Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Ganuenta teruggevonden?



Gedenksteen van godin Nehalennia, gevonden in Colijnsplaat.

In de derde regel lezen Bogaers en Gysseling Ganuenta, terwijl er duidelijk Gimiog(a) staat. Het is een manipulatie van het opschrift om vooral gelijk te krijgen.
De Romeinse naam van Colijnsplaat is lange tijd onbekend. Dit verandert na de vondst in 1970 van een onversierd altaar van 58 cm van blauwzwarte kalksteen (zie afbeelding hiernaast), dat slechts een enkele inscriptie draagt. Het is het altaar van Gimio, die tijdelijk woonachtig is in Ganuenta of in het Latijn' Ganuentae cons(istens)'. Aanvankelijk neemt men aan dat de schipper die het altaar schonk, uit Venta in Engeland kwam. Door de voornaam van de schipper niet als Gimioga te lezen maar als Gimio (1), een Keltische naam, en door de woonplaats van de schipper niet als Venta maar als Ganuent te lezen (2), achterhaalt men de naam van de plaats 'Ganuent'. Een plaatsnaam eindigt vaak op een a, dus dat maakt 'Ganuenta' (3).

Dat geeft dat Gimio de steen schenkt in Ganuenta waar hij tijdelijk verblijf houdt (consistens). De naam van de nederzetting bij Colijnsplaat is gevonden. Hier lag ooit Ganuenta.

Dit schrijft Annine van der Meer in haar boek 'Nieuw Licht op Nehalennia' (2015), waarmee ze klakkeloos de opvatting volgt van J.Bogaers en M.Gysseling uit 1971. Daarnaast blijkt Van der Meer nogal gecharmeerd van het boek van Ada Hondius-Crone uit 1955, waar ze regelmatig naar verwijst. Niet echt 'nieuw licht'.
Dat nieuwe licht blijkt ook moeilijk te vinden. Historisch volgt ze de traditionele lijnen, al is ze hier en daar toch niet van alles op de hoogte. Zo veronderstelt ze een vaarverbinding vanaf Keulen naar Domburg. Maar in de Romeinse tijd bestond de Waal, die naar het Hollands Diep stroomt, nog niet. Ook de Striene, de verbinding tussen Maas en Schelde, bestond niet in de Romeinse tijd. Dat lezen we dan weer in de 'Geschiedenis van Zeeland, deel 1, p.30,68, 78 en 135. Vanuit Keulen naar Domburg moest men dus via Katwijk en de Noordzee.
Overigens wordt hiermee ook feilloos aangetoond dat de Corbulogracht niet van de Rijn naar de Maas gelopen kan hebben. De Maas stond niet in verbinding met Hoek van Holland! De Waal bestond nog niet, evenmin als de Lek. En tussen Rijn en Maas is sprake van niveauverschil, dus zal een overtoom of sluis nodig geweest zijn. Maar dit terzijde.

De 'reconstructie' van Van der Meer blijkt dus gebaseerd op naschrijverij en een onnavolgbare hersenkronkel. Allereerst maakt ze (net als Gysseling) de denkfout door ervan uit te gaan dat de vindplaats van een gedenksteen ook de naam van de verblijfplaats van de eigenaar is. Albert Delahaye heeft meermalen aangetoond dat het een ontoelaatbare onjuistheid is, wat wel aangetoond werd met een gedenksteen van een Moriniër, gevonden in Nijmegen. Bovendien voert ze drie leesfouten en drie correcties in de tekst op (zie de nummers (1),(2),(3) , om haar 'bewijs' rond te maken. Op die manier kun je natuurlijk van alles 'bewijzen'.

Een andere auteur die recent onderzoek deed naar Nehalennia is Niels Tuinman die in zijn afstudeerscriptie ook verwijst naar deze tekst 'DEAE NEHA(LE)NIAE GIMIOGA N(AUTA) VENT(AE) CONS(ISTENS) V(OTUM) S(OLVIT) L(IBENS) M(ERITO), zoals Bogaers en Gysseling die bedachten (!), schrijft hij.

Deze inscriptie werd door hem vertaald met 'Voor de godin Nehalennia heeft Gimioga, schipper, te Venta gevestigd, zijn gelofte ingelost, gaarne en met reden'. Dit klonk aannemelijk aangezien bekend is dat er drie plaatsen in Romeins Engeland zijn die Venta heetten. Van deze drie plekken had Venta Icenorum de beste papieren om de woonplaats van Gimioga te zijn geweest. Echter door Bogaers & Gysseling is een andere interpretatie geopperd (Bogaers & Gysseling, 1971, 232-239). Volgens hen is de naam van de persoon niet Gimioga, maar Gimio; een Keltische persoonsnaam die, in tegenstelling tot Gimioga, vaker voorkomt. Tegen de plaats Venta als woonplaats is in te brengen dat deze in de Romeinse tijd nauwelijks te bereiken was per schip, waardoor deze nederzetting niet als havenplaats kan hebben gefungeerd. Dit samen wijst erop dat de dedicant van dit altaar Gimio geheten zal hebben en zijn woonplaats Ganuent. Aan de hand van taalkundige theorieën meent Gysseling dat de plaatsnaam op een -a- dient te eindigen. Dit blijft echter een theorie en zal lastig te bewijzen zijn, schrijft Tuinman.

Jammer voor Bogaers en Gysseling, maar andere historici lezen er toch steeds Gimioga. Marten Henig leest deze naam Gimioga in 'A corpus of Roman engraved gemstones from British sites', met een verwijzing naar P.Stuart die dit leest als 'Gimioga N(auta) Vent(ae)'. John Wacher noemt in zijn boek 'The coming of Rome' twee schippers waarvan een met de naam Gimioga. Anthony Richard Birley noemt een Gimioga als inwoner van Rome. Malcolm Todd noemt ook twee maal Gimioga in zijn boek 'Roman Britain 55BC-400: the province beyond Ocean' (zie afbeeldingen hieronder). Ook de Franse historici Joseph Bidez, Albert Joseph Carnoy, Franz Valery Marie Cumont - vermelden in hun boek L'Antiquité classique uit 2003: "le nom antique de Colijnsplaat : dès lors Gimio (AE 1975, 641) n'est pas un «étranger» à Colijnsplaat. Il pourrait être un étranger d'une des villes de Bretagne portant le nom de Venta si on choisissait la lecture Gimioga". In L'Année épigraphique (1978) wordt ook Gimioga als een van de twee interpretaties genoemd naast het keltische Gimio.

De redenatie en interpretatie van Bogaers en Gysseling gaat dus helemaal niet op.

Net als Van der Meer verwijst Tuinman voor deze 'reconstructie' naar het artikel van J.E.Bogaers en M.Gysseling uit 1971 (Oudheidkundige Mededelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden N.R. 52 (1971).

Op de 'interpretatie van Bogaers en Gysseling' (beter is manipulatie) is het nodige aan te merken.
De opmerking van Tuinman over de opvatting van Bogaers en Gysseling 'dit blijft echter een theorie en zal lastig te bewijzen zijn', is dan ook volkomen terecht. Naast wat Albert Delahaye reeds opmerkte over vindplaats en plaatsnaam, is de lezing van Bogaers en Gysseling een farce. Op de betreffende zuil staat nergens Ganuent-a- . Blijkbaar is Delahaye er ook klakkeloos vanuit gegaan dat Bogaers als 'deskundige' deze tekst wel juist gelezen had. Dat had Delahaye dus helemaal niet moeten doen, aangezien Bogaers er helemaal naast zat. Dat een persoonsnaam wel of niet vaker voorkomt vormt ook al geen enkel bewijs voor de juistheid van een opvatting. Bovendien vormt het nauwelijks bereikbaar zijn per schip geen argument. Dan zouden er wel meer plaatsen vervallen als havenplaats. En wat houdt het nauwelijks in? Dus soms toch wel? Het gaat hier wel over de Romeinse tijd, de tijd dat de Brittenburg nog niet in zee lag neem ik aan! En de taalkundige ideeën van Gysseling zijn wel bekend: die slaan te vaak helemaal nergens op. Neem als voorbeeld het 'consistens'. Naast dat het niet op de zuil staat (het is een interpretatie van Bogaers/Gysseling) hoeft het helemaal niet te betekenen dat het vrijwel altijd de plaats noemt waar de inscriptie gemaakt is. Hoezo vrijwel altijd? Dus soms toch niet? Het is een onbewezen aanname van beide heren. Tuinman meent dat de altaren voor Zeeland wel in Keulen gemaakt zijn. De gebruikte steensoort kwam in elk geval voor het merendeel daar vandaan. De steensoort van deze gedenksteen kwam overigens uit de buurt van Doornik en is dus zeker via de Schelde daar aangevoerd.

Wat staat er werkelijk op deze gedenksteen?
De tekst op de gedenksteen is (volgens Bogaers en Gysseling): DEÆ NEHA ... NIÆ GIMIOG/... NV?NT? CONS... V I? S. L M Daarvan maakt Bogaers: DEAE NEHALENIA GIMIO GA/NU (ae?) CONS(istens) V(otum) S(olvit) L(ibens) M(erito) en vertaalt het als volgt: 'Jegens de godin Nehale(?)nia heeft Gimio, te Ganuent(a?) gevestigd (of verblijvend), zijn gelofte ingelost, gaarne (en) met reden'. De gedeelten tussen ( ) zijn aanvullingen van Bogaers en Gysseling, slechts bedoeld om eigen opvatting te bevestigen. De 5 vraagtekens heeft Bogaers er zelf al bijgezet en waaruit toch al de nodige twijfel spreekt.

Wat in elk geval blijkt is dat er helemaal nergens een plaatsnaam GANUENTA op staat. Als men op deze inscriptie deze plaatsnaam had willen zetten, dan had men de laatste G wel op de volgende regel gezet. Door Bogaers wordt de laatste G/(/=A?) op de derde regel aan de eerste 4 letters NV?N op de 4e regel geplakt. Dat is dus een manipulatie van Bogaers, waaraan hij zelf ook twijfelt, aangezien hij zelf al 5 vraagtekens bij de naam en in de vertaling zet! En dat moet als bewijs dienen?

Opvallend blijft dat M.Gysseling Ganuenta in zijn Toponymisch Woordenboek helemaal niet noemt. Is hij niet van zijn eigen opvatting overtuigd? Hij schrijft daarover in betreffend artikel: "Onze kennis van de laat-prehistorische toponymie in de Nederlanden is zo fragmentarisch, dat het onmogelijk is te bewijzen dat Venta of Nuenta in onze gewesten niet kunnen bestaan hebben. Wel mag men zeggen dat beide woorden te onzent zeer bevreemden; nog meer bevreemdend is een persoonsnaam Gimioga. Ganuenta daarentegen is volkomen doorzichtig en past in elk opzicht in onze laat-prehistorische toponymie. Van de talen van onze prehistorische voorouders weten wij bitter weinig af, en het ontraadselen van hun plaats- en persoonsnamen is een moeizame bezigheid". Ook D.P.Blok vermeldt Ganuenta niet in zijn Lexicon. Blijkbaar is ook hij niet overtuigd van de opvatting van Bogaers en Gysseling. Ook G.van Berkel en K.Samplonius noemen in 'Nederlandse plaatsnamen, herkomst en historie' Ganuenta niet bij Colijnsplaat of bij Gendt.

Gysseling leest hier dus niet Ganuenta maar Venta of Nuenta als plaatsnaam. Met 'volkomen doorzichtig' zal hij bedoelen 'volkomen niet zichtbaar' ofwel 'volkomen onbekend'. En dan zal hij wel een beroep gedaan hebben op zijn eigen creativiteit waar hij zichzelf om roemt, om er Ganuenta van te maken.

Er is dus geen enkel bewijs dat Colijnsplaat ooit Ganuenta geheten zou hebben. Ook in het boek van Annine van der Meer wordt dat niet aangetoond. Blijkbaar vaart ze blind op Bogaers en Gysseling, de zogenaamde deskundigen.

Zolang naschrijverij en het klakkeloos volgen van die 'deskundigen' hoogtij vieren, komt er nooit beweging in de historische opvattingen.

Over de aanvullingen en interpretaties en de vertaling van 'cons(istens)' door Bogaers kan men ook discussiëren. Consistens betekent gewoonlijk 'zich vestigen' of 'gaan wonen'. Dat is 'de plaats waar iemand verblijft of vandaan komt'. Een 'consistorium' is een plaats van samenkomst. En waar anders komt men samen dan in de eigen woonplaats of thuis! Dat was ook de reden waarom werd aangenomen dat Ganuenta ook daadwerkelijk in Zeeland lag op de plek waar het altaar gevonden is. Wanneer op een inscriptie 'consistens' gebruikt wordt in verband met een plaatsnaam, kan er vrijwel altijd van uit worden gegaan dat deze inscriptie gemaakt is in de plaats die ook genoemd wordt in de inscriptie, stelt Gysseling. (Bogaers & Gysseling, 1971, 233-234). Vrijwel altijd? Dus soms toch niet? Maar zoals Albert Delahaye al aantoonde vormt een plaatsnaam op een inscrptie geen enkel bewijs over de naam van de vindplaats.

Maar kan bijvoorbeeld na CONS- niet (igno) ='bezegelen' of (ultus) ='om raad of zorg vragen' of (isto) ='voor anker gaan' gestaan hebben? Met Cons-isto 'voor anker gaan', wordt de hele tekst veel logischer en aannemelijker. Dan is de gedenksteen uitermate toepasbaar op een schipper. Als men voor anker gaat heeft men veilig de overkant bereikt en is de schipper dankbaar genoeg om een altaartje op te richten voor godin Nehalennia, zeker in het onberekenbare Kanaal. Ook het Libens en Merito kan men anders vertalen bijvoorbeeld met 'vrijwillige weldaad' of 'vrijwillige verdienste' in plaats van 'gaarne en met reden'. Gaarne en met reden is studeerkamer taal van Bogaers, maar zeker geen gewoon taalgebruik. Welke reden zal bedoeld zijn? Wij zouden zeggen: 'met de oprichting van dit altaar los ik vrijwillig mijn gedane gelofte in'.

Willem Pleyte vertaalde in 1877 in zijn 'Nederlandse Oudheden van de vroegste tijden tot op Karel den Groote' de letters V.S.L.M. met "heeft vrijwillig en naar verdienste zijn gelofte betaald". Paul van der Heijden vertaalt het in 'Romeinen langs de Rijn en Noordzee' (uitgave AWM 2020) met "heeft zijn gelofte ingelost, gaarne en terecht". Je ziet er blijkt van alles mogelijk bij vertalingen, zoals ik al eerder aangaf in eerdere artikelen in SEMafoor.

Ook bij vertalingen zijn de logica en de samenhang doorslaggevend en die zijn bij Bogaers en Gysseling wel eens vaker ver te zoeken.
Het komt er dus op neer dat op deze gedenksteen van Nehalennia nergens de plaats Ganuenta genoemd wordt, waarmee deze discussie ook weer beslecht is: 'gaarne en met reden'.

Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.