Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

St.Ludger / St.Liudger (742-809).



Met dergelijke teksten (deze is uit het Groninger Museum) worden de mythen rond St.Ludger in stand gehouden.


De geschiedenis van St.Ludger die men in Nederland hanteert is doorspekt met goedgelovigheid. Dat is ten aanzien van een heilige en kerstening wel aanvaardbaar, maar ware geschiedenis moet gebaseerd zijn op feiten, niet op geloof.
En de feiten weerspreken de algemeen aanvaarde opvattingen ten aanzien van het verblijf van St.Ludger in Nederland. Hij past in hetzelfde rijtje als andere predikers als Willibrord, Bonifatius, Plechelmus, Lebuinus, Ansfridus, Amandus, Adelbert en Anscharius. Ook zij horen van oorsprong niet in Nederland thuis, maar zijn importheiligen vanuit Frankrijk en Vlaanderen.


St.Ludger wordt altijd afgebeeld met enkele ganzen aan zijn voeten, soms één onder zijn arm. St.Ludger zou eens ganzen vermanend hebben toegesproken, waarna deze hun overlast gevend gesnater staakten. Deze legende plaatst hem meteen in de juiste streek: Picardië. Het wonder daargelaten, is deze anecdote een aanwijzing dat het om Noordwest-Frankrijk gaat, waar de ganzenteelt nog steeds een belangrijk middel van bestaan is, dit in tegenstelling tot de omgeving van Utrecht. Ook de ganzen van het capitool die met hun gesnater de binnenvallende vijand verraadde, kwamen uit Noord-Frankrijk, waar deze door de Romeinen geruild waren tegen platanen. Dat verklaart ook de grote hoeveelheid platanen, juist in Picardië.

Deventer is het ultieme voorbeeld van een plaats die ten gevolge van een reeks misverstanden een valse geschiedenis opgeplakt heeft gekregen.
Zo is de geschiedenis van St.Lebuinus, die een volledige doublure van St.Lieven in Vlaanderen en St.Liévin in Frankrijk, in Deventer terecht gekomen en met hem de legende van St.Ludger. In de oudste levensbeschrijvingen van St.Lebuinus komt de plaats Deventer niet voor. Dit geschiedde pas veel later, toen men de originele Isla-streek uit de bronnen, ten zuiden van St.Omaars, als de Nederlandse IJsselstreek was gaan opvatten.
Opvallend is overigens dat de abdij van Echternach die in de 11e en 12e eeuw verschillende kerken in Holland en Brabant ging claimen, nooit enige pretenties heeft gesteld ten aanzien van Deventer, Tiel of Wijk bij Duurstede. Terwijl dit toch belangrijke plaatsen waren, volgens de traditionele opvattingen als Daventria, Thylia en Dorestad opgevat.

Op de lijst van kerkelijke feestdagen in het bisdom Utrecht in 1346 waar het feest van Lebuinus vermeld wordt (op 12 november) komt het feest van St.Ludger niet eens voor.
Er bestond in 1346 in Utrecht dus geen devotie tot St.Ludger. Dat is pas daarna ingevoerd.

Het kan ook te maken hebben met het feit dat St.Ludger gezien werd als een heilige van het bisdom Münster en daarom niet op de lijst van Utrecht stond. Dat Ludger in het bisdom Utrecht geboren zou zijn en een gevierde heilige zou zijn, wordt hiermee tevens weerlegd.

Overigens ontbreekt ook Sint Walburgis op deze lijst. Ook dit is een bewijs dat de devotie tot Sint Walburgis pas na 1346 is ingevoerd.

St.Ludger zou veel kerken gesticht hebben in Oost-Gelderland, met name in de Achterhoek zoals in Zelhem (zie daar). Het is dan toch vreemd dat er geen enkele kerk vanouds naar deze heilige vernoemd is. Zo hecht is het geloof in deze heilige blijkbaar nooit geweest. Pas in 1965 kreeg de tweede parochiekerk in Lichtenvoorde het patronaatschap van St.Ludger. De eerste parochiekerk (uit 1912) droeg het patronaatschap van St.Bonifatius, waarbij vermeld wordt dat hij er overigens nooit gepredikt heeft, zelfs nooit geweest is, wat uitermate opmerkelijk is. De St.Ludgerkerk in Lichtenvoorde is in 1999 alweer gesloten en heeft maar net 34 jaar bestaan. De parochie in Lichtenvoorde en omgeving draagt nog wel de naam van St.Ludger. Maar een St.Ludgerkerk vindt men er niet meer.

Ook de oudste kerk in Zelhem, die zelfs door hem gesticht zou zijn, droeg niet de naam van St.Ludger, maar van de bisschop van Maastricht, St.Lambertus.
Sinds de reformatie is het een protestantse kerk, waarbij de naam van de katholieke bisschop en heilige toch is gehandhaafd. Deze contradictie zien we meer bij protestantse kerken die voordien katholieke kerken waren.
Blijft de vraag of de rest van de mythe in het kielzog van St.Lambertus ook vanuit het zuiden kwam?


Het blijft een wonderlijke zaak dat in de tijd van toenemende ontkerkelijking het geloof in deze predikers zo standvastig blijft, zelfs in toenemende mate wordt opgehemeld. Het 'wonder' zal vooral ingegeven zijn door de commercie en de plaatselijke VVV's. Het blijft echter een mythe.

Het geloof in de mythe wordt versterkt door allerlei brochures, boekjes en prullaria die op diverse punten te koop zijn. In de betreffende boekjes wordt het wonderbaarlijk leven van St.Ludger geschetst. De nadruk op de vele wonderen maken het niet meteen geloofwaardiger. Helaas worden de klassieke plaatsnamen zoals deze in de latijnse teksten voorkomen niet genoemd, maar worden alleen de Nederlandse plaatsnamen vermeld. Het maakt de inhoud voor de onwetende 'gelovige' zodanig overtuigend dat er van enige twijfel geen sprake meer is. De historische waarheid is echter anders. Die leest U hier.

Overigens is er met de verering van St.Ludger langs de IJssel niks mis. Het waren immers de Saksische voorouders die door St.Ludger bekeerd zijn. Met de deportatie van de Saksen naar Oost-Nederland en Duitsland ging Ludger met hen mee en stichtte het klooster en de kerk van Werden. Zo gezien houdt men de voorouderlijke traditie in ere met alle aandacht voor St.Ludger. Alleen moet men beseffen dat de oorsprong van de prediking van St.Ludger in Frans-Vlaanderen aan de Kanaalkust lag.


Omdat hij, net als St.Willibrord, een onmetelijk missiegebied had, worden zij steeds op een paard afgebeeld. Daarmee geven de historici precies aan dat zo'n groot missiegebied onwerkelijk was en zonder paard ook niet te bereizen was.

Ondanks dat de onjuistheid van de Nederlandse tradities is aangetoond, blijft de historische wereld schermen met onbewezen en onjuiste mythen. Onbegrijpelijk!

De visie van Albert Delahaye.
St.Ludger (Liudger) is net zo min een Nederlandse heilige als St.Willibrord of St.Bonifatius.
Ludger werd geboren in Suabsna, wat Zouafques is in Frans-Vlaanderen. De opvatting dat het hier om Zwesen, Zuilen of Oud-Zuilen zou gaan, is een nooit bewezen opvatting van een verdwaasde historicus. In de tijd van St.Ludger (742-809) bestonden Zwesen, Zuilen of Oud-Zuilen niet eens. Dat staat archeologisch volkomen vast. St.Ludger was bisschop in de omgeving van Atrecht (=Arras). En dat ligt toch echt niet in Nederland. Zijn broer Hildgrinus, eveneens afkomstig uit Frans Vlaanderen, was bisschop van Châlons-sur-Marne, wat weer een aanwijzing is over welke streek het gaat. Zijn verblijf onder de Saksen vond plaats in Frankrijk langs de Kanaalkust, waar de Litus Saxonicum lag. De Saksen zijn pas na 793 door Karel de Grote naar Noord-Duitsland gedeporteerd, waarmee de traditie van St.Ludger ook in Duitsland en Oost-Nederland terecht kwam. Aannemelijk is dat Ludger met de gedeporteerde Saksen mee reisde en zo in de omgeving van Werden terecht kwam. Daarbij is de naam van het klooster van Werethina of Wethina die men ook meenam en doubleerde, verduitst tot Werden, net zoals dat gebeurde met de naam Epternacum tot Echternach. Het klooster van Werethina lag aan de kust, (zie Vita S.Ludgeri MGS II, p.412) dus kan nooit Werden geweest zijn. Het verblijf van Ludger in Utrecht en omgeving is net zo legendarisch als dat van St.Willibrord. Zowel tekstueel als archeologisch is daarvan ook nooit iets aangetoond. Twee voorbeelden mogen dat verduidelijken.


Werethina, Werthina, Weridina, Werithinna of Wyrdina (genoemd in oorkonden uit 799, 811, 818, 819, 820, 827, 833, 834, 836, 837, 838, 841, 843, 844, 845, 846, 847, 848) is de thans verdwenen plaats Weretha bij Sangatte. De familie van St. Ludger had er bezittingen. Hier stichtte hij de abdij, die na 848 werd verplaatst naar Werden, waarbij de naam werd meegenomen. Hier, nabij het franse Weretha, heeft ook het beruchte bloedbad onder de Saksen plaats gevonden, door Karel de Grote in 782 bevolen. Weretha komt nog voor in het verhaal uit 944 over een processie, die met relieken van Boulogne naar Brugge trok en nabij Weretha de Neuna (Nieuwe Rivier, thans de Enna) moest oversteken. De kopiist van Werden plaatst Werethina systematisch aan de Rura, daar Rijn hem foutief toescheen. In de authentieke streek was de naam renus (=grensrivier=scaldis=schelde) volkomen toepasselijk.
Het is veelzeggend dat Blok in zijn Lexicon (zie daar) Zuilen of Oud-Zuilen NIET noemt. Wel noemt hij Swesen, waarvan hij vermeldt dat het waarschijnlijk de oude naam van Zuilen is. Blijkbaar is Blok ook niet erg overtuigd van die locaties. Van Berkel en Samplonius vermelden deze locaties niet eens: (zie daar). Voor hen heeft de mythe van St.Ludger te Zuilen dus al afgedaan.

Uit een oorkonde uit ca.804 waarin 14 plaatsnamen worden genoemd, proberen de Nederlandse historici met één plaatsnaam (Helewyrd zou Helwerd zijn) te bewijzen dat het hier over Nederland zou gaan. De overige 13 plaatsen slaat men gemakshalve maar over. Een andere tekst zegt "Een andere keer was de zalige Ludger bij de zee op de plaats die Werdina heet". Wie van dit Werdina het Duitse Werden wil maken, moet toch echt eens een atlas aanschaffen. Werdina was de plaats Werthina (spreek uit Fertina), wat nu Fréthun aan de Kanaalkust is, precies daar waar de Litus Saxonicum lag. Het was dus niet Saksen in Duitsland.

Het aantal overslagen is overigens tekenend voor de geschiedenis van de Lage Landen (les Pays-Bas in het eerste millennium. Het is nog steeds niet te verklaren dat Nederlandse historici, die zomaar locaties uit hun mouw schudden alsof het niets is, er toch niet in slagen de overige 99% van de plaatsen uit de oude kronieken in Nederland te localiseren en deze maar overslaan, ook alsof het niets is. Alle overgeslagen namen tonen elke keer aan, dat men in de verkeerde streek aan het zoeken is. In Noord-Frankrijk liggen ze allemaal.

De deplacement historiques beginnen met St.Ludger en de Saksen.
Het is wel duidelijk dat de verplaatsing van St.Ludger naar het oosten van Nederland en het westen van Duitsland werkelijk heeft plaatsgevonden. Het was het begin van alle andere verplaatsingen die NIET hebben plaatsgevonden maar als gevolg van de aanwezigheid van St.Ludger zijn getransporteerd. Het gaat daarbij om volkeren als Friezen en Saksen en predikers als St.Willibrord, St.Bonifatius, St.Lebuinus, St.Plechelmus, St.Ansgarius, St.Amandus en St.Adelbertus.


Voor meer informatie over deze predikers: zie Ontspoorde Historie, hier te bestellen.

Wat weten we nu feitelijk echt?
Om de feitelijke geschiedenis van St.Ludger te achterhalen is men aangewezen op de oude bronnen. Die teksten afkomstig uit Franse kronieken wijzen het juiste missiegebied aan. Dat was niet Nederland, maar Frans-Vlaanderen. De devotie tot St.Ludger is, begrijpelijk, met de bewoners meegekomen toen zij immigreerden naar de Nederlandse ontginningsgebieden. Deze deplacements historiques hebben de oudere historici niet onderkend. Daardoor zijn ook de verschillende misverstanden ontstaan.

Voor deze en andere teksten verwijzen we naar de boeken van Albert Delahaye. Enkele teksten uit "Ontspoorde Historie" (o.hist) vindt U hieronder. Deze teksten plaatsen ook andere historische personen en gebeurtenissen naar de juist streek: Frans-Vlaanderen.

Een aantal feiten die aan de mythe over Liudger/Luger in Nederland definitief een einde maken:
  • Suabsna (in 900 Suecsnon genoemd), is Zouafques, waar St. Ludger werd geboren (ca. 742) is en zijn grootvader grondbezitter en een steun voor St. Willibrord was. In zijn jeugd bezocht St. Ludger bijna dagelijks de kerk van St. Willibrord. In Nederland wordt de plaats vereenzelvigd met Zwesen, Oud-Zuilen of Zuilen (er is nog keus!). Deze plaats in Nederland is gelegen beneden 5 meter onder NAP en bestond dus niet in 742. De eerste vermelding ervan stamt overigens pas uit de 17e eeuw. De juiste determinatie is Zouafques op 1,5 km noord van Tournehem.
  • St. Ludger was zelf een Saks en geboren in de streek van de Litus Saxonicum, waar zijn grootvader grond bezat. Zie verder bij de Saksen.
  • In een tekst uit 780 en overigens ook in de gangbare opvattingen, wordt Ludger beschouwd als de opvolger van Lebuinus. De teksten van de beide Levens zeggen dit evenwel met geen woord; in de oudste teksten over Ludger komt de naam van Lebuinus niet voor: en omgekeerd evenmin.
  • Ofschoon duidelijk is dat St. Ludger in dezelfde streek als die van St. Willibrord arbeidde, is hij niet de opvolger geweest in het bisdom Trajectum, al heeft hij de bisschoppelijke funktie uitgeoefend in een streek nabij Arras (=Atrecht).
  • St. Ludger wordt in de oorkonden tot 804 priester en abt genoemd; in een akte van 806 komt hij de eerste keer als bisschop voor. Hij overleed in 809 na enige tijd als bisschop gefungeerd te hebben in Ostrachia - Ostrevant, Hugmerchi - Valhuon, Hunusga - Honnebecque, Emisga - Les Amusoires, in de omgeving van de rivier de Labeki - La Laque, allemaal in de streek ten westen van Atrecht.
  • Omstreeks 793 had Ludger het klooster van Werethina gesticht. Dit klooster is omstreeks 850 (om precies te zijn in 848) voor de Noormannen moeten vluchten; heel begrijpelijk omdat het op een paar kilometer van Het Kanaal lag en, aan het Almere, zelfs vlak op de kust. Deze tekst past toch niet in Nederland?
  • Dat Ludger in dit klooster in Werden werkzaam is geweest is met geen enkele tekst te bewijzen. Dat is ook onmogelijk aangezien hij toen al ruim 40 jaar overleden was. Dit klooster droeg wel de nagedachtenis aan St.Ludger.
  • Een wonderverhaal met dubbele bodem: “gedateerd” 815. In het jaar Onzes Heren 815 hebben wij, Otthilguinus en Thietbaldus, leerlingen van de heilige bisschop Ludger, op zijn bevel de stichting van zijn klooster beschreven. Bisschop Ludger, uit voorname ouders geboren, had voor de tijd van zijn bisschopsambt het voomemen om op zijn vaderlijk erfgoed, namelijk aan de Monden van de Renus (Schelde), een klooster te stichten; eveneens (lees: of) op een andere plaats die Withmundi (Wissant) heet. Maar met het oog op de onheilen welke in die tijd door de Noormannen aangericht zouden worden, werd hem geopenbaard dat hij dit daar niet kon doen en werd hem door een goddelijke ingeving een plek aangewezen in een bos... op de oever van de rivier de Rura. Bron: Fundatio monasterii Werethinensis, MG, XV, p. 165.
    Zo maakt men schijn tot werkelijkheid, en werkelijkheid tot schijn. Alle plannen die Ludger dagdromend ontwierp, werden ’s nachts met wonderlijke openbaringen doorgestreept. En zo is het klooster zonder zee, zonder Monden van de Renus, zonder familielandgoed, zonder Noormannen-molest,... probleemloos komen liggen aan de oever van de Rura (Ruhr). Dit ‘opstelletje’ dat de twee “leerlingen van Ludger” zo’n tweehonderd jaren na 815 maakten, was wel bedoeld om de abdij als een puur Duitse aangelegenheid te doen gelden. Als verzachtende omstandigheid willen we aanvoeren dat de beide scribenten, hoewel twee eeuwen te laat, waarschijnlijk toch niet laat genoeg waren om de Codex Werethinensis -uiteraard de onvervalste- te kunnen raadplegen. Maar dit hoeft nog niet de onwetendheid te verontschuldigen van de beide broeders inzake het sterfjaar van hun Stichter.
  • De waarheid is: Zijn abdij, die vlak aan de kust lag in een gebied dat herhaaldelijk door de Noormannen werd aangevallen, is als een der eerste kloosters moeten vluchten. De abdij vluchtte omstreeks 850 en vestigde zich, met behoud van de naam Werethina én de zekerheid van door St. Ludger gesticht te zijn, twee tradities die beide even juist waren, in het land van Munster, waar de naam verduitst werd tot Werden (dat dus niet aan de kust ligt, wat gezien andere teksten wel noodzakelijk was).
  • Toen daarna Munster in Westfalen een der belangrijkste knooppunten van de Duitse Saksen-opvattingen werd, en St. Ludger als eerste bisschop van Munster werd opgevat, legde men de moordpartij van Ferdia ook maar in Werden neer. Men ziet het: wanneer eenmaal een grote mythe ergens is geplant, vallen de kleinere als rijpe appels in tientallen van de boom.
  • Hugumarcha was geen pagus doch is een gewone plaatsnaam, in de oorkonden van Werethina (855) Humarki genoemd. De plaats komt als Humerthi voor in het leven van St. Ludger, die in Frans-Vlaanderen bisschop was en zijn abdij van Werethina (Fréthun) stichtte, en als Humarcha in het Leven van St. Willehad. De plaats is Valhuon, op 7 km noordoost van St.-Pol. Zij heette voorheen “urbs” of “marcha Hugonis”.
  • Hunusga is een der plaatsen of streken (geen gouw !), waarover Karei de Grote St. Ludger als bisschop aanstelde. De overige plaatsen waren: Humerthi (zie nr. 37), Fivelga, Emisga, Federitga en een eiland Bant. Omdat St. Ludger van dit kleine missiegebied niet kon leven, schonk Karei de Grote hem het klooster van Lotusa (Leuze), op 15 km oost van Doornik. Hunusga is Honnebecque, op 7 km noordoost van Béthune.
  • Fivelga. ook behorend tot de genoemde plaatsen voor St. Ludgers prediking, is Fiefs, op 23 km west van Béthune.
  • Sutrachi. Sudergo of Sudgo was een landstreek ten zuidwesten van Atrecht, ten oosten van de rivier de Lys. De streek maakte deel uit van de missiegebieden van St. Lebuinus en St. Ludger in het land van de Isla, die de Franse Lys was en niet de Nederlandse IJssel.
  • Isloi is het land van de Lys, genoemd in de vitae van St. Lebuinus en St. Ludger, het middelpunt van de hen ter missionering aangewezen streek. Het is niet de IJssel in Gelderland. Zie de plaatsen hiervoor genoemd.
  • Laca en Isla. De Laca is de rivier La Laqué (Vlaams: Laak), die bij Aire ontspringt en bij Saint-Venant in de Lys valt. Deze laatste heette Isla, waardoor de combinaties van de twee namen is verklaard. In het Leven van St. Ludger wordt zij Labeki of Lagbeki genoemd. Er is geen enkele tekst bekend waaruit blijkt dat het betrekkelijk kleine gebied een bestuurlijke gouw was. Dat men in Nederland hiervan de Louwers maakt, is afgezien van vele andere misgrepen, taalkundig een gruwel.
  • Alna, in de Sudergo, waar St. Ludger gepredikt heeft, is Elnes op 11 km zuidwest van St.-Omaars.
  • Asnaloh, waar St. Ludger gepredikt heeft, is Acheville op 13 km noordoost van Atrecht.
  • Bant, in het Leven van St. Ludger genoemd en daar als eiland aangeduid, is vermoedelijk een afkorting van Ostrev(b)ant.
  • Billurbeki, genoemd in het Leven van St. Ludger, is Bellebrune op 11 km oost van Boulogne. De naam heeft een kleine verminking ondergaan omdat in de buurt van Munster een Billerbeek bestaat.
  • Budica, waar St. Ludger gepredikt heeft, is Buding (Moselle).
  • Dani, in het Leven van St. Egbert de buren van de Frisones genoemd, woonden in Normandië. De Authie vormde de grens tussen hen en de Saksen. Ook St. Willibrord en St. Ludger hebben bij hen gepredikt.
  • Dragante, genoemd in de vita van St. Ludger, is Saint-Martin-d’Hardinghem, in 1016 als Hardingahem bekend, op 1 km west van Fauquembergues.
  • Emisga, waar St. Ludger ca. 804 door Karei de Grote als bisschop werd aangesteld, is nooit in Nederland teruggevonden, al willen sommigen het verbinden met de uitmondingen van de Eems. Ten tijde van St. Ludger was daar geen land. De juiste plaats is Les Amusoires op 10 km noordoost van Béthune. De riviernaam Eems is een simpele migratienaam, afkomstig van de Amisia (Hem) in Noord-Frankrijk, en werd door migranten uit de 11e eeuw meegebracht naar Groningen.
  • Federitga, een onderdeel van het gebied, waarover St. Ludger ca. 805 door Karei de Grote als bisschop werd aangesteld, is Vaudricourt op 4 km zuidwest van Béthune.
  • Fivelga, waar St. Ludger ca. 804 door Karel de Grote als bisschop werd aangesteld, was niet de Fivelgo ten noordoosten van Groningen, omdat deze streek ten tijde van St. Ludger niet bestond. De juiste plaats is Fiefs, voorheen als Fivel bekend, op 23 km west van Béthune. De Groningse naam is eveneens een migratienaam, in de 11e eeuw door migranten uit Frans-Vlaanderen overgeplant.
  • Hamarithi, waar St. Ludger gepredikt heeft, is Hamelincourt op 12 km zuid van Atrecht, of Hammeville (dep. Meurthe-et-Moselle), daar deze plaats in verband met de Ripuarii wordt genoemd.
  • Hassi, waar St. Ludger gepredikt heeft, is Achiet op 17 km zuid van Atrecht.
  • Helewyrd, waar St. Ludger ca. 804 op een missietocht in Frisia verbleef en waar hij de zanger Bernlef ontmoette, wordt als Helwerd opgevat, een gehucht van de gemeente Kantens, op 20 km ten noorden van Groningen. De juiste determinatie is Helfaut op 5 km zuid van St.-Omaars. Het Groningse Helwerd is weer een simpele migratienaam, in de 11e eeuw vanuit Frans-Vlaanderen naar Friesland meegebracht
  • Hugmerthi, dat St. Ludger ca. 804 door Karei de Grote ter bekering kreeg aangewezen, was niet Humsterland of Hunsego in het westen van de provincie Groningen. Het was Valhuon op 7 km noordoost van St.-Pol-sur-Temoise, dat voorheen Hugumarchi werd genoemd.
  • Hunusga, één der plaatsen waarover St. Ludger ca. 804 door Karei de Grote tot bisschop werd aangesteld, wordt als Hunsego of Hunsingo opgevat in het noordwesten van de provincie Groningen. De juiste plaats is Hinges op 7 km noordwest van Béthune. De naam in Groningen is ook een migratienaam uit de 11e eeuw.
  • Lade, een rivier, in het Leven van St. Ludger genoemd, waaraan de plaats Hleri (Lières) ligt, is de Laquette.
  • Lotusa “in de pagus van Bracbante”, waar St. Ludger tot ondersteuning van zijn missie onder de Saksen het klooster van St. Petrus kreeg, is Leuze op 16 km oost van Doornik (B.).
  • Mimigernaford (820), gelegen in de Sudergo, is Mingoval, op 17 km oost van St. Pol-sur-Ternoise. Later, toen het klooster van St. Ludger naar Werden was verplaatst, ontstond de legende dat de heilige in Mimigernaford ook een klooster had gesticht en werd de naam opgevat als de oudste van Munster. Het is dus onwaar.
  • Mimigardvurdensis, wordt in 948 en 993 op de synoden van Mouzon en Ingelheim de bisschop van Munster genoemd. Het eerste jaartal geeft vrij nauwkeurig de tijd aan dat de legende van St.Ludger naar Munster was verplaatst. De naam betekent: mimicus = schijnbaar, het zogenaamde Werethina (het tweede) omdat Werden een tweede stichting was van het Franse klooster Werethina te Fréthun bij Calais.
  • Ostracha, waar St. Ludger na zijn priesterwijding tot missionaris werd aangesteld. De tekst zegt dat dit lag bij de plaats waar St. Bonifatius was vermoord. Het is niet de Oostergo en Nederlands Friesland die toentertijd minstens 5 meter onder water lagen. De juiste determinatie is Ostrevant, welke streeknaam ten oosten van Atrecht nog bestaat. De Friese namen Oostergo en Westergo zijn simpele vruchten van de Frans-Vlaamse migratie naar Friesland. Rondom Atrecht moeten ook de landstreken Westrachia, Nordgo en Sudergo gelokaliseerd worden.
  • Ripuarii, waar St. Ludger gepredikt heeft, is Ribécourt-la-Tour op 11 km zuidwest van Kamerijk.
  • Strude, uit de lijst van 870, “in Bante”, met 72 hoeven land die van St. Martinus, Bonifatius, Willibrord, Ludger en Lambertus waren, is identiek aan Struona en is Strouanne op 3 km noord van Wissant. Het was niet Stroe op Wiering wat Blok beweerde.
  • Sudergo, waar St. Ludger gepredikt heeft, is de streek ten zuiden en zuidwesten van Arras.
  • Suegon, uit de lijst van 870, ook gespeld Suegsnon of Suegsna, zijn verschrijvingen voor Suabsna, uit het Leven van St. Ludger. Dit is Zouafques op 2 km noord van Tournehem.
  • Thiatmaresgo, genoemd in het Leven van St. Ludger, waar de zendeling Atrebanus werd vermoord, is Saint-Aubin-lès-Anzin, dat voorheen bekend stond als Marresc, Marech of Maresch, in 1154 voluit “Santus Albinus de Maresc” heet, op 4 km noord van Atrecht. Dat de naam van de martelaar niet correct is overgekomen, is geen wonder, daar er in Frankrijk 74 plaatsen Saint-Aubin zijn, de gehuchten niet eens meegeteld.
  • Uskwerd, waar volgens Blok in 793 al een kerk bestond, lag toentertijd minstens 6 m onder water, zodat die kerk niet kan hebben bestaan. Overigens verzuimt Blok te vermelden, welke naam uit de bronnen van St. Ludger daarmee correspondeert.
  • Weneswalt, waar volgens het verhaal St. Ludger bij Werden het klooster zou hebben gesticht, is afkomstig uit een geschreven bron en duidde daar het Windeveld onder Eperlecques aan.
  • Werden in Duitsland, waar ca. 850 het door St. Ludger gestichte klooster, na zijn vlucht voor de Noormannen terechtkwam, is de verduitste naam van Werethina. Het klooster is niet meer teruggekeerd, doch in Werden gebleven. Zie ook bij de Kloosters.
  • Werethina (ook genoemd in oorkonden in 799, 811, 818, 819, 820, 827, 833,834, 836, 837, 838, 841, 843, 844, 845, 846, 847 en 848), waar St. Ludger ca. 793 op zijn familiegoed een klooster stichtte, was Weretha ten zuiden van Calais. Sommige Franse schrijvers stellen het gelijk met Fréthun op 11 km zuidwest van Calais, wat etymologisch mogelijk is. In het Leven van St. Ludger wordt tot tweemaal toe gezegd dat Werethina aan de zee lag, een bewijs temeer dat het niet het Duitse Werden was. Gezien zijn ligging op de kust, op een plaats waar de Noormannen bij voorkeur Frankrijk en Vlaanderen binnenvielen, moest het klooster in 848 vluchten en vestigde het zich te Werden (Duitsland), waar de naam werd meegenomen, die natuurlijk is verduitst. De goederen van dit klooster zijn in een brede kring rondom Fréthun aan te wijzen. Zie WK, Deel I, Tekst 493, blz. 426.
  • Werfhem, genoemd tussen andere plaatsen in een missietocht van St. Ludger in Fresia, is in Groningen of Friesland niet te vinden. Er valt dus niets te weerleggen. De juiste plaats is Wavranssur-l’Aa op 11 km zuidwest van St.-Omaars. De plaatsnaam Werfhem heeft in Frans-Vlaanderen bestaan en duidt daar Warhem aan.
  • Werina, of Werinon, welke plaats St. Ludger op een missietocht door Friesland aandeed, lag niet in het noordelijke deel van de Vechtstreek of te Loenen (zoals Blok beweert), maar was Wéringhem, een thans verdwenen plaats bij Boulogne.
  • Wiicswird, een plaats die St. Ludger op een missietocht door Fresia bezocht, was Wizernes op 5 km zuidoost van St.-Omaars, ofwel Wisques op 3 km noordwest van deze plaats.
  • Withmundi, dat in het vita van St. Ludger wordt genoemd, was niet Wichmond, wat Blok ervan maakt, doch een andere naam voor Sangatte, genoemd naar het opvallend witte zand dat daar wordt aangespoeld. Varianten van deze naam zijn: Withmundhem en Wiutmundhem.
  • Wyrda, waar de familie van St. Ludger goederen bezat en St. Bonifatius enige tijd verbleef, wordt door Blok slechts in het vage “in het noordelijk deel van de Vechtstreek (misschien Loenen)” gelokaliseerd. Bovendien haalt hij Wyrda en Werina (Werinon) door elkaar. Elders identificeert Blok Wyrda met Woerden! De door Blok voorgestane plaatsen bevonden zich in het transgressiegebied. Ergo hebben de plaatsen en de rivier ca. 716 niet bestaan. Loenen komt pas in 953 voor het eerst voor in historische bronnen. De juiste plaats is Weretha (Fréthun) op 4 km zuidwest van Calais.
  • Fréthun (11 m); 1084 volgens Dauzat; 1164 volgens Gysseling (St.-Omaars, Bibliothèque municipale, Chapitre). Natuurlijk hebben Gysseling en Blok niet begrepen dat Werethina is uit 799 (Leiden, Cart. Werden). Deze determinatie wordt o.a. bewezen door het feit, dat alle goederen van St. Ludgers klooster in een kring rondom Fréthun liggen. Zie WK, Deel I, p. 426. De eerste vermelding van de plaats als Ferdia, Ferdi of Wereta dateert overigens al van 782, het jaar van de grote afslachting van Saksen door Karei de Grote, die hier plaats vond en niet in het Duitse Werden, wat door tal van teksten wordt bevestigd die zeggen dat de plaats in de buurt van de Wisera (de Wimereux) lag.
  • Een en ander bewijst 206 maal (zoveel namen zitten immers in die oorkonden), dat St. Ludger in het noordwesten van Frankrijk missioneerde en dat zijn missiegebied in Nederland een fabel is.

    De vraag is: Waar in Nederland lagen al deze plaatsen?

  • Afdoende is aangetoond dat alle plaatsen in het noord-westen van Frankrijk aan te wijzen zijn, wat voor de hand moest liggen omdat het gaat over een goederen-komplex van een klooster dat vanzelfsprekend in één streek ligt. Dit toont ten eerste de werkelijkheid van de verplaatsing van dit klooster aan, ten tweede dat de traditie van St. Lebuinus en St. Ludger in de Nederlandse IJsselstreek een vrome legende is, en vormt ten derde een konkrete bevestiging van de gedwongen migratie van de Saksen vanuit het noord-westen van Frankrijk naar Westfalen ten tijdee van Karel de Grote. Al is de verplaatsing van het klooster aan de Noormannen te wijten, het heeft zijn dokumentatie meegenomen naar de nieuwe streek van de Saksen, een dokumentatie die tot in de finesses in Frans-Vlaanderen te plaatsen is.
  • St. Ludger bezocht ook, maar met even weinig succes als St. Willibrord, de Dani en het mysterieuze eiland Fositesland dat op de weg daarheen lag. Dit laatste is Le Fossé, op 39 km noordoost van Rouaan, en ligt op een eiland dat door de rivieren de Epte en de Mésangueville wordt gevormd. In de bronnen staat trouwens nergens dat het een eiland in zee was.
  • De vitae van St. Willehad, St.Lebuinus, St. Ludger en St. Anscharius tonen integendeel aan, dat hun terrein eerder een lappendeken was dan een aaneengesloten grondgebied, met het gevolg dat men deze zendelingen op verschillende betrekkelijk ver van elkaar af gelegen plaatsen ziet optreden, en dat zij soms op eigen initiatief hun werkterrein verlegden.
  • Vóór het jaar 1559 is volgens prof.dr.L.Rogier van enige officiële verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius, Lebuinus, Liudger en andere geloofsverkondigers in Nederland geen spoor te vinden.
  • Voor de opvatting dat St.Ludger in Zelhem een kerkje bouwde heeft men de opvatting van prof.dr.D.P.Blok als zekerheid genomen. In zijn proefschrift uit 1960 over de oorkonden van Werden verklaart Blok dat het in de oorkonde van 8 mei 801 genoemde Salahem wellicht Zelhem zou kunnen zijn. Maar hij twijfelt hier aangezien hij ook Selm in Nordrh.Westfalen als mogelijkheid noemt.
  • De oudste kerk in Zelhem, die zelfs door Ludger gesticht zou zijn, droeg niet de naam van St.Ludger, maar van de bisschop van Maastricht, St.Lambertus. Zie verder bij Zelhem.
  • Het oudste deel van het kerkje van Zelhem dateert uit de 10e eeuw. (Bron: Renaud, J.G.N., 1959: Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 9).
  • Zie hieronder de teksten 157 t/m 164 uit 'Ontspoorde Historie' die de juiste informatie geven over St.Ludger.



  • Schoolplaat: St.Ludger predikt aan de Isla.
    De enig juiste conclusie is als volgt:
    Alle namen uit de oudste oorkonden van Werethina, 206 in totaal, zijn in het noord-westen van Frankrijk aan te wijzen. Dit bewijst dat de abdij van St. Ludger zich tot ca. 850 daar bevond en dat zij te Werden een verplaatst klooster was. De aanwezigheid van St. Ludger in Groningen, Humsterland en het gebied van de IJssel (zoals Blok voorstelde) is een fabel, gebaseerd op verkeerd uitgelegde plaatsnamen. Evenmin is St. Ludger de eerste bisschop van Munster geweest. De bisschopszetel aldaar heeft nauwe banden gehad met het klooster van Werden, getuige het feit dat die zetel de eerste tijd als “van Werden” wordt aangeduid. Dat de abdij van Werden vastgehouden heeft aan de traditie van door St. Ludger gesticht te zijn, was de waarheid, die zonder bezwaar voor het Duitse Werden mocht gelden. Pas later is de opvatting ontstaan, dat de bisschopszetel van Munster door hem gesticht zou zijn. Zijn aanwezigheid te Deventer is een dubbele fabel, ten eerste omdat de “pagus Isloi” helemaal niet de IJsselstreek was, ten tweede omdat St. Ludger in werkelijkheid de opvolger van St. Lebuinus is geweest, en toen men deze eenmaal in Vlaanderen en in Nederland verdubbeld had en de doublure in Deventer neergezet had, volgde St. Ludger automatisch op de brede weg van de saksisch mythe. De plaatsnamen van Werethina leveren zodoende een nieuwe serie bewijzen op voor de juiste streek van Frisia en Saxonia, zodat de opvattingen over Saksen in Overijssel en in de Achterhoek voorgoed in het rariteiten-kabinet kunnen worden opgeborgen. De geschreven bronnen bevatten geen enkele tekst, waarop zij zich kunnen beroepen. Slicher van Bath, die reeds lang deze Saksen-opvattingen bestrijdt, zou een veel beter fundament gevonden hebben in de oorkonden van Werethina. Bomen van mythen ruimt men immers niet op door ze van wat bladeren te ontdoen; men moet de wortels ervan opzoeken en die uitroeien, anders blijven zij nieuwe scheuten van fabels leveren.

    De “ Stichting Comite Muiderberg” heeft onlangs het boek gepubliceerd “Liudger 742 - 809” , waarin de fabels over St. Ludger nogmaals worden herkauwd. Het boek is kennelijk bedoeld om Blok’s proefschrift uit 1960 van een onzalige dood te redden, doch dat is vergeefse moeite geweest. Het boek gaat al te gronde aan het simpele feit, dat er slechts enkele plaatsnamen uit de overweldigende dokumentaties van en over St. Ludger worden gehanteerd, alle overigens verkeerd gelokaliseerd, en dat honderden namen met de mantel van de onwetendheid worden bedekt. Dat is nog tot daar aan toe. Het is echter wel zwaar misleidend tegenover de lezers, die niet weten dat die paar namen in de bronnen omringd worden door honderden frans-vlaamse plaatsnamen. Het boek eindigt met de bijdrage van een zekere Kl.Sierksma, die aan de hand van devoties uit de 15e tot de 20e eeuw de aanwezigheid en werkzaamheid van St. Ludger in Friesland wil bewijzen. Kan het onnozeler en kan het ondeskundiger? Het is het zoveelste staaltje dat een onbevoegde zich met een kwestie bemoeit, die boven zijn pet gaat en waarvan hij de kwintessens niet eens door heeft.

    Enkele teksten die de juiste geschiedenis aangeven.

    Tekst 157 /o.hist.
    Wirsingas, de grootvader van Ludger: 670-730

    In de dagen van Radboud, koning van de Fresones, leefde een edel man Wirsingus genaamd die, ofschoon hij het geloof in de Drievuldigheid niet kende, een hulp van de armen en een verdediger van de verdrukten was... Hij verdedigde tegenover de koning en zijn vorsten de waarheid. Hij maakte grote wreedheden van de koning bekend, die daarop bevel gaf hem in het geheim te doden. Hierop vluchtte Wirsingus, die gewaarschuwd was, naar Grimoldus, een vorst van de Franken. Deze ontving hem welwillend. Hij verbleef verder in het rijk van de Franken en ontving het Doopsel... Na de dood van koning Radboud... gaf Karel Martel aan Wirsingus een leengoed in het gebied van de Fresones en zond hem naar zijn vaderland terug om daar de zaak van het geloof te versterken. Hij nam zijn erfgoederen weer in bezit en woonde in een plaats die Suabsna genoemd wordt, bij Traiectum, waar hij een hulp werd van de heilige Willibrord.
    Bron: Vita S.Ludgeri, Acta Sanctorum, maart III, p. 641.

    Nota: Grimoald was een zoon van Pepijn II. -- Suabsna is Zouafques op loopafstand van Trajectum (is Tournehem). Zowel de overduidelijke etymologie van de woonplaats alsook de korte afstand ervan tot Tournehem stellen deze localisatie buiten twijfel. De plaats is in Nederland nooit gevonden, want ook zonder transgressie kan de Romaanse naam alhier nooit gelegen hebben. Blok (De Franken in Nederland, p.45) moet dit als naamkundige weten. Waarom probeert hij dan ons nu wijs te maken dat het Zwesen (= Oud Zuilen?) is, te meer daar de vroeger gangbare misgreep van Zuilen eenieder nog heugt.


    Tekst 158 /o.hist.
    Studie van Ludger te Tournehem en Audruicq: 760-775

    Bij de Doop ontving hij de naam van Ludger. Hij vroeg zijn ouders, dat zij hem aan een man Gods zouden aanbevelen om onderwezen te worden. Zij bevalen hem bij de eerbiedwaardige Gregorius aan, leerling en opvolger van Bonifatius. In het klooster van Traiectum (is Tournehem) wijdde hij zich aan de studie van het geestelijk leven. Deze Gregorius was niet tot bisschop gewijd, maar bleef priester. In deze plaats was ook Alcuinus leraar, dezelfde die ten tijde van Karel de Grote in Tours en in Francia magister zou worden. Ludger bracht vele nachten door in de kerk van de Salvator (en van Martinus) welke Willibrord had gebouwd.
    Bron: Vita S.Ludgeri, Acta Sanctorum, maart III, p. 643.

    Nota; Wat de bisschopswijding van Gregorius betreft, verdient Ludger (die als 12-jarige knaap het gebeuren meemaakte) beslist méér gezag dan de schrijver van zijn Vita. Vanuit Suabsna (is Zouafques) kon Ludger in amper 10 minuten gaans de kerk van Tournehem bereiken voor zijn nachtelijke gebedsstonden.


    Tekst 159 /o.hist.
    Ludger zendeling in de Ostrevant bij Atrecht; ca. 776

    Toen Albricus in Colonia (Coulogne) de waardigheid van bisschop ontvangen had, heeft hij Ludger tot priester gewijd en hem aangesteld tot prediker van de Kerk in de pagus Ostracha (Ostrevant bij Atrecht=Arras) op de plaats van Bonifatius' marteldood.
    Bron; Vita S.Ludgeri, Acta Sanctorum, maart III, p. 644.

    Nota: Een afwijkende inlichting, gegeven door de schrijver van het Vita Ludgeri, zegt dat Albricus pas na Gregorius' dood tot bisschop zou zijn gewijd, terwijl hij volgens Ludger voordien als wijbisschop de helper van Gregorius was. Ostrevant was het vroegere Austrebanti en het latere Karolingische Austrasië.

    Hiernaast rechts: Een Idyllische voorstelling van St.Ludger die predikt onder de Saksen.

    Tekst 160 /o.hist.
    Ludger sticht een klooster te Weretha (is Fréthun); 783-793

    Toen de man Gods Ludger bijna zeven jaren in die streek gearbeid had, kwam de verdorven en heidense Widukind, vorst van de Saksen, in opstand, die de Fresones (in Vlaanderen) van het geloof afbracht, kerken verbrandde en de dienaren Gods verdreef. Tot aan de rivier van het Flevum (is het Almere) deed hij de Fresones het geloof verlaten en weer zoals voorheen aan de afgoden offeren. Ten tijde van deze woeling overleed bisschop Albricus. Door noodzaak gedwongen verliet Ludger de streek. Met twee gezellen begaf hij zich naar Rome en vandaar naar het klooster van Benedictus te Benevento, waar hij de regel van Benedictus leerde. Hij had immers het plan om op zijn erfgoed een klooster van monniken te stichten, wat nadien (ca.793) ook is geschied op de plaats Werethina (is Fréthun op 4 km zuidwest van Calais).
    Bron; Vita S.Ludgeri, Acta Sanctorum, maart III, p. 644.

    Deze tekst laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Het door Ludger gestichte klooster lag te Suabsna (is Zouafques) op het erfgoed van zijn grootvader Wirsingas. Zie ook tekst Tekst 157 hierboven.

    Tekst 161 /o.hist.
    Ludger wordt bisschop in de omgeving van Atrecht: ca.804

    Na twee jaren en zes maanden keerde Ludger (van Rome) in zijn vaderland terug. Zijn roem kwam ter kennis van Karel de Grote, die hem als prediker bij het volk van de Fresones aanstelde in vijf gouwen, waarvan de namen zijn: Hugmerthi, Hunusga, Fivelga, Emisga, Federitga en een eiland, Bant genaamd. Hij probeerde ook verderaf het geloof te verkondigen. Op raad van de keizer trok hij naar een zeker eiland in het grensgebied van de Fresones (Vlaanderen) en de Dani (Normandie), Fosete of Fositesland genaamd... hij doopte er in een bron waar Willibrord voorheen ook gedoopt had... Koning Karel de Grote stelde de man Gods Ludger aan (als bisschop) in het westelijk (lees: zuidelijk: zie west-oriëntatie) deel van Saxonia, voornamelijk de Sudergo (zuid van Atrecht) op de plaats die Mimigernaford heet, waar hij een klooster bouwde... Koning Karel de Grote gaf hem tevens in de pagus Bracbante in de plaats Lotusa het klooster van St.Petrus om het met al zijn toebehoren, zijn kerken en dorpen te besturen.
    Bron: Vita 5.Ludgeri, Acta Sanctorum, maart III, p. 645.

    Nota: De tekst zit vol geografische aanduidingen, waarvan alle localisaties door Blok (De Franken in Nederland) foutief zijn. - Hugmerthi, elders Hugumarchi genoemd, is Valhuon op 7 km noord van St.Pol-sur-Ternoise, voorheen bekend als Vallis Hugonis of Urbs Hugonis. -Hunusga is Hinges op 5 km noord van Béthune. - Fivelga is Fiefs op 23 km west van Béthune. - Emisga is Les Amusoires op 10 km noord van Béthune. - Federitga is Vaudricourt op 4 km zuid-west van Béthune. - Bant (= broekland) is als plaatsnaam niet aan te wijzen; het wordt een eiland genoemd en was misschien onderdeel van Ostrachia, ook Osterban geheten, waaruit Ostrevant is ontstaan. - Het Fositesland is hetzelfde waar Willibrord verbleef, en is Le Fossé op 39 km noord van Rouaan. -De Sudergo lag ten zuid-westen van Atrecht. - Mimigernaford is een verdraaiing achteraf van de toenmalige naam voor Mingoval op 17 km oost van St.Pol-sur-Ternoise (zie de volgende alinea). - Het klooster van Lotusa bevond zich te Leuze op 16 km oost van Doornik. Ludger kreeg het bij zijn aanstelling tot bisschop, niet om daar als abt te fungeren, doch om daaruit de nodige inkomsten te verwerven waartoe zijn missiebisdom ontoereikend was. Opmerking verdient het feit, dat Ludger vrij dicht bij de zetel van Tournehem werd aangesteld, zij het ook in overwegend Saksisch gebied. Deze handelwijze was onderdeel van Karel de Grote's voornemen tot christianisering van de Saksen en verbergt nauwelijks dat hij zich distantieerde van de zetel van Tournehem, gelegen in de noordwest-hoek van Frankrijk, waar de Vilti, de Slavi en de Saksen hem onophoudelijk hadden uitgedaagd. Mimigernaford is (evenals de waarschijnlijk oudere variant Mimigardvurdensis) een maakwoord en betekent 'Pseudo-Werden'. Het ontstond toen, 40 jaar na Ludgers dood, diens Werethina-abdij voor de Noormannen was uitgeweken naar Westfalen. En de nieuwe naam was een 'antidoubluremiddel', eerlijk verwijzend naar het Franse origineel, doch die door latere generaties niet meer werd begrepen en daarom tot een tekstverdraaiing kon leiden. Het verdraaien namelijk van een in de oorkonden der eerste abdij aangetroffen plaatsnaam (thans Mingoval), met daarbij de toevoeging: "waar Ludger een klooster bouwde". Deze 12e-13e-eeuwse verdraaiing en toevoeging maakt de verwarring nagenoeg onontwarbaar. Men moet er zelfs maar naar raden, of de Vitakopiïst echt niet meer wist dat dit maaktoponiem op de verhuisde abdij sloeg (en hij dus doelde op nog een abdij van Ludger), dan wel wilde documenteren dat Ludger de abdij Werden in Duitsland gegrondvest zou hebben. Als bij deze aanrijdingen tussen de eerste, tweede of zelfs derde abdij, waarvan de verschillende namen dan ook nog dooreen gebruikt worden, het de lezer gaat tollen (zoals met name bij het verslag van Ludgers dood en begrafenis: tekst 164), dan hoeft hij zich niet te schamen.
    In elk geval zal hij uit dit voorbeeld, waarbij de ontwikkelingen zich nog vrijwel aan de oppervlakte afspeelden, kunnen concluderen hoezeer tijdens en na de hele Noordwesteuropese volksverschuivingsperiode (9e t/m 11e eeuw) in het algemeen de kabels der historische continuiteit moeten zijn beschadigd of zelfs radicaal gekapt.


    Rondom St.Ludger (Liudger) doen vele wonderen de ronde. Het verhaal met de ganzen lees je hiernaast. Ook zou St.Ludger de blinde zanger Bernlef genezen hebben, zoals Christus ook ooit een blinde weer ziende maakte. Het is een vrome mythe, net als deze afbeelding waarop Ludger bij leven al heilig is (aureool) en bovendien een paard bezit.
    Tekst 162 /o.hist.
    Andere plaatsen in het leven van Ludger: 804-809

    [In enige bijvoegsels op het Leven van Ludger worden verschillende plaatsen genoemd die binnen diens woon- en werkstreek lagen. Verhalen van recentere oorsprong, meestal over voorgevallen wonderen tijdens en na zijn leven, zijn buiten beschouwing gelaten]. Toen hij om te prediken naar Fresia(Vlaanderen) ging, kwam hij bij een bepaalde plaats Helewyrd... een andere maal te Werfhem... een andere maal te Wiicswird... Een andere keer, toen de zalige Ludger bij de zee was, op een plaats die Werethina heet... De heilige kwam bij een van zijn kerken in de plaats Billurbeki... en op de plaats Hleri bij de rivier de Lade... en in de pagus de Nordgo... en op de plaats Werina... in de plaats Asnaloh... bij de Ripuani... in de pagus Sudergo op de plaats Alna... bij de bewoners die Hassi worden genoemd.
    Bron: Vita S.Ludgeri, Acta Sanctorum, maart III, p. 654.

    Nota: De 14 namen zijn in Nederland niet te vinden, laat staan daar aan te treffen in een onderlinge situatie die enigszins bij de context past. Het eenzame lachertje Helwerd van Blok (De Franken in Nederland, p. 122) waar Ludger een blinde zanger ontmoette, toont alleen aan dat ook Blok slechtziende is als hij de 13 andere namen overslaat, die we hier laten volgen. - Helewyrd is Helfaut op 5 km zuid van St.-Omaars. - Werfhem is Wavrans-sur-l'Aa op 11 km zuid-west van St. -Omaars. - Wiicswird is Wisques op 5 km zuid-west van St.-Omaars. -De plaats Werethina, die bij de zee lag en dus het Duitse Werden niet kan zijn, is Fréthun op 4 km zuid-west van Calais. - Billurbeki is Bellebrune op 11 km Oost van Boulogne. De naam heeft men wat aangepast omdat op 21 km west van Münster een Billerbeck ligt. - Hleri is Lières op 16 km west van Béthune. -Lade, een algemene naam voor rivier, duidt hier de Guarbecque aan. - De Nordgo ligt ten noorden van Atrecht. - Werina was Wéringhem, een thans verdwenen plaats bij Boulogne. - Asnaloh is Acheville op 13 km noord-oost van Atrecht. -De Ripuarii zaten bij Ribécourt-la-Tour, 11 km zuid-west van Kamerjk. -De Sudergo lag ten zuiden en westelijk van Atrecht. - Alna is Elnes op 11 km zuid-west van St.-Omaars. - Hassi is Achiet op 18 km zuid van Atrecht.
    Laten we het maar heel helder zeggen: op één in het verhaal volslagen onplaatsbare naam (die van een gehucht bij het Groningse dorpje Rottum) Ludger te verheffen tot apostel van oostelijk Groningen en daarbij met de andere namen doen als waren ze er niet: dat is geen handige 'verdwijntruc' doch gewoonweg boerenbedrog.

    Tekst 163 /o.hist.
    Werdina bij de zee en de Monden van de Renus: ca.804

    Een andere keer was de zalige Ludger bij de zee, op de plaats die Werdina heet, aan de Monden van de Renus.
    Bron: Vita S.Ludgeri, MGS, IT, p. 412.

    Nota: Deze tekst bepaalt de plaats van Werdina (Fréthun) nog beter, namelijk bij de zee en aan de Monden van de Renus (is de Schelde); de beide elementen zijn op de juiste plaats aanwezig, en in het Duitse Werden beslist niet.


    Tekst 164 /o.hist.
    Dood en begrafenis van Ludger: 809

    …op de plaats Billurbeki, waar hij ziek van lichaam zijn laatste Mis vierde; in de daarop volgende nacht gaf hij zijn ziel aan God terug... Zijn leerlingen wisten dat hij bij zijn leven had verklaard, begraven te willen worden te Werthina, waar hij op zijn eigen erfgoed een klooster had gesticht ter ere van de Salvator, de H.Moeder Gods en Petrus, de prins der Apostelen, en hij tevens een kerk had gebouwd. Maar het volk verzette zich heftig hiertegen en na overleg besloot men hem (toch?) te begraven in zijn abdij Mimigernaford, waar men hem onbegraven in de kerk van de H.Maria legde. Dit bleef zo totdat de eerbiedwaardige bisschop Hildgrinus van Chalons-sur-Marne en broer van Ludger, alsmede Karel de Grote, besloten dat hij begraven zou worden aan de oostelijke kant buiten de kerk (van het klooster Werethina), zoals hij zelf had bepaald; hij had immers nooit toegestaan dat een lijk binnen een door hem geconsacreerde kerk begraven werd... Tussen zijn dood en deze begrafenis waren dertig dagen verlopen.
    Bron: Vita S.Ludgen, Acta Sanctorum, maart III, p. 647, 653.

    Nota: In werkelijkheid sterft Ludger in Bellebrune, 21 km ten zuiden van de abdij Werethina (Fréthun), zodat er tussen zijn monniken en anderzijds de gelovigen van de kerk te Bellebrune onenigheid ontstond over de plaats van begrafenis. Zeer begrijpelijk, omdat het in die dagen de gewoonte was een overledene te begraven op de dag en plaats zelf van zijn overlijden. Ondanks de tegengestelde wens van de overledene verzetten de gelovigen van Bellebrune zich tegen een inbreuk op deze gewoonte. De tekst van het Vita hinkt echter op twee gedachten. Men laat Ludger sterven in Billurbeki (Billerbeek, op 21 km west van Münster). Met de daarna vermelde wens van Ludger om in Werethina te worden begraven, zit men echter bij Calais. Tenslotte vindt de begrafenis plaats in Mimigernaford, waarmee het Duitse klooster Werden of ook het bisdom Münster werd aangeduid die beide in 809 nog niet bestonden. Wat dan toch weer in overeenstemming met Ludgers wens zou zijn. Zoekt u het maar uit!
    De bedoeling van het verhaal (dat veel later werd geschreven en dan ook leidt tot een wonderdadige bilocatie of zelfs trilocatie van de abdij Werethina/alias Werden/alias Mimigernaford) is niettemin duidelijk te onderkennen: het wil doen geloven dat Ludger in het Münsterse begraven werd en er de bisschopszetel gesticht zou hebben. De termijn van 30 dagen tussen dood en begrafenis vindt geen afdoende verklaring in de twist om het lijk, maar zou natuurlijk wel begrijpelijk worden indien men de dode eerst over heel de 400 km afstand van Bellebrune bij Boulogne naar Werden bij Essen (D.) had moeten overbrengen; of -omgekeerd- van Billerbeek bij Münster naar Werethina(Fréthun) bij Calais. Het staat buiten kijf dat de monniken met hulp van bisschop Hildgrinus en Karel de Grote aan het langste eind hebben getrokken en dat Ludger bij zijn klooster in Fréthun begraven is. Wel kan aangenomen worden dat het corpus omstreeks 850 naar Westfalen is meegenomen toen de communauteit van Werethina (Fréthun) voor de Noormannen moest vluchten.

    Zie ook Werethina!

    Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.