De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Jaarboek Oud-Utrecht 2010.

Deze pagina wordt nog bijgewerkt!


Jaarboek Oud-Utrecht uit 2010.

Utrecht in de periode 700-1200. Een archeologische geschiedenis van de stad en een vernieuwde kijk op de vicus Stathe, door Cees van Rooijen.

Op basis van de archeologische gegevens mogen we mijns inziens aannemen dat langs de Vecht, van de late tiende tot ver in de twaalfde eeuw, de vicus Stathe heeft gelegen en dat er bij de Buurkerk geen vergelijkbare handelswijk lag. Vanwege de consequenties die dit heeft voor de theorieŽn over de topografische ontwikkeling van Utrecht, ben ik uitgebreid ingegaan op een aantal ook niet-archeologische argumenten die betrekking hebben op de aard van de handel in Stathe,de locatie van Stathe en de aard van de handel na het verdwijnen van Stathe.
Sinds in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw het archeologisch onderzoek structureel door de gemeente ter hand werd genomen, zijn er veel opgravingen en andere onderzoeken uitgevoerd. De stroom aan gegevens, samen met die van oudere onderzoeken, maakt het mogelijk op basis van de archeologie een beeld te schetsen van de topografische ontwikkeling van de stad. Deze worden in hoofdlijnen ondersteund door gegevens die sinds het midden van de jaren negentig in de Leidsche Rijn zijn verzameld. Het is duidelijk dat na de bloei in de Karolingische periode, het voormalige castellum te Utrecht - vrijwel- verlaten wordt. Ook buiten het fort en in het Leidsche Rijn gebied zijn geen sporen gevonden die op bewoning wijzen.
Wel is in deze periode op de Karolingische lagen in de stad klei afgezet. In de tiende eeuw keert de bisschop terug en ontstaat langs de Vecht een handelswijk. Letterlijk naast elkaar, ontwikkelen zich in het latere Utrecht een groot kerkelijk en een groot handelscentrum. Het handelscentrum kent zijn bloei in de elfde eeuwen gedurende de twaalfde eeuw verschuift de handel naar de stenen gebouwen langs de Oudegracht. Het kerkelijke centrum groeit in de elfde en twaalfde eeuw door. Doordat de locatie van de handel zich in de twaalfde eeuw verplaatst, raken het kerkelijke gebied en de handelszone verweven. Vanaf dan begint Utrecht als stad pas echt vorm te krijgen.

Op basis van de archeologische gegevens mogen we mijns inziens aannemen dat langs de Vecht, van de late tiende tot ver in de twaalfde eeuw, de vicus Stathe heeft gelegen en dat er bij de Buurkerk geen vergelijkbare handelswijk lag. Vanwege de consequenties die dit heeft voor de theorieŽn over de topografische ontwikkeling van Utrecht, ben ik uitgebreid ingegaan op een aantal ook niet-archeologische argumenten die betrekking hebben op de aard van de handel in Stathe, de locatie van Stathe en de aard van de handel na het verdwijnen van Stathe.

Lees ook wat Van Rooijen schrijft in Jaarboek Oud-Utrecht 1999 en de repliek daarop van Tarq Hoekstra in Jaarboek Oud-Utrecht 2000.

De visie van Albert Delahaye.
Utrecht heeft ten onrechte de geschiedenis van St.Willibrord opgedrongen gekregen. Dit is het gevolg geweest van het misverstaan van de plaatsnaam Trajectum, van de locatie van de Fresones die men in Friesland plaatste en de oorkonde van Karel de Grote uit het jaar 777. Lees daarover in de akte van 777. Aan de grondslag van dit alles ligt de Fundamentele Verwarring over de plaats van het paleis van Karel de Grote met de naam Noviomagus. Dat paleis stond niet in Nijmegen, maar in Noyon.
Utrechtis in de 3e eeuw overstroomd geraakt waardoor de Romeinen vertrokken. Pas in de 10e eeuw kwamen er nieuwe bewoners in de regio. In de eeuwen daartussen was er niets te doen en is er zeker geen bisschopszetel geweest. De bisschopszetel van St.Willibrord te Trajectum was niet Utrecht, maar het Franse stadje Tournehem. Trajectum lag volgens de gegevens van Antonini in Gallia. Lees meer over Trajectum.


Jaarboek Oud-Utrecht.
Het jaarboek bevat wetenschappelijke artikelen over de geschiedenis van de stad en de provincie Utrecht. Het verschijnt eens per jaar en bevat doorgaans zes tot acht langere artikelen, die onderwerpen van de middeleeuwen tot de twintigste eeuw beslaan. Omvangrijke artikelen krijgen een apart hoofdstuk. Terug naar Oud-Utrecht.
Bouwhistorische kroniek.
Sinds 1926 voert de gemeente Utrecht systematisch archeologisch en bouwhistorisch onderzoek uit. Dit onderzoek is noodzakelijk om de vroegste geschiedenis van de stad te kunnen reconstrueren. De oudste onderzoeken waren vaak summier beschreven, maar blijken toch opvallend ook later niet weersproken te worden, dan op een enkel (niet doorslaggevend) detail.


Wat lezen we in dit artikel van Cees van Rooijen? We citeren enkele teksten (opmerkingen in rood):

  • Op basis van enkele vondsten wordt het graven van dit slotenstelsel in de achtste eeuw geplaatst. Hoewel het leggen van een directe relatie tussen geschreven bronnen en archeologische fenomenen riskant is, is het aantrekkelijk in dit gebied met sloten - een deel van het pascue graveningo te zien. Dit wordt genoemd als onderdeel van een schenking van Karel Martel in 723 aan het monasterium (in Utrecht, moet zijn Trajectum!). Pascue graveningo betekent zoveel als 'een door sloten ontwaterd weiland', wat goed kan slaan op het genoemde gebied. Wat goed kan slaan op...? Het slaat echter op de de aankomstplaats van St.Willibrord in Gravelines, dat in Frans-Vlaanderen ligt en waar -oh toeval (of geen toeval?)- de parochiekerk aan St.Willibrord is gewijd en men een reliek van deze heilige bezit. Lees meer bij Trajectum.

  • Wat is zoal gevonden uit de Karolingische periode? Een brokje barnsteen, een hertengewei en veel aardewerk. Bij de restauratie van de Buurkerk is Karolingisch en jonger aardewerk aangetroffen, dat vanaf 750 tot 1000 na Christus te dateren is. Hoewel er zijn geen sporen van bebouwing bekend zijn, kan hier bewoning aangenomen worden. Verder een beschoeiing die uit de vroege negende eeuw dateert: bij dendrochronologisch onderzoek bleek het hout tussen 773 en 806 na Christus te zijn gekapt. Aardewerk uit 773 of pas uit het jaar 1000? Dat is een ruime marge, waarmee dus niets te bewijzen valt. Aardewerk uit het jaar 1000 kan ook vele decennia later pas in de grond geraakt zijn. Een boom gekapt na 800, maar wanneer gebruikt of hergebruikt als beschoeiing?

  • Rondom het Romeinse castellum met de Salvator- en Maartenskerk, lagen een agrarisch gebied, een kleine nederzetting, een begraafplaats en oeverversterkingen. De vondsten zijn relatief bescheiden van omvang en intensiteit en lijken niet op een grote nederzetting te wijzen. Het is mogelijk dat de activiteiten rondom het fort vrijwel uitsluitend ten dienste hebben gestaan van het kerkelijke centrum. Ook hier geen doorslaggevende bewijzen van het bestaan van een bisschoppelijk centrum.

  • Zoals al is opgemerkt, is het Karolingische greppelsysteem in de binnenstad weer dichtgeslibd en is over dat landschap weer klei afgezet. De dikte van de afzettingen varieert van circa tien tot dertig centimeter, afhankelijk van de ligging boven een voormalige oeverwal of in een voormalig (kom)kleigebied. De absolute hoogteligging varieert eveneens, maar het hoogste punt van deze afzettingen, op de pre-Romeinse stroomrug. ligt op circa 230 cm +NAP. Kleiafzettingen tot 230 cm +NAP? Dan kunnen grote overstromingen toch niet langer ontkend worden?
  • Het valt op dat tussen alle gebouwen voor kerkelijke en bestuurlijke activiteiten, weinig sporen van bewoning of andere activiteiten zijn aangetroffen. Dat is des te opmerkelijker omdat daar, in de zone langs de Rijn en tussen het Domplein en de Maria immuniteit, meestal de uit de geschreven bronnen bekende handelswijk Stathe wordt gezocht. De beperktheid van de archeologische gegevens voor de tiende, elfde en zelfs ook vroege twaalfde eeuw in dat gebied is opvallend. Wel is op alle genoemde locaties (veen)ophoging gevonden. Deze veelal in de elfde/twaalfde eeuw te dateren lagen reiken meestal tot ongeveer 260/280 cm +NAP. Veenophogingen tot 260/280 cm +NAP? Dan kunnen grote overstromingen toch niet langer ontkend worden?

  • In de tiende eeuw begint de werkelijke ontwikkeling van de latere stad Utrecht. Vanaf die tijd is er met zekerheid continue bewoning binnen de latere binnenstad en is het politiek/religieuze centrum op het latere Domplein permanent in gebruik. Wanneer de bisschop - waarschijnlijk - in 929 terugkeert, treft hij een vermoedelijk volledig verlaten gebied aan. Dat lijkt me toch wel duidelijke taal. Het bestaan van een kerkelijk centrum ten tijde van St.Willibrord kunnen we dus vergeten.

  • Op basis van de archeologische gegevens mogen we mijns inziens aannemen dat langs de Vecht, van de late tiende tot ver in de twaalfde eeuw, de vicus Stathe heeft gelegen en dat er bij de Buurkerk geen vergelijkbare handelswijk lag. Deze vicus droeg dus niet de naam Trajectum. Die naam kwam pas later in gebruik toen de abdij Van Echternach eenmal St.Willibrord in Nederland had geplaatst. En dat gebeurde pas in de 12de eeuw. Lees meer over Echternach.
  • Overtuigende sporen uit de tiende eeuw worden vooral aangetroffen langs de zuidoever van de Vecht, verder noordelijk van het fort.

  • Een nauwkeurige datering van de boot van langs de Waterstraat is er niet, maar stratigrafisch gezien moet deze enige tijd eerder zijn (af) gezonken dan de hieronder nog te behandelen resten die rond 1001 tot 1007 zijn te dateren. Een datering in de -late? - tiende eeuw lijkt voor dit 'tweede' Utrechtse schip het meest waarschijnlijk.

  • De Fundamentele verwarring tussen Noviomagus is Nijmegen of Noviomagus is Noyon, ligt aan de grondslag van de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem? Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Immers als Nijmegen fout is, is de Betuwe ook niet het land van de Bataven en is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!
    Al met al blijkt er toch nog veel sprake van onzekerheid en verwarring te zijn over de oudste kerkenbouw in Utrecht. Let op de onderstreepte woorden. Waren de kerken er eerder dan de huizen? Waren er wel huizen?

  • Het valt op dat tussen alle gebouwen voor kerkelijke en bestuurlijke activiteiten, weinig sporen van bewoning of andere activiteiten zijn aangetroffen. Dat is des te opmerkelijker omdat daar, in de zone langs de Rijn en tussen het Domplein en de Maria immuniteit, meestal de uit de geschreven bronnen bekende handelswijk Stathe wordt gezocht.

  • De resten van een gebouw, waarvan enkele paalkuilen en een paal zijn gevonden vormen de derde aanwijzing. De houten paal is op basis van de jaarringen gedateerd in 990 (+/- 6 jaar) na Christus. Het bijbehorende aardewerk, zoals onder andere Duisburgse waar en fragmenten van reliëfbandamforen, is in de tiende eeuw te plaatsen.

  • Het kerkelijke en bestuurlijke centrum was met de Sint-Maartenskerk, de Salvatorkerk, de kleinere Kruiskapel, de bisschopshof en het keizerlijke paleis Lofen visueel een imposant geheel geworden. Daarmee werd voor ieder duidelijk dat het fort het centrum was van heel wat meer dan alleen een toekomstige stad.

  • Mede omdat de bisschop over zeer veel middelen beschikte, was het voor hem mogelijk het kerkelijke centrum verder uit te bouwen. Waarschijnlijk werd al vroeg in de elfde eeuw ten westen van de burcht de aan Maria gewijde Buurkerk gebouwd. Dit is mogelijk tijdens het episcopaat van Ansfried (995-1010) of Adelbold gebeurd.

  • De oriŽntatie van de Buurkerk komt naar het zich laat aanzien overeen met die van de Sint-Salvatorkerk en niet met de onder Bernold (1026-1054) gebouwde kapittelkerken, wat voor een oudere datering van de Buurkerk kan pleiten. Als de Bernold-kerken eerder of gelijktijdig met de Buurkerk waren geweest, had een gelijke oriŽntatie voor de Buurkerk verwacht mogen worden.

  • De parochiale zorg van de zeer grote Utrechtse parochie - waartoe ook Maarssen, Zwesen (waarschijnlijk het latere Zuilen) en Vechten behoorden -werd tot de wijding van de Buurkerk vanuit de Sint-Maartenskerk en vermoedelijk ook deels vanuit de Sint-Salvator verzorgd.

  • Waarschijnlijk werd bij de nieuwbouw van de Dom in de burcht, besloten de parochiale zorg naar buiten het castel/um te verplaatsen. Het nieuwe gebouw kon daarmee, evenals de nieuwe Dom, bijdragen aan de uitstraling van het religieuze en politieke centrum.

  • Rond het midden van de elfde eeuw worden er onder leiding van bisschop Bernold (10261054) twee kapittelkerken met bijhorende immuniteit en een abdij gesticht.

  • De Janskerk die aan de noordzijde van het fort, aan de overzijde van de Rijnloop, werd gebouwd is tussen 1048 en 1054 ingewijd. De kerk van de Paulusabdij is gewijd in 1050. De Paulusabdij ontstond doordat een religieuze gemeenschap van de Hohorst bij Amersfoort naar een plaats direct ten zuiden van het latere Domplein werd verplaatst. Volgens noot 56 is dit gebaseerd op bevindingen van Charlotte Broer en Martin de Bruijn. Lees meer over beiden. De verplaatste Paulusabdij van Ansfridus uit Hohorst is een mythe. Lees meer over Ansfridus.

  • Nu is er al veel over het al dan niet bewust aangelegde kerkenkruis in Utrecht geschreven. Duidelijk is dat historische bronnen hier niets over zeggen. Dat wil echter niet zeggen dat er geen geweest is; de plaatsing van de kerken laat wel degelijk een kruisvorm zien en men mag aannemen dat de kerkenbouwers zich indertijd bewust waren van de configuratie. Overigens is het ook denkbaar dat er een meer 'aardse' verklaring voor dit samenstel van kerken is. Zo wilde de bisschop mogelijk gewoon aan alle vier zijden van het voormalige castellum een kerk hebben, waardoor de kerken automatisch in een kruispatroon kwamen te staan.

  • Tot nu toe wordt er altijd vanuit gegaan dat de latere Mariakerk en niet de Maria Minor ofwel de Buurkerk tot het kerkenkruis zou hebben behoord. Maar er is, zoals Broer aantoont, geen enkele reden waarom de Mariakerk deel uit moet maken van een kruisvorm van kerken, alle argumenten die voor de rol van de Mariakerk leken te pleiten zijn weerlegd. Zie de afbeelding hiernaast van het 'zogenoemde' kerkenkruis. De toelichting bij de afbeelding is: De stenen bebouwing rond 1050. I=Domkerk; II=Sint Salvator; III=Burchtmuur; IV=Heilig kruiskapel; V=Keizerlijk Paleis Lofen; VI=Bisschoppelijk paleis; VII=Buurkerk (alleen de toren is zeker); VIII=Pieterskerk; IX=kerk van de Paulusabdij en X=Janskerk. (het deel van de burcht en haar bebouwing naar D. Claessen, Cultuurhistorie gemeente Utrecht). De stippellijn geeft de 'vermoedelijke' loop van de oude Rijn aan.

  • Wanneer we het ruimtelijk bezien, past de Buurkerk perfect in het plaatje van een kruisvorm; misschien niet historisch aantoonbaar maar wel archeologisch en bouwkundig aanwezig. Er is dan ook alle reden om de Buurkerk in de configuratie van het kruis te betrekken. Voor bisschop Bernold en zijn tijdgenoten zal het - aannemende dat zij zich van de kruisvorm bewust waren - vanzelfsprekend zijn geweest de Buurkerk mee te laten tellen.

  • In de tweede helft van de elfde eeuw (1081) werd verder westelijk van de Buurkerk begonnen met de bouw van een kerk die eveneens aan Maria werd gewijd, en voortaan ook als de Mariakerk bekend zou staan. De Buurkerk en de Mariakerk zijn dus niet een op een dezelfde kerk, ook al wordt dat onderscheid niet altijd duidelijk gemaakt in de verschillende artikelen hierover.

  • De dendrochronologische datering van een paal van het gebouw in 1081 (+/- 6 jaar) maakt het waarschijnlijk dat het om een werkplaats voor de bouw van de kerk gaat. Binnen de immuniteit zijn ook sporen van een natuurstenen gebouw gevonden dat uit de vroegste periode van de immuniteit moet dateren, al is het op basis van de archeologische gegevens niet scherp te dateren.

  • Bij de vaak aangehaalde resultaten van de opgraving onder de Herna, die vaak als het archeologische bewijs voor de aanwezigheid van Stathe wordt gezien, is slechts één kuil en een ophoginglaag in de elfde of twaalfde eeuw te plaatsen. Dat de eeuw daarbij niet met zekerheid is te bepalen komt door het beperkte aantal (wand)scherven, materiaal dat niet nauwkeuriger is te dateren. De overige sporen van de opgraving Hema zijn niet vroeger dan twaalfde-eeuws. In het genoemde gebied langs de Rijn zijn ook bij andere opgravingen geen sporen uit de tiende of de elfde eeuw gevonden. Vondsten van andersoortig materiaal dan aardewerk, zoals bot, leer, glas en ijzer, zijn hier uit de elfde eeuw nauwelijks bekend. Wel is op alle genoemde locaties (veen)ophoging gevonden. Deze veelal in de elfde/twaalfde eeuw te dateren lagen reiken meestal tot ongeveer 260/280 cm +NAP. Ophoging tot bijna 3 meter? En dan toch de transgressies ontkennen?

  • Aanwijzingen voor elfde-eeuwse handelsactiviteiten zijn er niet. We mogen aannemen dat degenen die de kerkelijke en bestuurlijke functionarissen in het fort verzorgden daaromheen gewoond hebben. Mogelijk hebben ook de werklieden die bij de vele kerkelijke bouwprojecten betrokken waren daar (tijdelijk?) gewoond.

  • In de ruimte tussen al deze kerkelijke gebouwen en immuniteiten in, zijn uit de elfde eeuw weinig archeologische vondsten bekend. Toch zijn er aanwijzingen die bewoning aannemelijk maken. Zoals? Slechts één waterput uit de elfde (?) eeuw?

  • De nederzetting, die in veel opzichten vergelijkbaar is met de havengebieden van Tiel, Deventer en Dorestad, groeide na het begin in de latere tiende eeuw, in de elfde eeuw uit tot een uitgestrekt handelscentrum. De meeste gegevens over burgerlijke activiteit uit de elfde eeuw komen van de zone langs de zuidoever van de Vecht, aan de noordzijde van de latere binnenstad. Elders in die binnenstad zijn hier en daar sporen gevonden die wijzen op bewoning, maar die zijn zeer beperkt. Tiel, Deventer en 'Dorestad' (Wijk bij Duurstede?) hebben niet gelijktijdig bestaan. Dorestad zou in 863 ten onder zijn gegaan. Tiel en Deventer stammen uit de 10de/11de eeuw.

  • Naast het losse vondstmateriaal zijn op plekken waar in de oude Vechtloop is gegraven veel restanten van kades en beschoeiingen (ze afbeelding hiernaast, hier 'mogelijk van een deel van een schip gemaakt', wat tijdens de opgraving niet als zodanig is herkend) gevonden. Het gaat om perceelsgebonden aanleg. Dit per perceel uitgevoerde werk is ook bekend van Dorestad, Deventer en Tiel. Bij Dorestad ging het om steigers of boven het water staande gebouwen, bij Tiel en Deventer om hetzelfde type beschoeiingwerk als langs de Vecht. Hier lezen we een bevestiging wat al langer gesteld is ten aanzien van de opgravingen in Wijk bij Duurstede, zijnde Munna. Lees meer over Munna.

  • Gezamenlijk vormden de per perceel gemaakte beschoeiingen waarschijnlijk een gesloten kade, maar dan wel met een verspringend front omdat de beschoeiingen niet op ťťn lijn lagen. Er liggen ook verschillende beschoeiingfasen achter elkaar. Voor de eerder besproken kade liggen minimaal zeven opeenvolgende fasen van beschoeiingen in de naar het noorden opgeschoven Vecht. Elders bij deze opgravingen en verder westelijk tot onder het huidige politiebureau zijn eveneens zulke opschuivende beschoeiingen gevonden. De rivier moet hier krachtig langs de oever hebben gestroomd. Vanaf het begin van de elfde eeuw schuiven de beschoeiingen op naar het noorden. De beschoeiingen gemaakt van planken, gaan over in die van paaltjes. Deze verspringende beschoeiingen werd in Wijk bij Duurstede ook gevonden, maar daar 'uitgelegd' als steeds verlengde loopplanken van de havenhoofden.

  • Tussen al dit hout- en vlechtwerk werd grond en afval ter opvulling aangebracht. Hierdoor ontstonden dammen die tot aan of in de Vecht reikten en die we waarschijnlijk moeten zien als een soort steigers. Daar overheen kon men,ondanks de lichte getijdenbeweging, redelijk makkelijk bij de schepen aan de Vecht komen en de goederen uit de schepen op de dammen laden en eventueel verhandelen. De zone met beschoeiingen en ander kadewerk is in deze periode minimaal 300 meter lang geweest, maar kan aan de westzijde verder hebben gereikt. Wat in Wijk bij Duurstede c.q. Dorestad beschreven is, was dus niet uniek. Hetzelfde gebeurde op meer plaatsen langs de zich verplaatsende rivieren. Lees de beschrijvingen op p.31, waar de plaatsen Tiel, Deventer en Utrecht vergeleken worden. Eenzelfde vergelijking gaat ook op voor Wijk bij Duurstede dat dan ook niet Dorestad was. W.A.van Es heeft die opgraving op grond van teksten op begin 9de eeuw geplaatst, waarna het gevonden aardewerk ook op de 9de eeuw werd gedateerd. In die teksten staan kenmerken die in het geheel niet overeenkomen met wat in Wijk bij Duurstede gevonden is. Lees meer over die kenmerken. Het is een ultiem voorbeeld van een cirkelredenering. Vervolgens zijn andere opgravingen waar vergelijkbaar aardewerk werd gevonden, ook op de 9de eeuw gedateerd, terwijl het allemaal de 11de en 12de eeuw zou moeten zijn. De onderlinge verschillen tussen de nederzettingen zijn gebaseerd op gevonden aardewerk en soms wat munten. Echter dateringen op verplaatsbare en langere tijd gebruikte relicten is erg onzeker en zeer discutabel. Lees meer over datering op grond van aardewerk of op grond van muntvondsten.

  • In 1974 is langs de Waterstraat eveneens een platbodem blootgelegd, een type dat ook aak wordt genoemd en dat voer op de binnenwateren (zie afbeelding hiernaast links). De bouw van dit schip, dat aan de onderzijde van een beschoeiing was afgezonken, is op basis van verschillende jaarringdateringen in 1007 te plaatsen. Met een geschatte levensduur van 25 tot 30 jaar zal het rond 1035 zijn afgezonken. Bij de opgravingen aan de Jan Meyenstraat tenslotte is een deel van een vermoedelijk andere platbodem gevonden. Dit stuk is in een kade verwerkt en indertijd niet als zodanig herkend. Dezelfde type schepen elders gevonden (Zwammerdam, Woerden) worden daar Romeins genoemd, terwijl het hetzelfde type inlandse scheepsbouw betreft.

  • Langs de Lange Lauwerstraat zijn bouwsporen gevonden, die ofwel zijn van ťťn huis met twee beuken ofwel van twee huizen. Gezien de dendrochronologische dateringen van de palen uit een rij die ťťn wand vormde, heeft dat deel er de gehele elfde eeuw gestaan. De jongste dendrochronologisch gedateerde boom is rond 1087 gekapt. Enkele andere gebouwresten, hoewel moeilijk te dateren, blijken elfde/twaalfde eeuw te zijn (p.24). Gekapt rond 1087. Het gebouw is dan eerder uit de 12de dan uit de 11de eeuw.

  • Opmerkelijk genoeg zijn tijdens alle archeologische onderzoeken die de afgelopen tien jaar in de Leidsche Rijn zijn uitgevoerd, uit de elfde eeuw slechts beperkt nederzettingssporen gevonden. Blijkbaar was de tijd nog niet rijp voor de ontginningen die in de twaalfde eeuw wel plaats zouden vinden en bleef dit gebied, na aan het eind van de Karolingische periode te zijn leeggelopen, ook nu nog - vrijwel- onbewoond. Nu is Leidsche Rijn niet Utrecht, maar de indicatie is dat de bewoning er pas in de 12de eeuw op gang kwam en zeker niet al in de achtste eeuw ten tijde van St.Willibrord.

  • Van de Sint-Nicolaaskerk wordt op basis van bouwkundige gegevens aangenomen dat deze uit het begin van de twaalfde eeuw dateert. Gezien de nederzetting die daar in de buurt is gevonden, verbaast de aanwezigheid van een parochiekerk daar niet. Van de Sint-Jacobskerk, aan de Vecht gelegen, stamt de oudste vermelding uit 1173. Buiten de latere binnenstad is wat verder weg aan de oostzijde in 1135 de Sint-Stevensabdij (Oudwijk) gesticht en vlak buiten de muren van de stad lag aan de westzijde rond 1200 de Geertekerk. Duidelijk blijkt ook hier weer dat Utrecht pas in de twaalfde eeuw begon te groeien, toen ook de eerste wal werd aangelegd (p.29).. De in de twaalfde eeuw ingezette omwalling zal vervolgens tot in de negentiende eeuw grotendeels de vorm van de stad bepalen (p.30).

  • Uit het voorgaande overzicht is duidelijk dat de archeologisch aangetoonde sporen van de handel vóór de twaalfde eeuw zich langs de Vecht bevinden. De archeologische gegevens conflicteren sterk met de in brede kringen aangehangen theorie over de locatie van de vicus Stathe. Het is dan ook noodzakelijk om de theorie betreffende de locatie van Stathe, alleen genoemd in een oorkonde uit 1127 en van de partus genoemd in 1007, ter discussie te stellen. Eigenlijk staat voor vrijwel iedereen al decennia lang vast dat deze aan de Oudegracht ten westen van het voormalig castellum lag. In dat gebied staat immers ook de oudste parochiekerk van Utrecht, de Buurkerk (ook hier weer de oudste parochiekerk genoemd). Bovendien zijn er geen geschreven bronnen die de vicus Stathe evident bij de Buurkerk plaatsen, terwijl langs de voormalige Vecht wel een zeer grote vicus uit die periode is opgegraven. Vooral op basis van archeologische gegevens heb ik in 1997 al twijfels uitgesproken over die zekerheid over de locatie en heb ik de zone langs de Vecht als alternatief voorgesteld. De veronderstelde locatie van stathe bij de Buurkerk steunt op geen enkel hard bewijs, maar is gestoeld op een stapeling van aannames. Deze stapeling van aannames zien we ook in de geschiedenis van St.Willibrord in Utrecht, terwijl archeologische gegevens geheel ontbreken. In de tijd van St.Willibrord bestond Utrecht niet. Lees meer over Oud-Utrecht.
    Er is slechts één geschreven bron waarin de vicus Stathe wordt genoemd. Wanneer deze bron wordt afgezet tegen de archeologische gegevens, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de vicus Stathe langs de Vecht gezocht moet worden.

  • Alpertus van Metz, die aan het begin van de elfde eeuw over onze streken schrijft, maakt melding van een bezoek van de Noormannen aan Utrecht in 1007. Nu schrijft Alpertus niets over Noormannen, maar noemt hij 'pirates'. De laatste plunderingen die over de Noormannen genoemd worden zijn uit begin 10de eeuw. Van plundering door de Noormannen (soms ook onjuist Vikingen genoemd) is in Nederland geen spoor gevonden, niet in Nijmegen, niet is Asselt en niet in Utrecht. Lees daarover meer bij Noormannen, wat ook Luit van der Tuuk erkent. Zie daarvoor Jaarboek Oud-Utrecht 2003.



    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor alle klassieke teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.