De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

De Rijmkroniek van Melis Stoke.



Melis Stoke (Zeeland (?), ca. 1235 - na mei, ca. 1305) was een Nederlands schrijver uit de 13e eeuw. Stoke werd vermoedelijk in Zeeland geboren, ca. 1235. Hij is rond 1305 gestorven. Hij schreef vanaf ca.1280 in het Middel-Nederlands een kroniek op rijm over het graafschap Holland. Een van zijn werken, een van de eerste boeken in het Nederlands, heet Rijmkroniek. Daarin staat het verhaal over de moord op Floris V. Stoke baseerde zich op geschreven bronnen, getuigenverklaringen en eigen waarnemingen. Onder hedendaagse historici staat hij echter niet bekend om zijn historische betrouwbaarheid.
Stoke was een klerk in dienst van Floris V. Mogelijk was hij een monnik, omdat de lees- en schrijfkunst destijds hoofdzakelijk in kloosters werd onderwezen. Het is bekend dat hij enige tijd in dienst was van de stad Dordrecht.






Floris IV

In het boek 'Holle Boomstammen' noemt Albert Delahaye de oudste kroniekschrijvers van Holland, waaronder Melis Stoke. Deze kroniekschrijvers vermeldden veel zaken niet, die later wel tot de gangbare geschiedenis zijn gaan behoren. Waarom vermeldden zij dat niet? Omdat het in hun tijd niet tot de geldende opvattingen behoorde. En zij zaten dichter bij die gebeurtenissen dan de 17e eeuwse schrijvers die het wel noemden. Zo schrijft Stoke niets over de Bataven, niets over de Noormannen, niets over Karolingisch Nijmegen en noemt hij het Almere en Dorestad niet. De topografische gegevens die hij juist wel noemt zijn door de historici nooit onderzocht. Het Suuthardeshage en 23 andere plaatsen waar hij heel wat gebeurtenissen plaats, zijn nooit gelocaliseerd. Onder een van deze namen schuilt zeker de echte naam van de vroegmiddeleeuwse nederzetting die men in Wijk bij Duurstede heeft aangetroffen. Dat was het vissers- en jagerdorp en het latere roversnest Munna, dat in 1018 op last van de Duitse Keizer werd vernietigd.

De visie van Albert Delahaye.
Met Melis Stoke begint al de grote en fundamentele spraakverwarring in de geschiedenis van Nederland. Het is opmerkelijk wat Stoke zelf schreef en wat de historici er later van gemaakt hebben. Bij Stoke is nog heel goed waarheid van mythe te onderscheiden. Zo noemt Stoke dat Willibrord aan de Schelde predikte (waarheid) en later in Utrecht aartsbisschop (mythe) werd. Ook Bonifatius noemt hij die in Dockynghen gedood werd. Waarheid als je daaronder Duinkerke en niet Dokkum verstaat. Maar Stoke noemt over de Romeinse tijd nergens de Bataven of de Cananefaten. Ook noemt hij de Noormannen of het Almere niet, terwijl hij toch de strijd tussen Holland en Friesland noemt en over Utrecht schrijft. De topografische gegevens die hij noemt zijn nog nooit verder onderzocht. Waar lag bijvoorbeeld Suuthardeshage, dat ook in andere bronnen wordt genoemd? Suuthardeshage, al wil ik niet beweren dat dit de naam is van de nederzetting te Wijk bij Duurstede, en meer dan 25 andere nog nooit gelokaliseerde en geïdentificeerde plaatsen, die men bij Melis Stoke, in oorkonden en goederenlijsten vindt, moeten eens onderzocht worden op de ware topografie en toponymie van Nederland. Suuthardeshage dringt zich in dit verband wel op. Johannes Beka, einde 14e eeuw, schrijft dan toch: "Wijk, vulgariter genoemd Duursteden".

Melis Stoke was tegen eind 13e en begin 14e eeuw klerk op de grafelijke kanselarij van Floris V en Willem III. Hij is de eerste Hollandse schrijver die over Willibrord bericht. Voor hem komt -zover bekend- het woord Willibrord in geen enkel ander Hollands geschrift voor. Met andere woorden: zelfs voor een dermate centraal punt van de zogenaamde Hollandse geschiedenis kan men niet wijzen op een traditie. Want wil men beweren dat een feit uit 690, dat pas in 1289-1305 voor het eerst werd vastgelegd, door de traditie wordt gedekt, dient met aansprekende bewijzen te komen? Pas tegen het midden van de 12e eeuw was door toedoen van de abdij te Echternach de mythe opgedrongen dat Willibrord als apostel van de Fresones (Vlaanderen) te Utrecht zou hebben gezeteld. Ook Stoke heeft zijn wijsheid onmiskenbaar geput uit Echternachse geschriften en met name uit Theofrieds Vita van Willibrord. De daarin verkondigde mythe werd vooreerst in kerkelijke kringen slechts zeer aarzelend overgenomen en door de abdij van Egmond lange tijd doodgezwegen en zelfs uitdrukkelijk afgewezen. Pas begin 14e eeuw (om precies te zijn in 1301) heeft de kerk van Utrecht de eerste stap gezet door in Echternach 'relieken' van de heilige te vragen, met de mededeling 'dat men er nog geen heeft'. Daarna is de cultus van Willibrord wat breder bekend geworden, al heeft dit nooit geleid tot een meer algemene en brede volksdevotie. In Utrecht, maar ook in Friesland heeft vóór de 19de eeuw geen enkele kerk St.Willibrord, toch de 'de apostel van Friesland', als patroon gehad.

Willibrord is altijd een heilige van de 'geleerden' gebleven en is er nooit een geworden van het volk, alsof dit intuitief heeft aangevoeld dat er iets mis was met die eerste apostel van Nederland. In dit verband moet er ook op gewezen worden dat de figuur van Bonifatius, meer dan Willibrord, bekend raakte en algemener werd aangehaald; waarschijnlijk ook omdat de legende van diens marteldood te Dokkum sterker tot de verbeelding sprak en men er de Friezen zelfs verholen prat op zag gaan, dat zij een beroemde martelaar aan de Kerk zouden hebben geschonken. Ook uit de bronnen krijgt men trouwens sterk de indruk dat de legende van Bonifatius te Dokkum eerder, of althans met meer overtuiging dan die van Willibrord, is ingevoerd; al kan dit niet met sluitende teksten bewezen worden, alleen reeds omdat tal van teksten niet nauwkeurig te dateren zijn.

Er moet dus een groot vraagteken gezet worden bij de constatering dat de idee van Willibrord als bisschop van Utrecht grif in kerkelijke kringen aanvaard zou zijn. Het spreekt immers boekdelen dat in de Annalen van Egmond (vóór Melis Stoke de enige oudere bron van de 'Hollandse' (?) geschiedenis) geen vermelding van Willibrord voorkomt: en dit terwijl de abdij met de oude akten van Traiectum heel het Cartularium van Radboud in huis had. Die Annalen dateren vermoedelijk uit de 11e eeuw en zijn door verschillende schrijvers tot in de 13e eeuw bijgehouden en aangevuld. De eerste versie is uitgebreid met soms betrekkelijk onbelangrijke feiten. Maar geen van de opeenvolgende schrijvers heeft een reden gezien om de eerste bisschop "van Traiectum" te vermelden of zelfs maar diens naam er achteraf bij te schrijven. Er blijft derhalve maar één conclusie: tussen de 11e en de 13e eeuw bestond in Egmond allerminst de overtuiging dat het Cartularium betrekking had op Utrecht. En de opeenvolgende schrijvers van de Annales huldigden kennelijk niet de mening dat Willibrord iets met Holland uitstaande had. Uiteraard is niet elke overslag een bewijs; doch deze van de Annalen van Egmond kan men niet afdoen met een dooddoener. Daarbij komt dat prof.dr.L.J.Rogier in 1945 schreef: "Het is opvallend dat vóór 1559 van enige officiële verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers geen sporen te vinden zijn. Van devotie tot Willibrord, Servatius, Bonifatius, Lebuinus, Plechelmus, Odulphus, Jeroen of andere Nederlandse heiligen vernemen wij in de middeleeuwen niets".

Melis Stoke, in dienst van Willems zoon Floris V heeft een heroïeke vaderlandslievende versie beschreven over opstandige Westfriezen en verraderlijk ijs. Het is het verhaaltje over opstandige Friezen, zoals we dat kennen uit de schoolboekjes (en niet uit de schoolboekjes alleen!). De naam Friezen werd pas in 1165 voor het eerst in Nederland toegepast (anderhalve eeuw eerder waren ze reeds als bewoners van Munna genoemd). De Fresones echter die in de 8e eeuw of daaromtrent een kerkje in Rome kregen en al bij het begin van onze jaartelling de Flevumstreek bewoonden waar zij hun latere naam 'Flelanders, Flamands, Vlamingen' aan ontleenden, zijn een oud gegeven. En men dient zich wel te realiseren dat de Friezen-in-Nederland een geheel nieuw gegeven vormen. In hoeverre deze nieuwkomers door hun herkomst al dan niet een band hebben gehad met het klassieke Fresia, zal voortgezet onderzoek moeten uitwijzen. Een waardevolle bijdrage daartoe is de toponymie van de huidige als Fries aangemerkte plaatsen en streken te vergelijken met de plaatsnamen van het oude Fresia (zie daarvoor De Ware Kijk Op p.444 t/m 476). Dat onderzoek heeft inmiddels ruim plaatsgevonden, waarbij enkele historici vermelden dat de huidige Friezen niets te maken hebben met de Friezen uit het verleden. Lees er meer over bij de Friezen.



Nederlandsche Oudtheden.
De eerste 'Hollandse' schrijvers waren Alpertus van Metz (ca.1006), Melis Stoke (eind 13e eeuw), de Clerc uten Laghen Landen (ca.1349-1356) en de schrijvers van de Annalen van Egmond (geschreven tussen de 11e en 12e eeuw). Deze eerste Hollandse schrijvers schrijven nergens over de tradities van Dorestadum, van Nijmegen, van de Bataven of van Utrecht. Dit laatste is vooral bij de Annalen van Egmond een onbegrijpelijke zaak, omdat aangenomen moet worden dat de schrijvers van Egmond de later gehanteerde bronnen kenden. Bij de latere schrijvers beginnen de mythen door te dringen, druppelsgewijs met half of geheel onjuiste feiten. Melis Stoke is de eerste, die St. Willibrord als bisschop van Utrecht noemt, al is hij nog niet geheel los van diens missiegebied aan de Schelde. Geen wonder dat hij de eerste was, omdat tussen hem en de vorige schrijvers de traditie door Echternach eind 12e/begin 13e eeuw is ingevoerd. Van de indrukwekkende (latere!) serie berichten over de Noormannen vermelden Melis Stoke en de Clerc uten Laghen Landen hoogstens één feit, al hebben ze het niet over Nortmannen, maar over 'pyrates'. Latere historoci hebben er Vikingen van gemaakt.
Jacob van Oudenhoven.
Zo schreef de Clerc al over het ontstaan van Nederland: Holland, dat over het algemeen een broekland was en alleszins (=geheel en al) uit de armen van de zee en de Rijn gesalicht (=ontstaan) is. Ook Jacob van Oudenhoven schreef in 1654 in zijn "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" al over "het ontbreken van elke schriftuur", geen enkel geschrift over de geschiedenis van Holland. Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". "Het geeft geen pas", schrijft hij met enige verontwaardiging "zo een ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was". Jacob van Oudenhoven had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd. Ook de Clerc Uten Laghen Landen had reeds in de 14e eeuw het juiste inzicht over het ontstaan van het alluviale Holland!


Wat weten we zoal uit de Rijmkroniek van Stoke?

Stoke wordt door menig historicus als onbetrouwbaar gekenschetst. Dat heeft meer te maken met de opvattingen van die historici, dan met het geschrijf van Stoke. Veel van wat Stoke schreef paste niet in de traditionele opvattingen. De latere historici meenden het beter te weten dan de man die er in de buurt was toen het gebeurde en het van nabij meemaakte. Over de dood van graaf Floris IV schrijft Stoke dat die omkwam in een toernooi in Corbie in Picardië in of bij de stad Noviomus. Van dat Noviomus willen enkele historici, zoals
P.Leupen in het Bronnenboek dan Nijmegen maken. Ligt Nijmegen in Picardië?


In een artikel over de "Dooddoeners van Delahaye" wordt op p. 79 de problematiek besproken over het sneuvelen van graaf Floris IV op een toernooi in Noviomagus, waar hij op weg was naar huis. Het ligt veel meer voor de hand dat hij over Nijmegen reisde dan over Noyon vinden Jules Bogaers en Piet Leupen. Hier vindt Leupen zelfs twee oplossingen voor het probleem: 1. dat de schrijver van deze tekst 'het niet bij het rechte eind had' (zie opmerking hierboven) en 2. dat de schrijver aan Nijmegen gedacht heeft en niet aan Noyon. Knap dat Leupen weet waar iemand die 800 jaar eerder leefde zoal aan gedacht heeft. Volgen we de tekst Van Melis Stoke die hierover schreef, dan zou Floris IV op weg zijn naar huis, na de strijd met de Stedingers. In Noviomagus bij Corbeia, dat Corbie in Picardië is en niet Corvey aan de Weser! (Dit is de gebruikelijke interpretatiefout die Leupen maakt!) nam Floris IV nog even deel aan een toernooi, waarbij hij jammerlijk omkwam. Waardoor Floris IV precies omkwam weten we ook van Stoke, die immers schreef dat Floris opzettelijk gedood werd door de Filips Hurepel, graaf van Clermont. Dat had te maken met de mooie vrouw van de graaf, waarmee Floris kennelijk "buiten zijn hoffelijk boekje was gegaan". Floris IV werd dus opzettelijk vermoord, precies ook wat Stoke schrijft. Floris IV werd verraderlijk doorstoken door de graaf van Clermont en stierf tijdens dit toernooi. En 'iedereen' vond dit terecht. Hij werd 'ridderlijk gewroken' omdat Floris de knappe en aantrekkelijke vrouw van de graaf van Clermont (grensoverschrijdend?- dat bestond toen ook al-) begeerd had. Zie teksten uit de Rijmkroniek.




Lees ook meer hierover Nederlandsche Oudtheden.


De Fundamentele verwarring: Nijmegen of Noyon?




Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.