschiedenis van de Friezen behandeld worden. Door die veelheid aan gegevens die ons uit historische en archeologische studies ter beschikking staan, is het dan ook moeilijk om door de bomen het bos te zien. Daardoor is het een lastige opgave om een overzicht te krijgen van al het onderzoek dat op dit terrein verricht is. Bovendien is het lastig laveren tussen de verschillende opvattingen die er over de vroegste Friese geschiedenis ontwikkeld zijn. Het is dan ook onmogelijk om in een lopend verhaal alle denkbare aspecten en standpunten te behandelen. Het blijkt voor LvdT een uitdaging te zijn om die geschiedenis te beschrijven, temeer omdat die de lange periode van negen eeuwen omvat.

    Hierover zijn de volgende opmerkingen te maken (let speciaal op de dikgedrukte woorden: blijkbaar bevat dit boek van LvdT slechts een geschiedenis. Dat er veel gespecialiseerde literatuur verschenen is, is juist het grootste probleem. Elke onderzoeker haalde uit de bronnen zijn eigen verhaal, wat LvdT ook doet, immers hij noemt dat zijn boek maar dat het een lastige opgave is die geschiedenis te schrijven komt vooral voort uit het feit dat de teksten niet passen in het Friese gebied dat LvdT voor ogen heeft. Dan kun je lastig gaan laveren tussen de verschillende opvattingen, maar daarmee bevestig je slechts: 1. dat er verschillende opvattingen bestaan; en 2. dat die niet met elkaar overeenkomen. Dan is het inderdaad onmogelijk om alle denkbare aspecten en standpunten te behandelen. Dan wordt het een verhaal zonder begin en zonder einde, maar ook wat er tussen ligt blijkt onjuist.

    Kennemerland.
    Kennemerland wordt sinds de 16e eeuw vereenzelvigd met het land van de Canninefaten. Maar de Canninefaten uit de Romeinse bronnen bewoonden het westelijk deel van het Eiland der Bataven dat met de Betuwe dan wel de Zuid-Hollandse eilanden zouden zijn geweest en niet Kennemerland in Noord-Holland. De gedachte was dat de namen ‘Canninefaten’ en ‘Kennemerland’ allebei met een k-klank beginnen (dat ene lettertje van D.P.Blok). De Bataven-mythe stamt uit 1517. Daarvoor had nog nooit iemand deze stam met Nederland in verband gebracht of er zelfs maar van gehoord. In de oudste Hollandse kronieken komt men de Bataven niet tegen. Dat geldt ook voor de Canninefaten die in 1521 werden 'ontdekt'. Taalkundig is nooit serieus onderzoek gedaan om de naam ‘Kennemerland’ uit ‘Canninefaten’ af te leiden. Het hele verhaal van Cornelius Aurelius (ca.1460-1531) en Arnoldus Buchelius (1565-1641) werd door latere historici klakkeloos gevolgd. Zo gemakkelijk ontstonden mythen, vooral om de chauvinistische vooringenomenheid en de historische verbeeldingskracht te strelen.

    Uit niets blijkt, dat Kennemerland in de Karolingische periode een gouw was. De Nederlandse naam Kennemerland komt voor het eerst voor in een origineel document uit 1254 en behoort vermoedelijk niet eens bij de uit Frans-Vlaanderen geïmporteerde plaatsnamen. Geen enkel serieus historicus zal de naam Kinheim uit het begin van de 8e eeuw gelijk durven stellen met de minstens vijf eeuwen latere naam Kennemerland. Gysseling en Blok, de 'grote' naamkundigen, echter wel (zie hieronder). Blok zegt zelf dat de akte vals is, maar dat de feitelijke inhoud juist kan.

    In de documentatie van Traiectum en Aefternacum is sprake van de namen Kinheim, Kinhem, Kinheym, Kinneheim, Kinnehem en Kinnehim, die enkele malen voorkomen en die zonder de minste reserve op Kennemerland werden toegepast, al liggen er verschillende eeuwen tussen de namen en stamt de Hollandse naam Kennemerland uit de 13e eeuw. Deze opvatting leidde natuurlijk vanzelf tot een vicieuze cirkel, die weer steun verleende aan de zogenaamde Echternachse kerken in Holland. Het is wel zeker dat de namen Kinheim of Kinneheim in Frans-Vlaanderen drie onderscheiden plaatsen aanduidden. Derhalve berust alles, wat van ver of van dichtbij daarvan is afgeleid, op een vervalsing en dient men deze mythe nu eens en voor altijd voorgoed te vergeten.

    Wat schrijft Gysseling over Kennemerland?
    Kennemerland (facs.) (streek in Noordholland)
    in pago Kinnehim • (719-39) kop. ± 1222 • Go I 71, 45r
    in pago Kinhem • 855 kop. begin 10e • D W IX a 1 a, 2v
    Kinhem • 985 kop. (1206-26) waarvan kopieën 14e-15e • Hg C4r
    Kinhem • 985 kop. (1206-26) waarvan kopieën 14e-15e • ed. Oppermann, Fontes, p. 218
    Kinemaria • 1170 kop. ± 1200 • Ann. Egmundenses, Ld CT, C XI
    Kinemar • 1204 kop. ± 1208 • Ann. Egmundenses, idem
    Kinemarenses • 1204 kop. ± 1208 • Ann. Egmundenses, idem
    Kinmarie (gen.) • 1222 • Hg B 86


    Het komt er op neer dat zowel Gysseling als Blok slechts de vindplaats in de klassieke documenten van de namen Kinhem, Kinnehem enz. opsommen, zonder uitleg te geven over de rest van de tekst. Die uitleg vind je wel in de boeken van Albert Delahaye, waaruit blijkt dat het om verschillend plaatsnamen gaat in Frans-Vlaanderen.
    Zo lag de plaats Kinhem in Batua. Waar ligt die plaats in de Betuwe die men voor de Batua houdt? Zie verder bij het commentaar bij p. 22 e.v. in het kader hieronder.
    Wat schrijft Blok over Kennemerland?
    Kennemerland,gebied, in het westen van de provincie Noordholland.
    <855> interpol. ca. 890 cop. eind 9e of begin 10e e.: in pago Kinhem in uilla Obbinghem ... in Kinlesun ... in Odigmore ... in Nordmora (UrbWerden I, p. 13) 11 eind 9e e. cop. 11e e. (ad 882): comitatus et benefieia quae ... in Kinnin tenuerat (AnnFuld SSRerGerm, p. 99; Rau, Quellen 111, p. 118) 11 908 cop. 2e helft 10e e. (ad 884):
    Nortmanni qui in Chinheim ... venerant (Regino, Chron SSRerGerm, p. 122; Rau, Quellen lIl, p. 266) 11 <985> interpol. cop. 2e helft 8e e.: in comitatibus ita nuncupatis ... Kinhem (DOlII 19; Koch, OBHZ I 55) 11 10141015 cop. 17e e.: fyr háre KiNlima si(Jo (Sigvatr, Vfkingavfsur, p. 224) 11 1102-1105 uit bron 719-739 cop. begin 12e e.: sitam in Fresia in pago Kinheim ... villam Adrichaim nuncupa-tam (Thiofrid, VitaWillibr AASS Nov. lIl, p. 467; vgl. Koch, OBHZ I 3) 11 ca. 1180 aut. (ad 1170) in Kinnemaria ... inundatio ... desevit (AnnEgm FontEgm, p. 180) 11 <1105-1119> vervalst eind 12e - begin 8e e. cop. ca. 1420: coram ... multitudine populi de Kinneme[r]lande (Koch, OBHZ I 101) 11 ca. 1200? cop. midden 14e e.: decanus de Kinemere 8 libras (LibCamDomUtrecht, p. 146) 11 <719-739> falsum cop. begin 8e e.: in villa Felison nominata in pago Kinnehim (Koch, OBHZ I 4; Wampach, Echt 41).

    Voor de datering van de AnnEgm zie: Meilink (1939), p.1 08-128; zie over de vervalsing van Koch, OBHZ I 4 de kopnoot aldaar; datering van de vervalsing is niet mogelijk, maar deze kan op een oude tekst teruggaan onl. hem. hier nog in de oude betekenis "woongebied" (vgl. Bohemen) met ?; later via de inwonersnaam *Kinhemwarja- Kinnemer ontwikkeld tot nieuwe streeknaam Kennemerland.

    Knap als U dit geschrijf van Blok kunt volgen! Welk bewijs vormt het opsommen van klassieke teksten?

    Wie voortaan de namen Kinheim of Kinneheim vereenzelfigt met Kennemerland, geeft zichzelf een brevet van onvermogen en ondeskundigheid en dient zich niet meer te bemoeien met de historische geografie.

    Op de kaart hierboven worden de woonplaatsen van de Friezen getoond met een aantal 'gouwen'. Voor de 'gouwen' verwijzen we naar het betreffende hoofdstuk: Toxandrië, Teisterbant, Hamaland, Nifterlake, Suthergo, Westergo, Oostergo, Humsterland Fivelingo, Kennemerland, Walcheren, Texel e.d. De namen Betuwe, Rijnland, Maasland, Kennemerland zijn moderne namen. Die staan in geen enkel klassiek historisch document. Het zijn veronderstellingen die nooit bewezen zijn.

    Voor afzonderlijke plaatsen kunnen we verwijzen naar Medemblik. Ook het verhaal van St.Adelbert in Alkmaar (p.26) en omgeving, is een fabel. Zijn kapel uit halverwege de 9de eeuw zou de voorloper zijn geweest van het klooster van Egmond. Deze mythe is door Drs.W.A. Fasel, archivaris van Alkmaar, in 1984 al uitvoerig weerlegd. Lees meer over Sint Adelbert.

    Wat lezen we in dit boek en wat is het commentaar hierop?
    We lopen enkele opvattingen of opmerkingen uit dit boek puntsgewijs na (met vermelding van de pagina). Commentaar in rood. Hier wordt nog verder aan gewerkt.

    We beperken ons tot de belangrijkste onderwerpen. Alles bespreken en van commentaar voorzien zou de omvang van dit boek overschrijden. Op elke bladzijde is wel wat aan te merken. Soms is er sprake dat LvdT zich vergist zal hebben of een bron onjuist interpreteert of deze bron onjuist 'vertaalt'. We gaan er vooralsnog niet vanuit dat hij opzettelijk onjuiste informatie geeft, al lijkt het er soms wel op. Of is hij niet op de hoogte van de nieuwste historische ontwikkelingen en blijft hij steeds 'verouderde kennis rondpompen' (zoals Jona Lendering dat eens noemde)? Ook de 'dikke duim' wordt Van der Tuuk wel eens verweten, met name met betrekking tot Dorestad waar hij van alles bijhaalt dat in geen enkele tekst staat. Ook in dit boek kan hem die 'dikke duim' verweten worden. Hij verzint bepaalde zaken die beslist niet in de klassieke teksten te lezen zijn. Zo'n zin begint dan vaak met 'kennelijk' (komt 23x voor in de tekst) of 'misschien' (55x) of woorden van gelijke strekking.

    pagina
    Wat staat er in dit boek? Commentaar:
    11
    Het vaststellen van etniciteit op basis van archeologische aanwijzingen blijft echter een riskante onderneming. Een Fries kon Scandinavische sieraden dragen, een Frankisch wapen bezitten en zijn crematieresten konden in een geïmporteerde Saksische urn bewaard worden. Daar komt nog bij dat we het over Scandinavische sieraden, Frankische wapens en Saksische urnen hebben, alsof we dit soort archeologische vondsten zonder meer op etnische gronden kunnen indelen. Bij het bepalen of iets Fries, Frankisch of Saksisch is, doet zich een dubbele cirkelredenring voor. Of een vondst Fries, Frankisch of Saksisch is wordt bepaald door de vindplaats. Echter de vindplaatsten zijn tevoren bepaald uit de etnische indeling, wat een hypothese (een onbewezen aanname) is. Annemarieke Willemsen heeft in haar boek "De Gouden Middeleeuwen" aangegeven dat de traditionele indeling in Fries, Frankisch of Saksisch archeologisch niet aan te tonen is. Een 'Saksiche' urn gevonden in 'Frankisch' gebied weerspreekt die traditionele driedeling. Ook in klassieke teksten is die traditionele indeling niet te duiden. Alle geografische gegevens daarin zijn slechts terug te voeren op het oorspronkelijke Frisia, het oude Francia en het klassieke Saxonia.
    12
    In de vroege middeleeuwen waren er in Frisia geen kloosters. Maar ook later in de middeleeuwen waren die er niet. Op p.12 vermeldt LvdT dat pas in de 10de eeuw in het westelijke Friese kustgebied het klooster van Egmond werd gesticht. LvdT bedoelt hier met Frisia het Nederlandse kustgebied. In het klassieke Frisia in Vlaanderen waren die kloosters er wel, zoals het klooster van St.Bertin te St.Omaars. Daar werden immers de teksten over de Friezen geschreven, waarnaar LvdT ook verwijst (p.24). Deze teksten gaan over hun eigen gebied, wat door bewoordingen als 'de onzen' (les notres) wel duidelijk blijkt. In Nederland is het klooster van Egmond het oudste klooster. Dat werd niet in de tiende eeuw, maar pas ca.1130 gesticht vanuit Gent en bezet met monniken van Gent. Zie kader in de linker kolom!
    24
    Het Flevomeer was in de Romeinse tijd nog bescheiden van omvang en zou in de loop van de middeleeuwen uitgroeien tot het uitgestrekte Almere, de voorloper van het IJsselmeer. Het Flevomeer wordt een aantal keren genoemd. Steeds plaats LvdT (en anderen) dat in Nederland, ter plaatse van het IJsselmeer (voorheen Zuiderzee). Maar die locatie komt niet overeen met wat de teksten vermelden. Het was een zeebaai in Frans-Vlaanderen tussen Sangatte, St.Omaars met een uitloop naar Veurne en Brugge in België, precies waar men aankwam na de oversteek vanuit Brittannia. Aan de oever van het Almere lag de plaats Dorestad, waar Bonifatius aankwam in Frisia. Dat was dus niet het Nederlandse IJsselmeer (daaraan ligt Wijk bij Duurstede niet), dat toen (8ste eeuw) geen open bevaarbare verbinding met de Noordzee had. Lees meer over het Almere.
    22, 26, 28, 29
    enz.
    Op verschillende plaatsen in dit boek wordt Kennemerland genoemd (liefst 24 keer). LvdT blijkt daarbij geen enkel onderscheid te maken in de namen Chinheim, Kinhem, Kinheim, Kinheim, Kinheym, Kinneheim, Kinnehem en Kinnehim. Bij hem is het steeds Kennemerland. De interpretatie van Kennemerland bij al deze plaatsen is vanzelfsprekend een farce. Toch blijft in historisch Nederland de opvatting rondgaan dat Kennemerland een afgeleide is van Kinneheim, ook al zijn de meningen verdeeld. Toch zou het een waarheid kunnen zijn dat de naam Kennemerland afgeleid is van Kinneheim waarvan men enkele eeuwen later meende dat die landstreek aan de kust van Holland gelegen had. Steeds gaat LvdT er van uit dat de teksten die hierover handelen altijd Kennemerland betreffen. Naast enkele valse oorkonden, zoals die van Theofried van Echternach die de pagus Kinheim in het Leven van St. Willibrord noemt, wordt Kinhem of Kinnehem genoemd. Kinheim is een plaats, die lag bij Adrichaim (Audrehem), dus geen pagus (de meest gewone vertaling van pagus is dorp). Een ander Kinhem, bij Obbinghem in de Batua gelegen, was Hinges, op 4 km noordwest van Béthune. Obbinghem is Obblinghem, vlak daarbij gelegen. Chinheim, waar in 884 de Noormannen binnenvielen en verder naar de Renus (=de Schelde) trokken, is Quingoie bij Tournehem. Felison, dat Feuchy was en niet Velsen, lag volgens een akte van Karel Martel uit 719 in de pagus (=dorp) Kinnehim, heden Cuinchy genoemd, op 7 km zuidoost van Béthune. Uit niets blijkt, dat een van deze plaatsen in de Karolingische periode een gouw was. Er vonden geen bestuurlijke handelingen plaats en er was geen sprake van een centraal gezag.
    De Nederlandse naam Kennemerland is op z’n vroegst in de 12e eeuw ontstaan en behoort vermoedelijk niet eens bij de uit Frans-Vlaanderen geïmporteerde plaatsnamen. Nadat één fantast had gesteld, dat St. Willibrord een kerk in Felison had gehad, vond een tweede de fabel uit dat Kennemerland al in diens Vita werd genoemd.
    De geschiedenis van Kennemerland begint in feite pas in de 12de eeuw met de stichting van de abdij van Egmond in 1130 (zie kader hiernaast). De schaarse schriftelijke bronnen van voor die tijd bestaan uit onbetrouwbare latere afschriften en vervalste akten, waarmee historici vrij willekeurig hebben geknutseld en er bij gebrek aan historisch materiaal niets mee te bewijzen of mee te weerleggen valt.
    28 en 188
    Humsterland in de huidige provincie Groningen werd in de vroege middeleeuwen ook wel als Hugumarchi, het gebied van Hugas, aangeduid. Blok maakt er "gebied van de Hugen" (volksnaam) van. Gysseling vermeldt het als 'volksnaam Hugas' en marko als 'grens, grensstreek' en verwijst naar kopieën uit de 11de tot 13de eeuw. Enkele jaren later trok Willehad naar Humsterland, het kweldergebied tussen de Lauwers en de Hunze in het noorden van de huidige provincie Groningen om de streek te kerstenen. Ook St.Luger werd door Karel de Grote naar het noorden gezonden om er te missioneren. Zijn missiegebied omvatte de gouwen Humsterland, Hunzego, Fivelgo met Oldambt. Eemsgo met Reiderland en het kweldergebied Bant. De Friezen hadden een Friessprekende geestelijke gevraagd om hen in het geloof te onderrichten. Dit laatste zuigt LvdT ook weer uit zijn duim. Zouden de Friezen dat werkelijk gevraagd hebben? En aan wie? Van die prediking is ook niets terecht gekomen blijkt later. Zie hieronder bij p.127.

    Hoe weet LvdT dat met Hugumarchi Humsterland bedoeld wordt? In geen enkele klassieke tekst staat de naam Humsterland. Dat is een (helaas onjuiste) interpretatie. Hij geeft bij deze tekst in noot 15 twee verwijzingen en wel naar H.A.Heidinga en A.Salomon. Even nagezocht geven beide geen enkele tekst betreffende Hugumarchi. Heidinga bepreekt in zijn tekst Hamaland en niet Humsterland. Salomon heeft het over Die friesischen Seelande um dat Jahr 1300. Beiden geven bij hun tekst een kaartje die nogal sterk van elkaar verschillen. Zoek eens naar Humsterland! Zie kaartjes hierbij: in de linker kolom Heidinga, hieronder Salomon. (klik op het kaartje voor een vergroting).


    In de klassieke teksten staat: in pago Hugumarchi (h "verbeterd" in b) • 786-87 kop. ± 1222; in pago Bugumarchi [h van Hugumarchi "verbeterd" in b] • 786-87 kop. ± 1222; Hugmerthi • 1e helft 9e kop. 1e helft 11e • vita s. Liudgeri; in pago Humerki • 855 kop. begin 10e •.

    Het 'overschrijven' van de geschreven teksten levert al verschillen op. Let speciaal op "verbeterd" (bij Gysseling!). De 'b' die er staat moest wel een 'h' worden, om er Humsterland van te kunnen maken. Let ook op dat er slechts sprake is van kopieën.

    De aanwezigheid van Willehad en St. Ludger in Groningen, Humsterland en het gebied van de IJssel is een fabel, gebaseerd op verkeerd uitgelegde plaatsnamen. Evenmin is St. Ludger de eerste bisschop van Munster geweest. Deze teksten gaan over Frans-Vlaanderen en niet over Groningen. Hugumarchi is Humeres, Hunsego ook Hunsingo is Hondecote, Fivelgo is Fivel en Bant is Bante nu Banteux, allemaal in Frans-Vlaanderen. Eemsgo is een moderne naam die in de 8ste eeuw niet bestond (graag de tekst LvdT waar deze naam in staat?). Het blijkt uit de teksten dat de bisschoppen St. Lebuinus, St. Ludger, St. Anscharius en St. Willehad vlakbij de zetel van Trajectum geresideerd hebben, wat vanzelfsprekend een kwestie van de hoogste orde is, die in Nederland volledig werd weggevaagd omdat men hen daar op grote afstand van Utrecht situeert. Willehad kreeg als ondersteuning voor zijn werk van Karel de Grote een klooster in Francia, Justina genaamd (dat is Saint-Just op 45 km zuid van Amiens), en beval hem in de naam van Christus nogmaals te proberen een parochie (bisdom) te stichten. Hij deed dit en kwam weer naar Wigmodia (=Withmundi, Wissant dat aan de kust lag en niet Wichmond (zie daar) dat D.P.Blok ervan maakt en dat helemaal niet aan de kust ligt), predikte daar het geloof en herstelde er de verwoeste kerken.
    De wijding van Willehad komt voor in een Zuidfranse kroniek: 787. Saint Willehad, premier évêque de Brême (? 789). Maar dit Brême was niet Bremen in Duitsland, maar Brêmes in Frans-Vlaanderen. Ook hier heeft de Deplacements Historiques weer voor verwarring gezorgd.
    De zalige Willehad is op de 3e dag voor de Iden van Juli tot bisschop gewijd voor Wimodia, Riusteri, Astergo, Lara, Nordedi en Wangis. Bron: Chronicon Moissiacense (Moissac, Tarn et Garonne), MGS, II, p. 257. Al deze plaatsen wijzen duidelijk naar Frans-Vlaanderen. Waar liggen die in Friesland of Groningen? Hoogst merkwaardig is, dat men in verschillende kerken in Artois en Normandie beelden ziet van de heiligen Willehad en Anscharius. Dat toont aan dat hun namen daar bekend zijn geweest en hun verering er vanouds verbreid was.
    Het was ook in de vita van St.Willehad (uit 842) dat de plaats Dockynchirica van de moord op Bonifatius wordt genoemd, nadat hij overstak vanuit Engeland en aankwam in Frisia. In Nederland maakte men er Dokkum van dat toen nog niet eens bestond. Als men overstak vanuit Engeland naar de overkant, kwam men niet aan in Friesland maar in Frans-Vlaanderen. Daar lag het klassieke Frisia, wat de vele plaatsnamen met 'Frese-' en 'Frise-' in de naam, wel bevestigen. Lees meer bij de Friezen.
    27/28
    De gouwnamen die door de Franken vanaf de achtste eeuw in schriftelijke bronnen werden vastgelegd, zijn hier over het algemeen aan ontleend. Later werden deze gouwen landen genoemd.
    In West-Frisia vinden we de gouwen Walcheren, Schouwen, Maasland, Nifterlake, Rijnland, Kennemerland, Medemblik, Wieringen en Texel. In Baarn en Bunschoten zijn nog sporen van Fries recht aangetroffen, zodat het mogelijk is dat Naardinkland ten oosten van Utrecht ook nog tot het Friese gebied heeft behoord.
    In Midden-Frisia lagen de gouwen Westergo, Oostergo en later Suthergo. In Oost-Frisia vinden we Humsterland, Hunzingo, Fivelingo, Emsingo, Federgo, Norderland, Harlingerland, Wangerland, Ostringen en Rstringen. Vanaf de negende eeuw kwam daar Wursten bij.
    Bij deze hoeveelheid namen van gouwen geeft LvdT twee noten waarin verwezen wordt naar Dijkstra, Heidinga, Henstra en Salomon. Hier missen we een verwijzing bijvoorbeeld naar D.P.Blok die er toch een andere opvatting over had, maar ook Delahaye wordt uiteraard niet genoemd. Bij Delahaye had LvdT kunnen lezen dat de naam Walacria niet op het Nederlandse Walcheren betrekking had, maar op het Walcheren bij Brugge of op Walichrum (=Warcove) in Frans-Vlaanderen. Bij Brugge liggen overigens ook de plaatsen Middelburg, Vlissinghem en Westkapelle, wat heel duidelijk de deplacements historiques aantoont. Bij Delahaye had LvdT ook kunnen lezen dat Zeeland ontgonnen en bedijkt werd door monniken van de St.Bertijnsabdij uit St.Omaars, wat de doublures meer dan verklaart.
    Over alle hier genoemde 'gouwen' zijn de nodige opmerkingen (en correcties) te maken. Lees meer over Medemblik en Kennemerland. Over het hier genoemde Nifterlake is een uitvoerig discussie geweest met als slotsom dat er geen enkel bewijs is dat het een gouw in Nederland was. Ook hier heeft Delahaye aangetoond dat Nifterlaca de oudst bekende vorm van de naam Eperlecques was. Nifterlaca betekent " naast het meer", omdat de plaats (het was een plaatsnaam en geen gouw) op de oever van het Almere lag. Het was hier dat St. Willibrord zijn abdij stichtte, niet ver van zijn bisschopszetel, maar dicht genoeg erbij dat hij de twee funkties van abt en bisschop tegelijkertijd kon uitoefenen. De plaats heet enige tijd later Aefterlacum en werd in de oorkonden van Eperlecques talloze malen in verband met de Batua genoemd. Het Nederlandse Nifterlake heeft geen enkele betrekking met de Betuwe.
    Dat Baarn en Bunschoten Fries zouden zijn is dezelfde mythe als dat Dorestad Fries zou zijn.
    30
    Zuidelijk in Kennemerland hebben we vermoedelijk met een oude dingplaats te maken en vinden we deze twee locaties als Schupildhem tussen Beverwijk en Velsen in een goederenlijst van de Utrechtse kerk uit de tiende eeuw. Noot 20. In noot 20 wordt onder meer verwezen naar Cordfunke, De abdij van Egmond, Dijkstra, Rondom de mondingen, en Blok 'Beverhem-Beverwijk?' De subtitel van het boek van E.H.P.Cordfunke uit 2010 is 'Archeologie en duizend jaar geschiedenis'. Duizend jaar? Dus vanaf 1010? Dat is niet de tiende, maar de elfde eeuw! D.P.Blok meende dat Beverhem - Beverwijk? was, wel met vraagteken. Echter J.K. de Cock wijst de identificering Beverhem = Beverwijk af. Gezien de opgegeven literatuurlijst stelde Blok dat in 1959 nog. Opmerkelijk is dan wel dat Blok in zijn Lexicon van Nederlandse Toponiemen uit 1988 bij Beverhem vermeldt: ligging onbekend, in het noorden van Noordholland, met de etymologische verklaring: 'woonplaats en bever'. Woonplaats van de bever? Als de ligging onbekend is, hoe weet Blok dan dat het in het noorden van Noordholland lag? Maar ligt Beverwijk wel in het noorden van Noord-Holland? Over de goederenlijst: zie hier.
    16 en verder
    Door regelmatige overstromingen waren de gebruiksmogelijkheden in de wetlands beperkt (p.16). Deze provincie is zeer laaggelegen, en als de vloedgolven van de razende zee doorbreken dan hebben de openliggende velden gewoonlijk van overstromingen te lijden (p.18). De regelmatige wateroverlast noopte de bewoners hun terpen op te hogen (p.20). Door toenemende wateroverlast moest bewoning in het veengebied grotendeels opgegeven worden (p.25). De gebruiksmogelijkheden hingen vooral samen met de frequntie van de voorkomende overstromingen. In de loop van de derde eeuw moesten de meeste bewoners hun woongebied helemaal verlaten omdat de omstandigheden zo slecht werden (p.25). Als de bevolking vanwege overstromingen de wijk moest nemen, dan is het aannemelijk dat bewoning werd voortgezet op hogere gedeelten in het landschap waar geen wateroverlast was (p.38). In het natte kweldergebied.... (p.38). Als belangrijkste reden wordt toenemende wateroverlast van de opdringende zee aangevoerd . Die is bijvoorbeeld aangetoond aan de hand van een kleilaag die bij overstromingen is afgezet en op de flanken van terpen is aangetroffen (p.75). Door stijging van de zeespiegel en het toenemende aantal stormvloeden in de laat-Romeinse periode werd de bevolking met een hogere waterstand geconfrontcerd. De daaruit voortvloeiende toenemende verzilting van de bodem beperkte het gebruik van de kwelders als landbouwgrond. Ophoging van terpen bood de bevolking aanvankelijk enig soelaas, maar in de loop van de vierde eeuw moest het kweldergebied en ook een groot deel van het westelijke kustgebied opgegeven worden. Uit veel opgravingen blijkt dat er in die eeuw een sterke bevolkingsafname optrad, dle nog enige decennia in de vijfde eeuw doorliep. De bevolking trok naar het binnenland waar we op de hogere zandgronden juist een bevolkingstoename zien. Het is ook niet ondenkbaar dat sommigen de Noordzee zijn overgestoken (p.75). Door toenemende wateroverlast werden in de loop van de vierde eeuw veel nederzettinngen in het westelijk kustgebied verlaten en raakten sommige streken zelfs ontvolkt (p.76). In de literatuurlijst is het boek opgenomen van Verhulst en Gottschalk met in de titel het woord Transgressies. Wateroverlast. Overstromingen. Transgressies. Hoewel de vele en langdurige overstromingen door historici wel eens ontkend worden, blijkt LvdT daar toch meer van overtuigd te zijn. Het is een niet te ontkennen feit dat in laag-Nederland en laag-Vlaanderen tussen de 3de en 9de eeuw regelmatig van grote wateroverlast sprake is geweest, zelfs in die mate dat het land onbewoonbaar werd. Die wateroverlast was ook de belangrijkste reden dat de Romeinen laag-Nederland verlieten.
    Het verhaal op p.75 en 76 bevestigt het gelijk van Albert Delahaye met betrekking tot de transgressies en de bevolksafame, zelfs totale ontvolking.

    Het is ook niet ondenkbaar dat.... is weer zo'n geval van duimzuigerij van LvdT. Welke bewijzen heeft hij hiervoor? Opvallend is dat hij ook geen noot plaatst voor een verwijzing naar een bron. Dat zegt genoeg!
    . .
    . .
    . .
    . .
    47 enz.
    Een van die meren was het Flevum of Flevomeer, waarin we het vroegmiddeleeuwse Vlie kunnen herkennen (p.47). 'Aanzien' is in het Oudengels 'weorth' waarin we het woord 'waarde' herkennen (p.82). Ook bij ons zijn Frankische invloeden te herkennen (p.102). We kunnen in zijn naam (Liudger) het Oudgermaanse gêr (=speer) herkennen (p.116). We kunnen in de naam Boorne of Bordne herkennen in de plaatsnaam Bordonchar (p.144). Hier herkennen we de werkwijzen van veel toponymisten. Als er maar éझn of zelfs helemaal geen lettertje overeenkomt, wordt een conclusie getrokken die nog minder is dan een gissing. Het is een vergissing. Bij LvdT komt deze vorm van 'herkennen' liefst 17 keer voor. Hoewel hij steeds spreekt over 'we' zal hij bedoelen 'ik'. Of is het 'we' zich verschuilen achter anderen? Het betekent gewoon dat hij maar wat aan het gissen is om zijn verhaal toch wat meer overtuiging te kunnen geven. Herkennen is volgens Van Dale 'weer kennen'. LvdT laat zich weer kennen met zijn rijke en onuitputtelijke fantasie.
    Als voorbeeld: Boorne is een rivier, Bordonchar een plaats. Wat valt er hier te herkennen dan 3 overeenkomstige letters? In 'brood' herkennen we toch ook niet 'rood'?
    50
    Vondsten van goederen die van verder weg kwamen, maken duidelijk dat de bewoners aan (rui)handel deden. Daaronder bevonden zich ook producten uit het Romeinse Rijk. Ook dit is een voorbarige conclusie van LvdT. Handel? Hoe weet hij dat van die handel? Kan het ook verloren zijn door een Romein? Of gekregen tijdens hun diensttijd bij de Romeinen? Volgens LvdT vielen de Romeinen immers de Chauken aan in het noordelijk kustgebied (helaas ook onjuist, de Chauken leefden onder de taalgrens!) en moesten de Friezen wapendiensten verrichten. (p.52).
    . .
    122
    Onderschrift bij de foto: Kasteel Medemblik wordt ook wel kasteel Radboud genoemd omdat koning Radbod er zou hebben gewoond, maar deze burcht is pas in de dertiende eeuw gebouwd. Tekst op p. 122: "Het valt op dat volgens verschillende volksverhalen de basis van Radbod in het noordelijk terpengebied moet worden gezocht, terwijl historische gegevens vrijwel uitsluitend naar West-Frisia wijzen". Volgens Alcuin verbleef Radbod op het eiland Fositesland in het grensgebied van de Friezen en de Denen. Deze tekst en die onder de foto geven precies het probleem aan. LvdT erkent hiermee dat de geschiedenis van Radbod niet in Friesland past. Pas in de dertiende eeuw ontstonden de 'volksverhalen' over koning Radboud en de de Friezen in Friesland. Lees meer over Medemblik. Fositesland was niet Helgoland, maar Le Fossé in Frankrijk, dat inderdaad tussen Frisia en Dania (=Normandië) ligt.

    Dat Willibrord naar de Dani trok, is door de historici algemeen uitgelegd als “naar Denemarken”, zodat Fositesland even algemeen werd opgevat als Helgoland! Deze reconstructie leek hen aanvaardbaar voor Willibrord, ofschoon zij haar voor Wulfram bisschop van Sens, die ook Fositesland bezocht, niet konden gebruiken en daarom het betreffende eendere bericht over Wulfram als onbetrouwbaar bestempelden. De term Dani duidt helemaal niet Denemarken aan doch de streek ten zuiden van Montreuil, waar al vroeg in de 6e eeuw over Dani wordt gesproken.
    Door teksten 'onbetrouwbaar' te bestempelen lossen historici de problemen op die hen niet uitkomen. Zo ging dat en gaat dat nog in historische Nederland. Lees meer over St.Wulfram te Medemolaca en de mislukte doop van Radbod.
    127
    De Vechtstreek, op steenworp afstand van Utrecht gelegen, bleef in Friese handen. Daarmee was Utrecht een vooruitgeschoven Frankische grenspost en bijgevolg een weinig aantrekkelijke verblijfplaats voor willibrord en zijn broeders, die de burcht voor hun missiewerk toegewezen hadden gekregen. Voorlopig waagde hij zich niet in het vijandige Frisia benoorden de Rijn. Daarvoor hadden zijn activiteiten te veel een politieke lading. De weidse titel van 'aartsbisschop onder de Friezen' die hij in het kader van de Frankische verovering op persoonlijke titel had verworven, was voorlopig inhoudsloos. Als we naar zijn werkgebied kijken, dan zouden we hem nog eerder prediker onder de Brabanders kunnen noemen. De opbouw van het Friese aartsbisdom doofde dan ook als een nachtkaars. LvdT maakt hier van St.Willibrord een lafaard die niet onder de Friezen durfde te prediken. Daarom ging hij maar naar Brabant. Hoe verzin je het zou ik LvdT willen vragen. Het is wel duidelijk dat LvdT de geschiedenis van St.Willibrord niet kent, die op hoge leeftijd in zijn missiegebied bleef. Maar dat was niet Utrecht, dat ziet LvdT wel goed, maar Trajectum in Frans-Vlaanderen. Dat er van een aartsbisdom in Utrecht niets terecht kwam, klopt ook weer. Het heeft er immers tijdens St.Willibrord niet bestaan. In de tijd van St.Willibrord is er in Utrecht een dikke laag zeeklei afgezet vanwege de transgressies. Lees meer over St.Willibrord en Utrecht en over de kerken in Brabant.
    . .
    . .
    . .


    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.