De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Dr.R.R.Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen.




Mgr. R.R.Post, tijdens een toespraak bij de uitbreiding van de universiteit en nieuwbouw op Heyendaal.

Prof.dr.R.R.Post was vanaf het begin een van de felste opponenten van Albert Delahaye, maar stelde zelf dat 'Willibrord geen bisschop van Utrecht geweest kan zijn' en in een discussie met enkele vakgenoten wees Post het verblijf van St.Willibrord in Noord-Brabant resoluut van de hand. Voor dat verblijf van Willibrord in Brabant was geen enkel bewijs te vinden.
Post was het dus volkomen eens met Delahaye! Waarom dan die felle afwijzing?


In 1937 wordt Post hoogleraar Algemene en Vaderlandse Geschiedenis van de Middeleeuwen in Nijmegen. Na de Tweede Wereldoorlog is Post als bestuurder verantwoordelijk voor de uitbreiding van de universiteit met een medische faculteit en een bètafaculteit. Gekweld door brand en gebrek aan financiën, die de nieuwbouw op landgoed Heyendaal hinderen, alsmede door lastige kandidaat-hoogleraren die hoge eisen stellen, verzucht Post later in een onbewaakt ogenblik dat hij nooit aan de uitbreiding was begonnen, als hij had geweten welke moeilijkheden hij zich daarmee op de hals zou halen.
Post staat bekend als een krachtig en zorgvuldig bestuurder die niet terugdeinst voor grote projecten. Hij is enigszins stug en terughoudend en ziet het priesterschap als een opdracht om anderen voor te gaan in geloof, kennis en gezag. In 1961 wordt Post de eerste voorzitter van het nieuwe College van Curatoren, dat wordt benoemd na een ingrijpende bestuurshervorming. Hij bekleedt tevens de erefunctie van Geheim Kamerheer en huisprelaat van de paus. Post woont niet alleen, maar samen met zijn twee zussen. Zij zorgen voor hem en worden in de wandelgangen wel eens ‘Postpaarden’ genoemd.



De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!




De twijfel die ook Post had over het succes van de prediking in Nederland laat zich kenmerken door o.m. de volgende zinnen of bewoordingen:
  • Kan dit bericht niet waar zijn.
  • Weliswaar is hiervan niets terecht gekomen.
  • Maar Bonifacius preekte voor dove oren en vertrok.
  • Van zijn werkzaamheid als missionaris weten wij overigens niets.
  • Van de Tongerse bisschop Sint-Servatius weten we reeds iets meer, al heeft de legende spoedig een fantastisch verhaal van zijn leven, zijn sterven en de door hem verrichte wonderen gevormd. En die legendevorming is kenmerkend voor veel hagiografen.
  • Daarvan was niets gekomen.
  • Verschil van mening en de mening schijnt....
  • Goochelen met woorden
  • In de levensbeschrijving van Gregorius wordt hij door Ludger als de herder en prediker van het volk der Friezen genoemd. Toch weten wij verder niets van zijn missiereizen of prediking.
  • Dat in een vrij late bron voorkomt en daarom weinig geloof verdient.
  • Niet duidelijk..., men weet het niet..., veronderstelt... (p.35).
  • Wij horen er niets van.
  • Het is niet waarschijnlijk.
  • Daarom heb ik mij afgevraagd.... niet veel striktere betekenis kan hebben.
  • Dat zou kunnen betekenen...
  • lezen wij niet alleen niets, maar zij wordt door het bericht zelfs absoluut uitgesloten.
  • Schieffer geeft hiervan een geheel andere voorstelling.
  • moeilijk te zeggen is, omdat niet geheel zeker is....
  • De Friese landen ten noorden van Groningen schijnen...
  • Bijzonderheden blijven ons onbekend.
  • Uitgangspunt voor de actie van Ludger schijnt dan ook Dokkum geweest te zijn...
  • Maar helaas weten wij hiervan geen bijzonderheden.
  • De brieven van Bonifatius gaan niet over Friesland.
  • De historische gegevens over alle drie zijn zeer gering. De rest is een mythe.
  • Uit het een en ander moet men besluiten, dat wij tenslotte voor het aannemen van een missieactiviteit van Willibrord in Noord-Brabant geen voldoende gronden hebben.
  • In het algemeen is er over Ierse missionarissen, die tijdens of na Willibrord in de zuidelijke en noordelijke Nederlanden hebben gewerkt meer legende dan kennis overgeleverd.
  • Men weet niet of...toch kan verondersteld worden...(p.35). Deze zin geeft precies weer hoe dat vaak gaat in de historische wereld. Als niemand die veronderstelling tegenspreekt, wordt het bij een volgende naschrijvende auteur een vaststaand feit.
  • In het eerste hoofdstuk (p.1-46) lezen we overigens 36x 'misschien', 7x 'mogelijk' en 18x 'schijnt', naast enkele keren 'weten we (verder) niet(s)'. Over hoeveel zekerheid gat het dan?

    Dat er niets over bekend is, komt doordat er geen oorspronkelijke schriftelijke bronnen te vinden zijn. Ondanks dat gemis wordt het niet-bekende ingevuld met wonderen, legende en fabels. Het is complete duimzuigerij van vroegere historieschrivers, dat nu door niet deskundigen als ware geschiedenis wordt gepresenteerd. Lees dit boek van Post er maar eens kritisch op na.

    De kerken uit de tijd van St.Willibrord.

    In Nederland zouden volgens Post de volgende plaatsen hebben bestaan, waar zich een kerk bevond die tot de tijd van St.Willibrord terug zouden gaan:

    twee in Utrecht, Maastricht, Marsum (misschien hetzelfde als Vlaardingen), Susteren, Millingen, Rinderen, Bakel, Vlaardingen, Oegstgeest, Velzen, Heila en Petten, met de kapellen Hargen (Ketel) bij Schoorl, Overschie, Rijnsburg, Warmond, Leimuiden, Rijnsaterwoude, Esselijkerwoude, Beverwijk, Heemskerk, Assendelft, Spaarnwoude, Sloten, Egmond, Alkmaar, Schermer, Mijzen bij Avenhorn, Wognum en Vroonen bij Sint-Pancras.

    Kort erop worden andere genoemd, die tot deze periode behoren, en waarvan sommige zeker tot Willibrordus zullen teruggaan: Wijk bij Duurstede, Dokkum, Groningen, Tiel, Deventer, Wilp, Oldenzaal, Rijswijk in de NederBetuwe, Ouderkerk, Lekkerkerk, Krimpen in de Krimpenerwaard, Doorn, Houten, Werkhoven (twee kerken), 'Tresdore'?, Monster, Valkenburg bij Leiden, Anlo in Drente, Groessen, Sint-Odiliënberg, Naarden, Muiden, Arnhem, Voorst, Duiven, Doetinchem, Wadenoyen, Gent, Vaassen, Herwen, Empel.
    Daaraan kunnen nog worden toegevoegd op grond van archeologische gegevens, die met grote waarschijnlijkheid tot deze zelfde periode voeren: Ellecom, Zelhem, Afferden, Buggenum, Geisteren, Gennep, Grubbenvorst', Gemonde-, Alphen aan de Maas" en EIst.

    Het zijn boute opvattingen van Post, die zonder archeologisch bewijs onhoudbaar zijn. En die archeologische bewijzen, ondanks wat Post hier stelt, ontbreken ten ene malen, zoals de kerk in Zelhem wel aantoont.

    Maar wat wel opvallend is in dit rijtje dat Post geen kerk noemt in Nijmegen! En een Karolingische Palts zonder kerk zou onbestaanbaar geweest zijn. Dat heeft Post ook altijd verbaasd. Daarnaast is Nijmegen nooit bisschopsstad geweest. En Karel de Grote had meer dan een grote belangstelling voor kerkelijke instellingen. Zijn 'missi dominici' bestond steeds uit een wereldlijk en een geestelijke vertrouweling. Het blijkt ook uit de oorkonde uit 777, waarbij hij de kerk van Trajectum bezittingen schenkt!



    Prof.Post aan het werk aan zijn Kerkgeschiedenis.


    Op p.38 schrijft Post: "De toestand van de gebouwen en de bewoning zal nog zeer primitief geweest zijn. Liudger sliep op zolder van de door Willibrord gebouwde Sint-Salvatorkerk, aldus AItfried. Doch het is wel zeker, dat daar telkens nieuwe krachten gevormd werden, mannen die als pastoors werkzaam konden zijn bij de vele kerken die reeds over het diocees verspreid waren".
    Dat de Sint-Salvatorkerk in de 8ste eeuw al bestaan zou hebben is archeologisch nooit aangetoond. Sterker: Utrecht bestond toen niet eens. Het was ook de St.Sauveur waar Ludger vanuit Suabsna (is Zouafques en niet Zuilen) in amper 10 minuten gaans de kerk van Tournehem kon bereiken voor zijn nachtelijke gebedsstonden. De nocturnus is door latere historici onjuist 'vertaald' met zolder. De taalkundige gelijkstelling, die zonder met de ogen te knipperen werd geponeerd, is ronduit lachwekkend.

    Op p.41 vermeldt Post dat de Saksische leider Widukind aan het Frankische hof te Attigny het doopsel ontving. Blijkbaar is Post vergeten even op te zoek waar Attigny ligt. Dit Attigny ligt in het Franse departement Ardennes (is dus niet het Attigny in de Vogezen. Doublures van plaatsnamen komen dus overal voor, ook in Frankrijk). Waarom helemaal naar Attigny reizen op 350 km.van Utrecht, om gedoopt te worden? Kon dat niet in Utrecht of in Nijmegen (?) of desnoods in Echternach? Deze dooplocatie geeft precies aan waar de strijd tussen de Franken en Saksen plaatsvond: in Noord-Frankrijk.
    Het is dezelfde absurditeit om Redbad in Medemblik te laten dopen door St.Wulfram, bisschop van Sens in Frankrijk. Ook deze geschiedenis dient in Frankrijk geplaatst te worden, waar Medemolaca Meldick is. "Mede" betekent weide. “Molaca” betekent “molenwater”. De wateren heetten later: Haute Meldick, Basse Meldick en Petite Meldick.


    Wat Post wel goed ziet is zijn opmerking: "De wapenen hebben de weg voor de missionarissen gebaand" (p.44).

    Het is inderdaad dat het Christelijk geloof, vooral onder Karel de Grote, met het zwaard verkondigd werd. De keuze was simpel: de doop of de dood. Scheelt slechts één letter die omgekeerd moet worden.
    Het zwaard en kruis zijn vergelijkbaar: zie afbeeldingen hieronder. Zwaard en kruis hebben dezelfde verhoudingen. Een omgekeerd kruis wordt een zwaard. Beter zou geweest zijn om van een omgekeerd zwaard een kruis te maken.

  • Onbegrijpelijk.
    Het is volkomen onbegrijpelijk dat prof.dr.R.R.Post zo minachtend tekeer ging tegen Albert Delahaye. Hij moet toch als geen ander geweten hebben dat Albert Delahaye volkomen gelijk had met zijn visie. Onbegrijpelijk? Het is slechts te verklaren vanwege de vermeende 'reputatieschade'. Wat Delahaye ten aanzien van Willibrord en andere predikers ontdekte, had Post als kerkhistoricus moeten ontdekken. Dat heeft hij ook geweten als je zijn boek leest, maar hij bleef ziende blind vasthouden aan de tradities. Durfde hij zijn 'collega's' niet tegen te spreken, bang om te horen te krijgen 'dat hij als kerkhistoricus geen verstand van wereldse geschiedenis had'?

    Ondankbaar was Post ook. Delahaye heeft Post eens een voorzetje gegeven dat hij er zo in had kunnen koppen, namelijk dat er in Nijmegen geen kerk bestond in de tijd van Karel de Grote. Een Karolingische Palts zonder een kerk, zelfs zonder bisschop, zou onbestaanbaar geweest zijn. Dit punt nam Post niet in dankbaarheid aan van Delahaye, maar probeerde dit met drogrenenen te weerleggen. Opmerkelijk is het wel dat Post in zijn boek over de Kerkgeschiedenis vermeldt dat de eerste kerk van Nijmegen buiten de bebouwde kom lag (p.80) en hij de kapel op het Valkhof vergelijkt met de achthoekige vorm van de paltskapel te Aken (p.81). De kapel op het Valkhof is echter uit de 11de eeuw, dus weinig Karolingisch.

    Ik kan critici van de opvattingen van Delahaye slechts aanraden dit boek van Post eens wat zorgvuldiger te lezen. Post spreekt op meerdere cruciale punten van de mythe zijn twijfel uit, wat onder historici tot de conclusie had moeten leiden die overeenkomt met de visie van Delahaye. Het is dan ook onbegrijpelijk de visie van Delahaye af te wijzen, zonder dit boek van Post gelezen te hebben. Zouden de kritici van Delahaye dit boek wel gelezen hebben, of liever, bestudeerd hebben, dan was hun kritiek op slag verstomd.

    Het belangrijkste en feitelijk de hele kern van de Willibrord-mythe in Nederland beschrijft Post op p.23: "plaatselijke overleveringen kunnen wel eens op waarheid berusten, maar ik durf er toch niet onvoorwaardelijk geloof aan te hechten, omdat dergelijke tradities ook later kunnen zijn ontstaan, bijvoorbeeld door de abdij Echternach".
    Wat was Post hier dicht bij het oplossen van het hele probleem. Als hij nu eens doorgedacht had en de bronnen had onderzocht, zou hij tot precies dezelfde conclusies zijn gekomen als Albert Delahaye. Het was de (noodlijdende) abdij van Echternach die, op zoek naar bezittingen, het Willibrord-verhaal in Nederland heeft geplaatst, wat dus 4 eeuwen na Willibrord gebeurde! In Nederland was dit Willibrord-verhaal helaas een mythe. Willibrord is nooit in Nederland geweest. Daarvoor bestaat geen enkel bewijs dan enkel wat aangenomen opvattingen, die later uitgespind zijn door niet terzake deskundige fabelschrijvers, immers historici kunnen we hen niet noemen.


    Een cuciaal standpunt!
    Op p.25 lezen we een interessante, maar cruciale uiteenzetting van Post. Hij schrijft: "Wij kunnen het best aldus opvatten, dat Frisia Citerior het sinds lang Frankische Friesland, bij Willibrords dood als een christelijk land kon gelden. Maar ten noorden van dit Frisia Citerior lag nog een ander Friesland (omvattend de tegenwoordige provincie van die naam), dat eerst in 734 onder de heerschappij van de Frankische hofmeier was gekomen. Hier zal vóór 739 weinig gepredikt zijn"

    Post maakt hier dus verschil tussen Frisia Citerior en een ander Friesland, de huidige provincie met de naam. Het Frisia Citerior was al langer onder Frankisch beheer en juist dáár had Willibrord gepredikt en gold het als christelijk. Wat was Post hier dicht bij de oplossing van het probleem omtrent Friesland en Willibrord. En als hij dan ook stelt dat Willibrord geen bisschop van Utrecht was en geen voet in Brabant heeft gezet (zie linker kolom), is de hele mythe opgelost..
    Post en andere historici hebben de betekenis van Frisia Citerior gemist. Het is een term die niet gebruikt is door de Romeinse schrijvers, maar door Beda Venerabilis (de Eerbiedwaardige), een monnik die verbleef en schreef in Engeland. Met deze term bedoelde Beda "aan de overkant van de zee, het dichtst bij ons!" Dat was ook zeer juist gesteld, aangezien Frisia aan het kanaal lag, precies dáár waar men de overkant kan zien. En dat is maar op één plaats in Europa mogelijk en wel in Frans-Vlaanderen. En precies dáár stak Willibrod over naar het vasteland en kwam aan in Gravelines, waar de parochiekerk St.Willibrord als patroon heeft. Het Franse woord Citérieur heeft nog precies dezelfde betekenis: "Terme de Géographie. Qui est en deçà, de notre côté, plus près de nous". Frisia Citerior was derhalve geen tegenstelling van Frisia Superior, zoals D.P.Blok eens beweerde. De term Frisia Superior komt ook in geen enkele klassieke bron voor. Zou er een tegenstelling voor gevonden moeten worden, dan was de term Frisia Inferior van toepassing geweest.
    Op p.34 schrijft Post nog eens over Friesland: De heerschappij der Franken strekte zich uit tot aan de Lauwers (sinds 734), waardoor de tegenwoordige provincie Friesland ook voor de geloofspredikers toegankelijk was. Of er gewerkt is vóór de komst van Bonifacius is niet bekend.
    Hiermee geeft Post duidelijk aan dat Willibrord of een andere prediker vóór 734 niet in de tegenwoordige provincie Friesland gemissioneerd heeft. Friesland was immers niet toegankelijk. Het is onbedoeld een hele juiste opmerking, immers de prediking van Willibrord en anderen onder de Friezen (beter is te spreken van Fresones) vond niet plaats in Nederlands Friesland, maar in het klassieke Frisia dat in Frans-Vlaanderen lag. Willibrord had bij de prediking onder de Friezen meerdere voorgangers, zoals St.Eloy, bisschop van Noyon-Doornik, dat binnen bereik van de Friezen lag. St.Eloy is ook helemaal niet naar Nederland Friesland gereisd om er Fresones te bekeren. Die woonden bij hem 'om de hoek'.

    Hiermee is dus klip en klaar duidelijk dat het Nederlandse Friesland niet het Frisia was waar Willibrord (en later Bonifatius) predikte. Het was Frisia in Vlaanderen!

    Post is niet consequent in zijn opvattingen. In de inleiding van zijn boek schrijft Post immers: nieuw ontdekte of gepubliceerde documenten hebben de voorstelling van menige gebeurtenis, de beschrijving van vele toestanden en de waardering van talrijke personen nogal gewijzigd. Bovendien is ook de opvatting van de historici niet dezelfde gebleven. Post erkent dus dat nieuw onderzoek nieuwe opvattingen opleveren. En dat is precies wat Delahaye deed: nieuwe documenten hebben nieuwe opvattingen opgeleverd.

    Was de felheid van Post ten aanzien van Delahaye daarmee te verklaren? Neen, naar later bleek kwam zijn deskundigheid op het spel te staan. Immers Post had als Kerkhistoricus moeten ontdekken wat Delahaye omtrent Willibrord en andere predikers ontdekte. Maar wat doet dan een niet-reflecterende 'historicus'? De nieuwe opvattingen van die ander ontkennen en vooral belachelijk maken, zelfs met schijnargumenten en leugens. En dat is precies wat Post deed en van welke negatie ook andere historici last van hebben. Het toegeven van fouten is niet het sterkste punt onder historici, zelfs niet van een Katholieke monseigneur. Dat hij zo minachtend en een priester onwaardig tegen Delahaye tekeer ging, werd hem nadien ook door anderen kwalijk genomen. Maar ook zijn deskundigheid als Universitair historicus over de Nijmeegse geschiedenis is met zijn reputatie ten onder gegaan. In Het Bronnenboek van Nijmegen komt zijn naam niet meer voor!



    Professor R.R.Post.
    Regnerus Richardus Post werd geboren op 18 mei 1894 te Kloosterburen. In 1919 werd hij te Utrecht tot priester gewijd. Na zijn leraarschap aan het klein-seminarie te Culemborg, werd hij in 1930 geschiedkundig medewerker aan het Nederlands Historisch Instituut te Rome. Hij promoveerde in 1928 op het proefschrift 'Eigenkerken en bisschoppelijk gezag in het bisdom Utrecht tot de dertiende eeuw'. In 1937 volgde zijn benoeming tot hoogleraar in Kerkgeschiedenis en Middeleeuwse geschiedenis aan de Kath. Universiteit Nijmegen. Zijn inaugurale rede had de titel De betekenis van de Romeinsche archivalia voor de Nederlandsche kerkgeschiedenis.
    Kerkgeschiedenis in de Middeleeuwen.
    Post publiceerde vooral over de kerkgeschiedenis van de late middeleeuwen, met speciale belangstelling voor de Moderne Devotie. Als redacteur van het tijdschrift 'Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht' gaf hij Romeinse stukken uit over de Utrechtse kerkgeschiedenis en over de Hollandse missie uit de 17e eeuw. Hij was president-curator van de Kath. Universiteit, lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, Geheim Kamerheer en Huisprelaat van Z.H. de Paus, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Prof. dr. mgr. R.R. Post ging in1964 met emeritaat en overleed op 27 oktober 1968 te Nijmegen.


    Dit boek van Post geeft veel informatie over de kerk, het ontstaan van het Christendom in Nederland en de ontwikkeling ervan. Ondanks de veelheid aan informatie ontkomt ook Post niet aan enkele onjuiste uitgangspunten die de informatie negatief 'verkleuren'. Immers als je blijft vasthouden aan de nooit bewezen opvatting dat Willibrord in Utrecht zetelde, wat hij dus zelf tegensprak in de Volkskrant van 17 dec.1959, is alles dat daarvan is afgeleid helaas net zo onjuist. We bespreken de belangrijkste puntenuit dit boek hieronder.

    Wat schrijft dr.Post zoal in dit boek? Als kerkhistoricus schrijft hij ook over wereldse geschiedenis, maar hanteert daarbij zelfs in zijn tijd toch al achterhaalde opvattingen.

    In zijn boek over de 'Kerkgeschiedenis' (2 delen) schrijft Post in de inleiding dat hij hoopt, dat "de historici zullen blijven werken en de behoefte aan aanvulling en verbetering voor zijn boek spoedig opkomen". En als er dan enkele aanvullingen en meerdere verbeteringen van Albert Delahaye komen, wordt dat niet aanvaard, maar op een werkelijk onwaardige wijze voor een katholiek priester, van tafel geveegd zonder op de argumenten in te gaan. We mogen er toch vanuit gaan dat Post zijn eigen boek wel gelezen zal hebben, maar heeft hij ook de consequenties begrepen van wat hij schreef?

    Als je leest wat prof.Post zelf schrijft, is zijn kritiek op Albert Delahaye geheel ten onrechte. Op zeer cruciale punten is hij het volkomen eens met Delahaye.

    Regelmatig gebruikt Post bewoordingen als: Al kunnen wij niet aantonen dat... (p.12), of Men neemt echter aan...(p.15) en Hoe zouden wij in staat zijn om... (p.17) of de zin "De historische gegevens over alle drie zijn zeer gering. Misschien zijn zij lro-Schotten geweest en van wat later tijd" (p.27). Zie voor meer voorbeelden de kolom hiernaast. De hier bedoelde 3 Iro-Schotten zijn Plechelmus, Wiro en Odger. Zij komen inderdaad pas later in de geschiedenis van Nederland terecht en wel door de deplachements historiques waarbij historische gegevens uit Frankrijk in Nederland geplaatst werden. Er blijkt dus geen enkel feitelijk bewijs om deze 3 predikers in Nederland te plaatsen. Door een opeenstapeling van fouten, waarop weer andere volgden, kwam Plechelmus in Oldenzaal terecht, een der merkwaardigste gevolgen van de legenden rond St.-Odilienberg. Lees meer over Plechelmus, die in Aldensele predikte, dat Audezeele in Frans-Vlaanderen is.

    Een cruciale oplossing van de hele problematiek rondom Willibrord en andere predikers en Echternach, beschrijft Post op p.28. Dit heeft Post niet verder onderzocht op waarheid en mythe, wat Delahaye dus wel deed. Lees alles over de werkwijze van Echternach die de hele Willibrord-mythe in Nederland heeft gelanceerd.
    Post schrijft: "Het regest is eerst in de elfde eeuw door Thiofrid, abt van Echternach, opgemaakt en in zijn Vita Willibrordi opgenomen, waarschijnlijk zonder datering. Ongeveer honderd jaar later heeft de monnik Diederik dit regest in de Liber Aureus van Echtemach overgenomen met een datum, die bijgeschreven moet geweest zijn of door Diederik zelf gemaakt. Diederik verhaalt, dat hij eerst later de oorkonde zelf in handen kreeg. Hij heeft het ten onrechte als een bevestiging beschouwd en op het jaar 726 geplaatst. Hierin is hij door modernen gevolgd, ofschoon het volkomen in strijd is met de termen van de oorkonde".
    De 'modernen' zijn de latere historici, zoals Beke en Heda, maar ook de tegenwoordige historici zoals Camps en Bijsterveld. Het regest van Diederik van Echternach, opgemaakt in de 12de eeuw, dat is ruim 4 eeuwen ná St.Willibrord, heeft de Willibrord mythe naar Nederland gebracht door het misverstand welke plaats Trajectum was. Was dat Utrecht, dat ondertussen die naam droeg? Of was het Tournehem-sur-Hem waar de Willibrord verering ondertussen nagenoeg verdwenen was?

    De argumenten van Post en de traditie:
  • de plaatselijke traditie is er onafgebroken geweest. Onafgebroken? Sinds wanneer? De oudste vermelding van Dokkum staat in een stuk uit 1332, waarin de plaats Dockinga wordt genoemd (zie D.P.Blok). Hoe weet Post wat de 5 eeuwen daarvoor is geschied?
  • De relieken werden er gezocht en gehaald, De hele handel in relieken stamt voor Nederland pas uit de 16de eeuw. Lees meer op ROB-bericht 1960-1961.
  • de plaats werd middelpunt van latere geloofsverkondiging. Hoeveel later? Van pas ná 1559? Zie hieronder prof.Rogier.
  • Er ontstond op wonderbaarlijke wijze een bron. In 1664 schrijft Schotanus als eerste over de bron van Dokkum, waarover hij schrijft: dat en geeft evenwel gheen fasticheyt tot bewys van desen fabel.
  • Bovendien zocht omstreeks 800 een Utrechtse auteur daar nadere inlichtingen over het gebeurde Die Utrechtse auteur is in de hele literatuur nergens te vinden. Utrecht bestond niet eens in 800.
  • en tenslotte werd er een klooster gesticht. Klooster Claerkamp stamt uit 1165. Dat is 4 eeuwen ná Bonifatius. Bovendien was het een Cisterciënzer klooster en niet van de Benedictijnen. (Bonifatius was een Benedictijn).
  • In de middeleeuwen trokken er dan ook pelgrims heen gelijk in de negentiende en twintigste eeuw. Vóór het jaar 1559 is van enige officiële verering van Bonifatius geen spoor te vinden. (Prof.dr.L.J.Rogier).
  • Thans is rondom de bron, die voor de ware Bonifaciusbron wordt gehouden, een fraai park aangelegd en er is een kapel gebouwd. Park en kapel stammen pas uit 1934.

    Willibrord trok uit Ierland met elf gezellen. Van dezen is eigenlijk alleen Al met al stellen deze argumenten niets voor. Lees meer over Bonifatius en over Dokkum.

  • Post blijft vasthouden aan de volgende achterhaalde mythen: de grote volksverhuizing, het kerkje van Dagobert in Utrecht, Willibrord als bisschop (maar niet van Utrecht zoals Post zelf stelde) en de moord op Bonifatius in Dokkum. Al deze uitgangspunten zijn door Albert Delahaye (of anderen) weerlegd.
    1. Of de grote volksverhuizing in werkelijkheid heeft plaats gevonden, wordt tegenwoordig door meerdere historici ernstig betwijfeld. Er is geen enkel bewijs voor. Lees meer over de grote volksverhuizing.
    2. Het kerkje van Dagobert in Utrecht dat door Post genoemd wordt (p.11, 20 en 34) kunnen we kort zijn: het bestaan ervan is nooit aangetoond in Utrecht, zoals uit archeologische bevindingen blijkt. Ook deze traditie blijkt een mythe. Post erkent wel dat van het Evangelie te verkondigen aan de Friezen niets terecht is gekomen (p.11). Dat kan ook niet, immers het kerkje heeft er nooit bestaan. Lees meer over de opgravingen op het Domplein.
    3. Over Utrecht kunnen we slechts wijzen op de eigen opgravingsverslagen van Oud-Utrecht waaruit blijkt dat Utrecht in de tijd van Willibrord niet eens bestond.
    4. Het bestaan van Dokkum in de tijd van Bonifatius wordt door de opgravingen uit 1960-1961 door H.Halbertsma faliekant tegengesproken. Post schrjft daar zelf overigens het volgende over "De plaats waar het martelaarsbloed heeft gevloeid is niet zo nauwkeurig en met even grote zekerheid aan te wijzen. Wel moet het geschied zijn in de nabijheid van Dokkum" (p.35). Moet het? Van wie moet dat? Van de traditie? Welke bewijzen zijn daarvoor? Lees de argumentatie van Post en de traditie in het kader hiernaast. Overigens stamt de Bonifatiuskerk in Dokkum pas uit 1872, die tevens het patronaat van St.Martinus droeg. Zo sterk was die verering voor Bonifatius toen ook weer niet. Zet daarbij dat het beeld van Bonifatius in Dokkum pas in 1962 werd opgericht, dan blijkt ook hieruit dat de verering voor Bonifatius voor die tijd nauwelijks iets voorstelde.

    Het is een aanrader voor iedereen die moeite heeft met de visie van Delahaye, dit boek van Post eens te lezen. Post spreekt meerdere keren de traditionele opvattingen tegen en schrijft (alleen al in hoofdstuk 1 tussen p.1 en p.46) bewoordingen als 'waarschijnlijk' (45x) en 'misschien' (36x). Daaruit spreekt toch slechts onzekerheid en dan bekeer je toch vanzelf tot de Ware Kijk Op de geschiedenis van Delahaye? Daarnaast vindt Post een bepaalde ontwikkeling 'opvallend' (8x) en noemt vaak 'dat we het niet weten' (zeker 12 keer in hoofdstuk 1), maar ook woorden als 'in hoeverre valt moeilijk te zeggen'. Ondanks dat blijft Post aan de traditionele geschiedenis vasthouden alleen zwakt hij die toch regelmatig behoorlijk af.


    De medewerkers van St.Willibord.
    Het is traditioneel bekend dat St.Willibrord naar het vaste land overstak in gezelschap van 11 gezellen. Het getal 12 (met Willibrord erbij) wijst uiteraard op de 12 aposten die het geloof gingen verspreiden. Het is al een aanwijzing op de legendevorming.
    Post schrijft over die medewerkers het volgende (p.25-27; let speciaal op de -door mij- onderstreepte woorden): Het hoofdstuk over de medewerkers van Willibrord zou helaas niet anders kunnen worden dan een kritische verhandeling over de bronnen en een bespreking van allerlei hypotheses. Post geeft hier al het probleem aan: 'hypotheses' vanwege het ontbreken van bronnen, maar met legenden opgevuld tot een aannemelijk verhaal.

    Van de gezellen van Willibrord is eigenlijk alleen Suidbertus met zekerheid bekend, hoewel Post daar in noot 1 wel bij vermeld: Een onecht leven gefabriceerd in de vijftiende eeuw en wel waarschijnlijk door Dirk Frankensz. Hij werd in 693 door de overige broeders tot bisschop gekozen. Allerlei hypotheses zijn opgesteld om te verklaren waarom Willibrord niet was gekozen. Dat Suidbertus in Nederland niet aan het werk is gegaan, is duidelijk het werk van Pippijn, die geen toestemming had gegeven en blijkbaar meer vertrouwen stelde in Willibrord. Hij zond Suidbertus naar de niet aan hem onderworpen Bructeren en liet Willibrord tot bisschop wijden. Suidbertus missioneerde daar een tijdlang, maar trok zich weer terug in het door hem gestichte klooster Kaiserswerth, waar hij in 713 stierf.
    Suidbertus missioneerde onder de Bructeren, die echter niet in Duitsland woonden, wat de traditie ervan maakte, maar in Vlaanderen en wel rond Broxeele. Let speciaal op dit detail. Als het gebied van de Bructeren niet onder Frankische gezag viel, reikte het gebied van de Franken niet over de taalgrens, of die Bructeren nu in Duitsland (traditie) of in Frankrijk (visie Delahaye) verbleven. Dan geven alle historische atlassen een onjuist beeld! Suitbert had reeds onder de Frisones gewerkt voordat hij tegelijk overstak met Willibrord en de zijnen, die hem twee jaar later terugzonden om bisschop gewijd te worden]: De broeders die in Fresia (Vlaanderen) in de prediking werkten, kozen uit hun midden Suitbert om tot bisschop gewijd te worden. Hij werd naar Engeland gezonden en daar door Wilfried gewijd... uit Engeland teruggekeerd, begaf hij zich kort daarna naar het volk van de Boructuarii, wat de inwoners van Broxeele waren. Het kon natuurlijk niet uitblijven dat de gegevens over Suitbert, en vooral zijn verblijf op een eiland bij de Renus, naar Duitsland werden getrokken. Dit had tot gevolg dat het eiland werd gesitueerd te Kaiserswerth (bij Dortmund), wat overigens pas in de 12e eeuw is gebeurd, die beruchte 12e eeuw, die men terecht de “Eeuw van de groot-Duitse doorbraak” mag noemen. In de oorspronkelijke bron (Beda, Historia gentis Anglorum, V, 10-12) is nergens sprake van Kaiserwerth. Dat is een legende uit de 12de eeuw.

    Post vervolgd het verhaal met: Een ander, die misschien tot de eerste, in ieder geval tot zijn Angelsakslsche gezellen heeft behoord, was Virgilius Laurentius. Hij is de man, die voor Wlllibrord enkele oorkonden opgesteld heeft en zich daarin nu eens Virgilius, dan weer Laurentius, dan weer Virgilius Laurentius noemde. Dat hij een Angelsaks was blijkt niet uit de formulering der oorkonden, die zich aan de Frankische methode houdt, maar aan het door hem gebruikte schrift van een door hem eigenhandig geschreven en in Echternach overgeleverd manuscript, het Martyrologium hieronynianum, dat te Parijs bewaard wordt. Van zijn werkzaamheid als missionaris weten wij overigens niets. Twee priesters, de zwarte en de blonde Ewald, hebben in de a!lereerste tijd kort onder Willibrord gewerkt. Zij schijnen echter toch niet tot de eerste twaalf behoord te hebben. Zij volgden later Suidbert van Saksen en werden in 693 vermoord. Willibrord beschouwde hen als martelaren en in het Calendarium van Echternach is de datum van hun sterven op 4 oktober, 'geboortedag van de martelaren Ewald en Ewald' aangetekend. In het Calendarium zelf in het Martyrologium is geen aanwijzing te vinden dat het ooit in Utrecht of Echternach is geweest. Het is altijd in de omgeving van St.-Omaars gebleven totdat het, vermoedelijk met de inbeslagneming van de archieven der Bertijns-abdij van St.-Omaars tijdens de Franse revolutie, naar Parijs werd overgebracht, waar echter zijn precieze herkomst evenmin bekend is. (Bron: Wilson, The Calendar of St.Willibrord, passim).
    Van Adalbert en Werenfried, die verder nog onder de gezellen van Willibrord worden genoemd, zijn wel vitae geschreven, maar zó laat en zó arm, dat wij er weinig houvast aan hebben. Adalbert zou bij Egmond gewerkt hebben en later zouden zijn relieken, door een droomgezicht van een gewijde vrouw (zuster, sanctimonialis) ontdekt, aanleiding gegeven hebben tot de bouw van een houten kerk onder Dirk I van Holland en tenslotte tot de stichting van de beroemde benedictijnerabdij daar ter plaatse. Hij genoot daar de hele middeleeuwen door bijzondere verering. Lees meer over de mythe van Adelbertus en over de mythe van de abdij van Egmond.
    Werenfried zou behalve in Wervershoof vooral in EIst en Westervoort gepredikt hebben. Hij stierf in deze laatste plaats, maar een niet door mensenhanden bestuurde ossewagen bracht zijn stoffelijk overschot naar EIst, waar Werenfried verder vereerd werd en tot patroon van de kerk verheven. Op de legende met de ossenwagen kwam men doordat in de kerk van Elst tussen de Romeinse resten o.a. beenderen van een os gevonden werden. Zo simpel zitten legenden soms in elkaar. Het Leven van Werenfried is alleen bekend uit een 14e eeuws verhaal, dat in Utrecht geschreven is. Toch bevat het enige elementen die naar de authentieke streek verwijzen. Opmerkelijk is dat de tekst in het meervoud spreekt over de rivieren van de Renus (=Schelde). Voorts noemt het de Batua “zeer bevolkt”, wat al per definitie de Betuwe uitsluit, alwaar uit deze periode geen archeologische bewoning van betekenis gevonden is. Westervoert heeft in de oorspronkelijke tekst ongetwijfeld gedoeld op Westbecourt, thans Acquin-Westbecourt op 9 km zuid van Tournehem. Op 6 km zuid-oost hiervan lag Elste, nu Elnes, dat hier dus als begraafplaats eerder in aanmerking komt dan het door de Vita-schrijver gesuggereerde 90 km zuidelijker gelegen Helisthe van Karel Martel. Het is wel duidelijk dat Werenfried geen enkele relatie met Elst heeft gehad, wel met Heliste-Marithaime dat Oust-Marest in Frans-Vlaanderen was. Lees ook meer over Elst.
    Als medewerkers worden ook nog opgegeven Plechelmus en Wiro, die beide bisschoppen zouden zijn geweest. De eerste heeft in het oosten van het land gewerkt. Zijn hoofd wordt in Oldenzaal bewaard. Wiro stichtte met Sint-Plechelmus en de diaken Otger de kerk op Sint-Odiliënberg. Alcuin houdt hen voor afkomstig uit Northumberland. De historische gegevens over alle drie zijn zeer gering. Misschien zijn zij lro-Schotten geweest en van wat later tijd. Volgens Beda stelde WiIlibrord meer dan één bisschop aan in zijn missiegebied. Het is zeer opvallend dat Plechelmus in Oldenzaal terrecht kwam door een 16de eeuws handschrift uit Roermond waarin St.Odiliënberg -totaal misplaatst- toegepast werd op Oldenzaal. Oldenzaal heeft geen enkele (kerkelijke) relatie gehad met St.Odiliënberg. Lees meer over de mythe van Plechelmus en Oldenzaal en over Sint-Odiliënberg.

    Het is wel duidelijk dat Post in dit verhaal over de medewerkers van Willibrord, zelf al duidelijk aangeeft dat over hen weinig betrouwbare bronnen, maar des te meer wonderlijke legenden bestaan. Als Post nu eens wat minder radikaal de visie van Delahaye zou hebben afgewezen, was hij misschien tot dezelfde conclusies als Delahaye gekomen. Het hele verhaal, inclusief Willibrord, hoort thuis in Frans-Vlaanderen. Onbegrijpelijk dat tegenwoordige historici dit nog steeds niet doorzien. Blijkbaar baseren zij hun opvatting nog steeds op wat in de 12de tot 16de eeuw beweerd werd en niet op de oudste klassieke bronnen (die allemaal uit Frankrijk (sic!) komen).


    Over de Romeinse tijd schrijft Post het volgende:

  • Het Nederlandse gebied behoorde daartoe sinds ongeveer het midden van de eerste eeuw vóór Christus (p.1). Dat zou dus betekend hebben dat Julius Caesar al in Nederland geweest zou zijn, wat een ooit aangenomen maar nooit bewezen opvatting is. Julius Caesar is nooit boven de taalgrens geweest. Lees meer over Romeins Nederland. Lees meer over Julius Caesar.

  • De Zuidnederlandse bevolking moet in hoofdzaak geromaniseerd geweest zijn. Het heeft ook de taal van de Latijnen overgenomen (p.2). Dit is werkelijk baarlijke nonsens. Hier sprak echt niemand Latijn. Het Latijn was ook geen spreektaal, maar een schrijftaal.

  • De overheersing van de Romeinse cultuur in Noord-Nederland ging echter niet uit boven de lijn Maastricht-Heerlen (p.2). Dan valt Nijmegen en alles langs de Rijn in Nederland er buiten. Post noemt ook de Romeinse villa's die de Romeinen overal bouwden. Maar in welke verhouding staat dat het niet boven de lijn Maastricht-Heerlen ging? In Nederland zijn slechts op enkele plaatsen resten van Romeinse villa's, wat men dan voor villa houdt, gevonden, het merendeel in Zuid-Limburg (zeker 15 van de 23 als zodanig genoemde; waarvan de 8 overige er 3 geheel onzeker zijn. Dan blijven er 5 over buiten Zuid-Limburg). Vergelijk dat eens met de Romeinse villa's in België. Klik hier voor een kaartje van Romeinse villa's in België, die praktisch allemaal onder de taalgrens liggen.

  • Wel waren er ook meer noordelijk enige Romeinse nederzettingen naast de militaire kampen, maar de culturele uitstraling ervan was niet zo intens (p.2). Hier bevestigt Post wat Van Es en anderen altijd beweerden: het Romeins in Nederland was allerminst van internationale allure. Het stelde niets voor. Om het dan voor te dragen als Cultureel Erfgoed, wat het ook geworden is, is gewoon flauweKUL.

  • Sinds het midden van de vierde eeuw hadden de Romeinen hier bijna onafgebroken te kampen met de opdringende Germaanse volkeren (p.3). Post is blijkbaar niet bekend met het feit dat de Romeinen rond 260 al uit Nederland vertrokken waren. Ook weet hij niet dat de grote volksverhuizing (p.5) nooit heeft plaats gevonden. Die Germaanse volkeren woonden al binnen het Romeinse Rijk en wel in Germania Inferior en Superior.

  • Maastricht, gelegen aan de Maas en op een knooppunt van Romeinse wegen (p.4). Hoe kan het dan dat Maastricht niet op de Peutingerkaart staat? Lees meer over de Peutingerkaart.

  • Toch vinden wij onder de overblijfselen van de Romeinse cultuur hier te lande zeer weinig wat op die overgang of op het christen-zijn van de bewoners vóór de grote volksverhuizing wijst. Wat in Nijmegen als zodanig is gevonden, is niet geheel overtuigend (p.2-3). Post ondergraaft hier enkele opvattingen van die Romeinse cultuur, met name in Nijmegen! Romeins Nederland heeft weinig voorgesteld, zoals ook W.A. van Es en A.W. Byvanck consteerden.

  • Blijkbaar gaat Post uit van de aanwezigheid van de Romeinen tot in de 5e eeuw (hij noemt het jaar 402 als einde van die aanwezigheid), maar laat de Romeinse invloed niet boeven de lijn Maastricht-Heerlen komen (p.2). Zou hij dan niet geweten hebben dat de Romeinen rond 260 uit Nederland vertrokken vanwege grote overstromingen?

    Over de opmars van Hunnen en Germanen (de grote volksverhuizing?) schrijft Post:

  • Friese en Saksische kolonisten verschenen aan de Vlaamse kust en vonden er een woonplaats. Dat heeft Post heel juist gezien! De vraag blijft: "Waar kwamen deze 'kolonisten' vandaan?"

  • In 358 ontvingen Salische Franken verlof van keizer Julianus om zich in Toxandrië te vestigen. Toen Stilicho in 402 de legioenen van de Rijn terugriep, was de laatste hindernis weggenomen. Talrijke volkeren drongen over de Rijn het Romeinse gebied binnen. De meeste trokken weliswaar veel verder dan de latere Nederlandse gebieden, maar ook in de lage landen geschiedde een verhuizing in de richting van het zuidwesten: de Friezen vulden het kustgebied van het noorden tot aan het Zwin, de Saksen kwamen tot aan de Ijsel, de Salische Franken trokken van de Rijn tot Doornik, de Ripuarische Franken vestigden zich tussen Midden-Rijn en Maas. De Saliërs vormden bovendien in de vijfde eeuw een niet onbelangrijke staat, die grote veroveringen in Wallonië en Noord-Frankrijk maakte en zelfs tot de Loire toe hier en daar nederzettingen vestigde. Ook Vlaanderen werd wat later door hen bevolkt. Zij leverden een groot deel van het Nederlandse volk, al werden natuurlijk de oorspronkelijke bewoners niet geheel uitgeroeid (p.5).
    Hier begint dus de feitelijke discussie, waarbij Post de traditonele opvattingen 'strak' volgt. Post vermeldt terecht het gebied tussen Doornik en de Loire als woonplaats van de Franken. Echter, zoals door historici momenteel wordt gevolgd, trokken de Romeinen zich rond 260 na Chr. terug uit Nederland vanwege de transgressies. In 358 en in 402 waren er geen Romeinen meer in Nederland. Waar lag dan Toxandrië? Waar lag dan het oude Frisia? Het gaat hier dus om historische geografie en daar heeft Post geen weet van gehad.

  • Daar al de nieuwe bewoners en de leiders van de nieuwe staat heidenen waren, komt de vraag op of de katholieke bevolking zich in de ommuurde steden heeft kunnen handhaven, of de bisschop met zijn geestelijkheid er gebleven is en de kerken in stand gehouden zijn. Het is niet waarschijnlijk. Wij horen er niets van en krijgen de indruk dat in de zesde eeuw in hoofdzaak van voren aan moest worden begonnen. Er was geen continuïteit in deze zin, dat de bisschoppen van de Romeinse tijd in een onafgebroken rij opvolgers kregen, die hun werk tijdens de volksverhuizing en de eerste jaren van de Frankische heerschappij hebben voortgezet. De later opgemaakte bisschopslijsten die dit doen veronderstellen, missen alle waarde. Wel bleef de herinnering bewaard aan de oude zetels, soms ook aan de gebouwen of resten ervan. Later konden nieuwe bisschoppen er zich vestigen en hun gezag in nieuwe verhoudingen uitstrekken tot aan de grenzen van de vroegere civitas (p.5). Als Post nu eens naar Albert Delahaye geluisterd had, of zijn boek uit 1965 eens kritisch gelezen had, was hij beslist tot dezelfde conclusie gekomen en had hij de visie van Delahaye niet 'afgebrand'. Er is nooit sprake geweest van continuiteit tussen Romeinse tijd en de 6e/7e eeuw en de diverse 'bisschopslijsten' missen alle grond, te beginnen met St.Servatius van Tongeren.



    Over de tijd van het eerste Christendom in Nederland en de predikers zoals Willibordus, schrijft Post in zijn boek onder meer het volgende:

  • Over het eerste Christendom begint Post met de geschiedenis van St.Servatius (4e eeuw). Hij schrijft: "In hoeverre Servatius' politieke houding in deze strijd om de macht in Gallië tot deze opdracht aanleiding heeft gegeven en of hij in het gezantschap een leidende rol heeft gespeeld, weten wij niet. Ook zijn verdere leven en het kerkelijk bestuur van zijn bisschopsstad Tongeren blijven voor ons een gesloten boek. Van zijn dood bericht ons de zesdeeeuwse, niet al te best betrouwbare kroniekschrijver Gregorius van Tours. Servatius, door hem Aravatius genoemd, zou gevlucht zijn voor het naderen van de Hunnen en zich begeven hebben naar Maastricht, waar hij spoedig de dood vond en begraven is. Daar de Hunnen eerst driekwart eeuw na Servatius'dood in het westen verschenen, kan dit bericht niet waar zijn". (p.4)
    Servatius lijkt althans vóór alles legendarisch te zijn geweest, bekend als de tiende bisschop van Tongeren en de eerste van Maastricht. In dit verband kan ook gewezen worden op de kritische studie 'De bisschoppen van Maastricht' (1985), waarin het legendarische karakter van Servatius benadrukt wordt. Dit temeer omdat van de Tongerse bisschoppen niets bekend is: contemporaine vermeldingen ontbreken volkomen. Uit studies blijkt die hele geschiedenis van St.Servatius van Tongeren/Maastricht op verhalen uit de 6e/7e eeuw gebaseerd te zijn. Blijkbaar was Post niet deskundig genoeg om dat zelf ontdekt te hebben of verder eens uit te zoeken. Post hield dus vast aan een niet te bewijzen legende, ook al schrijft hij in termen als 'dat weten we niet', 'een gesloten boek', niet al te betrouwbaar' en 'kan niet waar zijn'. Hij heeft dit verder niet onderzocht en dan verwijt hij Delahaye van alles, die het wel onderzocht heeft.

  • Het is inderdaad niet onmogelijk, dat het grootste gedeelte van de Franken, die in het katholieke Gallië woonden, geen grote moeite hadden de godsdienst aan te nemen. Feit is, dat wij noch in de grote kronieken, noch in de heiligenlevens, noch in de besluiten van de zesde-eeuwse Frankische synoden bijzonderheden lezen over de kerstening van het Frankische volk in Gallië. Van veel later ontstane legenden onbreekt elk bewijs. Toch moeten zij zijn overgegaan, want de missionarissen van het einde der zesde en het begin der zevende eeuw konden beginnen in Noord-Frankrijk, ongeveer bij Kamerijk, Noyon en Terwaan, het gebied van de rivier de Elno (p.7). Hier wijst Post de juiste streek aan waar het christendom het eerst gepredikt werd. En dan gaat het over de 7de eeuw (637), waarbij hij ook St.Amadus noemt en dan zijn we in Frans-Vlaanderen. Lees meer over St.Amandus.

  • Monniken uit het klooster van Luxeuil hebben ook gewerkt onder de heidense Franken, onder andere te Sint-Omaar (Audomar). Misschien mag de werkzaamheid van Sint-Acharius en Sint-Ouen er ook mee in verband gebracht worden, net als Sint-Eligius en Sint-Amandus, de eigenlijke missionarissen van de zuidelijke Nederlanden. Helaas zijn ook hun vita, kort na hun dood door leerlingen geschreven, later zo omgewerkt, dat zij ten dele de betrouwbaarheid hebben verloren. Zij brengen ons soms op een dwaalspoor, Eligius leefde lange tijd als leek aan het hof, doch werd in 640 bisschop van Noyon, waar hij tot zijn dood in 660 werkte. Het noordelijk deel van zijn diocees, in het bijzonder Doornik en omgeving, werd nog door heidenen bewoond. Zijn vita deelt ons in vage termen mede, dat hij het diocees rondreisde en onder de heidenen predikte. Toch is het duidelijk dat het christendom voor de bevolking nog nieuw is (p.8-9). Post zit hier niet alleen in de juiste streek, maar volgt precies de opvattingen van Delahaye. Dat was dus beslist geen waandenkbeeld. Lees meer over Sint-Acharius. En als je dan weet dat St.Eligius (St.Eloy) bisschop van Noviomagus (sic!), maar ook St.Amandus onder de Friezen predikten, wijst dat precies de juiste streek aan waar de Friezen woonden. Dat was dus niet in Noord-Nederland, waar rond 660 nog geen enkele prediker was geweest, tenminste we kennen daar geen enkele naam van. Volgens de Nederlandse traditie was St.Willibrord immers de eerste prediker onder de Friezen. Dit alles tekent hem (Amadus) als een voorganger en voorbeeld van Sint-Willibrord en Sint-Bonifacius, schrijft Post nog. Dan was Willibrord dus toch niet de eerste prediker onder de Friezen.

  • Amandus verbleef in de zuidelijke Nederlanden (van omstreeks 638 tot omstreeks 678). Als steunpunt van zijn actie stichtte hij kloosters, waar hij vanzelf medewerkers en leerlingen om zich heen verzamelde en van waar hij de omgeving trachtte te bewerken. Als zodanig diende eerst het door hem gestichte klooster aan de EIno, aan Petrus en Paulus gewijd, dat na Amandus' dood de naam ontving van de stichter, en nog Saint-Amand heet (vóór 639). Later heeft hij noordelijker een middelpunt gezocht en gevonden bij de samenvloeiing van Leie en Schelde, te Gent, waar hij volgens zijn biograaf ook een klooster stichtte en aan Sint-Pieter wijdde, namelijk Sint-Pieters of Blandigny te Gent (Sint-Bavo schijnt niet van hem te zijn). De Scheldestreek was het voornaamste van zijn vele arbeidsvelden (p.10). Hier volgt Post precies de visie van Delahaye. Laat U niet misleiden door de de term 'zuidelijke Nederlanden'. Daar hoort geen enkel stukje van Nederland bij en al helemaal geen enkel stukje van Duitsland, waar de traditie Amandus plaatst. De 'zuidelijke Nederland' moet men bezien van vóór 1713 en daar hoorde Frans-Vlaanderen bij, waar veel ouderen zelfs vandaag de dag nog Vlaams/Nederlands spreken. Lees meer bij Diets.

  • Het hoofdstuk over de medewerkers van Willibrord zou helaas niet anders kunnen worden dan een kritische verhandeling over de bronnen en een bespreking van allerlei hypotheses (p.25). Allerlei hypotheses zijn opgesteld om te verklaren waarom Willibrord niet was gekozen. Het schijnt wel, dat het geval niet zo iets bijzonders was als het ons lijkt (p.26). Hypothesen zijn naar voorlopige opvatting aangenomen veronderstellingen die nog bewezen moeten worden.

  • Er zijn verscheidene kerken en parochies, die hun ontstaan aan de actie van Sint- Willibrord toeschrijven, of plaatsen, waar de traditie leeft dat Willibrord er zou gepredikt en gedoopt hebben, welke laatste dan nog door het bestaan van een Willibrordusput wordt aangetoond, bijvoorbeeld Velzen, Woerden, Oss, Bakel, Deurne, Diessen enz. Ofschoon plaatselijke overleveringen wel eens op waarheid kunnen berusten, durf ik er toch niet onvoorwaardelijk geloof aan te hechten, omdat dergelijke tradities ook op andere wijze kunnen zijn ontstaan, bijvoorbeeld doordat later de abdij Echternach op haar in de Nederlanden zeer verspreide en uitgestrekte goederen kerken stichtte, gewijd aan de patroon Sint- Willibrord. (citaat p.23/24).

    Wat was Post hier dicht bij het oplossen van het hele probleem. Als hij nu eens doorgedacht had en de bronnen had onderzocht, kwam hij tot precies dezelfde conclusie als Albert Delahaye. Het was de noodlijdende abdij van Echternach die de hele Willibrord-mythe in Nederland heeft geplaatst op zoek naar bezittingen, wat dus 4 eeuwen na Willibrord gebeurde! Echternach heeft overigens zelf verklaard (en houdt dat nog steeds staande) dat Willibrord in Gravelines aan land kwam. En precies in Gravelines was het klassieke Frisia waar Willibrord missioneerde en waar een Willibrordkerk staat en men een reliek van de heilige bezit. Het complete corpus van St.Willibrord werd gevonden in die buurt en wel in Abbeville, de bisdomsstad van St.Wulfram, die de Friese koning Radboud zou dopen in Medemolaca (dat was niet Medemblik, maar Meldick bij St.Omaars). In Frans-Vlaandern komen al deze gegevens bij elkaar! Het corpus van Willibrord dat men in Echternach heeft is aantoonbaar vals.

  • Noord-Brabant was ten tijde van Willibrord zeker al met kerken omringd. Dat met Vaedrotlaeum en Rumleos, Waalre en Ruimel zouden zijn bedoeld is meer dan twijfelachtig. Uit het een en ander Uit het een en ander moet men besluiten, dat wij tenslotte voor het aannemen van een missieactiviteit van Willibrord in Noord-Brabant geen voldoende gronden hebben. (p.29). Hier spreekt Post een waarheid uit, die bevestigt wat Delahaye steeds beweerd heeft. Er zijn onvoldoende bewijzen voor de aanwezigheid van Willibrord in Brabant. Hij is er nooit geweest. Waar zijn al die kerken ten tijde van St.Willibrord gebleven? De archeologie heeft ze nooit gevonden. Let hier speciaal op: Post heeft over Waalre en Ruilem dezelfde twijfel als Delahaye, maar Delahaye ging op onderzoek uit en kwam met zijn interpretatie van Wattrelos en Rumilly in Frans-Vlaanderen terecht. Lees meer over de Kerken in Brabant. De oudste St.Willibrordkerken in Nederland stonden in Brabant (Raamberg en Alphen), maar werden pas in de 12de eeuw gesticht vanuit Tongelo en niet vanuit Utrecht! In Utrecht bestond nog geen enkele devotie tot St.Willibrord, dat begon pas begin 14de eeuw.

  • Post verwerpt ook de opvatting van C.Wampach dat hij aan het begrip Frisia geeft, waar Wampach niet alleen Friesland onder verstaat, maar ook de grensgebieden. Post noemt het 'een goochelen met woorden enkel 'pour besoin de Ia cause' (=omwille van de zaak) (p.29). Blijkbaar vindt Post dat Frisia slechts Friesland is. Maar dan heeft hij zijn eigen boek niet zorgvuldig gelezen, immers hij noemt ook andere gebieden die bij Frisia horen, zoals Holland tot de Rijn (p.15) en Utrecht (p.16).

    Als je dit als geleerde professor in de kerkgeschiedenis allemaal schrijft, geef je Delahaye toch gewoon gelijk, die met dezelfde twijfel begon en dat ging uitzoeken de bronnen erbij pakte. Hier blijkt ook dat aan de deskundigheid van Post toch ernstig getwijfeld mag worden. Weet hij niet dat de kerken in Brabant niet door Echternach gesticht zijn, maar enkele, zoals Klein-Zundert en Alphen, door de abdij van Tongerlo? Echternach heeft overigens in Brabant nooit kerken gesticht, slechts 4 bestaande kerken geclaimd waar St.Willibrord het oude rechten gehad zou hebben. Die rechten vielen dan Utrecht toe en niet Echternach, maar dit terzijde. In Holland werden alle claims van Echternach door de graaf afgewezen. Er bleek geen enkele grond te bestaan voor deze claims. De graaf bleek beter op de hoogte van de waarheid van de geschiedenis, dan de latere historici, die aan die 4 kerken er nog een 14 tal toevoegden die Echternach echter nooit geclaimd heeft. Lees meer over de kerken in Holland en over de abdij van Echternach.

    Post geeft in zijn boek Albert Delahaye gewoon gelijk, zoals dat de aanwezigheid van Willibrord in Utrecht een mythe is (zie kader). Maar over die mythe schrjft hij dan verder alsof er niets aan de hand is. Vergelijk ook wat Post in 1955 en 1958 schrijft (zie linker kolom) en wat hij in zijn boek uit 1957 schrijft. Blijkbaar mist Post voldoende geloof (sic!) in zijn eigen geschrijf. Hoe deskundige is Post dan feitelijk?

  • Wat opvalt bij lezing van dit boek (2 delen) over de Kerkgeschiedenis van Post dat er nogal veel onduidelijk is, maar wel wordt 'aangenomen' of 'verondersteld', maar dat er toch 'geen spoor' van gevonden blijkt te zijn, zoals van de vele kerken, die Post op p.78 noemt. Het zijn er liefst 73! Zie de opsomming in de linker kolom. Post voert de schriftelijke overlevering op als bewijs van het bestaan van al deze kerken en kerkjes. Hij schrijft er nog over: "Al kunnen de omstandigheden toen anders geweest zijn en bepaalde plaatsen meer betekenis hebben gehad dan het latere dorp van dezelfde naam, de volkrijkheid van die dorpen moeten wij niet hoog schatten. Wanneer er op zulke onogelijke plekken kleine kerkgebouwtjes zijn ontstaan, dan is het redelijk aan te nemen dat ook in andere bevolkingscentra van even geringe betekenis kerken aanwezig moeten zijn geweest, met andere woorden, dat op de Nederlandse bodem de kerken al ruim verspreid waren". Dat de primitieve kerkjes meest van hout waren en bovendien klein, geeft ons tevens een aanwijzing, wat de Noormannen hebben kunnen verwoesten.

    Ziet U hier de cirkelredenering? Er was een omvangrijke bevolking, want er waren veel kerken of moeten er zijn geweest, die in schriftelijke bronnen worden genoemd en waarvan het latere dorp dezelfde naam kreeg. Het zijn allemaal opvattingen waarvan Post meent dat het redelijk is dit allemaal aan te nemen.

    Post gaat verder niet in op de archeologie, maar verklaart het verdwijnen van die houten kerkjes met de plunderingen van de Noormannen. Hebben de Noormannen dan ook de palen (fundamenten) uitgegraven om in brand te steken?

    De grote misvatting van Post en de traditionele historici is de toepassing van plaatsnamen uit de klassieke bronnen op Nederlandse plaatsen. Echter in de 8ste eeuw, de tijd van Willibrord, bestonden veel van deze plaatsen blijkbaar slechts op papier, want de archeologie zwijgt hier als het graf (sic?). Lees meer over de kerken in Holland en de kerken in Brabant. Opvallend blijft dat latere historici,zoals H.Jansen, niet tot een aantal van 73 kerken en kerkjes komen. Veel plaatsen die Post nog noemt zijn daarna als kerk uit de tijd van Willibrord geschrapt, zoals de twee kerken in Utrecht. Ook in opvallend dat in de hele rij Willibrorduskerken juist de oudste Willibrorduskerk in Nederland, die van Raamberg, ontbreekt.

    We herhalen hier de visie van Albert Delahaye nog maar eens.
    Op veel plaatsen in Nederland claimt men een geschiedenis die gebaseerd is op Latijnse namen uit klassieke oorkonden. De plaatsnamen hierin heeft men zonder daarbij op geografische details te letten, op Nederlandse plaatsen met een (nagenoeg) gelijke naam toegepast. Een plaatsnaam die soms pas op een dorp werd geplakt, nadat men er de geschiedenis had geplaatst. Dat die plaatsnaam een gevolg was van de Deplacements historiques en het hergebruik van plaatsnamen heeft men niet eens begrepen. Evenmin heeft men bekeken of die plaats in het jaar van de oorkonde wel bestond. Als voorbeeld mag Dokkum dienen waar in de tijd van St.Bonifatius niemand woonde en er slechts een overstroomd waddengebied was. Dokkum bestond niet eens in de 8ste eeuw, wat met het opgravingsverslag uit 1960/1961 duidelijk is aangetoond. De naam van Dokkum kwam niet uit een vita over Bonifatius, maar een plaatsnaam die ontstond uit de geografische gegevens. De oudste naman van Dokkum waren Tockingen en Doccuga en niet Dockinchirica. Lees meer over Dokkum.






  • Lees meer over achtergronden om een goed begip te krijgen van waar de historici in de fout gingen.

    "Stabilitas loci"


    wetenschap is twijfel


    ongelooflijk


    Heiligenlevens


    Kletspraat


    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.